Categorie archief: Buitenplaatsen

Column in tijdschrift ‘Kasteel en Buitenplaats’

Kasteel en Buitenplaats, een interessant en prachtig geïllustreerd tijdschrift van NKS Kenniscentrum voor Kasteel en Buitenplaats, verschijnt vier maal per jaar, sinds september 2015 met een column van Carla Oldenburger. Door mij behandelde onderwerpen zijn tot heden:

sept. 2015: Hovenierkunst en tuinkunst: kunst of ambacht

beckley_park_topiary_garden
Beckley Park topiary garden

dec. 2015: 70 Jaar Nederlandse Tuingeschiedenis, n.a.v. 70-jarig bestaan van de Nederlandse Kastelenstichting

d0zsyi9feo0nposljmzy
Oude Hollandsche Tuinen, Tekst en Platen: Anna G. Bienfait, Den Haag 1943

februari 2016: Een ‘echte’ kasteeltuin

Harley 4425 f.12v
Roman de la rosé, Luitist en zangers in een ommuurde tuin (hortus conclusie),  1490-1500 (coll. British Library)

april 2016: Middeleeuwse tuinplanten

1156px-meister_des_frankfurter_paradiesgartleins_001
Paradisgärtlein, geschilderd door een Frankfurter Meister (coll. Städel Museum Frankfurt am Main)

september 2016: Catharina Lintheimer (1685-1748), tekenares

boeket_met_tropaeolium_minus_en_tropaeolium_majus
Bloemboeket geschilderd door Catharina Lintheimer (coll. Library Wageningen UR)

december 2016 : Kunsthandel Buffa en Zonen
Over de lopende tentoonstelling ‘Kunsthandel Buffa en Zonen’ in het Singer Museum, en de serie (kleuren)litho’s van  buitenplaatsen rond Arnhem.

7329abeb5dec2862a6cf94021590ae7b76403697cf676ac361a81cec9c3ef5e3
Anoniem, Huis De Oorsprong, Oosterbeek, uitgave: Buffa en Zonen, circa 1850-1854 (coll. Gelders Archief)

Nog meer columns lezen? Ook Yme Kuiper en Rob Gruben laten ieder nummer in hun eigen column van zich horen. Geïnteresseerd? Sluit u aan bij de NKS Kenniscentrum voor Kasteel en Buitenplaats.

Virtuele rondleiding door huis en tuinen van Koningshuis Rhenen

Iets voor uw Tuinclub?
Paleis het Koningshuis Rhenen blijft in beeld

 

zuidelijke-siertuin-koningshuis
Deel van de tuin (doolhof en vruchtbomen) ten zuiden van het Koningshuis

(Bericht overgenomen van de Nieuwsbrief Historishe Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken, sept. 2016):

Wist u dat u een virtuele rondleiding door het Koningshuis en haar tuinen (in Rhenen) kunt aanvragen? Dit paleis was het zomerverblijf van  Koning Frederik V van de Palts en zijn echtgenote Elisabeth Stuart, gedurende de jaren 1630-1660. De rondleiding wordt georganiseerd vanuit de werkgroep Virtueel Rhenen. Inmiddels hebben al zo’n tiental organisaties o.a. UVV, Unie van vrouwen en Probusgroepen van dit aanbod gebruik gemaakt.

Zo’n 2 tot 3 keer per jaar komt bij Virtueel Rhenen de vraag binnen om een presentatie te verzorgen. Henny Boor gaat daar graag op in. Tijdens zo’n presentatie wordt een klein tipje van de technologische sluier opgelicht om kennis te maken met een korte impressie van de onzichtbare kanten van het virtuele paleis. Daarna volgt een gezamenlijke virtuele rondwandeling. Er is alle tijd om vragen te stellen, anekdotes aan te horen en te luisteren naar klaterende fonteinen.

Voor veel aanwezigen is het toch ‘omdenken’. Er komt geen videofilm voorbij, je kunt interactief met het programma werken, inzoomen op schilderijen en meubels en onderliggende informatie opvragen. En alles 100% historisch verantwoord, omdat voor de virtuele herbouw van het huis en de heraanleg van de tuinen gebruik gemaakt is van originele bouwtekeningen en historische inventarislijsten.

ontwerp-3d-3
Siertuin ten westen van het Koningshuis

Iets voor uw Tuinclub, uw vrijwilligersorganisatie, uw museummedewerkers? Historische vereniging? De kosten bedragen minimaal € 25 die in de pot van Virtueel Rhenen terecht komen voor nieuwe ontwikkelingen en technisch onderhoud.
Meer weten? Neem contact op met Henny Boor, tel. 0317614958 of email HBoor21@planet.nl

Zie ook op Internet: Werkgroep Virtueel Rhenen …. maakt van historische illusie een virtuele werkelijkheid. 

Beetsterzwaag, een parklandschap met bossen, boeren en adelshuizen

Statig Beetsterzwaag: parklandschap rond een Fries dorp

untitled

een nieuw boek dat 9 oktober a.s. verschijnt bij uitgeverij Matrijs in Utrecht. Het gaat over de geschiedenis van het landschap, de landgoederen, de grootgrondbezitters en het parklandschap van Beetsterzwaag en Olterterp, geschreven door Ronald van Immerseel en Peter Verhoeff.

Weet u wat het woord ‘zwaag’ eigenlijk betekent? Veeweide dus.

Het boek telt vijf hoofdstukken:

  • Ontstaan van het landschap
  • Opkomst van de landgoederen 1600-1800
  • een adelsdorp met grootgrondbezitters 1800-1875
  • Parklandschap Beetsterzwaag en Olterterp vanaf 1875
  • Beetsterzwaag en Olterterp: de ‘Parel van Opsterland’

    Het eerste hoofdstuk gaat uitvoerig in op de vroegste bewoners tijdens de ijstijden, de ontginningen en verkavelingspatronen in het gebied en de aanleg van wegen, reden, paden, waterwegen en vaarten.

