Categoriearchief: Tuin- en landschapsarchitectuur

Wat is een Sterrenbos? DIASHOW

(239) Een sterrenbos op een buitenplaats komt tamelijk veel voor. Men herkent het niet altijd, daarom deze uitleg. Een sterrenbos bestaat meestal uit twee lanen die elkaar kruisvormig kruisen en twee lanen die elkaar diagonaalsgewijs kruisen. Hun middelpunten vallen samen. Tussen de lanen liggen driehoekige bosvakken. Een sterrenbos heeft eigenlijk twee doelen. 1) het is een productiebos. De rechte lanen worden gevormd door beuken of eiken die de tussengelegen driehoekige vakken met hakhout afschermen. Het hakhout werd vroeger om de paar jaar gekapt en kon voor verschillende doeleinden gebruikt worden. 2) het is een jachtbos, speciaal voor kleinwild. De jager vatte met zijn geweer post op een van de lanen, terwijl de honden het wild moesten opjagen. Zodra de hazen, konijnen, fazanten, of zwijnen de laantjes overstaken, stond de jager met zijn geweer klaar om te vuren. Op onderstaande topografische kaart is te zien dat het middelpunt van een sterrenbos meestal uitkijkt over acht lanen.

Deze bossen zijn een cultuurhistorisch bosrelict uit vroeger tijden. Op oude topografische kaarten zijn ze makkelijk te onderscheiden.

Topografische kaart omgeving Amersfoort, met middenin het sterrenbos van de buitenplaats Nimmerdor

ONAFHANKELIJK ADVIES  T.A.V. VERZAMELBELEID TUIN- EN LANDSCHAPSARCHIEVEN

(238) Onderstaande notitie publiceerde ik 17 februari 2021 op Linkedin en heb ik naar de organisatie van de Webinar gestuurd die over het verzamelbeleid van de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchiutectuur-archieven werd georganiseerd. Wachten is op het rapport dat in verband met dit onderwerp zal verschijnen. Ik heb daarover nog niets gelezen en wil met mijn advies nog eens aandacht vragen voor deze zaak.

“Op de website van Het Nieuwe Instituut in Rotterdam stond te lezen dat het Ministerie van OCW een onderzoek is gestart naar een mogelijk (gezamenlijk) verzamelbeleid ten aanzien van tuin- enlandschaps-architectuurarchieven. Het instituut presenteert zich als ‘Museum voor Architectuur, Design en Digitale Cultuur’ en als ‘Rijkscollectie – ook als rijksarchief- voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw’; en vanaf 2021 als een nationale erfgoedinstelling (met verschillende BIS-taken). En dit laatste houdt in dat de instelling zich verzekerd weet van meer financiële continuïteit voor met name het archief. Daarnaast werkt het samen met andere partijen aan de ontsluiting van design- en digitale cultuurarchieven, de andere pijlers van HNI.

HNI heeft nu ontwerpers, onderzoekers, archiefbeheerders en beleidsmakers opgeroepen om 4 maart 2021 samen te komen in een digitale Kennisbijeenkomst (titel: ‘Het geheugen van het ontworpen landschap’), om van gedachten te wisselen over een gezamenlijk beleid voor ontsluiting van de Nederlandse Stedenbouw (in de ruimste zin van het woord, met name de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur). Het HNI denkt ook aan een gezamenlijk verzamelbeleid betreffende het thans aanwezige materiaal in het Nationaal Archief, Het Nieuwe Instituut, Speciale Collecties WUR, regionale archieven en stadsarchieven. Deze collecties tezamen geven nu een gefragmenteerd (en onsamenhangend) beeld van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, en dat zou beter kunnen.

Ter orientatie eerst een overzicht van bachelor- en masteropleidingen in de tuin- en landschapsarchitectuur: Wageningen UR; TU Delft; Academie voor Bouwkunst Amsterdam; Van Hall Larenstein; HAS Den Bosch. Hierbij horen beherende instellingen: a) in Wageningen worden de collecties boeken, ontwerpen en documentatiematerialen op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur beheerd en ontsloten door de Bibliotheek WUR (incl. Afd. Speciale Collecties, de Opleiding Landschapsarchitectuur en Ruimtelijke Planning; Van Hall Larenstein en HAS Den Bosch); b) in Delft is de Bibliotheek Bouwkunde & Kaartenkamer de beheerder van boeken, ontwerpen en documentatiematerialen.

