Categoriearchief: Landschap

Bloemen, bomen, landschappen in ‘Metamorphosen’ van Ovidius

Als eerste-klassertje op het stedelijk gymnasium in Utrecht (1953/1954) vond ik Griekse mythologie heel erg moeilijk. Ik kon die moeilijke vreemde namen van goden en godinnen maar niet onthouden, maar uiteindelijk wist ik gelukkig toch voldoende resultaat te behalen.

Catalogus van de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum

Nu word ik uitgedaagd door de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum (6 februari t/m 25 mei 2026). De tentoonstelling is uiteraard geïnspireerd op de gedichten van Ovidius. Als deskundige op het gebied van historische tuinen en bloemen en landschappen vraag ik me nu af, welke planten en bomen en tuinen komen er eigenlijk in de Metamorphosen voor en in welke Metamorphosen spelen zij een rol?

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste bloemen, planten, bomen en tuinen (met behulp van AI) :
BLOEMEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES
Narcis uit de hoogmoedige jongeling Narcissus die verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld en verandert in de wit-gele bloem die naar hem vernoemd is.

Hyacint uit de jongeling Hyacinthus geliefd door Apollo. Nadat hij per ongeluk door een discus wordt gedood, verandert Apollo zijn bloed in de hyacintbloem.

Apollo en Hyacinthus

Anemoon ontstaan uit het bloed van Adonis, de geliefde van Venus, nadat hij door een zwijn is gedood.

Saffraankrokus ontstaan uit de sterveling Crocus, die door Mercurius (Hermes) in een bloem werd veranderd na een tragisch ongeval.

Viooltjes en rozen: worden vaak genoemd in de context van bloemenkransen of als beschrijving van weiden

BOMEN EN STRUIKEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES

Laurier (Laurus nobilis): Daphne verandert in een laurierboom om te ontsnappen aan de amoureuze achtervolgingen van Apollo.

Moerbei (Morus): De vruchten van de moerbeiboom verkleuren van wit naar donkerrood (zwart) door het bloed van de tragische geliefden Pyramus en Thisbe.

Pyramus en Thisbe bij de moerbeiboom

Cipres (Cupressus): Kyparissos, die per ongeluk het hert van de nimfen doodde en ontroostbaar was, wordt door Apollo veranderd in een cipres.

Linde en Eik: Het gastvrije, oude echtpaar Philemon en Baucis verandert na hun dood in een linde en een eik, die met hun stammen in elkaar verstrengeld raken.

Mirre (Myrrha): Veranderde in een mirreboom nadat ze zwanger was geworden van haar eigen vader.

Zwarte den (Pitys): De nimf Pitys werd in een zwarte den veranderd om te ontkomen aan Pan.

Waterriet (Calamus): De nimf Syrinx veranderde in waterriet toen ze werd achtervolgd door Pan.

Heliotroop/Zonnebloem (Clytie): De nimf Clytie, verliefd op de zonnegod Sol, veranderde in een bloem die haar gezicht naar de zon draait.

TUINEN EN LANDSCHAPPEN

De Tuin van Pomona: Een centrale plaats in Boek XIV. Pomona is de nimf/godin van de boomgaarden en tuinen, die zich opsluit in haar tuin en bemind wordt door Vertumnus.

Vertumnus en Pomona in tuin door Peter Paul Rubens. Coll. Prado Madrid

De Tuin van de Hesperiden: Bekend van de gouden appels, bewaakt door een draak.

Wildernis en bossen: Ovidius beschrijft vaak de ‘wildernis’ (locus amoenus of juist angstaanjagend bos) als de plek waar nimfen worden opgejaagd of metamorphoses plaatsvinden.

