Categoriearchief: Buitenplaatsen

Beschermwaardige houtopstanden Amsterdam

Openbare Ruimte en Groen

Het college van B en W van Amsterdam heeft één centrale adviescommissie voor monumentale bomen ingesteld. Deze commissie adviseert de gemeente over welke bomen op de lijst ‘beschermwaardige houtopstanden’ moeten worden geplaatst. Door deze lijst behoudt Amsterdam een bijzondere collectie levend erfgoed die qua uitstraling, ecologie en educatie past bij de stad. Juliet Oldenburger maakt deel uit van deze adviescommissie.

Ruimte & Duurzaamheid en Monumenten & Archeologie hebben het initiatief genomen samen met de stadsdelen de kaart monumentale bomen en ander waardevol groen te ontwikkelen. De kaart geeft zowel de beschermwaardige houtopstanden weer (waaronder monumentale bomen) als de groene rijks- en gemeentelijke monumenten.

Kaart monumentale bomen en ander waardevol groen

Amsterdam plant al meer dan 400 jaar bomen. Storm, boomziekten en de dynamiek van de stad maakt echter dat de oudste bomen in deze stad ‘slechts’ zo’n 250 jaar oud zijn. Het grachtenpatroon met bomenrijen is uniek in de wereld. Om waardevolle bomen en houtopstanden beter te beschermen en beheren stellen stadsdelen – of voor grootstedelijke gebieden de centrale stad – lijsten van beschermwaardige houtopstanden vast. Dit gebeurt op basis van bomenverordeningen. De beschermde status houdt in dat een boom in principe niet wordt gekapt. Ook wordt er extra aandacht aan het beheer en aan het onderhoud besteed. De diverse lijsten zijn samengebracht op deze kaart.

Een ‘beschermwaardige houtopstand’ is een monumentale boom of een andere houtopstand, zoals houtachtige klimplanten, herdenkingsbomen, klim- en klauterbomen en bijzondere heesters. Een monumentale boom is minimaal 50 jaar oud en heeft minstens een van de volgende kenmerken: beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, natuurwaarde en zeldzaamheidswaarde. De minimale stamomtrek is 31 cm. Overige beschermwaardige houtopstanden kunnen ook jonger zijn, zoals bijvoorbeeld herdenkingsbomen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘boom die alles zag’ in de Bijlmer.

Groene rijks- en gemeentelijke monumenten

Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Let op
Het is een kaart in ontwikkeling die wordt aangevuld zodra nieuwe beschermwaardige houtopstanden zijn benoemd of bestaande lijsten zijn geactualiseerd. Stadsdelen hanteren soms andere definities van monumentale bomen. Op deze kaart zijn alle bomen en houtopstanden ondergebracht onder bovenstaande stadsbrede definitie.

(voor het grootste deel overgenomen van: https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/gebouwen-gebieden/monumentale-bomen/

Nieuws over Harmen de Vries (1753-1837), architect en ‘projectontwikkelaar’

Met een boekwerkje getiteld ‘Johannes Montsche & Harmen de Vries’ (uitgegeven door TuinTerTijd Bureau voor Tuinhistorie 2013) èn met een later artikel ‘Harmen de Vries en Zoon’ in Cascade Bulletin Jg.20 (2017), nr.1 (p. 25-35), heeft Arinda van der Does aandacht gevraagd voor genoemde architecten. Nieuwe gegevens over Harmen de Vries werden recentelijk door ons gevonden in verband met buitenplaatsen die hij door koop verwierf, namelijk Rozenburg in de Watergraafsmeer en Wallenstein in Loenen aan de Vecht.

Rozenburg, uit de Bloemperken naar het Huis. Ets Daniël Stopendaal, 1725. Stadsarchief Amsterdam
Toegangshek Buitenplaats Wallestein, XVIII. Loenen a/d Vecht

Er zijn een klein aantal ontwerpen van Harmen de Vries bekend (Library Wageningen University / Special Collections heeft enkele buitenplaatsen en een toegangshek, en Stadsarchief Amsterdam bewaart enkele ontwerpen van huizen en een kerk en een duiventil), maar tot voor kort was het zo goed als onbekend welke (delen van) buitenplaatsen en welke huizen deze ontwerpen voorstelden en kenden we ook weinig persoonsgegevens van De Vries. In genoemde artikelen worden enige vragen opgelost, maar het is duidelijk dat meer gegevens vinden over deze personen deels afhankelijk zal zijn van toevallige vondsten, zoals deze.

De buitenplaats Rozenburg (of Oud-Rozenburg of Meerlust of het Viskaantje) was gelegen in de Watergraafsmeer, ten zuiden van de in 1890 door Leonard Springer ontworpen Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Topografische kaart 1894, met de Nieuwe Oosterbegraafplaats en de buitenplaats Rosenburgh