    De geschiedenis van de landgoederen begint bij Martinus Fockens, grietman van Opsterland, die in 1616 zijn buitenplaats Fockens of Fockansstate stichtte. Ook Walrich is een vroeg-17de-eeuwse buitenplaats. Beetsterzwaag zelf is in de 17de en 18de eeuw vooral een boerendorp, met naast de ‘kleine’ boeren enkele welgestelde inwoners zoals de families Fockens en Van Teyens.

    images
    Fockensstate

    Rond 1800 veranderde de situatie en werd Beetsterzwaag een welvarend dorp met fraaie buitenplaatsen. Hier hoorde ook de aanleg van ‘moderne’ parken en tuinen bij. Ook de adel ontdekte Beetsterzwaag toen … “in 1778 de Gelderse edelman Rijnhard baron van Lynden trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens, die stamde uit een voorname burgerlijke familie. Geslachten als Van Harinxma thoe Slooten en Lycklama à Nijeholt kwamen door huwelijken met nazaten van het echtpaar Van Lynden-van Boelens in Beetsterzwaag terecht.” De buitenplaatsen Slot Boelens in Olterterp (inclusief de bosbouw) en Lauswolt komen in dit derde hoofdstuk uitgebreid ter sprake, naast het laat-opkomend toerisme.

    historie
    Lauswolt

     

    In het hoofdstuk ‘Parklandschap en Olterterp vanaf 1875’ komen  de vele veranderingen aanbod die de Beetsterzwaagster buitenplaatsen en landgoederen ondergingen: het kappen van bomen t.b.v. uitbreidingen en nieuwe bestemmingen etc., ook  nieuwe siertuinen.

    overtuin_lyndensteyn_beetsterzwaag
    Overtuin Lyndenstein

     

    In de ‘Parels van Opsterland’ wordt gesteld dat  er opvallend veel van de landschappelijke structuren bewaard is gebleven. Ook de sterke structuur van het landschap met zijn langgerekte kavels was hierbij van belang. Maar natuurlijk is ook veel verdwenen of onzichtbaar geworden. Hoopvol is “dat het bijzondere karakter en de maatschappelijke waarde van de landgoederen en het contact tussen landgoedeigenaren en de samenleving steeds vanzelfsprekender wordt, waardoor over en weer meer begrip ontstaat.”

    Een waardevol boek dat voor Beetsterzwaag weer nieuwe kansen biedt.

    Zie ook de cascade-weglog van 26 september 2016

Groen Erfgoed en de nieuwe instandhoudingsplicht

Binnenstad en Buitenleven acht het hieronder overgenomen artikel van Jérôme van der Maes van groot belang voor eigenaren/beheerders van groen erfgoed en geïnteresseerden in het werk dat wij leveren.

Groen erfgoed en de nieuwe instandhoudingsplicht. Een inhaalslag?

door mr. drs. Jérôme van der Maes

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden, waarmee de Monumentenwet 1988 grotendeels is komen te vervallen. De inwerkingtreding van de Omgevingswet, alwaar een gedeelte van de Monumentenwet te zijner tijd in opgaat, is onlangs met een jaar uitgesteld van 2018 naar 2019. Uiteindelijk gaat het laatste restje van de Monumentenwet geheel op in de nieuwe Omgevingswet.

Zie deze website Binnenstad en Buitenleven, pagina ‘Welkom’ met verwijzing naar de tekst van de Erfgoedwet.

koninginnentuin052006

Het meest in het oog springende in de nieuwe Erfgoedwet is de instandhoudingsplicht, een heet hangijzer dat al sinds de invoering van de Monumentenwet eind 19e eeuw een discussiepunt is. Een dergelijke plicht, die kan worden gehandhaafd door het College van burgemeester en wethouders, kan immers diep ingrijpen in het eigendomsrecht én de portefeuille van de eigenaar. Onder druk van de Tweede Kamer heeft de Minister de instandhoudingsplicht niettemin opgenomen in de wet en nu is de vraag: wat gaat dit voor eigenaren en beheerders van (rijks-)monumenten betekenen? Volgens de enquête die sKBL afgelopen mei onder enige vrienden hield in verband met het onderwerp verwachten de meeste eigenaren/beheerders niet zo heel erg veel, omdat gemeenten, vooralsnog, onvoldoende capaciteit en expertise zouden hebben voor het handhaven van de nieuwe plicht. Niettemin kwam wel uniform uit de enquête naar voren dat de instandhoudingsplicht tot enige zorgen leidt, met name omdat die plicht niet alleen voor het rode erfgoed geldt (de gebouwen), maar ook voor het groene erfgoed. Bovendien is het groene erfgoed thans in het vizier gekomen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE). Op dit moment hebben de eigenaren van 210 rijksmonumenten met een beschermde groenaanleg een verzoek gekregen om mee te werken aan onderzoek naar het onderhoud van hun groene erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hoopt hiermee inzicht te krijgen in de staat en de instandhoudingsbehoefte van deze categorie rijksmonumenten. Het onderzoek wordt door Alterra (onderdeel van Wageningen Universiteit & Researchcentrum) en Debie & Verkuijl tuin- en landschapsarchitectuur uitgevoerd. De 210 rijksmonumenten zijn geselecteerd op basis van een steekproef.

Blijkens de website van de RCE zijn er in Nederland circa 1.400 rijksmonumenten met een wettelijk beschermde groenaanleg.

Boekesteyn

Dit zijn bijvoorbeeld tuinen, parken, plantsoenen, begraafplaatsen en erven. Deze monumenten vertellen het verhaal over onze geschiedenis en cultuur. De RCE geeft terecht aan dat zij het belangrijk vindt om dit groene erfgoed te koesteren. Groen erfgoed werd tot voor kort niet gemonitord. Dit in tegenstelling tot het rode erfgoed. In de jaren ’90 van de vorige eeuw bleek uit onderzoek dat 40% van de rode rijksmonumenten in gevaar was vanwege achterstallig onderhoud, een achterstand die thans vrijwel is ingelopen. Drie decennia later is het groene erfgoed aan de beurt. Door de instandhoudingsbehoefte van dit groene erfgoed te monitoren hoopt de RCE dat er een beeld ontstaat van de werkzaamheden die nodig zijn om het in redelijke staat van onderhoud te houden. Dit kan een uitgangspunt zijn voor bijvoorbeeld beleidskeuzes of de ontwikkeling van nieuwe kennis.