DIEREN

Op de dieren in de Metamorphosen ben  ik in eerste instantie niet ingegaan. Misschien wijd ik daar nog een tweede Bericht aan? Ik vroeg daarom AI mij te helpen met het samenstellen van een kort overzichtslijstje.  Hieronder volgen enkele van de belangrijkste dieren en transformaties in het werk van Ovidius:

  • Koe/Vaars: De nimf Io wordt door Jupiter in een witte koe veranderd om haar te verbergen voor Juno.
  • Herten: Actaeon wordt door Diana in een hert veranderd nadat hij haar naakt heeft gezien, waarna hij door zijn eigen jachthonden wordt verscheurd.
  • Ijsvogels (Halcyonen): Alcyone en Ceyx veranderen in ijsvogels na een tragische verdrinking.
  • Olifant, Leeuw, Aap, Hond, Koe: Deze dieren worden genoemd als voorbeelden in de context van de mythologische verhalen en de illustraties daarvan.
  • Slang/Draak: Cadmus doodt een draak en later veranderen hij en zijn vrouw in slangen.
  • Vogels (diverse):
    • Koekoek: Jupiter vermomt zich als koekoek om Juno te verleiden.
    • Adelaar: Jupiter neemt vaak de gedaante van een adelaar aan.
    • Zwaan: Jupiter vermomt zich als zwaan (bij Leda).
    • Raven/Kraaien: Worden in verschillende verhalen genoemd (o.a. in het verhaal van Apollo en Coronis).
  • Spinnen: Arachne wordt door Minerva in een spin veranderd na een weefwedstrijd.
  • Dolfijnen: Mensen die in dolfijnen veranderen (o.a. de zeerovers in het verhaal van Bacchus).
  • Mieren: De Myrmidonen (mensen ontstaan uit mieren).
  • Wolf: Lycaon wordt door Jupiter in een wolf veranderd.

Bezoek aan de tentoonstelling warm aanbevolen: Sculpturen van Cellini, Bernini, Rodin en Bourgeois staan naast schilderijen van Titiaan, Correggio, Caravaggio, Arcimboldo en Rubens.

Klooster Ter Apel: gezien van de 19de eeuw tot 21ste eeuw

Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door  Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum

Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk.     Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste  eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude)  eenentwintigste  eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.

Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:

“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.

Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw. 

De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. 1995. Zie verder:Tijdschrift Buiten 1910, p. 496-498; 508-512. Cultuurhistorische verkenning, RDMZ, 1995.

‘Getekend, de natuur’. Tentoonstelling over de relatie tussen mens en natuur.

GETEKEND, DE NATUUR.

In het Centraal Museum Utrecht is een tentoonstelling te zien  (t/m 29 maart 2026) over de relatie tussen mens en natuur, aan de hand van de particuliere collectie Munnicks van Cleeff. Deze bestaat uit ongeveer 1.500 landschapstekeningen en -prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarvan zo’n honderd werken in de tentoonstelling te zien zijn. De collectie bevat gedetailleerde afbeeldingen van de provincie Utrecht en vormt een waardevol document voor de regionale geschiedenis.

Dirk Verrijk. gezicht op de Biltstraat buiten Utrecht. 18de eeuw. Part. Collectie Munnicks van Cleeff

Zo zijn er prenten te zien die bekende plekken als de Biltstraat in Utrecht afbeelden (van Dirk Verrijk), al zijn ze niet meer te herkennen: waar in de zeventiende eeuw nog akkers waren, is het nu volgebouwd. Naast tekeningen en prenten uit de Atlas zijn ook modernere tekeningen en prenten te zien, o.a. van onze voorvader Willem Maris (1844-1910, bekend van zijn koeien-schilderingen natuurlijk) en van de bekende Utrechter Peter Vos (1935-2010). Hier wordt een tekening van Peter Vos uit ons eigen bezit afgebeeld, die veel overeenkomst vertoont met een tekening van hem op de tentoonstelling.

Peter Vos, 1973. Part. Coll. Foto Carla Oldenburger

Opvallend voor mij is dat het onderwerp van deze tentoonstelling wordt gedefinieerd als “de relatie tussen mens en natuur, een levende geschiedenis”,  terwijl mijn leermeester prof. Frans Verdoorn het begrip ‘biohistorie’ altijd uiteenzette met de woorden “relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis”. Het verschil is dat het begrip natuur veel omvattender is dan alleen plant en dier. De beelden in de tentoonstelling zullen dit hopelijk laten zien.

Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Amsterdam, 2025. 422 pp.

Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.

Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025.  Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums.  Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.

Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk  uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.

Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.

Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven,  was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland.  Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’.  Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.

Jac. (Co) P. Thijsse

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam  en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.

In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie,  naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.

Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.

En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.

Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.

Ik verwijs graag voor nadere kennismaking en eigen onderzoek naar de Ver. Natuurmonumenten, het  Archief van J.P. Thijsse en de Heimans en Thijsse stichting/

Bezoek aan Landgoed Staverden i.v.m. 50 jarig bestand BAC / BeheerAdviesCommissie

Mooie samenkomst op Landgoed Staverden.
Bassin in Tuinen Staverden richting beeld van de Witte Pauw.
Foto Carla Oldenburger

De BAC/BeheerAdviesCommissie van Geldersch Landschap bestaat 50 jaar. Dat is een mooie gelegenheid om de leden van afgelopen 50 jaar bijeen te roepen op één van de landgoederen van GLK, waar op dit moment iets interessants valt te beleven, zo had de directie gedacht. Dat was dus gisteren (18 november) en we troffen elkaar op Staverden waar de restauratie van het huis (uit ca. 1910, kasteel genoemd) in volle gang is. We werden rondgeleid van kelder tot zolder in het huis, vooral heel interessant om de historische overblijfselen te zien, zoals tegels, profielen, super hoge en brede deuren, prachtige plafonds, veranda en balkons en vooral de ligging ‘in het water’ met uitzicht over het water op de oevers en bomen aan de overkant. Ik was natuurlijk ook erg benieuwd naar de status van de tuinen en het park, een ontwerp van Juliet Oldenburger, naar het ontwerp van P.H. Wattez. Het eiland met Leonora, de gerestaureerde ijskelder met nieuwe toegang, de staat van de berceau, het pauwenverblijf met eigen hof etc. etc., het zag er allemaal fantastisch uit.
Dank aan GLK voor deze geweldige middag.
Zie ook Welkom-pagina voor enkele foto’s en Groen-Ontwerpen
voor het ontwerp.
Uitleg over nieuwe heester-aanplantbij de ijskelder. v.l.n.r. Rob Schouten, Rienk-Jan Bijlsma en tuinarchitecte. Foto Carla Oldenburger
Uitzicht vanaf balkon Kasteel Staverden naar het noorden. Foto Carla Oldenburger

Boek over de tuinarchitect Samuel Voorhoeve verschenen (1880-1948)

Tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948). Foto WUR

Gisteren, 17 oktober 2025 zag een nieuw boek het licht bij Uitgeverij Noordboek Gorredijk) over de werken van de tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve. De auteur is Ruud Schaafsma. Zelf besteedde ik voor het eerst aandacht aan Voorhoeve in een artikel in het tijdschrift GROEN in 1984, en weliswaar na 24 jaar, is er nu een boek over zijn werk verschenen.

Ruud Scaafsma bij de verschijning van het boek ‘Hoogtelijnen: werken van landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948)

Na een inleiding met biografische gegevens volgt een hoofdstuk over zijn opleiding, de karakteristeike kenmerken van zijn werk, de stijl waarin hij werkte en vooral zijn methode hoe bij al zijn ontwerpen het landschap als uitgangspunt te nemen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Oosterbeek en knoopte nauwe contacten met de gemeente aan. Hij was mede-oprichter van de Bond van Tuinkunstenaar is 1922. Over de 100 jaar geschiedenis van deze vereniging verschijnt toevallig volgende week (24 oktober 2025) ook een nieuw boek bij Uitgeverij Blauwdruk.