Naast genoemde opleidingsinstituten hebben ook de volgende musea en archieven een verscheidenheid aan materialen op het verzamelgebied: Van Eesteren Museum; Museum Paleis Het Loo; Frans Hals Museum; Teylers Museum; Rijksmuseum; Amsterdam Museum; en niet te vergeten de (provinciale) archieven, waaronder speciaal genoemd Noord-Hollands Archief; Stadsarchief Amsterdam; Tresoar Leeuwarden en het Gelders Archief.

De praktijk wijst uit dat tuin- en landschapsarchitecten bij het beëindigen van hun bureau hun collecties wel willen afstaan (of in hun bureau willen achterlaten), maar vaak weten ze niet aan wie. Hun opdrachten strekten zich uit door heel Nederland. Het gebeurt dan ook maar al te vaak dat een collectie van één architect is terug te vinden in heel veel verschillende gemeentes. Alleen voor hen die in opdracht van één gemeente hebben geopereerd, is duidelijk waarom hun werk in die gemeente bewaard is gebleven. Architecten met een eigen bureau schenken hun collecties soms aan het archief in de plaats waar ze geboren zijn of aan de plaats of universiteit waar ze gestudeerd hebben. Architecten die voor grotere instellingen als bijvoorbeeld Staatsbosbeheer of het Rijksvastgoedbedrijf werkten hoeven meestal geen keuze te maken. Hun werkt blijft achter in die instellingen totdat de collectie -zoals al meer malen is gebeurd- in de vuilnisbak belandt.

Vanuit het oog van de onderzoeker is het natuurlijk heel aantrekkelijk als alle ontwerpen en documentatiematerialen op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur in één databank gevonden kunnen worden, maar alle beheer-instellingen zijn doorgaans niet op een zelfde manier toegankelijk gemaakt en de onderzoeker zal daarom -op zoek naar 1 ontwerp vaker in verschillende databanken moeten zoeken. Daar is geen oplossing voor te bedenken. Wat nu na bijna veertig jaar digitaliseren door de diverse bibliotheken, archieven en documentatiecentra is bereikt in de vorm van verschillende databanken, ligt vast en is goed georganiseerd. Alleen de toegang voor buitenstaanders is nogal eens onduidelijk en zou verbeterd kunnen worden.

Het verzamelbeleid op zich snakt naar duidelijkheid. De laatste jaren zijn nogal eens collecties door instellingen geweigerd. Als reden werd meestal opgegeven te weinig personeel om het materiaal te inventariseren en te digitaliseren, te weinig ruimte, te weinig aansluiting met andere collecties, etc. Er bestaat nauwelijks duidelijkheid over wie welke collecties opneemt, dus kan men overal aankloppen. In het verleden zijn ooit vage afspraken gemaakt over opnamebeleid tussen WUR / Speciale Collecties en HNI, maar in de praktijk is dat mis gelopen.

Toch zou het onderzoek met een duidelijk opname-beleid gebaat zijn. Voor individuele architecten die hun materialen willen afstaan t.b.v. de wetenschap, is misschien de volgende ‘regel’, aansluitend aan wat nu al gebeurt op het gebied van bibliotheek-ontsluiting, aanbevelenswaardig:

* Collecties van T&L-architecten gestudeerd aan WUR, overdragen aan WUR / Spec.Collecties;

* Collecties van T&L-architecten gestudeerd aan HAS, overdragen aan WUR / Spec.Collecties;

* Collecties van T&L-architecten gestudeerd aan Van Hall Larenstein, overdragen aan WUR / Spec.Collecties;

* Collecties van T&L-architecten gestudeerd aan TU Delft, overdragen aan Bibl. Bouwkunde en Kaartenkamer;

* Collecties van T&L-architecten gestudeerd aan Academie van Bouwkunst, overdragen aan HNI.

Instellingen en bureaus die afstand van collecties willen doen, kunnen zich mogelijk aan deze regels conformeren. Op deze manier kunnen belangrijke collecties voor de wetenschap behouden blijven.”

Carla Oldenburger, 17-02-2021

DIASHOW: GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE TUINARCHITECTUUR AAN DE HAND VAN KAARTMATERIALEN

(290 x bekeken op Slideshare.nl)

(233) Historische kaartmaterialen zijn naast historische ontwerpen van tuinen, parken en landschappen een belangrijke bron voor het verkrijgen van een zicht op de ontwikkeling van de tuin- en landschapsarchitectuur. Ook topografische kaarten vanaf ca. 1850 (in de vorm van de Topografische Militaire Kaart van Nederland) kunnen een beeld verscherpen, alhoewel deze kaarten zelf meestal onnauwkeuriger zijn dan losse kaarten van één landgoed of regio.

DIASHOW: CULTUURHISTORIE EN GEBRUIK VAN Buxus sempervirens.