Uitvoeringsrichtlijn
Naast de nieuwe instandhoudingsplicht die voor groen erfgoed nu geldt en het in kaart brengen van de status van het onderhoud hiervan is er voor het groene erfgoed, voor het eerst, een ‘Uitvoeringsrichtlijn Hovenierswerk historische tuinen en parken’ (11 maart 2016) vastgesteld en een ‘Beoordelingsrichtlijn Groen Erfgoed’ (11 maart 2016) door het Centraal College van Deskundigen Restauratiekwaliteit (hierna: ERM).

De Uitvoeringsrichtlijn zal worden verbonden als voorschrift aan een te verlenen subsidie voor het onderhoud van groen erfgoed, de Beoordelingsrichtlijn niet. De Uitvoeringsrichtlijn heeft tot doel het borgen en verbeteren van de kwaliteit van het hovenierswerk in groen historisch erfgoed, een nobel streven waarmee bovendien wordt voorzien in een lacune, omdat de kwaliteitsbewaking van het onderhoud van historisch groen tot nu toe nog niet was geborgd. Niettemin, de Uitvoeringsrichtlijn is een lijvig rapport van 134 pagina’s en er wordt soms erg gedetailleerd ingegaan op wat van een beheerder/eigenaar wordt verwacht voor het onderhoud van zijn groene erfgoed. Zo lezen wij op pagina 95 dat historische, vaste plantenborders meerdere malen per seizoen handmatig moeten worden gewied van onkruid. Daarnaast stelt de Uitvoeringsrichtlijn eisen aan de kwaliteit van degene die in historische tuinen en parken werkzaamheden uitvoert. Hoewel dit een goed streven is, levert dit mogelijk problemen op indien voor het onderhoud wordt geleund op een steeds wisselende poel van vrijwilligers, veelal een noodzakelijk iets om de boel in stand te houden, zeker als er handmatig moet worden gewied! De kwaliteitseis voor de in te huren hoveniers en/of vrijwilligers die het groene erfgoed onderhouden of restaureren hoeft echter niet te worden gevolgd, zo blijkt uit de Uitvoeringsrichtlijn. Er moet dan wel sprake zijn van een vast werkplan en vaste medewerkers gedurende langere tijd en de kennis en ervaring van de leidinggevende (bijvoorbeeld de tuinbaas) en uitvoerende medewerkers moet blijken uit de staat van instandhouding en onderhoud van de betreffende tuin(en)/park(en). Dit betekent dat indien een eigenaar/beheerder hieraan voldoet er geen (dure) specialistische hoveniers hoeven worden ingehuurd. Hoewel de Uitvoeringsrichtlijn als voorschrift aan het subsidiebesluit voor het onderhoud van groene erfgoed zal worden verbonden is het niet zonder meer zo dat indien géén subsidie voor groen is aangevraagd de Uitvoeringsrichtlijn niet voor het onderhoud van een historische tuin of park zou kunnen gelden. Denkbaar is dat gemeenten, in het kader van de nieuwe instandhoudingsplicht van de Erfgoedwet, de Uitvoeringsrichtlijn onderdeel maken van hun handhavingsbeleid als kader bij het toetsen van de staat van het onderhoud van het groene erfgoed.

Problemen bij de handhaving

Singraven1

Vorenstaande zo in ogenschouw genomen zijn er enige fundamentele veranderingen voor het onderhoud, de instandhouding en de restauratie van groen erfgoed. Wat hierbij enigszins knelt is dat er een nieuwe instandhoudingsplicht voor groen erfgoed geldt met een nieuwe Uitvoeringsrichtlijn en Beoordelingsrichtlijn terwijl de subsidiemogelijkheden ingevolge het BRIM voor het onderhoud zeer beperkt zijn. Ofwel, is er sinds juli dit jaar meer plicht en minder recht inzake het groene erfgoed. Er is immers slechts 5 miljoen voor groen gereserveerd tegen 45 miljoen voor rood. Bovendien is het subsidiepercentage voor restauratie in een aantal jaren teruggegaan naar zo’n 25-30%, voorheen 70%. Sinds het rijksbudget voor subsidie is overgeheveld naar de Provincies wordt ook bij steeds meer Provincies het subsidieplafond verlaagd naar 25-30%. Tot slot geldt voor de subsidie van groen erfgoed ingevolge het BRIM 2013 en aanverwante regelgeving dat slechts subsidie wordt verleend op grond van het criterium dat instandhouding sober en doelmatig moet zijn. De mogelijkheden voor subsidie zijn in dit kader verengd in de Lijst met normbedragen subsidiëring groene monumenten. De vraag dringt zich in dit licht op hoe de instandhoudingsplicht zich in alle redelijkheid kan verhouden tot dit uitgeklede subsidieklimaat. Om dit nader te kunnen toelichten is allereerst van belang om de vraag te beantwoorden wat nu precies de omvang is van het groene erfgoed dat in stand moet worden gehouden. Dit zal moeten blijken uit de redengevende beschrijving en eventuele bijbehorende kaarten toen het monument werd aangewezen als zodanig. Hier gaat bij groen erfgoed regelmatig wat mis, doordat deze beschrijving onvoldoende duidelijk en uitputtend beschreven is. Dit betekent dat onduidelijk is wát nu precies in stand moet worden gehouden. Dat levert problemen op bij handhaving. De norm is immers niet duidelijk. Indien aard, omvang en uiterlijk van het groene erfgoed wel volledig helder blijkt uit de beschrijvingen e.d., dan is de vraag hoe dat zich verhoudt tot de huidige, feitelijke toestand. Wat te doen als een deel van de oorspronkelijke beschrijving is veranderd? Moet dit dan nu worden hersteld? Wat te doen als het onderhoud weliswaar goed is, maar dat het groen in de loop van de tijd zich door natuurlijke groei heeft ontwikkeld tot een andere situatie? Moet die dan worden opgeruimd ten einde de oude situatie te herstellen? En hoe ver dient men terug te gaan in het verleden bij het vaststellen van wat in stand moet worden gehouden? Welk ontwerp van een tuin of aanleg is leidend? En wie bepaalt dat indien dat onvoldoende helder is uit de beschrijving? De huidige eigenaar? De gemeente? De Minister? Groen erfgoed is levend erfgoed en dit kan problemen opleveren bij het vaststellen van een heldere feitelijke grondslag die kan dienen voor het bepalen van de instandhouding. Hierdoor wordt het juridisch wat ingewikkeld om handhavend op te treden bij achterstallig onderhoud. .

