Categorie archief: Buitenplaatsen

Revolutie in de monumentenzorg? Studiedag KNOB


Het KNOB (Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond) heeft voor iedereen die maar geïnteresseerd is in historische bouwkunst en monumenten (ook groene monumenten vallen hieronder) een studiedag in petto (3 november 2017), waarvoor ik vandaag een
uitnodiging kreeg, die ik van harte wil aanbevelen. (zie hieronder).

Kent u het KNOB? Dit is een eerbiedwaardige vereniging die in 1899 is opgericht. Ook sinds 1899 wordt  het KNOB Bulletin uitgegeven. Onlangs verscheen Jg. 116 (2017) nr.3. De vereniging bestaat dus al 118 jaar en telt op dit moment ca. 600 leden.

Laatste nummer KNOB BULLETIN Jg. 116, no.3

De inhoud van de Bulletins is zeer divers. Voor geïnteresseerden van  groene monumenten is er niet altijd wat te vinden. Maar dat kan volgens mij makkelijk veranderen, want iedereen die een wetenschappelijk verantwoord artikel kan aan bieden is welkom. Op het multidisciplinaire gebied van  (tuin- en landschaps)architectuur, (kunst)geschiedenis en landschap, is dit het enige Nederlandse ‘peer-reviewed’ tijdschrift (in het nederlands met een engelse samenvatting). Voor lezers en schrijvers (op wetenschappelijk niveau) dus de moeite waard. Ik zou alle jong afgestudeerden willen oproepen om lid te worden en mee te doen.

Juliet was met groot genoegen van 2003-2010 studentlid  van het KNOB-bestuur.

Zelf schreef ik in het verleden de volgende artikelen in het Bulletin:

UITNODIGING STUDIEDAG OVER DE ACTUALITEIT VAN 100 JAAR GRONDBEGINSELEN VOOR DE OMGANG MET GEBOUWD ERFGOED

3 november 2017

Locatie: Lipsiusgebouw, zaal 005, Universiteit Leiden, Cleveringaplaats 1, 2311 BD Leiden

Tijd: 09.45 – 18.00 uur
Kosten: € 25 – € 60
Direct aanmelden

Geachte heer/mevrouw,

De Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB) in samenwerking met de Universiteit Leiden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodigen u van harte uit voor de studiedag ‘Revolutie in de monumentenzorg? De actualiteit van 100 jaar Grondbeginselen voor de omgang met gebouwd erfgoed’

De studiedag vindt op vrijdag 3 november a.s. plaats bij de Universiteit van Leiden. U kunt zich t/m 27 oktober a.s. inschrijven voor de studiedag Grondbeginselen.

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond grondbeginselen formuleerde voor de omgang met waardevolle historische gebouwen. In een tijd waarin er nog geen wetgeving was voor monumenten en geen Rijksbureau voor de Monumentenzorg (de voorganger van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) formuleerden vooraanstaande leden van de bond een aantal Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Alle 31 Grondbeginselen werden in 1917, met een inleiding van Jan Kalf, gepubliceerd in Leiden. De studiedag op 3 november gaat over de context waarin de Grondbeginselen tot stand kwamen en de manier waarop wij vandaag de dag met historische gebouwen omgaan. De studiedag markeert de pensionering van prof.dr. Marieke Kuipers (TU-Delft en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) die decennialang actief is geweest op het gebied van de monumentenzorg, herbestemming en restauratie-ethiek.

PROGRAMMA

9.45 uur Opening en inleiding: de Grondbeginselen van 1917 door drs. Henri Lenferink, voorzitter van de KNOB en Burgemeester van Leiden

Ochtenddeel
Voorzitter: prof.dr.ing. Dirk Jan de Vries, Universiteit Leiden – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

10.00 uur Dr. Wies van Leeuwen, vh. Provincie Noord-Brabant: Vader en zoon Cuypers. Een generatieconflict in de monumentenzorg

10.30 uur Dr. Eric Caris, Gemeente Roermond: De Munsterabdij in Roermond, behoud ging niet helemaal voor vernieuwen

11.00 koffiepauze

11.30 uur Drs. Marieke Knuijt, Geldersch Landschap en Kasteelen: ’t Kan verkeren. De restauratiegeschiedenis van kasteel Doorwerth

12.00 uur Prof.dr. Thomas Coomans, Katholieke Universiteit Leuven: Van Ieper tot Athene: de uitdagingen van de Belgische monumentenzorg in het Interbellum

12.30 uur Dr.ir. Wido Quist, TU Delft: Grip op de materie

13.00 uur lunch

Middagdeel
Voorzitter: drs. Michaëla Hanssen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

14.00 uur Ir. Annette Marx, Marx & Steketee architecten: Oude gebouwen, nieuwe vormen. Interventies in de praktijk

14.30 uur Ir. Job Roos, Bureau Braaksma & Roos/ TU Delft: Leren luisteren naar gebouwen

15.00 uur theepauze

15.30 uur Nicholas Clarke, Arch.Pr. promovendus, TU Delft: Amsterdams Jeruzalem en de effecten van decentralisatie

16.00 uur Prof.dr. Marieke Kuipers, TU Delft/ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ®evolutie in de monumentenzorg?