Op de website Buitenplaatseninnederland.nl (met verwijzingen naar oudere bronnen) is te lezen over Rozenburg: “Govert Loten liet in 1642 op deze plek een huis bouwen dat hij Het Viskaantje noemde. In 1681 kocht de Amsterdamse zijdefabrikant Jacob van Lennep (1631 – 1704) de buitenplaats en noemde het Meerlust. Via de dochter van Jacob van Lennep, Ingena, kreeg haar echtgenoot Pieter Rutgers de buitenplaats in bezit. In 1697 werd hij door keizer Leopold I in de adelstand verheven en kreeg hij de toevoeging ‘van Rozenburg’ bij zijn naam. Híj zal dan ook de naam Rozenburg aan zijn Amsterdamse buitenplaats hebben gegeven… … In 1801 werd de buitenplaats eigendom van Harmen de Vries en Roelof Gelke. Gelke richtte er na 1802 een theetuin in. In het begin van de 19e eeuw werd de uitspanning Oud-Rozenburg genoemd. In 1914 kocht de gemeente Amsterdam de buitenplaats voor uitbreiding van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Leonard Springer maakte ook het ontwerp voor de uitbreiding in 1916. Het huis is verdwenen. Landgoed Rozenburg is nu onderdeel van de Oosterbegraafplaats”.

Over de buitenplaats Wallensteyn (Loenen aan de Vecht) is het volgende bekend (buitenplaatseninnederland.nl): “Op een kaart uit ca 1710, die uitgegeven werd door Nicolaas Visscher en gegraveerd door P. Schenk voor Giorgio de Haze, Heer van Mijnden, komen we de naam Wallesteyn voor het eerst tegen. Wallesteyn ligt ten noorden van Kickestein, een buitenplaats die we al op een oudere kaart tegen komen. De vroegst bekende eigenaar was Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde, die het huis in 1698 kocht. Haar zoon Jacob werd in 1711, een jaar voor haar dood, schepen van Loenen. Waarschijnlijk had hij in 1710 al de buitenplaats van haar overgenomen. Op een kaart van Covens en Mortier van Loenen uit 1726 komt men de buitenplaats Wallesteyn weer tegen, het landgoed is dan echter uitgebreid met Kickestein. Na 1710 wordt door Jacob Balde het huis Wester Klip aangekocht en in 1726 de ambachtsheerlijkheid Loenen en Nieuwersluis van Dirk Fiool. Jacob sterft in 1730 en zijn broer Jan erft Wallesteyn… …”

Dan volgen gegevens over de tijd van Jan Balde, IJsbrand Balde.

“Als IJsbrand in 1770 sterft, gaan zijn bezittingen naar zijn vrouw Nicola Geertruij Smissaert, en noemde zij zich Vrouwe van Kronenburg, Loenen, Loenersloot, Nieuwersluis, enz. De dochters van IJsbrand en Nicola Geertruij erven de bezittingen in 1795. Aan het begin van de 19e eeuw worden de bezittingen één voor één verkocht. De jongste dochter Anna Adriana, die getrouwd was met Mr. Hendrik Huygens verkoopt Wallesteyn voor f. 33.100,- waarbij nog f. 500,- extra betaald moest worden voor de beelden in de tuin. De nieuwe eigenaar wordt Harmen de Vries, architect te Weesp. Om een idee van de waarde van het geld moet je het bedrag met 100 vermenigvuldigen. Niet lang na 1811 werd het huis gesloopt. Waarschijnlijk werden de bomen en al het afkomende materiaal van de afbraak door architect De Vries geveild, waarna de plaats weer een agrarische funktie kreeg“.

Hierna volgt een uitgebreide beschrijving van huis, bouwhuizen, stallen, duiventil, etc. uit de tijd van de fam. Balde. Daarna de volgende tekst over de tuin, waar mogelijk Harmen de Vries de hand in heeft gehad.

“Oorspronkelijk was de tuin een Franse geometrische tuin, die een aantal jaren voor 1811 veranderd werd in Engelse landschapstuin. In de tuin komen we een aantal vruchtdragende bomen tegen, maar ook exotische planten en gewassen. Achter het huis bevond zich een groot bos met slingerpaden en een grote goudviskom. In de tuin stond een grote achtkante stenen koepel. Het dak van deze koepel russte op losstaande zuilen, waartussen zich fraaie beelden bevonden. Vanuit de ruime kamer in de koepel had men fraai uitzicht op de Vecht en de daarlangs lopende rijweg. Verder had deze koepel een buffet en een secreet. Tot het landgoed behoorden verder twee grote moestuinen, een kas voor perziken, een kas voor bloemen, een grote schuur, twee hooibergen en een wagen- en gereedschapsschuur. Tot slot was er nog een tweede stenen koepel, die tevens dienst deed als duiventoren. Aan de achterkant grensde de buitenplaats aan het land van Het Huis te Velde, dat toen al lang een boerderij was. Deze boerderij was ook bezit van mevrouw Huygens-Balde. Over de sloot, die scheiding maakte tussen Wallestein en Het Huis te Velde, lag een draaibruggetje, zodat men over eigen terrein naar de Slootdijk kon lopen. Het landgoed was 21 morgen groot, inclusief vijf morgen weiland. Daaromheen lagen nog 19 morgen hooi- en weiland, die vroeger tot de buitenplaatsen Westerklip en Kickestein behoorden. Op de twee bewaard gebleven pilaren van het toegangshek bevinden zich twee schilden. Het ene schild draagt het wapen van IJsbrant Kieft Balde en de andere die van zijn vrouw Nicola Geertruy Smissaert.