Hoe ver gaat nu de nieuwe instandhoudingsplicht voor groen erfgoed?

Soestdijk2-300x225In de ‘oude jurisprudentie’ is het criterium, even heel kort samengevat, ontwikkeld dat een gemeente handhavend mag optreden indien het monument gevaar loopt in diens voortbestaan. Deze jurisprudentie op grond van art. 11 van de Monumentenwet is na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vanaf 2010 voortgezet door de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit is ook niet verwonderlijk, omdat met de Wabo geen wezenlijke verandering optrad in de norm van art. 11 van de Monumentenwet en de nieuwe bepalingen in de Wabo. Met de komst van de instandhoudingsplicht is die norm van artikel 11 echter wél veranderd vanwege de uitbreiding hiervan met de instandhoudingsplicht die is opgenomen in art. 10.18 van de overgangsbepalingen van de Erfgoedwet. In zoverre geldt artikel 11 van de Monumentenwet 1988 dus nu nog steeds en komt pas te vervallen indien de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving in werking treden in 2019.

Het oude criterium dat het monument in gevaar is of dreigt te komen is een enger criterium dan de onthouding van onderhoud dat voor de instandhouding van het monument noodzakelijk is. Gemeenten die handhavend willen optreden kunnen bijvoorbeeld onderhoudsbeleid gaan opstellen waaraan een monument in ieder geval zou moeten voldoen. Het laten verpieteren van een monument totdat er gevaar is ontstaan voor het voortbestaan ervan is met de instandhoudingsplicht minder goed mogelijk geworden indien kan worden vastgesteld dat het noodzakelijke onderhoud is onthouden en dat hierdoor instandhouding in het geding is of dreigt te geraken. Dat is een goede ontwikkeling, zeker ook voor groen erfgoed.

Voorgaande overwegende adviseer ik iedere KBL om zich proactief op te stellen voor wat betreft het groene erfgoed waarvan men eigenaar of beheerder is. Inventariseer de status van het groene erfgoed indien nog niet gedaan, stel vast wat ontbreekt in de huidige situatie in relatie tot de oorspronkelijke beschrijving bij de aanwijzing van het monument, stel eventueel achterstallig onderhoud vast, bekijk of de administratie en het beheer en de kwaliteitseisen aan medewerkers op orde zijn en maak een goed beheer- en onderhoudsplan voor het groene erfgoed, mocht dit ontbreken. Tot slot geldt voor groen erfgoed natuurlijk niet alleen een instandhoudingsplicht, maar is dit erfgoed vooral eerst door onze voorouders geschapen om van te genieten, hetgeen ik een ieder toewens!

Mr. drs. Jérôme van der Maes is jurist en historicus en vanuit die expertise vrijwillig actief voor sKBL. Jérôme is onder meer gespecialiseerd in groen erfgoed.

Met toestemming van stichting Kastelen Buitenplaatsen Landgoederen en de auteur overgenomen uit de Nieuwsbrief sKBL september 2016

Kranenburg begraafplaats in Zwolle

Overgenomen uit de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) als reactie op een bezoek aan deze begraafplaats door Marion Tiem (faceboek 24 juli 2016)

Begraafplaats Kranenburg Zwolle
Tuinarchitecten: Copijn, L.W. (1928); Bleeker, G. (1928-1931); Boer, W.C.J. (1973); Copijn Utrecht Groenadviseurs B.V. (1992)
Oppervlakte10 ha; Stichtingsjaar 1933

01.560.26
Tuinontwerp H. Copijn en Zoon (C.H. Schouten), 1928

‘De begraafplaats, tevens parkaanleg op het oude landgoed De Kranenburg, is in 1928 door de firma H. Copijn en Zn. in gemengde stijl of Nieuwe Landschapsstijl ontworpen. In deze stijl was het gebruikelijk geometrische vormen onder te brengen binnen de opzet van een groter park in landschapsstijl. Het betrof een prijsvraag. Inzenders naast de firma Copijn waren onder anderen de tuinarchitecten Th.J. Dinn, onder het motto ‘Rust’ en G. Bleeker, onder het motto ‘Opgang’. Het ontwerp van de firma H. Copijn en Zn. onder het motto ‘Gravenpark’, werd gemaakt door de mede-firmant C.H. Schouten. Volgens het jury-rapport maakte de ontwerper van ‘Gravenpark’ in zijn voorstel prachtig gebruik van het bestaande terrein en liet hij het begraafplaats- en parkgedeelte op fraaie wijze samenvloeien. De jury, waar onder anderen de tuinarchitecten L.A. Springer en H.A.C. Poortman deel van uitmaakten, sprak verder van mooie doorzichten en een vijver van ‘ongezochten eenvoudigen vorm’. In 1931 beschrijft J.T.P. Bijhouwer in ‘Het weekblad voor het landhuis’ de simpele elementen waaruit de begraafplaats volgens het ontwerp van de firma Copijn is opgebouwd, namelijk een rustige laan naar het plein van de tempel en bankgroepjes onder de bomen tussen de gravenvelden. Op de plaats van het vroegere landhuis ligt nu de stadskwekerij. De begraafplaats, die in 1933 in gebruik genomen werd, leent zich met zijn vele graspaden en de grote verzameling wintergroene coniferen goed voor een rustige wandeling. In 1992 is de begraafplaats met een klein deel uitgebreid waarop onder meer een islamitisch gedeelte, volgens ontwerp van Copijn Utrecht Groenadviseurs B.V.. Centraal in dit gedeelte ligt een vijver in de vorm van een gestileerde lelie, als symbool voor de levensloop, waarin het water van de bron naar een wijd bekken stroomt. Op de gehele begraafplaats is veel aandacht geschonken aan de vorm en het uiterlijk van de grafmonumenten, marmeren en strak gepolijste stenen komen er niet voor. In een hoekje van de begraafplaats is een verzameling fraaie en opmerkelijke oude grafmonumenten bijeen geplaatst.’

