Alle berichten van Carla Oldenburger

Kranenburg begraafplaats in Zwolle

Overgenomen uit de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) als reactie op een bezoek aan deze begraafplaats door Marion Tiem (faceboek 24 juli 2016)

Begraafplaats Kranenburg Zwolle
Tuinarchitecten: Copijn, L.W. (1928); Bleeker, G. (1928-1931); Boer, W.C.J. (1973); Copijn Utrecht Groenadviseurs B.V. (1992)
Oppervlakte10 ha; Stichtingsjaar 1933

01.560.26
Tuinontwerp H. Copijn en Zoon (C.H. Schouten), 1928

‘De begraafplaats, tevens parkaanleg op het oude landgoed De Kranenburg, is in 1928 door de firma H. Copijn en Zn. in gemengde stijl of Nieuwe Landschapsstijl ontworpen. In deze stijl was het gebruikelijk geometrische vormen onder te brengen binnen de opzet van een groter park in landschapsstijl. Het betrof een prijsvraag. Inzenders naast de firma Copijn waren onder anderen de tuinarchitecten Th.J. Dinn, onder het motto ‘Rust’ en G. Bleeker, onder het motto ‘Opgang’. Het ontwerp van de firma H. Copijn en Zn. onder het motto ‘Gravenpark’, werd gemaakt door de mede-firmant C.H. Schouten. Volgens het jury-rapport maakte de ontwerper van ‘Gravenpark’ in zijn voorstel prachtig gebruik van het bestaande terrein en liet hij het begraafplaats- en parkgedeelte op fraaie wijze samenvloeien. De jury, waar onder anderen de tuinarchitecten L.A. Springer en H.A.C. Poortman deel van uitmaakten, sprak verder van mooie doorzichten en een vijver van ‘ongezochten eenvoudigen vorm’. In 1931 beschrijft J.T.P. Bijhouwer in ‘Het weekblad voor het landhuis’ de simpele elementen waaruit de begraafplaats volgens het ontwerp van de firma Copijn is opgebouwd, namelijk een rustige laan naar het plein van de tempel en bankgroepjes onder de bomen tussen de gravenvelden. Op de plaats van het vroegere landhuis ligt nu de stadskwekerij. De begraafplaats, die in 1933 in gebruik genomen werd, leent zich met zijn vele graspaden en de grote verzameling wintergroene coniferen goed voor een rustige wandeling. In 1992 is de begraafplaats met een klein deel uitgebreid waarop onder meer een islamitisch gedeelte, volgens ontwerp van Copijn Utrecht Groenadviseurs B.V.. Centraal in dit gedeelte ligt een vijver in de vorm van een gestileerde lelie, als symbool voor de levensloop, waarin het water van de bron naar een wijd bekken stroomt. Op de gehele begraafplaats is veel aandacht geschonken aan de vorm en het uiterlijk van de grafmonumenten, marmeren en strak gepolijste stenen komen er niet voor. In een hoekje van de begraafplaats is een verzameling fraaie en opmerkelijke oude grafmonumenten bijeen geplaatst.’

Waterval op Leyduin in 1816

Gisteren (3 augustus 2016) verscheen op de onvolprezen  websitepagina Librariana van Hans Krol een bericht over twee kunstenaars met banden met Heemstede, Pieter Bouman (1764-1828) en Albert Steenbergen (1814-1900). Naar aanleiding van dit bericht ging ik op zoek naar meer gegevens over Leyduin en haar cascade, maar lees vooral eerst het bericht op Librariana.

De Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998) geeft een korte beschrijving van de historie van de buitenplaats Leyduin (met enige correcties aangevuld door Gert de Kruif):

‘Leyduin en Vinkenduin vormen samen met Woestduin een aaneengesloten complex van buitenplaatsen op de overgang van de strandvlakte naar de duinen. Leyduin is voor het eerst vermeld in 1596 en was oorspronkelijk een hofstede met boomgaarden eromheen. In 1798 werd de plaats beschreven als een park met een hermitage (kluizenaarshut) op een heuvel, een beek, een cascade (waterval, aangelegd in 1759), een menagerie en een vinkenhuis, boomgaarden en moestuinen.

bouman3
Pieter Bouman (1764-1824), De waterval op Leyduin, 1816 (coll. Antiquariaat A. van der Steur, Den Haag)