Bewoners:

1698 – 1712 Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde
1712 – 1730 Jacob Balde, getrouwd met Anna Marie Kieft
1730 – 1734 Anna Marie Kieft
1734 – 1763 Jan Balde sr.
1763 – 1770 IJsbrand Kieft Balde, getrouwd met Nicola Geertruy Smissaert
1770 – 1795 Nicola Geertruy Smissaert
1795 – 1811 Anna Adriana Balde
1811 Harmen de Vries (koop f. 33100)”

De hamvraag is nu: hebben de ons bekende ontwerpen van Harmen de Vries (tuinontwerpen, huizen, hek, duiventil) iets te maken met de buitenplaatsen Rozenburg en/of Wallestein? het is wel toevallig dat er in het geval van Wallestein gesproken wordt van een tuin die in landschapsstijl is veranderd, en ook van een hek, huizen en een duiventil. Maar nader onderzoek is nodig. Op het eerste gezicht zijn er wel details die overeen komen (bij het hek en een huis), maar is er geen sprake van 100 % overeenkomst. De tuinontwerpen moeten nog met kaartmaterialen worden vergeleken. Hoe dan ook, dat Harmen de Vries buitenplaatsen opkocht, zoals veel meer bekende architecten deden in de economisch zwakke periode rond 1800, moge duidelijk zijn.

Weekblad ‘BUITEN’ en tijdschrift ‘HET BUITEN’

De Nederlandse Kastelenstichting is t.b.v. een nieuw tijdschrift een samenwerkingsproject aangegaan met de Stichting Vrienden Particuliere Historische Buitenplaatsen (Vrienden PHB), ondersteund door Stichting Landgoedvrienden en de Vereniging PHB. Hoofdredacteur is Jephta Dullaart. Het tijdschrift zal 3 x per jaar verschijnen, in mei, september en december. De doelgroepen zijn de boven vermelde stichtingen en vereniging. Maar ook geïnteresseerden in geschiedenis, cultureel erfgoed, monumenten, en historische tuinen, parken en landschappen kunnen abonnee worden.

‘Het Buiten’ is een populair wetenschappelijk tijdschrift, het bevat gedegen beschouwingen over ons erfgoed, voornamelijk gericht op kastelen, buitenplaatsen en landschap.

Het tijdschrift heeft een nieuwe naam. Wel een beetje een verwarrende naam jammergenoeg. De kasteel- en buitenplaatsliefhebbers krijgen in het vervolg het tijdschrift ‘Het Buiten’ in de bus, niet te verwarren met het vroegere zeer populaire weekblad ‘Buiten‘.

Wat zijn de verschillen tussen ‘Het Buiten’ en ‘Buiten‘?

‘Het Buiten’ verschijnt 3x per jaar, te beginnen in mei 20019, vervolgens in september en december; ‘Buiten‘ verscheen elke week, 52 x per jaar, van 1907 t/m 1936. ‘Het Buiten’ gaat over kastelen, buitenplaatsen en hun bewoners en is rijkelijk geïllustreerd met kleurenfoto’s; ‘Buiten’ was gewijd aan het buitenleven in het algemeen, kastelen, buitenplaatsen, landschap, bloemen, tuinen, tuinarchitectuur, vogels, wild, etc. en is ook rijkelijk geïllustreerd, maar natuurlijk alleen met zwart/wit foto’s. Wat betreft tuinarchitectuur en beplanting werkten bekende schrijvers mee, zoals L.A. Springer, D.F. Tersteeg, P. Westbroek, en E.Th. Witte. Kijk voor ‘Buiten’ op Internet, maar helaas zijn niet alle delen volledig gedigitaliseerd, zie:(http://www.weekbladbuiten.net/1907-1936/index.asp). In de bibliotheek van ons bureau in Rhenen staat een volledige serie.

17 mei as. wordt het eerste exemplaar van ‘Het Buiten’ (Jg.1, nr.1) aangeboden aan prof. dr. Hanneke Ronnes, bijzonder hoogleraar historische buitenplaatsen en landgoederen. Carla is weer vaste columnist, zoals ook de voorgaande jaren (vanaf september 2015) van ‘Kasteel en Buitenplaats’ (zie: https://www.kastelen.nl/kastelen-publicaties.php?id=1)

Reeks kleine adviezen en opdrachtjes 6

6. Het komt nogal eens voor dat ons bureau benaderd wordt met een vraag om hulp bij bezwaarschriften. Het gaat vaak over de bouw van een nieuw huis of een stal of een schuur op een bekende beschermde buitenplaats of over de aanleg van een weg of het kappen van een laan binnen een Beschermd Dorpsgezicht.

Toetsing van de voorwaarden die een Beschermd Dorpsgezicht stelt of advisering over de inhoudelijke betekenis van de beschrijving van een bepaald object in het Monumentenregister is vaak al genoeg. Particuliere aanvragers zijn vaak niet op de hoogte van de bestaande regelingen en willen dus geholpen worden bij het schrijven van hun bezwaren. Wij als adviseurs kennen de regelingen wel, maar de situatie niet, zodat we er zelf ook veel van kunnen leren.

Ons laatste advies betrof een renovatie van een historisch en beschermd terphuis binnen het Beschermde Dorpsgezicht Nederhemert. Het is hier niet de plaats om op de details in te gaan. Wel willen we melden dat we zeer onder de indruk waren van het beschermde ‘Eiland van Nederhemert’ (kasteel, kerk, enkele boerderijen, een wiel, een speeltuin uit 1915, schitterende eikenlaan en plaatselijk een open hagenlandschap).