Bato’s Wijk, Oosterbeek. Ontwerp Samuel Voorhoeve, uitgaande van het bestaande park naar aanleg van D. Wattez. Ca. 1900. Coll. Gelders Archief

Na deze inleidende hoofdstukken volgen beschrijvingen van zijn grote bekende werken in Renkum, Oosterbeek, Doorwerth en Vierhouten, zoals Bato’s Wijk, Duno, Lage en Hoge Oorsprong. Na de Tweede Wereldoorlog trof hij een volledig verwoest Oosterbeek incl. zijn eigen werken aan. de weinige jaren die hem nog restten werden vooral aan de Werderopbouw besteed. Al zijn werken worden achterin het boek chronologisch aangeduid met vermelding van naam opdrachtgever, naam project, plaats, jaartallen van uitvoering, verblijfplaats van ontwerpen, en opmerkingen. Het boek is prachtig geïllustreerd ,et ontwerptekeningen, oude en nieuwe foto’s van de locaties etc. en sluit af met een noten-apparaat, een literatuurlijst,  en ziet er zeer verzorgd uit.

Post 65 groene Monumenten: Broken Circle / Spiral Hill en de Ecokathedraal

 

Robert Smithson. Project ‘Broken Circle/Spiral Hill’, 1971.  Tekening. Coll Kröller Müller Museum
Ecokathedraal Mildam (Heerenveen). Foto Wikipedia

(Tekst gedeeltelijk overgenomen van RCE):

Onlangs zijn een reeks Post 65 monumenten aangewezen, waaronder twee zogenaamde groene monumenten.

In Emmerschans (Emmen) het Landart Project Broken Circle / Spiral Hill van de Amerikaanse kunstenaar Robert Smithson (1938-1973); in Mildam (Heerenveen) de Ecokathedraal van Louis Le Roy (1924-2012).

Broken Circle/Spiral Hill (1971)

Met de groeiende zorg over de vervuiling van de aarde ontstond eind jaren zestig de milieubeweging. Kunstenaars engageerden zich met deze problematiek en creëerden werk met milieu-activistische motieven. In de beeldende kunst ontstond een nieuwe stroming: Land Art. In 1971 stelde curator Wim Beeren onder de titel Sonsbeek buiten de perken de zesde editie van de tentoonstellingsreeks in het Arnhemse Sonsbeekpark samen. Beeren brak met de traditie door de buitententoonstelling niet te beperken tot het park, maar in heel Nederland conceptuele en landschapskunstwerken te presenteren. Geïnspireerd door beelden van de watersnoodramp van 1953 creëerde de Amerikaanse kunstenaar Robert Smithson in en langs een met groenblauw water gevulde zandafgraving in Emmen het landschapskunstwerk Broken Circle/Spiral Hill. Het kunstwerk omvat een schiereiland van geel zand in de vorm van een halve cirkel met in het midden een zwerfkei en op de aangrenzende kust een kegelvormige heuvel van zwarte aarde met een spiraalvormig pad van wit zand. Het is het enige werk van Smithson in Europa en hoewel het als tijdelijk project bedoeld was, werd het in 1972, 1987 en 2010 gerestaureerd.

Ecokathedraal Mildam (1964)

In 1964 verwierf kunstenaar en ecotect/bioloog Louis le Roy een stuk land van 3 hectare nabij Mildam (gemeente Heerenveen). In de eerste jaren plantte hij bomen langs de randen van het perceel en zaaide hij verschillende plantensoorten. Vervolgens liet hij het terrein jarenlang met rust om de ecologische processen te bestuderen. In de jaren ’70 begon hij met het aanbrengen van hoogteverschillen door lage muurtjes van gestapelde stenen. Uit die tijd stamt ook het door hemzelf gebouwde atelier op het terrein. Het droog stapelen van bouw- en puinmateriaal groeide uit tot de aanleg van de Ecokathedraal. Le Roy ging ervan uit dat het toevoegen en ordenen van stenen en puin het proces naar een hogere ecologische complexiteit zou versnellen. Hiervoor liet hij vrachtwagens vol puin storten, die hij vervolgens op gestructureerde wijze stapelde. Onder het gebruikte materiaal bevinden zich onder meer de restanten van de 17e-eeuwse gevangenis Crackstate in Heerenveen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst deed als gevangenis voor vermeende collaborateurs.