Van deze oudste aanleg dateren nu nog de neogotische hermitage (afgelopen decennium hersteld) en de grenspalen uit 1701 met de naam Johan van Romswinckel, die thans bij de oprit naar het huis staan. Ook het nog gave lanenstelsel met enorme beuken vormde een onderdeel van de toenmalige aanleg. Het oude herenhuis op Leyduin  werd in het begin van de negentiende eeuw afgebroken. In 1874 werd een nieuw huis gebouwd dat in 1920 echter zo ongeschikt voor bewoning werd geacht, dat ook dit in 1921 werd afgebroken. Uit die tijd resteren nog wel een koetshuis en koetsiers- en tuinmanswoningen.

Tot 1900 liep een duinrel, een afwatering vanuit de duinen, door de beek en over de cascade op Leyduin. Het water was bestemd voor de drinkwatervoorziening van Amsterdam. Toen er waterleidingbuizen gelegd werden, zijn de beek en de cascade drooggevallen.

Nadat  ook het nieuwe Vinkenduin was afgebroken, werden op beide delen nieuwe huizen gebouwd naar ontwerp van architect A.de Maaker, Leyduin in 1921 en Vinkenduin in 1924. De tuinarchitect L.A. Springer ontwierp de aanleg bij beide huizen. Vinkenduin werd gekarakteriseerd door een zicht vanuit het huis in west-zuidwestelijke richting naar de duinen. Het dankt zijn naam aan de vinkenbaan die hier in 1752 werd aangelegd. Hier ving men vinken die gebruikt werden voor aarden wallen, die een veldje met lindebomen omsluiten. Een vinkenhuisje stond aan de vinkenbaan en is begin 20ste eeuw vergaan.

Het gebied is zeer rijk aan broedvogels en kent een uitgebreid scala aan stinsenplanten, met onder meer gevlekte aronskelk, wilde hyacint, wilde narcis en bosanemoon. De half in de grond gelegen appelkelder is in 1980 gerestaureerd en is nu een geliefde verblijfplaats van vleermuizen. In 1993 is het terrein rondom het huis gerenoveerd door de landschapsarchitect Victor van Boven.’

Beeklustpark Almelo gemeentelijk monument

Het Beeklustpark te Almelo en de gebouwen in en rond het park zijn aangewezen als gemeentelijke monumenten. Het gaat dan om het park, de stadsboerderij, het theehuis, het koetshuis en de woonboerderij Nieuw Engeland.

1280px-Eind_AA_weezebek

Op de website van sKBL (skbl.nl) is een uitstekende en uitgebreide beschrijving van het Beeklustpark en haar historie te lezen, hierbij overgenomen:

‘In het midden van de achttiende eeuw ontstonden rondom de stad Almelo een aantal complexen met lusttuinen tegen de achtergrond van de veel voorkomende wens van vermogende burgers, om een verblijf buiten de stad te hebben waar men in de vrije tijd met familie en vrienden kon vertoeven. Deze wens was mede ingegeven door het feit dat de hygiënische toestand in het kleine stadje erbarmelijk slecht was en de stank soms ondraaglijk werd, zoals de Almelose medicus J.W. Heppe reeds in 1785 meldde. Vandaar dat door inwoners die het zich konden veroorloven, royale tuin­complexen werden aangelegd met daarop een soort tuinhuis of een bouwwerk dat bijna voor een tweede woning zou kunnen doorgaan. De fraaiste tuinen lagen tussen het riviertje de Almelose Aa en de huidige Bornerbroeksestraat en gaven aan het gebied de bijnaam ‘Mennistenhemel’, omdat hier de leden van de Doopsgezinde Gemeente elkaars nabijheid zochten. Namen die hier nu nog aan herinneren zijn: Tuinstraat, Vijverstraat en Mennistenhoek.

Al naar gelang de wensen en financiële mogelijkheden kon men een buitenplaats met landhuis en uitgestrekte tuinen en parken aanleggen of moest men zich tevreden stellen met een enkele tuin, die men overigens wel smaakvol wist vorm te geven. Ingericht met vruchtbomen, heesters, een prieel en verlevendigd met visvijvers, koepels en theehuisjes waren het plekken waar men genoot van de knusse natuur en werden het uitingen van het geïdealiseerde landleven. Het was de plek waar de welgestelden van de Almelose burgerij in de zomer flaneerden in de deftige mode van die tijd en tijdens zwoele avonden het geluid van muziek, zang en dans zich vermengde met bloemen- en bloesemgeuren. Voor de gewone man leek het daar een aards paradijs, of zoals Ok­ker het in zijn boekje ‘Almelo vroeger en thans’ noemde ‘een soort hemel op aarde’.