Foto’s van het “Eiland van Nederhemert’ en uit het Weekblad ‘Buiten’ (1920)

Kerk van Nederhemert
Knotwilgen in het landschap
Het Wiel nabij kasteel Nederhemert
Leilinden nabij Kasteel Nederhemert
Kerk, boerderij en hooischuur op het eiland van Nederhemert
Eikenlaan richting Kasteel Nederhemert
Gezicht op de Maas vanuit het kasteel 1920
Achterzijde kasteel 1920
Toegang tot kasteel in 1920

Reeks kleine adviezen 4-5

4. Tijdens het onlangs gehouden Symposium van Tuinhistorisch Genootschap Cascade sprak Jan Holwerda, bestuurslid van Cascade, over de Engelse tuinarchitect Humphrey Repton (1752-1818) en hij vroeg zich af of deze wel eens in Nederland was geweest. De kwekerijen van Nederland stonden in de 18de en 19de eeuw zeer bekend en menige leerling uit Engeland en Duitsland kwam hier ervaring opdoen. Ik adviseerde Jan eens in de bibliotheek van Haarlem te zoeken naar een 18de eeuwse plantencatalogus die ik eens had gebruikt voor een beplantingsadvies voor de 18de eeuwse kruidentuin van Beeckestijn te Velsen, tenslotte niet al te ver van Haarlem. Ik wist zeker dat zich in die bibliotheek een plantencatalogus bevond die door een Engelse hortulanus was samengesteld. Zelf dacht ik aan Humphrey Repton, maar ik zat er wel een beetje naast. Thuis gekomen heb ik het verder uitgezocht en het bleek een plantencatalogus te zijn van de medische tuin in Haarlem, samengesteld door William Kent, die van 1777 tot 1784 hortulanus was van genoemde tuin. Zie mijn eerdere onderzoekje over William Kent, http://www.cascade1987.nl/william-kent-in-nederland/

Deze catalogus zal nu binnenkort worden opgenomen in het e-depot van Bibliotheek WUR. (Zie: http://edepot.wur.nl/477678). In 1976 heb ik uit deze catalogus een plantenlijst samengesteld t.b.v. de reconstructie van de kruidentuin op de buitenplaats Beeckestijn te Velsen.

Plantencatalogus van de Medische Tuin in Haarlem uit 1784. Samengesteld door William Kent uit London.

5. Brakenstein Texel.

Dit gaat om een ongevraagd advies. Op hetzelfde symposium als boven vermeld (nr.4) werd mij de vraag gesteld of ik iets wist te vertellen over de buitenplaats Brakenstein te Texel. Ik wist er niets van behalve dat ik het artikel van Jan Holwerda kende, getiteld ‘Toenmalige tuinen op Texel’, in het Cascade-boek Tuingeschiedenis in Nederland II, (2016), p.131-140. Om mij verder te informeren kreeg ik een krantenknipsel van de vragenstelster. Daarin stond te lezen dat de eigenaren van Brakenstein om verdere informatie vroegen. Ook bleek dat zij intussen een website hadden gelanceerd. Ik heb me toen verder georienteerd en zocht allereerst naar de kadastrale kaart en bijbehorende OAT (zie hieronder). Mocht ik wat vinden dan zouden de eigenaren daar blij mee zijn, dus heb ik deze naar de eigenaren opgestuurd. Dit buiten is afgebeeld op een kaart van I.H. Koch, die tussen 1794 en 1811 gemaakt moet zijn.

Kadasterkaart met detail van de buitenplaats Brakestein, opgemeten door F.J. Nautz, 1828. Noorden boven. Het huis is sinds de kaart van I.H. Koch uitgebreid met een vleugel naar het noorden. Verder geen tuinkoepels of schuurtjes of andere bouwsels op deze kaart te zien.

Gegevens uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT): eigenaar M. den Berger. Hij was waarschijnlijk de zoon van de landmeter Leendert Matthijsz. den Berger (1743-1802), die Brakestein kocht in 1786.

1146 strook hakhout en water (gracht)

1147 oml(iggend?). land

1148 tuin en boschstrook

1149 hakhout

1150 boomgaard

1151 huis en erf

1152 idem en bosch

1153 hakhout

1154 tuin

1155 t/m 1164 weiland

Vanuit het huis kijkt men over de tuin in zuid-westelijke richting door een zichtlaan (roze gekleurd). De rechthoekige aanleg zal waarschijnlijk al uit de eerste helft van de 18de eeuw dateren, zo niet al uit de tijd van de eerste eigenaar, J. Pietersz. Braeck die in 1668 op deze plek een huis kocht. De eerste druk van het tuinboek Den Nederlandtsen Hovenier kwam in datzelfde jaar uit en is mogelijk voor Braeck een handboek geweest dat hij goed kon gebruiken.