Louis G. Le Roy zag problemen op ons afkomen door het op grote schaal gebruiken van water, fossiele brandstoffen en gif­stoffen. Hij kocht het weiland aan en liet vrachtwagens met bouwpuin komen, en legde daar muurtjes, toren- en poortachtige bouwwerken, plateaus en kronkelende paden mee aan. De huidige bouwsels mogen de fundamenten worden voor volgende bouwsels, mits er met de hand gestapeld wordt, zonder cement en zonder haast, maar met creativiteit en zelfexpressie.

Het bezoeken waard: Jardin du Plessis Sasnières en La Possonnière

In Bericht dd. 3 september beloofde ik nog wat aandacht te schenken aan enige bijzondere tuinen, waar we toevallig langs reden tijdens een vakantiereisje naar Frankrijk / Dept. Loir-et-Cher.  Het landschap is er heuvelachtig, uitgestrekt, leeg en rustig. Al toerend kom je overal de rivier Le Loir (nb. ik bedoel niet La Loire!)  tegen, waarlangs in de Middeleeuwen kleine dorpjes zijn gebouwd. De kastelen Chaumont, Chambord en Blois (alle aan La Loire) zijn bekende bezienswaardigheden met tuinen, die we al kenden.

Nu bezochten we Jardin du Plessis Sasnières in Sasnières en La Possonnière in Couture-sur-Loir.

Van de eerste tuin is een uitgebreide beschrijving te vinden op Internet. Op de plattegrond is duidelijk te zien dat de tuin is aangelegd rondom een grote vijver en langs een beek (La Fontaine de Sasnières). De tuin is vanaf 1975 vorm gegeven in landschapsstijl door Mme Rosamée Henrion, die vanaf 1960 op La Possonnière kwam wonen. Zij was een groot liefhebster van bomen en struiken, zodat de tuin ook wel als een landschappelijk arboretum is te beschouwen. Ten zuidoosten van de vijver ligt een formele tuin met berceau, die grenst aan een uitgebreide moestuin. Ten (zuid)westen van het huis loopt een lange rechte laan, de Magnolia-laan, onderdeel uitmakend van een schaduwrijk lanenstelsel. Het restaurant ten zuiden van het huis (in de voormalige stallen en oranjerie?) is ons zeer goed bevallen.

Plattegrond van Jardin du Plessis Sasnières, zoals ontvangen aan de desk bij binnenkomst. Foto Carla Oldenburger

Een tweede tuin die we bezochten was de tuin achter Chateau  de la Possonnière. Dit is het geboortehuis van de beroemde Franse dichter en humanist Pierre de Ronsard (*1524-1585)), le prince des poètes.

Plattegrond van Jardin Ronsard bij Manoir de la Possonnière, zoals ontvangen aan de desk bij binnenkomst. Foto Carla Oldenburger

Deze tuin is in 2004 in Renaissance-stijl aangelegd, om bezoekers te laten zien hoe de tuin er mogelijk in de tijd van Pierre de Ronsard zou hebben uitgezien. De ontwerper is de rozenkweker André Eve (*1932-2015), die hier ondermeer een rozentuin  (nr. 14) heeft gerealiseerd met meer dan twee honderd variëteiten rozen (oude en nieuwe soorten).

In het kasteel is een interessante tentoonstelling te bezichtigen over het leven van Pierre de Ronsard. Wist u dat Franse schoolkinderen nog steeds zijn gedichten leren: “Mignonne, allons voir si la rose…” (Darling, let’s go see if the rose…) en zijn odes gewijd aan Cassandre, Marie, Hélène?

OLDENBURGERS BINNENSTAD & BUITENLEVEN. 25-jarig bestaan en 50 jaar ervaring

OLDENBURGERS BINNENSTAD & BUITENLEVEN. 25-JARIG BESTAAN EN 50 JAAR ERVARING

Precies vandaag 25 jaar geleden, 1 augustus 2000, zijn wij Carla en Juliet Oldenburger begonnen met ons advies- en ontwerpbureau BINNENSTAD & BUITENLEVEN.