De meer welgestelden kochten zelfs een groter stuk grond om er een buitenplaats te vestigen. Zo ontstond ook het ‘Beeklust’ aan de Nieuwe Graven dat qua omvang wel de grootste van allen was. Het waren ook doopsgezinde ondernemers zoals Hofkes, Coster, Bavink en Ten Cate die toen de basis legden voor de latere textielnijverheid in Almelo.

Een buitenplaats ontstaat. In 1777 kocht Egbert Coster van gravin Sophia van Rechteren ten overstaan van de Rigter Stein, rentmeester Staggemeier en de burgemeesters, Warnaar Hoben, Harwig en Joh. Revius, in de heerlijkheid Almelo een ‘toeslag’ grond ‘soo als deselve is gelegen tegenover de Hongerigen Wolf (nu theehuis Beeklust) bij Nije Gravens Brugge langs de vaart gelegen’. Coster kwam in het bezit van het grondstuk omdat zijn bod van 620 gulden slechts drie gulden hoger was dan dat van de familie Schimmelpenninck die er ook belangstelling voor toonde. Hij was gehuwd met Elisabeth ten Cate en woonde ‘Op de Plas’, het stadsdeel tussen Molenstreng en Hofstraat.

Als voorwaarde bij de verkoop werd vastgelegd dat de beplanting niet ten nadele van de rivier mocht zijn omdat deze als ‘vaart naar Swol’ een belangrijke functie had voor de scheepvaart. Datzelfde jaar kocht Coster voor 10 ducaten van Huize Almelo ook nog een uitdrift voor de op het grondstuk gevestigde boerderij. Hierdoor mocht men voor het vee van de omliggende gemeenschappelijke weidegronden gebruik maken. Op het grondstuk bouwde hij een eenvoudig driebeukig landhuis dat waarschijnlijk voornamelijk dienst zal hebben gedaan als verblijfplaats bij jachtpartijen of voor kortstondige verblijven. De aanleg is reeds kort na de aankoop tot stand gekomen, want op de kaart van Hottinger uit 1783 staat de buitenplaats reeds afgebeeld met de beide vijvers en de aanleg van de siertuin. Tussen de kaart van de landmeter C. Stemberg die hij omstreeks 1800 in opdracht van Coster vervaardigde en de kadastrale situatie in 1832 zijn weinig wijzigingen te zien.

Parkontwerp

De buitenplaats bestond uit drie onderling door lanen gescheiden delen. De lanen kenden een enkele laanbeplanting en werden begeleid door sloten. Aan de zijde van de Ledeboerslaan lag een omgracht terrein met aan de zuidzijde het landhuis. Binnen deze gracht lag een geometrische met paden doorsneden siertuin. De meest zuidelijke compartimenten bezaten een parterre de broderie, de anderen waren grasparterres. De ingang naar de buitenplaats lag op de huidige plaats tegenover het theehuis Beeklust, de beide poortpijlers waarvan het ijzeren hekwerk uit een latere periode stamt zijn nog beide aanwezig.

In 1814 werd het complex nog verder uitgebreid door de aankoop van een aangrenzend stuk groenland dat eigendom was van Hendrik Hagedoorn. Hierdoor was Coster verzekerd van de mogelijkheid om een rechtstreekse aansluiting te kunnen maken op de nieuwe Wierdensestraatweg waarvoor de plannen rond deze tijd ontstonden. De bij het landhuis behorende boerderij was van oorsprong een dubbeleggig woonhuis met de naam ‘Nieuw Engeland’, een bouwvorm die kenmerkend was voor de omgeving van Almelo. De huidige boerderij stamt uit 1926. Gezien de aanleg van het terrein, waarin twee langwerpige vijvers tussen het bouwland zijn uitgespaard, valt het niet uit te sluiten dat Coster dit deel van het complex benutte als bleek. De beide vijvers stonden in open verbinding met de Molenbeek (nu Weezebeek) en de Nieuwe Graven. De aansluiting van de vijver die met de Weezebeek in verbinding stond werd ook gebruikt als haventje.