(365 x bekeken op Slideshare.nl)

(229) In 2020 hield ik op Kasteel Amerongen een lezing over de cultuur-historie en het gebruik van Buxus sempervirens. De achterliggende bedoeling was om te laten zien hoe belangrijk de toepassing van Buxus sempervirens in de loop van de cultuurgeschiedenis altijd is geweest, en wat te doen in deze tegenwoordige tijd nu de Buxus zo vaak wegvalt door aantasting van de Buxusmot.

De reeks presentaties die wij hebben opgebouwd omdat gemeentes, verenigingen, stichtingen etc. ons hebben uitgenodigd in het verleden, staan op het Bericht van 1 februari opgesomd. Wenst u een bepaalde voorstelling of bepaalde foto’s los te gebruiken, omdat u deze zou willen gebruiken voor uw werk, wilt u dit dan melden in een reactie? Wij zorgen er dan voor dat u van ons toestemming ontvangt en vragen u dan de naam van ons bureau als bron te vermelden.

We proberen de komende tijd ongeveer 1 x per week een nieuwe diashow te plaatsen.

(Deze voorstelling blijkt heel populair te zijn. De eerste 2 dagen is deze bijdrage al meer dan 400 x op LinkedIn bekeken. Benieuwd wat de score is na 1 week).

Diashow Landgoed Clingendael Wassenaar

(228) Op 1 februari (Bericht 227) werd aangekondigd dat er de komende tijd meer diashows in deze rubriek ‘Berichten’ worden gepost. Er zijn 25 voorstellingen voorradig en deze wilt u misschien allemaal zien.

(532 x bekeken op Slideshare.nl)

Misschien kunnen we in deze corona-tijd wel nieuwe presentaties gaan toevoegen, mocht iemand daar met een duidelijke reden behoefte aan hebben. De verschillende presentaties die wij zelf hebben opgebouwd omdat gemeentes, verenigingen etc. ons uitnodigden in het verleden, staan op het Bericht van 1 februari opgesomd. Wenst u een bepaalde voorstelling of foto’s snel te zien, omdat u bijvoorbeeld deze voorstelling zou kunnen gebruiken voor uw werk, wilt u dit dan melden in een reactie?

Veel kijkplezier met deze publicatie over Clingendael.

Borstbeeld Leonard Springer onthuld op ‘De Nieuwe Ooster’

(Tekst overgenomen van Johan Mullenders):

(214) “Bijna een jaar geleden vierde de grootste en groenste begraafplaats van Nederland samen met velen van u haar 125-jarig bestaan. Tijdens de feestelijke bijeenkomst in de aula hoorde u toen over de plannen voor een borstbeeld van Leonard Springer, de ontwerper van de begraafplaats. 

Zie ook: https://www.oldenburgers.nl/2019/10/10/nogmaals-de-nieuwe-ooster-en-leonard-springer/

Borstbeeld Leonard Springer onthuld 30 september 2020 op ‘De Nieuwe Ooster’

Landschapsarchitect L.A. Springer (1855-1940) heeft het blijvend eerbetoon gekregen dat hem toekomt. De landschapsarchitect liet zijn sporen na in Amsterdam Oost en in de rest van het land, maar van hem was nog nergens een monument. Daar is nu verandering in gekomen. 

Op het voorplein van begraafplaats De Nieuwe Ooster staat sinds woensdag 30 september een bronzen borstbeeld van Springer. De onthulling vond helaas, vanwege corona, in zeer kleine kring plaats. Het beeld werd gemaakt door beeldend kunstenaar Harriët Jellema. Door haar vaardige hand vorm gegeven kijkt Springer voor altijd uit over de entree van zijn meesterwerk, in de richting van de twee andere Springer parken in Oost. De bomenman van de begraafplaats, Johan Mullenders, nam het initiatief om het beeld tot stand te laten komen. De bestuurscommissie Oost nam de financiering van het beeld voor haar rekening. Stichting Arboretum De Nieuwe Ooster zorgde voor de sokkel.

Borstbeeld Leonard Anthony Springer geflankeerd door Harriët Jellema en Johan Mullenders

Springer volgde zijn opleiding deels in park Frankendael, ontwierp het Amsterdamse Oosterpark in 1891 en zijn meesterstuk, de Nieuwe Oosterbegraafplaats, in 1892. De Nieuwe Ooster is inmiddels een Rijksmonument. De begraafplaats, als landschappelijk wandelpark ontworpen, is een van de weinige plekken in Nederland waar de oorspronkelijke stijl van Springer herkenbaar is. Kenmerkend zijn de slingerende paden en doorzichten. Ook elders in het land ontwierp Springer prachtige parken in Engelse landschapsstijl, zoals een deel van de tuin van Paleis Soestdijk en Thijsse’s Hof in Bloemendaal.