16.30 uur discussie onder leiding van drs. Henri Lenferink, voorzitter van de KNOB en Burgemeester van Leiden

17.10 uur afsluitende borrel

Kosten deelname
€ 45 KNOB-lid
€ 60 Niet-leden
€ 25 KNOB-studentleden
€ 35 Niet-leden studenten
€ 35 Medewerker RCE (inschrijven met e-mailadres RCE)

SPECIALE ACTIE:
Wordt nu lid van de KNOB voor 2018, krijg het laatste nummer van het Bulletin 2017 cadeau en de ledenkorting op de studiedag voor €105 (studenten € 55).
U kunt zich t/m 27 oktober 2017 inschrijven voor de studiedag ‘Grondbeginselen’.
Overige informatie kunt u vinden op www.knob.nl of door een mail naar info@knob.nl te sturen.

SKBL Internationale Summerschool 2018

Wester Amstel klein

Wester-Amstel, Amstelveen

(overgenomen uit de SKBL Nieuwsbrief)

De sKBL Internationale Summer School

Onlangs zijn de voorbereidingen voor de oprichting van de sKBL International Summerschool van start gegaan. Dit initiatief richt zich op de bestudering van onze Nederlandse kastelen en historische buitenplaatsen door een internationaal gezelschap van professionele onderzoekers, (museum)conservatoren, historisch groenexperts, interieurkenners en een ieder die vanuit een relevante professionele achtergrond kennis wil opdoen van ons Nederlandse monumentale erfgoed. Uitdrukkelijk zal de samenwerking worden gezocht met Nederlandse eigenaren van kastelen en buitenplaatsen. Dit initiatief baseert zich op de Engelse Attingham Summer School. Die organisatie biedt in Engeland en al sedert jaren intensieve kennisprogramma’s en excursies aan. Veel Engelse eigenaren werken met plezier mee aan de realisatie van het excursieprogramma, daar telkens blijkt dat het ontvangen van een groep experts voor zowel de deelnemers als voor de gastheer/vrouw verrijkende momenten opleveren.

Het programma, dat jaarlijks zal worden aangeboden en vermoedelijk telkens een lengte van tien dagen zal hebben, zal toegankelijk zijn voor academici met voor KBL relevante professionele activiteiten (onderzoek, advisering, etc.). Ook voor hen die praktische professionele kennis bezitten die het beheer en behoud van KBL ten dienste is, zullen zich kunnen aanmelden. Omdat de organisatie van deze summerschool ervan uitgaat succesvol te zullen zijn, gelden selectiecriteria voor toelating tot de cursus. Gezien de ontvangstmogelijkheden op veel Nederlandse buitenplaatsen zal het maximale aantal deelnemers per cursus onder de 40 personen blijven.

De leden van het curatorium zijn ir. Julia Hennig (architect Rijksvastgoedbedrijf), prof. dr. Johan de Haan (hoofdconservator Paleis Het Loo) en drs. René W.Chr. Dessing (directeur sKBL). Op dit moment worden leden voor een comité van aanbeveling en Raad van Advies aangezocht. Voorts onderzoekt het curatorium de mogelijkheid om beurzen beschikbaar te kunnen stellen voor hen die wegens financiële beletselen niet kunnen deelnemen. Onder een voorbehoud wordt er naar gestreefd om het eerste cursusjaar in 2018 van start te laten. Dat jaar zal het programma betrekking hebben op de Amsterdamse historische buitenplaatsen. De voertaal van de Summer School wordt Engels. Voor vragen, opmerkingen en/of verzoeken mailt u rdessing@skbl.nl

Gereconstrueerde tuin van Kasteel Assumburg gemeentelijk monument

Reconstructie-ontwerp (Nico Brantjes) van Tuin Kasteel Assumburg te Heemskerk

Naar aanleiding van de plaatsing van de tuin van Kasteel Assumburg (Heemskerk) op de gemeentelijke monumentenlijst, vraagt het Erfgoedteam van ‘Mooi Noord-Holland’ zich komende week af of een reconstructie van een verdwenen tuin een monumentale status verdient en welke redenen daarvoor dan zijn aan te geven?

Hieronder volgen twee van de weinige ‘archiefstukken’.  “Zicht op het kasteel vanuit de tuin” en “Zicht op de tuin vanuit het kasteel”, uit Het Zegepralend Kennemerland vertoond in 100 heerlijke gezichten / H. de Leth, en M. Brouërius van Nidek. [1729-1732].

Het lijkt me goed dat in het algemeen eerst de volgende vragen worden gesteld:
* Welke definitie voor “monument” wordt aangehouden door een gemeente? Gaat het alleen om “van groot belang voor de gemeente” of ook om “grote cultuurhistorische waarde”?