Mogelijk werd hier turf aangevoerd dat voor verwarming diende en kon vanuit dit haventje op eendenjacht worden gegaan. Met enig speurwerk kan men dit nu nog in de huidige terreinsituatie terugvinden. Of Coster ook de bedoeling had om de linnennijverheid -bleeken en verdere bewerking- hier ooit uit te breiden is niet bekend, maar uitgesloten is dit niet gezien de oppervlakte die hij ter beschikking had. Het aan de Weezebeek grenzende deel van het complex werd in 1817 in het kadastrale register nog aangeduid als ‘akkermaalsbosch’, hieruit betrok men de brandstof (takkenbossen) voor de bakoven.

Het is niet bekend wie de oorspronkelijke aanleg van de buitenplaats heeft uitgevoerd. Er is wel eens verondersteld dat de Gildehauser landmeter J.I. Schrader die omstreeks 1772 in de directe omgeving van het buiten karteringswerk verrichtte en ook het sterrenbos van Borgbeuningen had ontworpen hier ook het ontwerp voor leverde. Maar zolang hiervoor het echte bewijs ontbreekt is het niet historisch verantwoord dit ook als vaststaand aan te nemen.

De oorspronkelijke beplanting is tevens bekend; de huidige lindenlaan achter de vroeger huisplaats was destijds eveneens met linden beplant, terwijl de in de bocht van de Nieuwe Graven gelegen laan bestond uit beplanting met eiken.

De nieuwe inrichting. De buitenplaats bleef tot aan 1894 eigendom van de familie Coster. De laatste bewoners van dit geslacht waren twee ongehuwde broers, Egbert en Herman Coster, die vanwege hun zeer sobere levenswijze de bijnaam ‘Mennistenmonniken’ droegen. Volgens de Almelose historicus G.J. Eshuis is de aanleg op dat moment inmiddels sterk achteruitgegaan en was van de vroegere allure die het buiten ooit bezat weinig meer over.

De nieuwe eigenaar werd de bankier Helmich Ledeboer, die de buitenplaats ingrijpend veranderde. Er werd een in chaletstijl ontworpen landhuisje gebouwd en de inrichting van het park kreeg in 1904 een vereenvoudigd landschappelijk karakter naar een ontwerp van Hugo Poortman. Hierbij verdween ook de geometrische aanleg rond het huis, deze werd omgevormd tot een met gras begroeide open ruimte waarin enkele solitairen maar ook boomgroepen werden geplaatst. De voorheen strakke vijvers werden veranderd door de oevers een gebogen vorm te geven, waardoor ze beter in de landschappelijke aanleg pasten. Er ontstond door de nieuwe aanleg een diverse afwisseling in de ruimtebeleving van een grootschalig ruimte en kleinschalige besloten elementen. Door zichtlijnen te creëren met het omringende landschap leek het net of het park groter scheen dan het in werkelijkheid was.

Of het ontwerp verder ook in zijn geheel werd uitgevoerd is niet bekend. Maar omdat enkele vroegere elementen gehandhaafd bleven die eigenlijk niet stroken met de visie over landschappelijke aanleg, b.v. de lindenlaan, zou men kunnen aannemen dat om de een of andere reden het ontwerp van Poortman niet volledig is gerealiseerd. Hugo Poortman volgde een opleiding bij Edouard André in Parijs. Voor diverse adellijke opdrachtgevers heeft hij parken ontworpen of heringericht, waaronder Weldam, Twickel, Middachten en Warmelo.

Beeklust wordt Slooplust. Toegangshek BeeklustVanaf 1949 werd het landhuis verhuurd aan de heer C. Post, directeur van de voormalige Twentsche Bank. Nadat het gehele complex in 1960 door de familie Ledeboer werd verkocht aan de gemeente Almelo woonde tot de sloop van het huis in 1975 hier de familie Ezendam. Deze sloop stuitte op grote weerstand onder de Almelose burgerij. Ook deed de Bond Heemschut te elfder ure nog een poging om het huis te behouden, maar tevergeefs. Op 15 juli 1975 lag het geheel plat. De plaatselijke pers veranderde de naam ‘Beeklust’ in ‘Slooplust’. De Rijksdienst Monumentenzorg betreurde de gang van zaken omdat het landhuis enkele jaren later ongetwijfeld op de monumentenlijst zou hebben gestaan. Reeds in september 1975 zou er zelfs een bedrag beschikbaar komen voor restauratie van de D.A.C.W. uit de pot ‘herstel landhuizen’ in het kader van de werkloosheidsbestrijding, maar het initiatief hiertoe had dan van de gemeente uit moeten gaan, maar die had andere plannen.