Ook simpele adviezen kunnen nieuws opleveren 1-3

Het geven van groen-erfgoed-adviezen is ook een belangrijke taak binnen onze werkzaamheden. Dat kunnen adviezen zijn in de vorm van degelijke rapporten, soms in samen werking met een tuinarchitectenbureau, maar het kunnen ook heel simpele adviezen zijn, die wij zelf nauwelijks als advies beschouwen. Toch is het interessant hier eens te melden waar die kleine adviezen over kunnen gaan en waarom die ook zowel voor de adviesaanvrager als voor ons eigen bureau belangrijk kunnen zijn. Ik geef hier een paar vragen die ons de afgelopen maand werden gesteld.

  1. Jorn en Lia Copijn vroegen of wij intermediair wilden zijn bij het zoeken naar een goede bestemming voor hun Copijn-ontwerpen. We hebben daar een hele middag over gepraat en alle voors en tegens tegen elkaar afgewogen. Het gesprek eindigde in een advies waarmee ze verder konden en ook wij hielden er iets leuks aan over, namelijk prachtige foto’s die we vast wel eens kunnen gebruiken van een wand en een deur met cementrustiek versierd, in hun serre in Groenekan, al minstens 100 tot 150 jaar oud. We kenden al zo’n wand op buitenplaats De Treek; jammergenoeg schijnt deze nu achter een houten wand te zijn weggewerkt. De huidige eigenaren zagen kennelijk de waarde er niet van in.

2. Een tweede adviesje betreft de vraag van een lid van de Historische Vereniging Oud-Rhenen, die de historische stad Rhenen digitaal aan het herbouwen is. De vraag luidde: “Heb je nog tijd kunnen vinden om na te denken over de beplanting van de Koningstuin? Bijgaande schets heb ik gebruikt om deze tuin te reconstrueren op de Veerwei.”

Het antwoord dat door ons gegeven werd: De plattegrond langs de Veerweg is duidelijk ingedeeld in 2 delen, bovenste deel bomen en onderste deel grote tuinbedden. De ‘boomgaard’ kun je natuurlijk makkelijk ook in 4 of 8 delen opsplitsen en dan beplanten met vruchtbomen: appels (Malus domestica), peren (Pyrus communis), kersen (Prunis cerasifera), pruimen (Prunus domestica), walnoten (Juglans regia). Ook vijg (Ficus carica).

Maar je zou ook voor andere bomen kunnen kiezen, die om welke reden dan ook (brandhout, timmerhout, landbouwhout, tuinhout, siertuinen) gebruikt werden. Wilg (Salix alba); Westerse plataan (Platanus occidentalis), Es (Fraxinus excelsior), Sneeuwbal (Viburnum lantana), Gelderse Roos (Viburnum opulus).

En dan voor de nuttige planten in de groenten- en kruidenbedden een keuze uit: selderij, asperge, andijvie, meloenen, peterselie, wortelen, venkel, sla, munt, mirte, tabak, marjolein, pastinaak, bonen (Phaseolus), erwten (Pisum), kruisbes, rozemarijn, meekrap (verfplant), tomaten, aardappel, misschien een vakje tulpen voor de potten in de tuin (Duc van Tol), veldsla.

Je kunt in Google gewoon de bomen of planten met nederlandse of latijnse naam intikken en dan eens zoeken naar geschikte plaatjes.

Voor de zekerheid doe ik als Bijlage de lijst planten erbij die in 1594 in de Leidse Hortus werden gekweekt (deze voorlopige lijst was ook nieuw voor mij en is nog niet gepubliceerd) èn een prachtig gidsje (dat ik nog niet kende!) dat een overzicht geeft van de activiteiten in de Leidse Hortus gedurende de 16de tot de 21ste eeuw.

Catalogus ISSUU Hortus Botanicus Leiden 425 jaar. Leiden, 2015.

3. Op Palmpaaszaterdag verzorgde ik een lezing op het Symposium van het Tuinhistorisch Genootschap Cascade, getiteld ‘Overwegingen bij het herstellen van Stadstuinen uit de barok, gezien door de ogen van een 21ste eeuwer’. De voorlopige conclusie van de lezing kwam er op neer dat historische stadstuinen in de 17de/18de eeuw werden ontworpen op basis van de architectuurstijl van het bijbehorende huis en dat restauratie- of renovatie-ontwerpers van die tuinen nu veel eerder kijken naar de functie van het huis. Kortom vorm volgt functie. Een mooi voorbeeld is de tuin van het Huis van Staat of Johan de Witthuis in Den Haag. Op een kadasterkaart uit 1820 is te zien dat op de grens van de achtertuin van het Johan de Witthuis met het stallengenbouw achterin de tuin, op de middenas een achthoek is te zien. Dit zal zeker een uitbouw van het stalgebouw (met woning op de eerste etage voor de koetsier) voorstellen, in de vorm van een achthoekige koepel. Tot voor kort was er ook op die plaats achterin de tuin een achthoekig plateau’tje waarop een tuinbeeld was geplaatst, duidelijk een verwijzing naar de 18de of 19de eeuwse achthoekige koepel, maar door niemand meer begrepen na 200 jaar. Dat plateau’tje is nu verdwenen, maar voor ons was de kadasterkaart met die aanduiding een ontdekking, waardoor weer eens duidelijk werd dat kadasterkaarten ontwerpgeheimen kunnen bevatten. De nieuwe ontwerpers (Delva Tuinarchitecten) waren niet meer op zoek naar historische resten in de tuin, maar waren geconcentreerd op heel andere zaken.