We hopen dat u een kijkje neemt bij het beeld en ons laat weten wat u ervan vindt, als u weer eens op De Nieuwe Ooster bent.” 

Parkaanleg rond Huis Landfort bij Megchelen

Onderstaande tekst zal in aangepaste vorm in Zochers OnLine worden opgenomen.

De buitenplaats Huis Landfort te Megchelen is altijd een beetje onbekend gebleven in de Nederlandse tuingeschiedenis. Waarschijnlijk is de ligging direct tegen de grens van Duitsland, daar debet aan. Nu huis, tuin en park worden gerestaureerd en het koetshuis herbouwd, wordt het zo langzamerhand tijd ook op deze plaats eens wat meer over het buitenplaatscomplex Huis Landfort te vertellen.

Huis Landfort gelegen op een huis-eiland omgeven door een aftakking van de Oude IJssel. Links boven de visvijver. Links boven het huis de voortuin en rechts onder het huis de achtertuin op het zuiden. De vorm van de gracht heeft een karakteristieke Zocher-vorm. Buiten de (brede) gracht, boven in de foto stroomt de Oude IJssel. Bron: Google Earth

Huis Landfort is gelegen in een flauwe bocht van de Oude Ijssel nabij het dorp Megchelen. Het huis wordt voor het eerst in 1434 in een verkoopakte genoemd. Het terrein stond al bekend onder de naam ‘Lanckvoort’, wat zeer waarschijnlijk duidt op een ‘voorde’ (doorwaadbare plaats) in een rivier. Heden ten dage vormt het goed een fraaie combinatie van een huis (omstreeks 1825 verbouwd) met een park in landschapsstijl uit dezelfde tijd, voorzien van oude, bijzondere bomen. In 1996 waren hiervan nog aanwezig een moerascipres, tulpenboom, vederbeuk, ginkgo, weymouthden, dwergcipres en een Catalpa. Het goed heeft vele eigenaren gekend, maar naar hen is nog geen uitputtend onderzoek gedaan. De Amsterdamse medicus en botanicus Johann Albert Luyken (1785-1867) kocht met hulp van zijn 21 jaar oudere zuster Stiencke Christina Waltmann-Luyken in 1823 de oude buitenplaats op een veiling. Direct in datzelfde jaar gaf hij de architect-aannemer Johann Theodor Übbing (1786-1864) uit Anholt (aan de overkant van de Oude IJssel) de opdracht het oude huis en de omgeving rondom het huis te veranderen naar de smaak van de tijd.

Huis Landfort in 1720. Jan de Beijer? Bron Wikipedia

Maar hoe zagen huis en tuin er uit? Het huis had in de 18de eeuw een vierkant hoofdhuis met op iedere hoek een toren met helmdak. Aan het eind van de achttiende eeuw werden de hoektorens gesloopt. De houten kap uit de zestiende eeuw is in het huidige huis nog bewaard gebleven. Het omsingelde terrein en de percelen waren omstreeks 1816 nog rechthoekig van aard.

Situatiekaart met rechthoekig omsingeld terrein van Huis Landfort, schuin tegenover Anholt. Casparus Muller, 1816. De grens Nederland – Duitsland is met kruisjes weergegeven. Duidelijk is te zien dat de grond-indeling rechthoekig van karakter is. Noorden boven. Bron: TopoTijdreis

Volgens plan van Luyken en Übbing werden aan de zuidkant van het huis twee kwart-holronde vleugels aangebouwd (links een inpandige oranjerie). In dezelfde tijd werd een achthoekige ‘Moorse’ duiventoren met gotische ramen en een uivormige toren gebouwd, eveneens naar ontwerp van Übbing. Twee bruggen zijn ontworpen door Carl August Wilhelm Luyken. Zij dateren uit omstreeks 1870.