De gemeentelijke plantsoenendienst maakte een nieuw inrichtingsplan voor het park waarbij vele oude elementen voorgoed verdwenen en het karakter van het park sterk veranderde. Alleen de beide oude poortpijlers bleven bestaan en herinneren nog aan de oude buitenplaats.

In de navolgende jaren gaat het park sterk achteruit als gevolg van verloedering en vandalisme, terwijl ook het gemeentelijk budget voor het noodzakelijke onderhoud van het park beperkt was. Ook de bouw van een muziekkoepel en het organiseren van concerten tijdens de zomermaanden bracht hierin geen verandering.

Grand Canal. De situatie bleef niet onopgemerkt bij de heer E. ten Cate, bewoner van het nabijgelegen landgoed ‘Bellinckhof’, die in 1997 met een aanbod bij de gemeente komt om het park over te nemen en een gefaseerd restauratieplan te laten opstellen. Sinds hij zelf de Bellinckhof bewoont, heeft hij veel achterstallig onderhoud op het landgoed weggewerkt, en weet hij dus waar hij het over heeft. Hij dient een plan in bij de gemeente Almelo voor een ingrijpende revitalisering van het park waarbij er naar gestreefd diende te worden dat kenmerkende kwaliteiten van de verschillende periodes als uitgangspunt zouden worden genomen, waarbij een zekere vrijheid kon bestaan in de keuze van de elementen en de combinatie die ermee werd gemaakt. Dit plan vormde de basis voor een uitvoerig aanvullend rapport dat werd samengesteld door het Bureau voor historische tuinen, parken en landschappen te Wageningen. Ruim twintig punten bevatte het rapport die er uiteindelijk aan zouden moeten bijdragen dat het Beeklustpark een voor Almelo en wijde omgeving unieke recreatieve locatie zou worden en blijven met het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle karakter.

MuziekkoepelVanaf 2002 kwam het beheer van het park in handen van de Stichting Renovatie Beeklustpark. Dit plan werd vervolgens door de stichting uitgevoerd. Hierbij bleef de belangrijke recreatieve functie van het park gehandhaafd en zo mogelijk uitgebreid. Het bestaande lanenstelsel werd verbeterd en het achterstallig onderhoud weggewerkt. Parallel daarmee werd een verjongingsplan opgesteld. Hierdoor veranderde de grote middenweide in een lig- en speelweide. Het gebruik van de muziekkoepel werd gecontinueerd en gestimuleerd waarbij het meer het karakter van een theaterzaal kreeg door een glooiing in het terrein aan te brengen. Ter plaatse van de lindenlaan werd het oorspronkelijke grand canal weer hersteld. Hiervoor moesten alle linden enige meters verplaatst worden. Aan het einde hiervan in de zichtas een verhoging waarop een koepeltje.
In 2009 waren deze werkzaamheden afgerond. In de nieuw gebouwde muziekkoepel vinden regelmatig zondagmiddagconcerten plaats.’

 

Johanna Theodora barones van Dedem en Huis Den Berg te Dalfsen

800px-406208_Dalfsen_Huize_den_Berg_2010

Op Huis Den Berg bracht Johanna Theodora barones van Dedem (1835-1911), in familiekring Jeanette genoemd, haar jeugdjaren door totdat zij trouwde met Daniel Pruimers (1835-1859).