Waterval op Leyduin in 1816

Gisteren (3 augustus 2016) verscheen op de onvolprezen  websitepagina Librariana van Hans Krol een bericht over twee kunstenaars met banden met Heemstede, Pieter Bouman (1764-1828) en Albert Steenbergen (1814-1900). Naar aanleiding van dit bericht ging ik op zoek naar meer gegevens over Leyduin en haar cascade, maar lees vooral eerst het bericht op Librariana.

De Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998) geeft een korte beschrijving van de historie van de buitenplaats Leyduin (met enige correcties aangevuld door Gert de Kruif):

‘Leyduin en Vinkenduin vormen samen met Woestduin een aaneengesloten complex van buitenplaatsen op de overgang van de strandvlakte naar de duinen. Leyduin is voor het eerst vermeld in 1596 en was oorspronkelijk een hofstede met boomgaarden eromheen. In 1798 werd de plaats beschreven als een park met een hermitage (kluizenaarshut) op een heuvel, een beek, een cascade (waterval, aangelegd in 1759), een menagerie en een vinkenhuis, boomgaarden en moestuinen.

bouman3
Pieter Bouman (1764-1824), De waterval op Leyduin, 1816 (coll. Antiquariaat A. van der Steur, Den Haag)

Van deze oudste aanleg dateren nu nog de neogotische hermitage (afgelopen decennium hersteld) en de grenspalen uit 1701 met de naam Johan van Romswinckel, die thans bij de oprit naar het huis staan. Ook het nog gave lanenstelsel met enorme beuken vormde een onderdeel van de toenmalige aanleg. Het oude herenhuis op Leyduin  werd in het begin van de negentiende eeuw afgebroken. In 1874 werd een nieuw huis gebouwd dat in 1920 echter zo ongeschikt voor bewoning werd geacht, dat ook dit in 1921 werd afgebroken. Uit die tijd resteren nog wel een koetshuis en koetsiers- en tuinmanswoningen.

Tot 1900 liep een duinrel, een afwatering vanuit de duinen, door de beek en over de cascade op Leyduin. Het water was bestemd voor de drinkwatervoorziening van Amsterdam. Toen er waterleidingbuizen gelegd werden, zijn de beek en de cascade drooggevallen.

Nadat  ook het nieuwe Vinkenduin was afgebroken, werden op beide delen nieuwe huizen gebouwd naar ontwerp van architect A.de Maaker, Leyduin in 1921 en Vinkenduin in 1924. De tuinarchitect L.A. Springer ontwierp de aanleg bij beide huizen. Vinkenduin werd gekarakteriseerd door een zicht vanuit het huis in west-zuidwestelijke richting naar de duinen. Het dankt zijn naam aan de vinkenbaan die hier in 1752 werd aangelegd. Hier ving men vinken die gebruikt werden voor aarden wallen, die een veldje met lindebomen omsluiten. Een vinkenhuisje stond aan de vinkenbaan en is begin 20ste eeuw vergaan.

Het gebied is zeer rijk aan broedvogels en kent een uitgebreid scala aan stinsenplanten, met onder meer gevlekte aronskelk, wilde hyacint, wilde narcis en bosanemoon. De half in de grond gelegen appelkelder is in 1980 gerestaureerd en is nu een geliefde verblijfplaats van vleermuizen. In 1993 is het terrein rondom het huis gerenoveerd door de landschapsarchitect Victor van Boven.’

Beeklustpark Almelo gemeentelijk monument

Het Beeklustpark te Almelo en de gebouwen in en rond het park zijn aangewezen als gemeentelijke monumenten. Het gaat dan om het park, de stadsboerderij, het theehuis, het koetshuis en de woonboerderij Nieuw Engeland.

1280px-Eind_AA_weezebek

Op de website van sKBL (skbl.nl) is een uitstekende en uitgebreide beschrijving van het Beeklustpark en haar historie te lezen, hierbij overgenomen:

‘In het midden van de achttiende eeuw ontstonden rondom de stad Almelo een aantal complexen met lusttuinen tegen de achtergrond van de veel voorkomende wens van vermogende burgers, om een verblijf buiten de stad te hebben waar men in de vrije tijd met familie en vrienden kon vertoeven. Deze wens was mede ingegeven door het feit dat de hygiënische toestand in het kleine stadje erbarmelijk slecht was en de stank soms ondraaglijk werd, zoals de Almelose medicus J.W. Heppe reeds in 1785 meldde. Vandaar dat door inwoners die het zich konden veroorloven, royale tuin­complexen werden aangelegd met daarop een soort tuinhuis of een bouwwerk dat bijna voor een tweede woning zou kunnen doorgaan. De fraaiste tuinen lagen tussen het riviertje de Almelose Aa en de huidige Bornerbroeksestraat en gaven aan het gebied de bijnaam ‘Mennistenhemel’, omdat hier de leden van de Doopsgezinde Gemeente elkaars nabijheid zochten. Namen die hier nu nog aan herinneren zijn: Tuinstraat, Vijverstraat en Mennistenhoek.

Al naar gelang de wensen en financiële mogelijkheden kon men een buitenplaats met landhuis en uitgestrekte tuinen en parken aanleggen of moest men zich tevreden stellen met een enkele tuin, die men overigens wel smaakvol wist vorm te geven. Ingericht met vruchtbomen, heesters, een prieel en verlevendigd met visvijvers, koepels en theehuisjes waren het plekken waar men genoot van de knusse natuur en werden het uitingen van het geïdealiseerde landleven. Het was de plek waar de welgestelden van de Almelose burgerij in de zomer flaneerden in de deftige mode van die tijd en tijdens zwoele avonden het geluid van muziek, zang en dans zich vermengde met bloemen- en bloesemgeuren. Voor de gewone man leek het daar een aards paradijs, of zoals Ok­ker het in zijn boekje ‘Almelo vroeger en thans’ noemde ‘een soort hemel op aarde’.