Het Rijksvastgoedbedrijf schrijft hierover:

“Deze nieuwe klassieke klimaat-adaptieve tuin bij het Johan de Witthuis in Den Haag presenteert het verhaal van Nederland. In de ‘Hortus Fabulae’, de tuin van het verhaal, is het huis onlosmakelijk verbonden met zijn buitenruimte. Een tuin die reflecteert op de innovatieve gedachten van De Witt en het verhaal vertelt van Nederland in de Gouden Eeuw. De tuin toont de topografie van Nederland in een reeks stalen elementen, verwerkt in een zee van bolvormige bloemen. Het ontwerp wordt gerealiseerd met een scherp oog voor detail en duurzaamheid in materialen. Op deze manier staat de tuin voor Nederlands vakmanschap”.

Het is een tuin geworden die refereert aan groepen mensen die in de tuin samenkomen en vergaderen (zitjes) en een tuin die staat voor Nederlands vakmanschap en duurzaamheid. De middenstrook van de tuin stelt het Nederlandse landschap voor van West naar Oost, van de `Noordzee, over de Veluwe naar de Sallandse Heuvelrug. De vijver aan de kant van het huis vangt het regenwater op en door middel van capillaire werking wordt de strook beplanting erachter vanzelf gevoed en vochtig gehouden.

Tuin Johan de Witthuis in uitvoering (boven) en ontwerpbeeld (onder).
Ontwerp Delva Tuinarchitecten.

WORDT VERVOLGD met nog enkele kleine opdrachten en adviezen.

*Plantencatalogus Medische Tuin Haarlem, 1784;

*Brakestein Texel;

*Beschermd Dorpsgezicht Nederhemert

*Folder over de tuinarchitect Leonard Springer

‘Fraeylemaborg: Verborgen schoonheid op Fraeylema’

Fototentoonstelling Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier

09 FEBRUARI 2019 T/M 19 MEI 2019
(overgenomen van https://fraeylemaborg.nl)

Wat zijn er door de jaren heen veel foto’s gemaakt van de Fraeylemaborg! Een hele kunst om daar wat nieuws en origineels aan toe te voegen. Dat is fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier gelukt.
Vanaf 9 februari 2019 is er een bijzondere tentoonstelling van haar werk te zien in het Koetshuis van de Fraeylemaborg. Deze Amsterdamse fotografe is onder meer bekend door haar tijdloze zwart-wit foto’s van interieurs van Amsterdamse grachtenpanden. In 2014 verscheen haar geprezen publicatie ‘Verborgen schoonheid’, met foto’s uit de eeuwenoude huizen Van Brienen, Van Loon en Willet-Holthuysen.
Reden voor de Fraeylemaborg om deze fotografe uit te nodigen in Slochteren. De afgelopen twee jaar fotografeerde Marie-Jeanne in alle seizoenen de Fraeylemaborg, zowel binnen als buiten.
Ook hier werkte ze in zwart-wit, maar met haar Hasselbladcamera maakte ze nu ook warme verstorven kleurenopnames.

De verstilde foto’s in Amsterdam en in Slochteren laten een wereld van schoonheid zien, soms vol grandeur en andere keren heel eenvoudig. Soms gaat het om een doorkijkje in een fraai vertrek, soms om een detail van een kristallen glas, dan weer de lichtpatronen op een oude plavuizenvloer.
Marie-Jeanne fotografeert zonder kunstlicht en maakt gebruik van het steeds veranderende invallende (zon)licht. Urenlang wacht ze in een kamer op de juiste lichtval voor het maximale resultaat.
Een mooi voorbeeld is het 18de eeuwse marmeren beeld van een tuinnimf in de Grote Zaal van de Fraeylemaborg. In de korte tijd dat het zonlicht dagelijks op dit beeld valt maakte de fotografe close-ups waarbij je de poriën op de arm kan zien als bij een levend model.
Marie-Jeanne is een perfectioniste met oog voor detail. Kernwoorden van haar geheel eigen stijl zijn: soberheid, licht, schoonheid, verstilling en afgestemde kleuren. In de tentoonstelling zijn naast veel interieurs ook tijdloze stillevens te zien, onder de noemer “Contemplation”.

Zie ook https://marie-jeannefotografie.nl/

Wie is de architect van de buitenplaats Oud-Rosenburg in 1775 of in 1825 in Den Haag / Loosduinen?

Oud-Rosenburg, ook gespeld Rozenburg en eertijds bekend onder de naam Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag / Loosduinen is een buitenplaats, die sinds 1895 qua functie te vergelijken is met de buitenplaats Meer en Berg in Santpoort, in 1849 bestemd tot Provinciaal Ziekenhuis, beide psychiatrische inrichtingen. De gronden van deze instituten gaan evenals kloostergronden steeds meer onze aandacht vragen omdat de indeling van park en tuinen, na eerder te zijn afgedaan als onbelangrijk en volledig verkaveld en niet meer interessant, toch na meer dan honderd jaar soms (op detail) wel interessant blijkt te zijn. Zo ook kwamen huis en park van het Apeldoornsche Bosch, het vroegere Centraal Israelitisch Krankzinnigengesticht onlangs weer in de belangstelling door het overlijden van Eli Asser die in 1943 in dit Nazi-concentratiekamp te werk werd gesteld. Hier werkte de tuinarchitect K.C. van Nes vanaf 1909.