In de ‘Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur’, deel 2 (Rotterdam, 1996)  van de auteurs Carla S. Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, is de geschiedenis van de tuinaanleg van Huis Den Berg kort te lezen:

‘De monumentale havezate Den Berg bereikt men via een imposante zichtlaan van tweeënhalve kilometer lengte. Deze laan doorsnijdt een oude stuwwal, ‘een berg’ en hieraan ontleent Den Berg zijn naam. Oorspronkelijk liep deze laan achter het huis nog enkele kilometers door in een formele aanleg met een sterrebos. Het huis van de havezate, die oorspronkelijk uit 1483 dateert, werd in 1703 gebouwd met twee bouwhuizen en een voorplein. Het landgoed met de bijbehorende kavels is nog altijd gevat in een rechtlijnig stramien en de rechte lanen van de parkaanleg, reeds afgebeeld op een kaart van Samuel van Beinum uit 1742, zijn tijdens een wandeling in de omgeving nog duidelijk te herkennen. In de negentiende eeuw zijn de waterpartijen vergraven in landschapsstijl en kregen ook het noorden en het oosten van het huis een bescheiden aanleg in landschapsstijl. De aanleg rondom het huis werd uitgebreid met beukenhagen, een boomgaard, een ronde waterkom en knotlinden. Bijzonder is het voorplein met een laat negentiendeeeuwse inrichting met snoeiwerk en plantenslingers rondom een zonnewijzer. In de negentiende eeuw was het gebruikelijk een dergelijk voorplein te decoreren met sierperken, beplant met op stam gesnoeide planten en in het midden exoten als canna’s, palmen en fuchsia’s. Door de bewerkelijkheid van deze vorm van tuinarchitectuur zijn veel voorpleinen tegenwoordig vereenvoudigd, maar op Den Berg wordt deze traditie nog in stand gehouden. Den Berg wordt beschermd als Rijksmonument.’

Het leven van de weduwe Pruimers en haar relatie met dominee van Rijn is recent te boek gesteld door Wim Coster: De barones en de dominee: een verboden liefde in de negentiende eeuw (Amsterdam 2016).

debaronesendedominee_site1

(onderstaande tekst overgenomen van Uitgeverij Balans); zie ook de website van Adel in Nederland.

‘Zwolle, 1859. Als de jonge Jeannette Pruimers, geboren barones van Dedem, moeder van een dochtertje, weduwe wordt, vindt ze troost bij dominee Johannes Gerrit van Rijn, getrouwd en vader van drie, later vier kinderen. Hij bezoekt haar veelvuldig, ook ’s avonds laat. Dat leidt tot opspraak in de stad – en zelfs in het hele land, als in de zomer van 1863 het bericht de ronde begint te doen dat de weduwe in Zuid-Frankrijk een tweede kind heeft gekregen. De barones en de dominee, die alles ontkennen, krijgen het zwaar te verduren.

De schoonvader van de barones, een puissant rijke zakenman, wil zijn schoondochter onterven en haar de voogdij over zijn kleindochter ontnemen. Haar eigen familie gooit haar hardhandig uit het nest. De vrouw van de dominee blijft geloven dat de verhouding tussen haar man en de barones zuiver geestelijk is. Multatuli neemt het in een schotschrift op voor de weduwe. Uiteindelijk komt het tot een dramatische rechtszaak. De barones en de dominee ontvluchten Zwolle.

Wim Coster volgde hun sporen en stuitte op een familietragedie. Via brieven, testamenten, procesdossiers en krantenberichten reconstrueerde hij deze geschiedenis en kwam hij nog levende nazaten op het spoor. Zijn meeslepende verhaal, dat zich afspeelt in Zwolle, Salland, Zuid-Frankrijk, Zwitserland, Zuid-Engeland en Amerika, laat zien hoe oordeel en vooroordeel, recht en onrecht de verschillende levens een beslissende wending gaven.’

Herinckhave / Fleringen

Nieuw boek en advies over de inrichting van de toegangslaan

N.a.v de volgende nieuwe publicatie over de havezate Herinckhave te Fleringen, willen we onze lezers een artikel aanbieden over beeldenlanen: Gisela L.H. Bijleveld-von Bōnninghausen, Landgoed Herinckhave, 2016.

CnewMI1XEAAytAt

In 2004 bracht ons bureau een advies uit over deze havezate, en speciaal over de toegangslaan op deze buitenplaats, die de gemeente daar met beelden wilde inrichten. Dit advies viel negatief uit t.a.v. het plaatsen van die beelden daar.