Opmetingskaart Huis Landfort J.Th. Übbing, 1823.
Huis op huiseiland, rechthoekig van vorm en binnen dubbel grachtenstelsel; moestuinen achter het huis verdeeld in vier kwadranten, ingesloten door deels rechte grachten en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein in rechthoekige nutstuinen, weiden en akkers verdeeld. Linksboven visvijver ten zuiden van de koetshuizen. Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort J.Th. Übbing, tussen 1823 en 1825
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland binnen dubbel grachtenstelsel; tuinen achter het huis in kleinschalige landschapsstijl, ingesloten door grachtenstelsel met lange rechte delen en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein verdeeld in rechthoekige of ruitvormige nutstuinen, weiden en akkers. Linksboven visvijver ten zuiden van koetshuis en stallen en omgeven door nutstuinen (?). Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl dat men volgens dit nieuwe ontwerp kon bereiken via een slingerpad vanaf het huiseiland. Noorden linksboven.
Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort. J.D. Zocher jr. toegeschreven, [1825]
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland met heesterpartijen, omgeven door een slingerend riviervormig grachtenstelsel. Akkers of in stroken gedeelde moestuinen (gestreepte ruimtes) ten zuiden van visvijver en huiseiland. Ruimte rond visvijver geheel omsloten door meesterpartijen. Hele terrein in afgeronde ellipsvormige, niervormige en ovaalvormige ruimtes (akkers en weides) verdeeld. Midden-onder waterpartij met (graf)eiland en sterrenbos. Sterrenbos en voormalige Schipbos via paden rondom open weide verbonden. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu

J.D. Zocher jr. heeft in 1825 Landfort bezocht en een nieuw ontwerp-voorstel gedaan aan de heer Luyken. Ook zijn broer Carel G. Zocher schijnt hieraan zijn medewerking te hebben verleend. Waarschijnlijk fungeerde hij als opzichter. Uit correspondentie tussen Jan Zocher en J. Bondt (een zaakwaarnemer van Johann Luyken) blijkt dat Zocher die zomer ‘in de buurt’ (op Biljoen te Velp) moest zijn en dat bezoek zou kunnen combineren met een bezoek aan Huis Landfort om een oculaire inspectie uit te voeren voordat hij zich zou wagen aan een plan voor een belangrijke beek (de omgrachting van het huiseiland en/of van het grafeiland, in Zocherstijl ). Verschillende tuinen, weiden en akkers werden nu door de Zochers tot één landschappelijk en samenhangend plan verenigd. De paden kregen een veel natuurlijker verloop met ruime bogen en het oude formele grachtenstelsel werd vergraven tot een karakteristieke Zocheriaanse slingerende waterpartij (‘beek’ in flauwe M- / W-vorm). Slechts vóór de bijgebouwen bleef een kleine omsloten rechtlijnige aanleg rondom de langwerpige visvijver gehandhaafd. Dat het ontwerp van de Zochers werkelijk is uitgevoerd, wordt bevestigd op de Topografische Kaart van 1843. In grote lijnen is de landschappelijke indeling van het terrein en het karakteristieke Zocheriaanse grachtenstelsel hier duidelijk op terug te vinden.

Topografische Kaart 1843

Huis, koetshuis, park en omliggende landerijen zijn in zwaar verwaarloosde toestand in 1970 aan St. Geldersch Landschap verkocht. Zichtlijnen werden open gekapt, nieuwe borders en waterpartijen werden aangelegd en de visvijver hersteld. Het huis werd alleen uitwendig gerestaureerd. In 2017 is het hele complex in eigendom overgegaan op Stichting Erfgoed Landfort. Deze stichting ziet restauratie van het huis, de herbouw van de bijgebouwen en de revitalisatie van het park als haar belangrijkste doel.

In 2020 wordt een nieuwe moestuin aangelegd en het park gerenoveerd. Het is de bedoeling dat In de toekomst huis en tuinen voor bezoekers worden opengesteld.

Literatuur: Heimerick Tromp, Landfort revisited: Nieuw licht op een oude buitenplaatsDe Woonstede door de eeuwen heen 121 (1999), pag. 16-25.

Website: erfgoedlandfort.nl

Archief: De archieven Familie Luyken op Landfort te Megchelen en Stichting Rhijngeest als eigenaar van Huize Landfort te Megchelen zijn respectievelijk in 2016 en 2013 ondergebracht bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (Doetinchem). De inventarissen van genoemde archieven en foto’s van Landfort zijn in te zien op www.ecal.nu


Kasteel en park van kasteel Wylre zijn vanaf 1 Juni weer geopend

Gezicht op Kasteel Wylre vanuit de tuin. Foto uit www.liefsuitlimburg.nl

(Eerste paragraaf tekst overgenomen van tripadvisor.nl; de daarna volgende tekst heb ik geschreven in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur. Rotterdam, 2000). Deze tekst is enigszins aangepast).