J.D.Zocher jr. was de architect van zowel het huis Meer en Berg als de aanleg eromheen, maar wie kan nu de architect van Oud-Rosenburg geweest zijn? Ik denk direct aan Zocher, maar ook andere architecten komen in aanmerking.

Huis Oud-Rosenburg. Foto Carla Oldenburger, 2019

In 1895 werd de buitenplaats en het landgoed Oud-Rosenburg door jonkheer Louis Pierre Quarles van Ufford verkocht aan het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag.

Prentbriefkaart Oud-Rosenburg. Ca. 1908. Foto H. van Noort  Coll. Haags Gemeentearchief. De ingangstrap is in deze tijd naar het linker portiek verplaatst

Het huis werd in 1775 gebouwd in opdracht van Mr. Johan François van Byemont (schepen van Den Haag) op de plaats van een boerderij die zich tot kleine herenboerderij ontwikkelde.

J.F. van Byemont als jager, geschilderd door Mattheus Verheyden (1700-1776). Part.Coll.

Vanuit het midden van het huis had men zicht over een ‘grand canal of zichtkanaal’. Mr. Hendrik Hooft (1676-1752) kocht het goed in 1721 van Byemont. Leden van het regentengeslacht Hooft bleven de buitenplaats precies honderd jaar bewonen totdat jonkheer Louis Quarles van Ufford huis en landgoed kocht in 1821. In zijn tijd vond een verbouwing plaats in neo-classicistische stijl, waarbij het huis aan de voorzijde werd verrijkt met de aanbouw van twee zij-veranda’s. In 1849 staat in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa te lezen: (Oud-) Rozenburg. Dit buiten bestaat uit heerenhuis, en daarbij behoorende getimmerten, bouwmanswoning, blekerij en woonhuis, vijvers, wei-, hooi- en teelland, jagt en visserij…

Vóór de neo-classicistische verbouwing in de tijd van Quarles van Ufford werd het rechte zichtkanaal vóór het huis (zichtbaar op een anonieme tekening van 1804) veranderd in een enigszins slingerende vijver die aansluiting kreeg op de Haagvaart, om zo het park een landschappelijk aanzicht te geven. Deze slingerende waterpartij die in ieder geval van 1818 of eerder stamt, is nog steeds aanwezig hoewel niet direct zichtbaar. Zie de hieronder afgebeelde Google Earth-foto en het daaronder afgebeelde detail van de kadasterkaart uit 1818. Het licht groene vlakje in het midden van de Google-foto is de waterpartij (met veel kroos).

MIN08106A01, 20-04-2002, 12:40, 8C, 7804×11796 (2006+372), 125%, Minuutplan_Div, 1/80 s, R51.5, G25.2, B26.6. Kadasterkaart 1818

Tussen 1993 en 1995 volgde een ingrijpende verbouwing. De bijgevoegde eerste foto laat het huis zien aan het begin van de 21-ste eeuw. Het huis is sinds 1967  een rijksmonument.

Wie kan mij helpen aan de naam van de architect uit 1775 of  die van de restauratie/verbouw uit ca. 1825? Buitenplaats-architecten die in Nederland werkten in het laatste kwart van de 18de eeuw en/of in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn onder meer Leendert Viervant jr., Abraham van der Hart,  Jacob Otten Husly, Jan de Greef, Zeger Reijers en Jan David Zocher jr.  De laatste drie zijn tijdgenoten van elkaar. Zij volgden alle drie tegelijkertijd hun opleiding in Parijs en Reijers en Zocher vervolgden hun opleiding in Rome. Natuurlijk moeten we ook denken aan deskundige timmerlieden die samen met de opdrachtgever de klus zonder architect geklaard kunnen hebben.

Over Zeger Reijers (een leerling van zijn oom, de architect L. Viervant) is verder bekend dat hij na zijn opleiding in Parijs en Rome, in Juli 1813 terug was in Nederland en in Augustus 1819 werd benoemd tot stads-bouwmeester te ’s Gravenhage. Zeger Reijers ligt begraven op de historische Begraafplaats Oud Eik en Duinen, even ten oosten van Oud-Rosenburg (zie kaart hieronder).

Is Reijers wellicht de architect van de restauratie en verbouw van Oud-Rosenburg rond 1825? 

Kaart Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. 1927. Coll. Haags Gemeentearchief. Midden onder (lichtgroen) ‘Oud-Roozenburg’. Rechtsonder (lichtgroen) Begraafplaats Oud Eik en Duinen

Deze kennismaking met (oud-) Rozenburg brengt ons er toe meer aandacht te gaan besteden aan ziekenhuizen en medische instituten op voormalige buitenplaatsen.

Lit. D. Valentijn (red.). Rosenburg: van buitenplaats tot Zorgcentrum. Den Haag, 1995.