Naar aanleiding van dit advies schreef Carla Oldenburger in Cascade Bulletin, jrg. 13 (2004), nr.1, een artikel: ‘Beeldententoonstellingen op historische buitenplaatsen‘. Pagina’s 10-17 gaan exclusief over de toegangslaan op Herinckhave.

Les trois Hollandaises bij Schoorldam

In het Stedelijk Museum Alkmaar is op dit moment (t/m 28 augustus 2016) een kleine tentoonstelling te zien over het werk en het verblijf van Pablo Picasso in Noord-Holland. Hij bezocht in 1905 vanuit Schoorldam het buitengebied van Kennemerland en West-Friesland en maakte onder andere dit prachtige schilderij van drie boerenmeisjes langs het Noordhollands Kanaal.

Pablo_Picasso,_1905,_Les_Trois_Hollandaises,_peinture_à_la_colle_sur_carton,_77_x_67_cm,_Musée_Picasso,_Paris
Pablo Picasso, Les Trois Hollandaises, 1905 (Musée Picasso Paris)

Waarom ben ik altijd al zo gefascineerd geweest door dit schilderij?  Eindelijk weet ik het. Dit beeld, dat wil zeggen dit ‘landschap’,  ken ik al vanaf mijn vijfde jaar. Ik zie hier een stolpboerderij bij Schoorldam langs het Noordhollands Kanaal, tijdens een ontmoeting van drie Noord-Hollandse vrouwen. Ik ken dit beeld uit 1944. Mijn moeder bracht mij op de fiets ‘naar de boeren’, omdat er te weinig eten was in Amsterdam. Onderweg langs het Noordhollands Kanaal raakte mijn karretje los van haar fiets, terwijl mijn moeder dat niet merkte en al kletsend met andere vrouwen,  doorfietste.  Zo stond ik alleen langs het kanaal tegenover een boerderij met een raar dak, een dak met een spiegel weet ik nu. Ik was de hele gebeurtenis vergeten totdat ik in 1980 met de auto een deel van hetzelfde traject aflegde. Plotseling zag ik in de buurt van Schoorldam, dat beeld weer voor me.  Kennelijk had het veel indruk op mij gemaakt. Hoewel ik veronderstel dat Picasso de drie vrouwen schilderde met de drie Gratiēn van Rubens of Botticelli in zijn achterhoofd, zie ik alleen op dit schilderij het pure Noord-Hollandse landschap met de karakteristieke monumentale stolpboerderij, het Noordhollands Kanaal en een Hollandse lucht.

Hoe is het mogelijk, monument en landschap, zaken die nog steeds belangrijk voor mij zijn.

Carla Oldenburger

Theodorus Beckeringh en de borgenkaart. Groninger Museum t/m 23 oktober

Mr. Theodorus Bekering (1712-1790, jurist en amateur cartograaf), was de samensteller van de Kaart of Land Tafereel der Provincie van Groningen en Ommelanden, voor het eerst uitgegeven in 1781.

Portret-Beckeringh

 Jan Abel Wassenbergh (1689 – 1750). Theodorus Beckeringh. Olieverf op doek, 1735. Part. Coll. Foto: Groninger Museum (John Stoel)

De kaart staat bekend als de borgenkaart van Beckeringh. In de rand van de kaart staan een groot aantal borgen afgebeeld, waarvan de ligging op de kaart zelf is aangegeven.

KBN020020416, 6/29/11, 9:54 AM, 8C, 7990x10385 (0+92), 100%, JUNI 2011 PPRO, 1/120 s, R44.1, G14.0, B13.8Detail van de borgenkaart van Theodorus Beckeringh

Het Groninger Museum besteedt nu (t/m 23 oktober 2016) extra aandacht aan deze kaart. Deze tentoonstelling gaat gepaard met een publicatie (vandaag 1 juli 2016 gepubliceerd) waarin de hele totstandkoming van de kaart met voorstudies (vanaf 1767) uit de doeken wordt gedaan.

Titel: De Atlas van Beckeringh: het Groninger landschap in de 18de eeuw, onder redactie van Martin Hillenga, Reinder Reinders en Auke van der Woud. Groningen/Zwolle, 2016. Introductieprijs € 39,95; na 25 september € 49,95.

De borgen die heden ten dage nog bestaan en op de kaart zijn afgebeeld, zijn de Rensumaborg in Uithuizermeeden, de Menkemaborg in Uithuizen,  de Fraeylemaborg in Slochteren en de Borg Verhildersum in Leens.