De meer welgestelden kochten zelfs een groter stuk grond om er een buitenplaats te vestigen. Zo ontstond ook het ‘Beeklust’ aan de Nieuwe Graven dat qua omvang wel de grootste van allen was. Het waren ook doopsgezinde ondernemers zoals Hofkes, Coster, Bavink en Ten Cate die toen de basis legden voor de latere textielnijverheid in Almelo.

Een buitenplaats ontstaat. In 1777 kocht Egbert Coster van gravin Sophia van Rechteren ten overstaan van de Rigter Stein, rentmeester Staggemeier en de burgemeesters, Warnaar Hoben, Harwig en Joh. Revius, in de heerlijkheid Almelo een ‘toeslag’ grond ‘soo als deselve is gelegen tegenover de Hongerigen Wolf (nu theehuis Beeklust) bij Nije Gravens Brugge langs de vaart gelegen’. Coster kwam in het bezit van het grondstuk omdat zijn bod van 620 gulden slechts drie gulden hoger was dan dat van de familie Schimmelpenninck die er ook belangstelling voor toonde. Hij was gehuwd met Elisabeth ten Cate en woonde ‘Op de Plas’, het stadsdeel tussen Molenstreng en Hofstraat.

Als voorwaarde bij de verkoop werd vastgelegd dat de beplanting niet ten nadele van de rivier mocht zijn omdat deze als ‘vaart naar Swol’ een belangrijke functie had voor de scheepvaart. Datzelfde jaar kocht Coster voor 10 ducaten van Huize Almelo ook nog een uitdrift voor de op het grondstuk gevestigde boerderij. Hierdoor mocht men voor het vee van de omliggende gemeenschappelijke weidegronden gebruik maken. Op het grondstuk bouwde hij een eenvoudig driebeukig landhuis dat waarschijnlijk voornamelijk dienst zal hebben gedaan als verblijfplaats bij jachtpartijen of voor kortstondige verblijven. De aanleg is reeds kort na de aankoop tot stand gekomen, want op de kaart van Hottinger uit 1783 staat de buitenplaats reeds afgebeeld met de beide vijvers en de aanleg van de siertuin. Tussen de kaart van de landmeter C. Stemberg die hij omstreeks 1800 in opdracht van Coster vervaardigde en de kadastrale situatie in 1832 zijn weinig wijzigingen te zien.

Parkontwerp

De buitenplaats bestond uit drie onderling door lanen gescheiden delen. De lanen kenden een enkele laanbeplanting en werden begeleid door sloten. Aan de zijde van de Ledeboerslaan lag een omgracht terrein met aan de zuidzijde het landhuis. Binnen deze gracht lag een geometrische met paden doorsneden siertuin. De meest zuidelijke compartimenten bezaten een parterre de broderie, de anderen waren grasparterres. De ingang naar de buitenplaats lag op de huidige plaats tegenover het theehuis Beeklust, de beide poortpijlers waarvan het ijzeren hekwerk uit een latere periode stamt zijn nog beide aanwezig.

In 1814 werd het complex nog verder uitgebreid door de aankoop van een aangrenzend stuk groenland dat eigendom was van Hendrik Hagedoorn. Hierdoor was Coster verzekerd van de mogelijkheid om een rechtstreekse aansluiting te kunnen maken op de nieuwe Wierdensestraatweg waarvoor de plannen rond deze tijd ontstonden. De bij het landhuis behorende boerderij was van oorsprong een dubbeleggig woonhuis met de naam ‘Nieuw Engeland’, een bouwvorm die kenmerkend was voor de omgeving van Almelo. De huidige boerderij stamt uit 1926. Gezien de aanleg van het terrein, waarin twee langwerpige vijvers tussen het bouwland zijn uitgespaard, valt het niet uit te sluiten dat Coster dit deel van het complex benutte als bleek. De beide vijvers stonden in open verbinding met de Molenbeek (nu Weezebeek) en de Nieuwe Graven. De aansluiting van de vijver die met de Weezebeek in verbinding stond werd ook gebruikt als haventje.

Mogelijk werd hier turf aangevoerd dat voor verwarming diende en kon vanuit dit haventje op eendenjacht worden gegaan. Met enig speurwerk kan men dit nu nog in de huidige terreinsituatie terugvinden. Of Coster ook de bedoeling had om de linnennijverheid -bleeken en verdere bewerking- hier ooit uit te breiden is niet bekend, maar uitgesloten is dit niet gezien de oppervlakte die hij ter beschikking had. Het aan de Weezebeek grenzende deel van het complex werd in 1817 in het kadastrale register nog aangeduid als ‘akkermaalsbosch’, hieruit betrok men de brandstof (takkenbossen) voor de bakoven.

Het is niet bekend wie de oorspronkelijke aanleg van de buitenplaats heeft uitgevoerd. Er is wel eens verondersteld dat de Gildehauser landmeter J.I. Schrader die omstreeks 1772 in de directe omgeving van het buiten karteringswerk verrichtte en ook het sterrenbos van Borgbeuningen had ontworpen hier ook het ontwerp voor leverde. Maar zolang hiervoor het echte bewijs ontbreekt is het niet historisch verantwoord dit ook als vaststaand aan te nemen.

De oorspronkelijke beplanting is tevens bekend; de huidige lindenlaan achter de vroeger huisplaats was destijds eveneens met linden beplant, terwijl de in de bocht van de Nieuwe Graven gelegen laan bestond uit beplanting met eiken.

De nieuwe inrichting. De buitenplaats bleef tot aan 1894 eigendom van de familie Coster. De laatste bewoners van dit geslacht waren twee ongehuwde broers, Egbert en Herman Coster, die vanwege hun zeer sobere levenswijze de bijnaam ‘Mennistenmonniken’ droegen. Volgens de Almelose historicus G.J. Eshuis is de aanleg op dat moment inmiddels sterk achteruitgegaan en was van de vroegere allure die het buiten ooit bezat weinig meer over.