De volgende vragen doemen op als de gemeente ook cultuurhistorische waarde meeweegt.
* Wat rest er nog ondergronds uit de aanlegperiode van de tuin? Is er sprake van archeologische tuinresten in de vorm van planten- zaden (meestal alleen boomzaden en boomresten uit een latere periode), historische parterres-steenslag, ceramiek-resten, historische waterleidingen, vloeren van bassins, delen/scherven van tuinbeelden etc.
* Is het grondoppervlak dat in het verleden ingenomen werd gelijk aan het huidige grondoppervlak binnen dezelfde grenzen? En is dit altijd onbebouwd gebleven of ook (misschien gedeeltelijk) in een landschappelijk park omgevormd, eventueel tijdelijk?
* Zijn alle tuinbeelden en tuinvazen die nu in de tuin staan nieuw en zijn de beelden en vazen die we van de gravures kennen alle vervangen door kopieën of moderne beelden of slechts de belangrijkste?
* Zijn de parterres bij de reconstructie in vereenvoudigde vorm gereconstrueerd of (bijna) precies en volledig gereconstrueerd?
* Is Buxus sempervirens door Ilex crenata of door Lonicera nitida vervangen en wat heeft dat voor effect?
* In geval van Assumburg omsluiten de boomgaarden nu de tuin heel mooi, maar dat was niet oorspronkelijk zo. Wat is het effect en het verschil?
* Een rozentuin en een kruidentuin liggen in de tuin van Assumburg op de plaats van de voormalige groentetuinen. Maar een rozentuin als verzameling rozen in bedden werd rond 1730  niet zo toegepast. Dergelijke rozentuinen in Nederland worden pas aangelegd vanaf ca. 1850.

Ik heb de tuin van Assumburg eenmaal bezocht en vond het een geslaagde aanleg, geïnspireerd door de aanleg uit 1730, maar “vlakker”, “minder levendig, minder frivool” dan de oorspronkelijke barokke/rococo tuin.

Het is een geslaagde reconstructie  als je het hebt over een nieuwe aanleg “in de trant van”, een tuin met herinneringen aan het verleden, maar wel een nieuwe tuin met nieuwe materialen en nieuwe beelden, nieuwe hedendaagse ideeën. Om respectvol en zuinig mee om te gaan, dat zeker.  Maar een monumentenstatus?
Mijn advies zou zijn: als de gemeente oordeelt dat de tuinaanleg voor de hele gemeente  van grote cultuurhistorische waarde is of uniek is voor de provincie waarin de tuin is gelegen, dan geen bezwaar, maar wel met een voorwaarde hieraan gekoppeld.

En die voorwaarde is dat de gemeente een onafhankelijke waardestelling laat opmaken waarin ook een vergelijkend onderzoek wordt opgenomen, want een reconstructie als monument waarderen is niet alledaags. Tuinen als die van Paleis Het Loo, Kasteel Staverden, Huis Bergh, Tuinen van Marxveld etc. zijn overeenkomstige gevallen. Hebben die ook een monumentenstatus of is die gewenst en om welke reden? Als daar helderheid over is verkregen,  wordt een beslissing nemen over de vraag van plaatsing helderder en gemakkelijker.

Petersburg langs de Vecht; Kernhem op de Veluwe

Bij de Nederlandse Kastelenstichting zijn/zullen (9 september) de volgende boeken verschenen/verschijnen:

Petersburg, Roem der Hoven: de verdwenen lusthoven Peters de Grotes agent Christoffel Brants. Hilversum/Wijk bij Duurstede, 2017.

onder redactie van Fred Vogelzang. Auteurs  Claudette Baar-de Weerd, Harry Donga, Fred Vogelzang, Emmanuel Waegmans en Leo Wevers.

Kernhem: een adellijk slot aan de rand van de Veluwe

onder redactie van Fred Vogelzang. Auteurs Elisabeth Demesmaeker, Fred Vogelzang, Ben Olde Meierink m.m.v. Taco Hermans en Carla Oldenburger. Wijk bij Duurstede, 2017.

ANTONI VAN LANGELAER HOVENIER OP BUREN (1685)

ANTONI  VAN LANGELAER UIT BUREN (1685)

Afgelopen dagen correspondeerde ik met een collega over haar onlangs verschenen artikel in Bulletin KNOB. Helaas niet op Internet te lezen, maar ik geef hierbij de titelbeschrijving:

Lenneke Berkhout. Jan van der Groen, hovenier van de Prins van Oranje: nieuwe archiefgegevens over zijn leven. Bulletin KNOB 116 (2017), nr. 2.

Jan van der Groen is zou men kunnen zeggen tot heden de bekendste 17de eeuwse hovenier, en het is dan ook heel belangrijk in het kader van de geschiedenis van de Nederlandse tuinkunst dat meer gegevens over het leven van hoveniers en over de tuinkunst in het algemeen boven water komen.

Hierboven: Zou dat prachtige monogram (uit te voeren in buxus neem ik aan) bedoeld geweest zijn voor de tuin in Buren?