Kasteel Wijlre is een buitenplaats voor cultuur en landschap. Op de buitenplaats komen hedendaagse kunst en architectuur samen met cultureel erfgoed en natuur. Er zijn vijf eeuwen met elkaar verweven: het kasteel uit de zeventiende eeuw, het Koetshuis uit de achttiende eeuw, het ontwerp van de kasteeltuinen uit de negentiende eeuw, de permanente kunstwerken in het park uit de twintigste eeuw, het kunstpaviljoen Hedge House en de hedendaagse kunsttentoonstellingen uit de eenentwintigste eeuw. Buitenplaats Kasteel Wijlre organiseert tentoonstellingen, interdisciplinaire projecten, events en educatieve activiteiten in het Hedge House, het Koetshuis en de tuin. Gerenommeerde kunstenaars als Richard Long, Tony Cragg, Ben Akkerman, Donald Judd, Stephen Wilks, Michel François, Marlene Dumas en Christian Jankowski zijn in het Hedge House en het Koetshuis in wisselende solo- en groepstentoonstellingen getoond. Buitenplaats Kasteel Wijlre is gelegen in de heuvels van Zuid-Limburg.

Mijn tekst uit de Gids: De naam Wylre wordt reeds in de twaalfde eeuw gebruikt wanneer in oorkonden over ‘Heren van Wylre’ wordt gesproken. Een eeuw later is er sprake van een versterkt huis dat in 1389 als heerlijkheid wordt aangemerkt. De kern van het huidige kasteel dateert echter pas van de tweede helft van de zeventiende eeuw. Johan Arnold van Wachtendonk erfde de heerlijkheid in 1652 van zijn moeder en begon spoedig daarna met de bouw van een nieuw huis. De vroegst bekende kaart van het terrein is de zogenaamde Tranchot-kaart uit 1802-1813. Hierop is te zien dat het huis op een omgracht terrein ligt, waarop ook een voorplein en twee bijgebouwen zijn gesitueerd.

Opvallend is dat huis en voorplein niet recht van voren tussen de bouwhuizen door benaderd worden, maar juist van opzij met toegang tot het voorplein tussen huis en bouwhuis. Deze zijdelingse benadering vanuit het zuiden bestaat nog steeds. Rondom de gracht ligt opnieuw een rechthoekig terrein, dat als tuin gebruikt zal zijn en dat eveneens door water omsloten wordt. Aan de noordzijde grenst een eveneens rechthoekig en door water omgeven perceel grond. Een dergelijke aanleg doet denken aan het Hollands classicisme dat kenmerkend is voor de zeventiende eeuw en zal vermoedelijk tegelijk met de bouw van het huis zijn ontstaan.

In de loop van de negentiende eeuw deed ook op Wylre de landschapsstijl zijn intrede. De bekende Maastrichtse architect en stadsbouwmeester Mathias Soiron (1748-1834) maakte omstreeks 1800-1810 enige ontwerpen. Ook werkte hij op Kasteel Neuburg. Of deze zijn uitgevoerd is onduidelijk. Ten westen van het huis werd, buiten de gracht, een nieuw park aangelegd en een gedeelte tussen de binnen- en buitengracht werd aangepast. Een koepel, waarvan nu nog de restanten te vinden zijn, zal hier deel van hebben uitgemaakt.

Johan Heinrich Fischer. Dubbelportret van Graaf Von Quadt en Mathias Soiron (rechts) voor kasteel Wickrath (1773). Museum Schloss Rheydt in Mönchengladbach.

Vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw was de tuin ten oosten van het huis verdeeld in de nog steeds bestaande negen vierkante vakken. Uit mondelinge overleveringen is bekend dat de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980) op kasteel Wylre heeft gewerkt, maar wat hij precies heeft gedaan, is vooralsnog niet duidelijk. Hoewel de tuinen in de loop der twintigste eeuw al verder waren verfraaid, onder meer met de aanleg van terrassen ten westen van het huis, dateert de huidige aanleg vooral van na 1980.

Onder invloed van de huidige eigenaren is een aantal fraai ingerichte tuinkamers, gescheiden door hagen en verbonden door zichtassen, tot stand gekomen. De Limburgse tuinarchitect W.J.A. Snelder (1928-2013) werkte hier vanaf 1985. Aan weerszijden van de oprijlaan, net voor de binnengracht, is een fraaie symmetrische siertuin (her)aangelegd. De tuinen worden door liefhebbers vooral gewaardeerd vanwege de decoratieve rozentuin ende bloementuin met borders op kleur in regelmatige stijl. Maar ook vanwege de moderne sculpturen van onder anderen Peter Struycken en Ad Dekkers en vanwege de wandelingen rondom het huis, door de boomgaard en door het landschappelijke gedeelte van het park met fraaie doorzichten. Opvallende oude bomen zijn een Gleditsia, een Ginkgo en een Liriodendron.

Gleditsia triacanthos of Valse christusdoorn.