De tuinarchitect John Bergmans en de catalogi van Kwekerij Abbing te Zeist

Jl. Vrijdag 11 januari 2019 was ik te gast bij Kwekerij Abbing te Zeist omdat in hun prachtig aangeklede kas de presentatie werd gehouden van het nieuw verschenen boek over de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980), getiteld John Bergmans Tuinarchitect en plantenkenner, uitgegeven door Uitgeverij Verloren in de reeks BONAS Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen. Auteurs van het boek zijn Marianne van Lidth de Jeude en Johanna Karssen-Schüürman.  De heer Paul Machielsen hield een levendige inleiding over de geschiedenis van de kwekerij waar Bergmans ook ooit werknemer was.

Paul Machielsen vertelt over de historie van Kwekerij Abbing.

De oudste catalogi van kwekerij Abbing

Zie verder voor een indruk van de catalogi lager en onder volgende tekst.

Ik had met het tot stand komen van het boek niets te maken gehad, behalve dan dat ik in 1980, dus bijna veertig jaar geleden de collectie tekeningen, boeken, documentatiematerialen etc. als conservator van de Bibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool (Wageningen) had mogen ontvangen. Dat ‘ontvangen’ had voor mij als kersverse conservator (aangesteld in begin 1980) nog heel wat voeten in de aarde gehad, daar ik weliswaar conservator was geworden van een rijke landbouwkundige bibliotheek en van de bekende Springer-Collectie (ontwerpen van de tuinarchitect Leonard Springer, 1855-1940), maar nog geen beleid had ontwikkeld over het aantrekken van nieuwe collecties. Ik stortte me na de overhandiging dus maar samen met mijn kersverse bibliotheek-assistente op het inventariseren van deze omvangrijke collectie, zonder nog te weten hoe ik de afdeling Speciale Collecties (boeken en tijdschriften en ontwerpen/tekeningen/documenten) zou gaan uitbouwen. Dankzij het inventariseren van deze collectie werd me gaandeweg duidelijk waarom deze collectie met ontwerpen etc. van John Bergmans zo belangrijk was en waarom dit het begin was van de uitbouw van de Springer-Collectie en het begin van de unieke verzameling ontwerpen Tuin – en Landschapsarchitectuur, die nu bestaat uit duizenden en duizenden ontwerpen en documenten. De filosofie achter deze uitbreiding werd door mij verwoord in een artikel in het tijdschrift GROEN (oktober 1981, p. 453-458), getiteld ‘De John Bergmans-Collectie in de Centrale Bibliotheek van de Landbouwhogeschool’.  Hierin wordt uitgelegd waarom deze ontwerpen van John Bergmans naast de collectie ontwerpen van Springer zo’n belangrijke aanvulling vormden en dit beleid/filosofie is zeker 30 jaar nadien altijd het uitgangspunt gebleven. Het komt er op neer dat ontwerpen etc. worden opgenomen als ze wel in een zekere verhouding staan met de Springer Collectie. Zijn  de ontwerpen qua tijd voorafgaand of opvolgend aan de ontwerpen van Springer, vullen zij hiaten in de Springer Collectie op, zijn de ontwerpen van tijdgenoten van Springer of zijn ze getekend in dezelfde stijl of juist in een andere door Springer gehate stijl? Ook de locaties zijn belangrijk natuurlijk. Zijn de locaties vergelijkbaar met die waar Springer werkte of worden er juist regio’s belicht waar Springer niet werkte zodat ook hier weer van een aanvulling sprake is? Vormt de nieuwe collectie een tijdsbeeld of geeft het alleen herhalingen? Een optelsom van deze uitkomsten en nog andere (zie artikel) heeft mij als conservator altijd geholpen nieuwe collecties wel of niet aan te nemen. In het geval van de Bergmans -collectie werden de ontwerpen en documenten opgenomen in de Bibliotheek LH / Speciale Collecties en gingen de door Bergmans geschreven boeken en tijdschriftartikelen en kaartsystemen (op botanisch gebied) op verzoek van de botanicus dr. Onno Wijnands naar de vakgroep Plantensystematiek, omdat deze vakgroep dit materiaal vaker zou kunnen gebruiken.

De geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur is mede door de komst van de Bergmans-collectie (en later natuurlijk door veel meer andere collecties) duidelijk op de kaart gezet en de verzamelingen  op zichzelf zijn uniek voor Nederland te noemen.

Later in de jaren negentig (schat ik) werden in de Afdeling Speciale Collecties ook de verzamelde kwekerscatalogi (verzameld door het Instituur RIVRO) aangenomen als zijnde een meerwaarde voor de verzamelingen tuinontwerpen. Lang niet compleet (dat is onmogelijk), maar wel een rijke unieke collectie.  De collectie Abbing-catalogi is in Wageningen zeker niet compleet te noemen en daarom was het zo interessant dat Abbing jl. vrijdag speciaal voor deze gelegenheid een mooie tentoonstelling had gemaakt van al hun plantencatalogi. Het nu verschenen boek over John Bergmans behandelt overigens ook de door Bergmans in zijn ontwerpen voorgestelde bomen, heesters en vaste planten. Zij vormen een karakteristiek plantenbeeld uit zijn tijd.

Hieronder en hierboven een indruk van de catalogi die hangen in de kas (winkel) van Abbing en die u nog wel even kunt bewonderen.  Het adres is Odijkerweg 132-134 – 3709 JJ Zeist +31 (0) 343 513741.

IMG_0588.JPG

 

Het was beslist een levendige en interessante en goed verzorgde bijeenkomst. Dank aan Kwekerij Abbing.