Het artikell van Berkhout noemt ook andere hoveniers die voor de prins van Oranje werkten, o.a. Anthoni van Langelaer. Ook hij schreef een boek, dat nooit is gedrukt maar wel als een boek is samengebonden. Het kreeg de titel mee (in later handschrift geschreven):

Verzameling, van afbeeldingen van bloem en grasperken, doolhoven, tuinhuizen, lustprieelen, latwerken, boomen, bloemen en planten. [Buren], 1685.

Omdat ik met vakantie ben en omdat het komkommertijd is, twee  mooie illustraties  uit dit manuscript. En ik kan het natuurlijk niet nalaten te zeggen, ga dit kunstwerk vooral eens bekijken in de Bibliotheek Wageningen UR.

Ook zal het hele manuscript binnenkort op Internet te bewonderen zijn. Houd het dus in de gaten.

 

 

Vacantietripje Kasteeltuin Doornenburg

Zo maar een tochtje langs de Waal, even net doen alsof we met vakantie zijn. We bezochten Kasteel Doornenburg, uiterst oostelijke Betuwe. Echt kasteel, maar geheel herbouwd na de Tweede Wereldoorlog.

Opvallende zaken:

  • de tuinvakken op de voorburcht, alleen vierkante grasvlakken, maar heel mooi, omdat het kasteel  daardoor heel duidelijk de ruimte krijgt;
  • de lakenvelders in de kasteelweide;
  • de sinds kort verboden Reuzen Bereklauw in de kasteelgracht (die moet echt verwijderd worden!!!);
  • de prachtige hoogstamboomgaard en wat niet goed te zien is op de foto’s, het schitterende landschap rondom het kasteel.

Het raadsel van de ceder op Leeuw en Hooft.

Anja Kroon stuurde mij het navolgende artikel toe. Het is gepubliceerd in Heerlijkheden 173, 2017. Op de weblog van Cascade Tuinhistorisch Genootschap vroeg Leo Goudzwaard al in een weblog van 1 september 2009 wie er meer wist over deze ceder. Het raadsel werd toen niet opgelost, maar nu wel, al is nog niet alles duidelijk.

HET RAADSEL VAN DE CEDER

Anja Kroon (Zij vraagt commentaar!)

Met excuus voor het weglaten van de illustraties.

Over de libanonceder in de tuin van Bronsteeweg 59 in Heemstede doen veel verhalen de ronde. Hij zou geplant zijn door Carl Linnaeus of, als hij niet zo oud kon zijn, wellicht door de bekende tuinarchitect J.D. Zocher. Wat is waar? Historisch onderzoek naar de plek waar de imposante boom sinds mensenheugenis staat, bracht verrassende feiten aan het licht.

In het tijdschrift Bomennieuws verscheen in de zomer van 2016 het artikel ‘De Libanonceder van Heemstede.

Geplant door Carl Linnaeus?’ waarin de schrijfster aan de hand van verschillende theorieën probeerde de leeftijd van de boom te bepalen. Want wat zou het mooi zijn als deze ceder een van de oudste van Europa zou zijn, zoals het verhaal gaat. Ceders worden als bij- zondere bomen gezien, hun mythische geschiedenis en afmetingen spreken tot de verbeelding en dat verklaart wellicht de belangstelling tot op de dag van vandaag voor deze bomen.

Nieuw onderzoek

Wat opviel in het artikel was dat er vooral botanische of tuinhistorische argumenten gebruikt werden en er
nog geen historisch onderzoek gedaan was naar de plaats waar de ceder nu staat. Het verhaal was voor een deel op veronderstellingen gebaseerd, wat een goede aanleiding was om deze te toetsen aan de feiten. Was de tuin een deel van de buitenplaats Bronstee geweest zoals gezegd werd of maakte hij deel uit van Bosch en Hoven, zoals iemand anders opperde? Geen van beide bleek waar. Het perceel waar de ceder nu staat, was meer dan honderd jaar de overtuin van buitenplaats Leeuw en Hooft.

Het perceel aan de westkant van de Bronsteeweg op de hoek van de Crayenestervaart heeft tot 1802 toebehoord aan verschillende kleerblekers die hier hun bedrijf uitoefenden. We mogen aannemen dat daar toen geen ceder stond. Ceders waren nog zeldzame bomen die te bijzonder waren om in gewone tuinen te planten. Alleen eigenaren van buitenplaatsen en parken konden zich zo’n exotische boom veroorloven.

In 1802 werd het perceel gekocht door de Haarlemse koopman Pieter Kops Goedschalksz. Hij had in 1798 de buitenplaats Leeuw en Hooft aangekocht en wilde een vrij zicht vanuit zijn bezit op de bocht van de Binnenweg. Hij liet de gebouwen van de blekerij die in de weg stonden afbreken en vanaf 1802 was het perceel van de voormalige kleerblekerij de overplaats van Leeuw en Hooft.