Ook simpele adviezen kunnen nieuws opleveren 1-3

Het geven van groen-erfgoed-adviezen is ook een belangrijke taak binnen onze werkzaamheden. Dat kunnen adviezen zijn in de vorm van degelijke rapporten, soms in samen werking met een tuinarchitectenbureau, maar het kunnen ook heel simpele adviezen zijn, die wij zelf nauwelijks als advies beschouwen. Toch is het interessant hier eens te melden waar die kleine adviezen over kunnen gaan en waarom die ook zowel voor de adviesaanvrager als voor ons eigen bureau belangrijk kunnen zijn. Ik geef hier een paar vragen die ons de afgelopen maand werden gesteld.

  1. Jorn en Lia Copijn vroegen of wij intermediair wilden zijn bij het zoeken naar een goede bestemming voor hun Copijn-ontwerpen. We hebben daar een hele middag over gepraat en alle voors en tegens tegen elkaar afgewogen. Het gesprek eindigde in een advies waarmee ze verder konden en ook wij hielden er iets leuks aan over, namelijk prachtige foto’s die we vast wel eens kunnen gebruiken van een wand en een deur met cementrustiek versierd, in hun serre in Groenekan, al minstens 100 tot 150 jaar oud. We kenden al zo’n wand op buitenplaats De Treek; jammergenoeg schijnt deze nu achter een houten wand te zijn weggewerkt. De huidige eigenaren zagen kennelijk de waarde er niet van in.

2. Een tweede adviesje betreft de vraag van een lid van de Historische Vereniging Oud-Rhenen, die de historische stad Rhenen digitaal aan het herbouwen is. De vraag luidde: “Heb je nog tijd kunnen vinden om na te denken over de beplanting van de Koningstuin? Bijgaande schets heb ik gebruikt om deze tuin te reconstrueren op de Veerwei.”

Het antwoord dat door ons gegeven werd: De plattegrond langs de Veerweg is duidelijk ingedeeld in 2 delen, bovenste deel bomen en onderste deel grote tuinbedden. De ‘boomgaard’ kun je natuurlijk makkelijk ook in 4 of 8 delen opsplitsen en dan beplanten met vruchtbomen: appels (Malus domestica), peren (Pyrus communis), kersen (Prunis cerasifera), pruimen (Prunus domestica), walnoten (Juglans regia). Ook vijg (Ficus carica).

Maar je zou ook voor andere bomen kunnen kiezen, die om welke reden dan ook (brandhout, timmerhout, landbouwhout, tuinhout, siertuinen) gebruikt werden. Wilg (Salix alba); Westerse plataan (Platanus occidentalis), Es (Fraxinus excelsior), Sneeuwbal (Viburnum lantana), Gelderse Roos (Viburnum opulus).

En dan voor de nuttige planten in de groenten- en kruidenbedden een keuze uit: selderij, asperge, andijvie, meloenen, peterselie, wortelen, venkel, sla, munt, mirte, tabak, marjolein, pastinaak, bonen (Phaseolus), erwten (Pisum), kruisbes, rozemarijn, meekrap (verfplant), tomaten, aardappel, misschien een vakje tulpen voor de potten in de tuin (Duc van Tol), veldsla.

Je kunt in Google gewoon de bomen of planten met nederlandse of latijnse naam intikken en dan eens zoeken naar geschikte plaatjes.

Voor de zekerheid doe ik als Bijlage de lijst planten erbij die in 1594 in de Leidse Hortus werden gekweekt (deze voorlopige lijst was ook nieuw voor mij en is nog niet gepubliceerd) èn een prachtig gidsje (dat ik nog niet kende!) dat een overzicht geeft van de activiteiten in de Leidse Hortus gedurende de 16de tot de 21ste eeuw.

Catalogus ISSUU Hortus Botanicus Leiden 425 jaar. Leiden, 2015.