Zie ook Groninger Museum.

Dom Hans van der Laan. Tomelilla / Caroline Voet

Donderdag 30 juni 2016 , wordt een nieuw boek over het werk van Dom Hans van der Laan gepresenteerd:

Caroline Voet. Dom Hans van der Laan, Tomelilla: architectuurtheorie in de praktijk uiteengelegd. Amsterdam (Architectura & Natura), 2016.

Prijs € 59,50

63577_1

(overgenomen van de website van uitgeverij Architectura & Natura):

Dit boek geeft een nauwkeurige beschrijving van Mariavall, een Benedictijner abdij in Tomelilla, Zweden, ontworpen door de monnik, architect en theoreticus Dom Hans van der Laan.

De auteur onderzoekt het gebouw, ontrafelt het ontwerpproces in een gedetailleerde analyse, met beelden die niet eerder zijn gepubliceerd.

De wereldwijd geprezen architectuurtheorie over de architectonische ruimte, welke in vele talen is vertaald, is in deze studie gekoppeld aan het ontwerpproces van het klooster.

In samenwerking met de Van der Laan Stichting (9789461400000 also available in English).

And the winner is…uitslag René Pechère Prijs

DE LITERAIRE RENE PECHERE PRIJS IS GEËINDIGD MET TWEE WINNAARS (ex aequo):

Rene Pechereprijs uitreiking

Anne Mieke Backer (midden) en Mariette Kamphuis (rechts) krijgen de prijs (lauriertak in groen brons) uitgereikt (25 juni 2016)

De titels zijn:

Cover-web-Copijn

Copijn (1763-2013) Tweehonderdvijftig jaar tuinlieden, boomkwekers, boomverzorgers, tuin- en landschapsarchitecten. Auteur Mariette Kamphuis. Rotterdam, Uitgeverij De Hef, 2015

en

9789462081505_dijken_van_nederland_lola_landscape_architects_500

Dijken van Nederland. Auteurs Eric-Jan Pleijster en Cees van der Veeken (LOLA Landscape Architects). Rotterdam, Uitgeverij nai010, 2014, herdruk 2015.

Oldenburger Binnenstad en Buitenleven feliciteert de auteurs Mariette Kamphuis, Eric-Jan Pleijster en Cees van der Veeken en hun uitgevers De Hef en nai010 met dit prachtige resultaat.

Wij zijn verheugd dat we aan het eerste boek over het geslacht Copijn ook ons steentje hebben mogen bijdragen.

Zie ook ons bericht van 22 juni.

Piet Oudolf Stadsmuseum Doetinchem

Tentoonstelling: 25 juni t/m 29 oktober 2016

process-of-making-01Ontwerp van Piet Oudolf. Foto Piet Oudolf

673fcc40-35e4-4c23-9582-27c380048ce1_the-high-line3

The High Line New York. Foto Piet Oudolf

(overgenomen van de website stadsmuseumdoetinchem.nl);

Onder de rook van Doetinchem, in Hummelo, woont één van ’s werelds beroemdste tuin- en landschapsontwerpers: Piet Oudolf.

Zijn tuinen zijn tot ver over onze landsgrenzen bekend en geprezen. In Engeland, Zweden en de Verenigde Staten geniet Piet Oudolf inmiddels aanzienlijke bekendheid, waarvan de Highline en de The Battery, beide in New York bij het grote publiek waarschijnlijk het bekendst zijn.

Het Stadsmuseum Doetinchem wil met deze tentoonstelling aandacht schenken aan het werk van Piet Oudolf en zijn verdienste op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur. In de tentoonstelling zijn niet alleen een groot aantal foto’s te zien. Ook diverse originele ontwerptekeningen op transparanten zullen worden getoond. En wist u dat Piet Oudolf een mooie verzameling Vinyl Toys heeft? Een greep uit deze collectie zal eveneens te zien zijn.

Als u, zoals zovele anderen, geïnspireerd bent geraakt door het werk van Piet Oudolf, zijn privé tuin is tussen juni en oktober te bezoeken op donderdag, vrijdag en zaterdag tussen 11 en 16 uur tegen een geringe vergoeding (voor actuele openingstijden en nieuws, bezoek de website www.oudolf.com.