Nu overleed Pieter Kops in 1803, dus in hoeverre hij tijd had voor zijn tuinplannen is niet bekend. Zijn weduwe zal de overtuin als moes- of teeltuin hebben gebruikt, zoals de grond kadastraal geregistreerd stond. Weduwe Kops, geboren Van Oosten de Bruijn, verkocht in 1828 de buitenplaats en de overtuin aan Walrave van Heukelom. De familie Van Heukelom had het buiten en de overtuin in bezit tot het eind van de 19de eeuw.

Zij heeft de tuinen van de buitenplaats opnieuw laten ontwerpen en aanleggen. Schilder en tekenaar Petrus Josephus Lutgers (1808-1874) schreef rond 1840 dat J.D. Zocher de tuinarchitect van Leeuw en Hooft was. Maar wat hebben de Van Heukeloms met de ceder te maken?

Op 14 oktober 1881 raasde er een orkaan over Nederland die in het hele land veel schade veroorzaakte. In het Stadsarchief van Amsterdam is hierover een briefje uit 1882 bewaard gebleven van Henriëtte Adriana van Heukelom (1816-1894). Zij woonde met haar zuster Louise Victoire (1818-1891) na het overlijden van hun ouders, in de zomermaanden op Leeuw en Hooft. In deze notitie schreef zij dat bij de zware storm de ceder op Leeuw en Hooft was omgewaaid. Henriëtte die juist die dag jarig was, betreurde de val van de boom. Zij besloot als herinnering aan de geliefde ceder uit het hout een aantal salontafeltjes voor de familie te laten maken. De tafeltjes werden een jaar later verstuurd op 5 december, vergezeld door een toepasselijk sinterklaasgedichtje:

’k Werd op Leeuw en Hooft geboren   ’k Zag veel jongens in mijn kruin Welk lot is mij thans beschoren  Nadat ik viel in haren tuin.

Als meubel zie ’k my herleven Des Ceders van den Libanon Wil my nu een plaatsje geven In ’t hoekje van un stads Salon. 5 december 1882

De volgende morgen aan het ontbijt ontving Henriëtte al een paar bedank- briefjes. Neef Jan Boissevain stuurde een bedankje in dichtvorm. Hij haalde herinneringen op aan de zomers in het gastvrije witte huis, waar de kinderen ravotten in de tuin of de kippen en de herten voerden. Hoe grootvader stoeide met ‘het vroolijk klein gespuis’ en hij zijn ‘wein’ge lessen leerde halfweg in ’s Ceders kruin’. Hij bedankte zijn tante voor haar lieve geschenk dat uit de oude ceder was gemaakt.

Op de prent van Lutgers is goed te zien dat aan de noordkant van de Crayenestervaart een veranda is gebouwd, vanwaar de bewoners een mooi uitzicht hadden. Die veranda stond er op dat moment nog niet zo lang, want pas in 1837 was het huisje van weduwe Timmer dat daar stond, aangekocht en gesloopt. Dat wijst erop dat Walrave van Heukelom bezig was zijn tuin te verfraaien, hoewel er op het moment dat Lutgers de prent maakte, op het overstuk nog niet veel van een tuinaanleg te zien was.

Op het schilderij dat P.J.C. Gabriel (1828-1903) in 1851 maakte, blijkt de veranda in een paar jaar tijd geheel over- groeid. Nu is ook de overtuin herschapen in een fraai aangelegd plantsoen.

Het lijkt aannemelijk dat de familie Van Heukelom, toen de tuin eenmaal compleet was aangelegd en aangeplant, Gabriel opdracht heeft gegeven het resultaat in olieverf vast te leggen. Maar helaas, ook op dit schilderij staat geen ceder afgebeeld.

Een ander argument dat ervoor pleit dat de ceder bij het huis zelf stond, is een beschrijving van een wandeling
in het Haarlemsch Advertentieblad op 29 december 1880. De wandeling ging langs Leeuw en Hooft, waarbij de verslaggever opmerkte: ‘Nauwelijks is men dit brugje [Blauwe Brug] 100 pas-

Waar stond de oude ceder?

Er is dus inderdaad een oude ceder op Leeuw en Hooft geweest, maar die is in 1881 omgewaaid. Er zijn verschil- lende redenen om aan te nemen dat de boom niet in de overtuin stond, maar
in de tuin van Leeuw en Hooft zelf. Een daarvan is dat de boom niet weergege- ven is op twee 19de-eeuwse afbeeldingen van het overstuk, zoals het ook genoemd werd.