3. Op Palmpaaszaterdag verzorgde ik een lezing op het Symposium van het Tuinhistorisch Genootschap Cascade, getiteld ‘Overwegingen bij het herstellen van Stadstuinen uit de barok, gezien door de ogen van een 21ste eeuwer’. De voorlopige conclusie van de lezing kwam er op neer dat historische stadstuinen in de 17de/18de eeuw werden ontworpen op basis van de architectuurstijl van het bijbehorende huis en dat restauratie- of renovatie-ontwerpers van die tuinen nu veel eerder kijken naar de functie van het huis. Kortom vorm volgt functie. Een mooi voorbeeld is de tuin van het Huis van Staat of Johan de Witthuis in Den Haag. Op een kadasterkaart uit 1820 is te zien dat op de grens van de achtertuin van het Johan de Witthuis met het stallengenbouw achterin de tuin, op de middenas een achthoek is te zien. Dit zal zeker een uitbouw van het stalgebouw (met woning op de eerste etage voor de koetsier) voorstellen, in de vorm van een achthoekige koepel. Tot voor kort was er ook op die plaats achterin de tuin een achthoekig plateau’tje waarop een tuinbeeld was geplaatst, duidelijk een verwijzing naar de 18de of 19de eeuwse achthoekige koepel, maar door niemand meer begrepen na 200 jaar. Dat plateau’tje is nu verdwenen, maar voor ons was de kadasterkaart met die aanduiding een ontdekking, waardoor weer eens duidelijk werd dat kadasterkaarten ontwerpgeheimen kunnen bevatten. De nieuwe ontwerpers (Delva Tuinarchitecten) waren niet meer op zoek naar historische resten in de tuin, maar waren geconcentreerd op heel andere zaken.

Het Rijksvastgoedbedrijf schrijft hierover:

“Deze nieuwe klassieke klimaat-adaptieve tuin bij het Johan de Witthuis in Den Haag presenteert het verhaal van Nederland. In de ‘Hortus Fabulae’, de tuin van het verhaal, is het huis onlosmakelijk verbonden met zijn buitenruimte. Een tuin die reflecteert op de innovatieve gedachten van De Witt en het verhaal vertelt van Nederland in de Gouden Eeuw. De tuin toont de topografie van Nederland in een reeks stalen elementen, verwerkt in een zee van bolvormige bloemen. Het ontwerp wordt gerealiseerd met een scherp oog voor detail en duurzaamheid in materialen. Op deze manier staat de tuin voor Nederlands vakmanschap”.

Het is een tuin geworden die refereert aan groepen mensen die in de tuin samenkomen en vergaderen (zitjes) en een tuin die staat voor Nederlands vakmanschap en duurzaamheid. De middenstrook van de tuin stelt het Nederlandse landschap voor van West naar Oost, van de `Noordzee, over de Veluwe naar de Sallandse Heuvelrug. De vijver aan de kant van het huis vangt het regenwater op en door middel van capillaire werking wordt de strook beplanting erachter vanzelf gevoed en vochtig gehouden.

Tuin Johan de Witthuis in uitvoering (boven) en ontwerpbeeld (onder).
Ontwerp Delva Tuinarchitecten.

WORDT VERVOLGD met nog enkele kleine opdrachten en adviezen.

*Plantencatalogus Medische Tuin Haarlem, 1784;

*Brakestein Texel;

*Beschermd Dorpsgezicht Nederhemert

*Folder over de tuinarchitect Leonard Springer

Ode aan het landschap en het Museumtijdschrift

Op de cover van het zojuist verschenen Museumtijdschrift (2019/2, maart 2019) staat de tentoonstelling over Vincent van Gogh en David Hockney aangekondigd met een detail van een van zijn landschapsschilderijen. De covertekst luidt ‘David Hockney: Ode aan het landschap’.

Aankondiging Museumtijdschrift Maart 2019.

Op Wikipedia staat een mooie foto van een kijkje in de overzichtstentoonstelling (2012-2013) in de Royal Academy of Arts, ‘A Bigger Picture’.  Op deze tentoonstelling presenteerde Hockney zich als Engels landschapsschilder “nieuwe stijl”. Zie hieronder.

De ondertitel ‘Ode aan het landschap’ zou deze maand op veel meer tentoonstellingen kunnen slaan en is dan ook zeer treffend voor deze maart-cover.

We denken dan aan tentoonstellingen, die in hetzelfde Museumtijdschrift worden aangekondigd:

  • Rijksmuseum Boerhaave, Herman Boerhaave en de Gouden Eeuw van de wetenschap (t/m 1 sept.); met ‘Een landschap met bloemstilleven’, van Laurens van der Vinne, ca. 1740. Coll. Rijksmuseum Boerhaave

  • Museum Gouda, Naar Buiten (t/m 2 februari 2020); met een landschap van P.J. Gabriël, ‘Een wetering in Abcoude’, 1878. Coll. Rijksmuseum Amsterdam

  • Museum Belvedère, 100 jaar schilderkunst in Friesland (t/m 14 april); met o.a. een prachtig landschap van Jan Mankes uit eigen collectie.
  • Verder ga ik niet met suggeties. Bij het tijdschrift zit tenslotte altijd een zeer uitgebreide tentoonstellingsagenda die alle exposities in Nederland en de belangrijkste in België, Duitsland,  Frankrijk, Groot-Brittanië, Luxemburg, Oostenrijk en Zwitserland belicht.