De nieuwe eigenaar werd de bankier Helmich Ledeboer, die de buitenplaats ingrijpend veranderde. Er werd een in chaletstijl ontworpen landhuisje gebouwd en de inrichting van het park kreeg in 1904 een vereenvoudigd landschappelijk karakter naar een ontwerp van Hugo Poortman. Hierbij verdween ook de geometrische aanleg rond het huis, deze werd omgevormd tot een met gras begroeide open ruimte waarin enkele solitairen maar ook boomgroepen werden geplaatst. De voorheen strakke vijvers werden veranderd door de oevers een gebogen vorm te geven, waardoor ze beter in de landschappelijke aanleg pasten. Er ontstond door de nieuwe aanleg een diverse afwisseling in de ruimtebeleving van een grootschalig ruimte en kleinschalige besloten elementen. Door zichtlijnen te creëren met het omringende landschap leek het net of het park groter scheen dan het in werkelijkheid was.

Of het ontwerp verder ook in zijn geheel werd uitgevoerd is niet bekend. Maar omdat enkele vroegere elementen gehandhaafd bleven die eigenlijk niet stroken met de visie over landschappelijke aanleg, b.v. de lindenlaan, zou men kunnen aannemen dat om de een of andere reden het ontwerp van Poortman niet volledig is gerealiseerd. Hugo Poortman volgde een opleiding bij Edouard André in Parijs. Voor diverse adellijke opdrachtgevers heeft hij parken ontworpen of heringericht, waaronder Weldam, Twickel, Middachten en Warmelo.

Beeklust wordt Slooplust. Toegangshek BeeklustVanaf 1949 werd het landhuis verhuurd aan de heer C. Post, directeur van de voormalige Twentsche Bank. Nadat het gehele complex in 1960 door de familie Ledeboer werd verkocht aan de gemeente Almelo woonde tot de sloop van het huis in 1975 hier de familie Ezendam. Deze sloop stuitte op grote weerstand onder de Almelose burgerij. Ook deed de Bond Heemschut te elfder ure nog een poging om het huis te behouden, maar tevergeefs. Op 15 juli 1975 lag het geheel plat. De plaatselijke pers veranderde de naam ‘Beeklust’ in ‘Slooplust’. De Rijksdienst Monumentenzorg betreurde de gang van zaken omdat het landhuis enkele jaren later ongetwijfeld op de monumentenlijst zou hebben gestaan. Reeds in september 1975 zou er zelfs een bedrag beschikbaar komen voor restauratie van de D.A.C.W. uit de pot ‘herstel landhuizen’ in het kader van de werkloosheidsbestrijding, maar het initiatief hiertoe had dan van de gemeente uit moeten gaan, maar die had andere plannen.

De gemeentelijke plantsoenendienst maakte een nieuw inrichtingsplan voor het park waarbij vele oude elementen voorgoed verdwenen en het karakter van het park sterk veranderde. Alleen de beide oude poortpijlers bleven bestaan en herinneren nog aan de oude buitenplaats.

In de navolgende jaren gaat het park sterk achteruit als gevolg van verloedering en vandalisme, terwijl ook het gemeentelijk budget voor het noodzakelijke onderhoud van het park beperkt was. Ook de bouw van een muziekkoepel en het organiseren van concerten tijdens de zomermaanden bracht hierin geen verandering.

Grand Canal. De situatie bleef niet onopgemerkt bij de heer E. ten Cate, bewoner van het nabijgelegen landgoed ‘Bellinckhof’, die in 1997 met een aanbod bij de gemeente komt om het park over te nemen en een gefaseerd restauratieplan te laten opstellen. Sinds hij zelf de Bellinckhof bewoont, heeft hij veel achterstallig onderhoud op het landgoed weggewerkt, en weet hij dus waar hij het over heeft. Hij dient een plan in bij de gemeente Almelo voor een ingrijpende revitalisering van het park waarbij er naar gestreefd diende te worden dat kenmerkende kwaliteiten van de verschillende periodes als uitgangspunt zouden worden genomen, waarbij een zekere vrijheid kon bestaan in de keuze van de elementen en de combinatie die ermee werd gemaakt. Dit plan vormde de basis voor een uitvoerig aanvullend rapport dat werd samengesteld door het Bureau voor historische tuinen, parken en landschappen te Wageningen. Ruim twintig punten bevatte het rapport die er uiteindelijk aan zouden moeten bijdragen dat het Beeklustpark een voor Almelo en wijde omgeving unieke recreatieve locatie zou worden en blijven met het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle karakter.

MuziekkoepelVanaf 2002 kwam het beheer van het park in handen van de Stichting Renovatie Beeklustpark. Dit plan werd vervolgens door de stichting uitgevoerd. Hierbij bleef de belangrijke recreatieve functie van het park gehandhaafd en zo mogelijk uitgebreid. Het bestaande lanenstelsel werd verbeterd en het achterstallig onderhoud weggewerkt. Parallel daarmee werd een verjongingsplan opgesteld. Hierdoor veranderde de grote middenweide in een lig- en speelweide. Het gebruik van de muziekkoepel werd gecontinueerd en gestimuleerd waarbij het meer het karakter van een theaterzaal kreeg door een glooiing in het terrein aan te brengen. Ter plaatse van de lindenlaan werd het oorspronkelijke grand canal weer hersteld. Hiervoor moesten alle linden enige meters verplaatst worden. Aan het einde hiervan in de zichtas een verhoging waarop een koepeltje.
In 2009 waren deze werkzaamheden afgerond. In de nieuw gebouwde muziekkoepel vinden regelmatig zondagmiddagconcerten plaats.’

 

Johanna Theodora barones van Dedem en Huis Den Berg te Dalfsen

800px-406208_Dalfsen_Huize_den_Berg_2010

Op Huis Den Berg bracht Johanna Theodora barones van Dedem (1835-1911), in familiekring Jeanette genoemd, haar jeugdjaren door totdat zij trouwde met Daniel Pruimers (1835-1859).