In 1840 maakte Petrus Lutgers een prent van het huis en de overtuin die, naar het noorden gezien, links van de huidige Bronstweeweg lag. Op de prent Leeuw en Hooft vanuit het zuiden gezien, rond 1840 gete­ kend door Petrus Josephus Lutgers (1808­1874). Op de overtuin, links van de sloot, is van tuinaanleg nog geen sprake. (Detail van de oorspronkelijke afbeelding.)

sen over gewandeld of men krijgt een verrassend uitzicht op een kleine maar allerliefsten aanleg bij dit buitenverblijf behorende, die het bewijs levert dat een man van smaak noch veel ruimte noch veel hulpmiddelen nodig heeft om in een tuinaanleg iets werkelijks schoons te scheppen, een vroeger onaanzienlijke sloot en een smalle 10 à 15 schreden brede strook lands zijn hier in een sierlijke en smaakvolle aanleg herschapen’. Ook hier geen woord over een ceder, die een jaar voordat hij omwaaide toch een monumentale grootte moet hebben gehad.

Tot slot vermelden de kadastrale kaarten voor dit perceel tot 1853 als bestemming moes- en teelgrond.

Fabelachtige leeftijd

Wie de ceder die in 1881 omwaaide heeft geplant, is niet bekend. Toen Jan van Heukelom, geboren in 1836, zijn lessen leerde halverwege de kruin, moet hij al groot zijn geweest. Een aanplant door J.D. Zocher jr. is dus onmogelijk. Henriëtte schrijft in haar versje dat de ceder op Leeuw en Hooft is ‘geboren’, dus als klein boompje is aangeplant. Heeft Pieter Kops dat rond 1800 gedaan? Of Jacob Abraham van Lennep misschien, die de plaats, nog zonder overtuin, bezat van 1783 tot 1798. Of, maar ook dat is speculatie, Diederik Smith, eigenaar vanaf 1744, die in 1753 druk bezig was de tuin rond zijn buitenplaats te verfraaien door er ruimtelijke doorkijkjes te laten plaatsen (zie HeerlijkHeden 172). Hij zou door zijn wereldwijde handelscontacten zeker in staat zijn geweest een ceder aan te kopen. Ceders waren al bekend, de eerste libanonceder werd in 1638 in Engeland geïntroduceerd.

Een aanplant door Smith zou de mythe kunnen verklaren dat de Heemsteedse ceder de oudste van Nederland zou zijn. In Haarlems Dagblad van 3 oktober 1927 verscheen een artikel waarin J.F.Ch. Dix van het blad Floralia werd geciteerd. Dix had vernomen dat de ceder 175 jaar oud zou zijn en dus geplant rond 1752. Niets van dit alles is tot nu toe bewezen.

Knipsel uit
de Katholieke illustratie uit 1926 waarin de leeftijd van de boom op 175 jaar wordt geschat.

 Aan het begin van de 20ste eeuw is de ceder al duidelijk naar één kant gegroeid. Op een andere af­ beelding staat hij ingeklemd tussen andere bomen en struiken, wat die vorm zou kunnen verklaren.

Een nieuwe ceder

Het is goed mogelijk dat Henriëtte van Heukelom na de storm een nieuwe ceder op de overplaats heeft laten planten, waarop de verhalen over de ouderdom van de omgewaaide ceder in de loop der jaren zijn overgegaan. Het betekent dat de huidige ceder helemaal niet zo oud is als sommigen hopen. Afbeeldingen uit het begin van de 20ste eeuw tonen een fraaie, maar vrij kleine boom die beeldbepalend was voor de entree van Heemstede vanuit Haarlem, want vóór de aanleg van de Heemsteedse Dreef was de Bronsteeweg de belangrijkste toe- gangsweg.

Reddingsactie

De mythe over de ouderdom die onlos- makelijk met de ceder verbonden was, zorgde ervoor dat in de winter van 1984 een grote reddingsactie op touw werd gezet toen een zwaar sneeuwdek de boom bijna fataal werd. In januari viel er in vrij korte tijd een laag van twintig centimeter op de kruin. De boom die al een beetje scheef hing, kon het gewicht niet aan en stortte neer. De kranten schreven met enige overdrijving: ‘Heel Heemstede rouwt’ en ‘een monument is ter ziele’, waarbij tegelijk ook de veron- derstelde leeftijd werd bijgesteld naar 400 jaar. Op initiatief van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek werd een reddingsactie op touw gezet. De boom bleek te redden door de kroon drastisch terug te snoeien en een houten constructie te maken die de boom moest stutten. Het benodigde bedrag van 10.000 gulden kwam voor de helft van sponsors en de eigenaar betaalde de rest. De HVHB droeg 1000 gulden bij evenals de gemeente Heemstede.