Aanvankelijk lag ons accent op de geschiedenis van historische tuinen, parken, buitenplaatsen en landschappen. Carla had al vanaf 1975, in het voetspoor van Cocki Cremers en Henri van der Wyck, op de universiteiten van Utrecht en Wageningen projecten begeleid en ontwikkeld, o.a. als raadgever voor de provincie NH betreffende de tuinen van Beeckestijn (1975-1995) en als lid van de Werkgroep Tuinaanleg van de Restauratie-commissie Paleis Het Loo (1975-1984). Daarnaast was veel praktische ervaring opgedaan als (bestuurs)lid van o.a. Raad voor Cultuur/Cie. Buitenplaatsen (1978-1996); Nederlandse Tuinenstichting (1993-2002); St. Geldersch Landschap en Kasteelen / BAC (1994-2009); Begeleidingscie. landgoederen Clingendael en Oosterbeek (2001-2014).

Vanaf 2000 startte onze samenwerking, eerst nog gefocussed op historische tuinen, parken en buitenplaatsen, maar vanaf 2016 werd het werkterrein verbreed tot architectuur en landschap, met drie specialisaties groen erfgoed, kleurgebruik in de architectuur en architectuurtheorie.  

We zijn een klein bureau met de langste ervaring op het specialistische terrein van groen erfgoed.

Onze expertise ligt niet alleen op onderzoek, begeleiding en ontwerp, ook begeleidende publicaties (boeken, rapporten en artikelen) vinden wij belangrijk. Zie de knop ‘Publicaties‘ op deze website. Carla schreef haar eerste artikel over historische planten in 1975 (Ornamental Plants in 16th and 17th century gardens) en ca. 200 publicaties volgden. Juliet maakte tuininventarisaties voor de eerste uitgave waaraan zij meewerkte in 2000 (Amsterdamse Grachtentuinen – Prinsengracht) en hierna zijn bijna 100 publicaties gevolgd. Samen hebben we dus 50 jaar ervaring. Ons voorlopig laatste rapport verscheen deze zomer en betrof het parkdeel ten oosten van de rozentuin van het Vredespaleis: Heidetuin of Woodland Garden?

Onvermoeid gaan we door,  alles ter glorie van het groene erfgoed.

Huis Adrichem in Beverwijk gelegen in de Wyker polder (1727)

Geometrische kaart van den Huyse Adrichem met eenige omliggende landerijen, opgemeten en gekaarteert in 1726 en aldus op kleinere schaal getekend in 1727 door B.Elshof. Achterzijde met bladwijzer.

CBE668FE-FF27-4531-8395-E8DE39384B84.jpegDetail van bovenstaande kaart van B. Elshof, 1727. Noorden boven

Deze kaart bevindt zich in Speciale Collecties WUR. Ik ken deze kaart al 45 jaar, maar het valt me nu pas op dat ik hem even uit het oog verloren was toen ik 11 ferbuari 2020 een Bericht opstelde op deze website over de kaart van Adrichem uit 1777 en me afvroeg of de tuinarchitect J.G. Michael op Adrichem had gewerkt. Op deze vraag wordt uitgebreid ingegaan, zoals in dat vorige Bericht valt te lezen.

Door deze kaart nu ook in dit onderzoekje te betrekken, kan duidelijk worden aangegeven hoe de ontwerper van de eerste landschappelijke aanleg op Adrichem te werk is gegaan. Deze kaart uit 1727 geeft duidelijk de uitgangspositie weer. Aan het einde van de lange oprijlaan zien we een ronde gracht waarbinnen het huis is gebouwd. Achter het huis loopt deze as nog even door tot hij eindigt in een kleiner symmetrisch bassin omsloten door gras. Aan de westkant van het huis liggen in 1727 een formele parterre en nuts-tuinen, waarschijnlijk moestuinen en een boomgaard. Het symmetrische bassin achter het huis is in 1777 in de breedte uitgerekt, zodat vanuit de uiterste einden de hele plaats overzien kan worden. Aan de oostzijde van de oprijlaan is een hele nieuwe landschappelijke ‘wandeling’ aangelegd op de plaats van akkers en weilanden in 1727.