In de ‘Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur’, deel 2 (Rotterdam, 1996)  van de auteurs Carla S. Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, is de geschiedenis van de tuinaanleg van Huis Den Berg kort te lezen:

‘De monumentale havezate Den Berg bereikt men via een imposante zichtlaan van tweeënhalve kilometer lengte. Deze laan doorsnijdt een oude stuwwal, ‘een berg’ en hieraan ontleent Den Berg zijn naam. Oorspronkelijk liep deze laan achter het huis nog enkele kilometers door in een formele aanleg met een sterrebos. Het huis van de havezate, die oorspronkelijk uit 1483 dateert, werd in 1703 gebouwd met twee bouwhuizen en een voorplein. Het landgoed met de bijbehorende kavels is nog altijd gevat in een rechtlijnig stramien en de rechte lanen van de parkaanleg, reeds afgebeeld op een kaart van Samuel van Beinum uit 1742, zijn tijdens een wandeling in de omgeving nog duidelijk te herkennen. In de negentiende eeuw zijn de waterpartijen vergraven in landschapsstijl en kregen ook het noorden en het oosten van het huis een bescheiden aanleg in landschapsstijl. De aanleg rondom het huis werd uitgebreid met beukenhagen, een boomgaard, een ronde waterkom en knotlinden. Bijzonder is het voorplein met een laat negentiendeeeuwse inrichting met snoeiwerk en plantenslingers rondom een zonnewijzer. In de negentiende eeuw was het gebruikelijk een dergelijk voorplein te decoreren met sierperken, beplant met op stam gesnoeide planten en in het midden exoten als canna’s, palmen en fuchsia’s. Door de bewerkelijkheid van deze vorm van tuinarchitectuur zijn veel voorpleinen tegenwoordig vereenvoudigd, maar op Den Berg wordt deze traditie nog in stand gehouden. Den Berg wordt beschermd als Rijksmonument.’

Het leven van de weduwe Pruimers en haar relatie met dominee van Rijn is recent te boek gesteld door Wim Coster: De barones en de dominee: een verboden liefde in de negentiende eeuw (Amsterdam 2016).

debaronesendedominee_site1

(onderstaande tekst overgenomen van Uitgeverij Balans); zie ook de website van Adel in Nederland.

‘Zwolle, 1859. Als de jonge Jeannette Pruimers, geboren barones van Dedem, moeder van een dochtertje, weduwe wordt, vindt ze troost bij dominee Johannes Gerrit van Rijn, getrouwd en vader van drie, later vier kinderen. Hij bezoekt haar veelvuldig, ook ’s avonds laat. Dat leidt tot opspraak in de stad – en zelfs in het hele land, als in de zomer van 1863 het bericht de ronde begint te doen dat de weduwe in Zuid-Frankrijk een tweede kind heeft gekregen. De barones en de dominee, die alles ontkennen, krijgen het zwaar te verduren.

De schoonvader van de barones, een puissant rijke zakenman, wil zijn schoondochter onterven en haar de voogdij over zijn kleindochter ontnemen. Haar eigen familie gooit haar hardhandig uit het nest. De vrouw van de dominee blijft geloven dat de verhouding tussen haar man en de barones zuiver geestelijk is. Multatuli neemt het in een schotschrift op voor de weduwe. Uiteindelijk komt het tot een dramatische rechtszaak. De barones en de dominee ontvluchten Zwolle.

Wim Coster volgde hun sporen en stuitte op een familietragedie. Via brieven, testamenten, procesdossiers en krantenberichten reconstrueerde hij deze geschiedenis en kwam hij nog levende nazaten op het spoor. Zijn meeslepende verhaal, dat zich afspeelt in Zwolle, Salland, Zuid-Frankrijk, Zwitserland, Zuid-Engeland en Amerika, laat zien hoe oordeel en vooroordeel, recht en onrecht de verschillende levens een beslissende wending gaven.’

Herinckhave / Fleringen

Nieuw boek en advies over de inrichting van de toegangslaan

N.a.v de volgende nieuwe publicatie over de havezate Herinckhave te Fleringen, willen we onze lezers een artikel aanbieden over beeldenlanen: Gisela L.H. Bijleveld-von Bōnninghausen, Landgoed Herinckhave, 2016.

CnewMI1XEAAytAt

In 2004 bracht ons bureau een advies uit over deze havezate, en speciaal over de toegangslaan op deze buitenplaats, die de gemeente daar met beelden wilde inrichten. Dit advies viel negatief uit t.a.v. het plaatsen van die beelden daar.

Naar aanleiding van dit advies schreef Carla Oldenburger in Cascade Bulletin, jrg. 13 (2004), nr.1, een artikel: ‘Beeldententoonstellingen op historische buitenplaatsen‘. Pagina’s 10-17 gaan exclusief over de toegangslaan op Herinckhave.

Theodorus Beckeringh en de borgenkaart. Groninger Museum t/m 23 oktober

Mr. Theodorus Bekering (1712-1790, jurist en amateur cartograaf), was de samensteller van de Kaart of Land Tafereel der Provincie van Groningen en Ommelanden, voor het eerst uitgegeven in 1781.

Portret-Beckeringh

 Jan Abel Wassenbergh (1689 – 1750). Theodorus Beckeringh. Olieverf op doek, 1735. Part. Coll. Foto: Groninger Museum (John Stoel)

De kaart staat bekend als de borgenkaart van Beckeringh. In de rand van de kaart staan een groot aantal borgen afgebeeld, waarvan de ligging op de kaart zelf is aangegeven.

KBN020020416, 6/29/11, 9:54 AM, 8C, 7990x10385 (0+92), 100%, JUNI 2011 PPRO, 1/120 s, R44.1, G14.0, B13.8Detail van de borgenkaart van Theodorus Beckeringh

Het Groninger Museum besteedt nu (t/m 23 oktober 2016) extra aandacht aan deze kaart. Deze tentoonstelling gaat gepaard met een publicatie (vandaag 1 juli 2016 gepubliceerd) waarin de hele totstandkoming van de kaart met voorstudies (vanaf 1767) uit de doeken wordt gedaan.

Titel: De Atlas van Beckeringh: het Groninger landschap in de 18de eeuw, onder redactie van Martin Hillenga, Reinder Reinders en Auke van der Woud. Groningen/Zwolle, 2016. Introductieprijs € 39,95; na 25 september € 49,95.

De borgen die heden ten dage nog bestaan en op de kaart zijn afgebeeld, zijn de Rensumaborg in Uithuizermeeden, de Menkemaborg in Uithuizen,  de Fraeylemaborg in Slochteren en de Borg Verhildersum in Leens.

Zie ook Groninger Museum.