Monumentenstatus

Ook anno 2017 zijn de meningen over de ouderdom van de boom aan de Bronsteeweg niet eensluidend. Het Landelijk Register Monumentale Bomen van De Bomenstichting noemt de Cedrus libani in 2015 monumentaal en in goede conditie en schat het plantjaar tussen 1750 en 1800. Leo Goudzwaard, verbonden aan de Wageningen Universiteit en gespecialiseerd in bijzondere bomen, mocht de boom in 2009 bekijken voor het schrijven van zijn boek Bijzondere bomen in Nederland. Ook hij ging uit van de gegevens die op dat moment voorhanden waren en schatte het plantjaar tussen 1735 en 1745. Inmiddels is zijn mening veranderd. Gezien de geschiedenis die nu op tafel ligt, verbaast het hem eigenlijk niet dat de ceder niet zo heel oud is. ‘Dit kan zeker een ceder zijn die geplant is aan het eind van de 19e eeuw’. Het is niet eenvoudig te zeggen hoe snel ceders in dikte groeien, dat hangt onder andere af van de bodem waar de boom groeit en van de verhouding licht en schaduw. ‘De beste manier om de leeftijd te bepalen is met een aanwasboor een boorkern van 5 mm dik te monsteren en de jaarringen te tellen. Dit is voor de boom geen probleem omdat cederhout zeer duurzaam is en de boom in 1 jaar het gaatje dicht.’ Daar hebben andere boomdeskundigen bezwaar tegen; een open verbinding met de kern van de boom is volgens hen een bron van schimmels.

Op dit moment wijst alles erop dat de ceder aan de Bronsteeweg aan het eind van de 19e eeuw geplant is en dat betekent dat de boom inmiddels toch een aanzienlijke leeftijd bereikt heeft. Hij is door zijn grootte en vorm mede beeldbepalend voor het aanzicht van het noordelijk deel van de Bronsteeweg. Het raadsel van de ceder is niet onbetwist opgelost, maar de geschiedenis van deze monumentale boom is wel een stukje opgehelderd.

Bronnen

Noord-Hollands Archief, Collectie van archiefstukken afkomstig van eigenaren van buitenplaatsen. Toegang 3877, inv.nr.7.NHA, Collectie van documentatie van Hans Krol betreffende Heemstede (Collectie Heemstede). Toegang 1176,doos 226.

http://nha.courant.nu

Stadsarchief Amsterdam, Archief van
de Familie Boissevain en Aanverwante Families. Toegang 394, inv.nr. 980 en 992.

Veronica van Amerongen, ‘De libanonceder van Heemstede Geplant door Carl Linnaeus?’, in: Bomennieuws, zomer 2016 en op

http://groendirectieholland.nl)

https://www.monumentaltrees.com/nl/ Landelijk register van monumentale bomen op http://www.bomenstichting.nl

Met dank aan Carla Oldenburger en Leo Goudzwaard.

 

Erfgoed van de week (19-26 juli), o.a. Amstelrust, zie rapport uit 2003.

Erfgoed van de Week (19-26 juli) | Amsterdamse buitens

(overgenomen van de website Gemeente Amsterdam), met verwijzing naar het rapport van Oldenburgers Historische Tuinen uit 2003:

Amstelrust: historisch overzicht van tuin en park. 

In het kort

Omdat de grachten in de 17de en 18de eeuw enorm stonken zochten welgestelde Amsterdammers in de zomermaanden verfrissing buiten de stad. In Amsterdam zijn twee van deze buitenplaatsen, die nu binnen de stadsgrenzen liggen, bewaard gebleven.

Op deze pagina– Erfgoed van de Week | Amsterdamse buitens

Buitenplaats Amstelrust | foto Gemeente Amsterdam

De grachtengordel werd in de 17de en 18de eeuw alom geprezen om zijn schoonheid, maar had één belangrijk bezwaar: het stonk er enorm. Vandaar de omschrijving van ‘schone maagd met een stinkende adem’. Reden voor welgestelde Amsterdammers om ter verfrissing in de zomermaanden hun grachtenpanden te verruilen voor buitenplaatsen rond de stad.

Een buitenplaats in de polder

In de polders buiten de stadsomwalling verrezen vanaf de 17de eeuw tientallen buitenplaatsen langs de Amstel, de Bullewijk en de Holendrecht, de Haarlemmertrekvaart, de Overtoomsevaart en Schinkel, de Sloterweg en in de Watergraafsmeer. Voor de bouw van een buitenhuis werd vaak een bekende architect ingeschakeld en ook aan de tuinen werd zorg besteed. Deze werden bijvoorbeeld opgesierd met fonteinen, beelden, theekoepels, exotische planten in kassen en bijzondere vogels in volières. Met de komst van de stoomtrein in de 19de eeuw verruilden steeds meer stedelingen hun buitenplaats onder de rook van Amsterdam voor één in de omgeving van Utrecht of Gelderland. De overgebleven buitenhuizen werden eind 19de eeuw opgenomen in de nieuwe uitbreidingswijken van de stad.

Huize Frankendael | foto Gemeente Amsterdam

Amstelrust en Frankendael

Van al deze Amsterdamse buitenplaatsen zijn er slechts twee bewaard gebleven: Amstelrust aan de Amsteldijk en Frankendael aan de Middenweg. Met afmetingen van ca. 12 x  9 m zijn ze 2,5 tot 3 keer breder dan een gemiddeld 18de-eeuws stadshuis. Over de oorspronkelijke tuininrichting van Frankendael is een en ander bekend geworden dankzij archeologisch onderzoek, waarbij een 18de-eeuwse plantenkas of oranjerie is teruggevonden.

Archeologische onderzoek bij Huize Frankendael | foto Monumenten en Archeologie

Rust en Werk

Bij archeologisch onderzoek zijn ook verdwenen buitenplaatsen opnieuw gelokaliseerd, zoals het 17de-eeuwse buitenhuis Rust en Werk dat bij de herinrichting van het terrein van het voormalige Stadsarchief aan de Amsteldijk tussen de Rustenburgerstraat en Tolstraat is opgegraven. Na de sloop van de buitenplaats in 1887 bleef de naam hiervan voortleven in het naastgelegen ‘Rust en Werkspad’, de tegenwoordige Rustenburgerstraat.

Prent van hofstede Rust en Werk uit 1730 | Stadsarchief Amsterdam

Erfgoed van de Week

In de rubriek Erfgoed van de Week staat elke week een bijzondere archeologische vondst, vindplaats, voorwerp, monumentaal gebouw of historische plek in de stad centraal. Via de webpagina amsterdam.nl/erfgoed, Twitter @erfgoed020 en Facebook Monumenten en Archeologie delen de erfgoedexperts van Monumenten en Archeologie het erfgoed van de stad met Amsterdammers én overige geïnteresseerden.

Landgoederen van Petrus Regout

Landgoederenzône Maastricht – Meerssen. Langs de weg van Maastricht naar Meerssen liggen verspreid een aantal landgoederen, die tussen 1851 en 1865 zijn aangekocht door Petrus Regout, van de bekende aardewerkfabriek De Sphinx. Op deze kaart is het grote familielandgoed Vaeshartelt afgebeeld, en ten zuiden hiervan de  landgoederen  La Grande en La Petite Suisse en ten noordoosten Klein Vaeshartelt. Bekijk de kaart nauwkeurig door de kaart aan te klikken. Mijn volgende column in ‘Kasteel en Buitenplaats’ (Nederlandse Kastelenstichting) gaat over de landgoederen van Petrus Regout en die van zijn 9 kinderen.

Doorzichtkunde en perspectief van Diederick Smith (1753)

Boeken over perspectief en tekening van een mooi veld-perspectief.

Ontwerptekening van het perspectief dat Diederick Smith in 1753 in de Hout liet plaatsen. Coll. Nood-Hollands Archief

Bij de boeken die Zocher jr. erfde van D. van den Bosch (zie ook laatste pdf Zochers Online)  zien we ook een aantal boeken over perspectiefleer of doorzichtkunde van de auteurs N. Hartsoeker  (Proeve der Deurzichtkunde en natuurkunde, 1699); C. Kramm (Werkdadige doorzichtkunde, 1830); S. Berghuis en C. de Gavere ( Handleiding der practische doorzichtkunde, 1868); C. Philips (Doorzichtkunde, 1823); en J.T. Thibaults (Application de la perspectieven linéaire aux arts du dessin, 1827). Het gaat hier om leerboeken, met vele prenten verluchtigd.

Gezien de jaartallen van publicatie zou het heel goed kunnen zijn dat Zocher jr. de perspectieftheorie in de boeken van Kramm, Philips en Thibaults zich eigen heeft gemaakt, voorzover dat nog niet het geval was.

Het  perspectief werd in de 18de eeuw niet alleen toegepast in de teken- en schilderkunst, maar ook kende men ‘het perspectief’ als zijnde een bouwwerk(je) dat het zicht vanuit een buitenplaats kon vergroten (verlengen). Bovenstaande tekening is een perspectief dat geplaatst was op de buitenplaats ‘Leeuw en Hooft’ bij Heemstede.

De grondaankopen alleen gaven de buitenplaats niet de allure die bij een succesvol koopman hoorde. Om de plaats te verfraaien diende Diederik Smith, destijds wonend op de buitenplaats Leeuw en Hooft,  in september 1753 een verzoek in bij de stad Haarlem om een zogenaamd ‘perspectief’ in De Hout te mogen maken. Dat wil zeggen dat er een zichtas gemaakt werd vanaf Leeuw en Hooft door het kreupelhout en de bomen aan de zuidzijde van De Hout, waar aan het eind het perspectief geplaatst werd. Het bouwwerkje werd versierd met ornamenten en aan beide zijden beschilderd. Soortgelijke perspectieven kennen we ook van een aquarel van Hendrik Spilman uit 1763 en van de ontwerptekening van Petersburg langs de Vecht uit 1723.

De buitenplaats Leeuw en Hooft was in de zomer van 1757 klaar om de bruiloft van de oudste dochter Anna Catharina (1730-1799) met de uit Moskou afkomstige koopman Nicolaas Konauw groots te vieren. In een van de bruiloftsgedichten die bij deze gelegenheid werden voorgedragen of gezongen werd ‘Leeuw en Hooft’ geroemd vanwege zijn ligging in de groene wandeldreven van Heemstede. In een ander werd het fruit geprezen dat op de buitenplaats werd gekweekt en dat het bruiloftsmaal extra glans gaf.

Met dank aan Anja Kroon / Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek.