De betekenis van 15 augustus voor de Familie Oldenburger

Ik gedenk vandaag 15 augustus (2026) de familie Oldenburger.

Al de hele zomer draag ik het Melati-speldje op mijn jasje. Melati is een typisch Indische bloem, die staat voor respect, betrokkenheid en medeleven voor de slachtoffers van de Japanse bezetting in Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Voor de jongeren onder ons, die slachtoffers waren Indo’s (Indo-Europeanen) en Totoks, met een gedeeld verleden. De Indo’s behoren tot de Euro-Aziatische gemengdbloedigen omdat zij zowel Europese als Aziatische voorouders hebben. Totoks zijn Indische Nederlanders die als ‘volbloed’ Europeanen in Nederlands-Indië zijn geboren of er lange tijd hebben gewoond.
Mijn gedachten gaan uit naar onze familieleden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Japanse kampen gevangen zaten en naar mijn schoonvader die als krijgsgevangene werkte aan de Birma spoorweg, ook genoemd de Dodenspoorlijn, tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma). Gelukkig heeft het gezin van mijn schoonouders met hun twee kinderen het overleefd.

Zie nu ook mijn al eerder geschreven Familie-Berichten op deze website:

Bommen op Hiroshima en Nagasaki en de capitulatie van Japan

Oldenburgia-15 augustus herdenking slachtoffers WO II in Ned.Indië en bevrijdingsdag Ned. Indië

Honthorst’s portretten van de Winterkoningin en haar drie dochters

Een Bericht voor Rhenenaren over de schilder Gerard van Honthorst

Gerard van Honthorst. Elisabeth Stuiart de Winterkoningin. 1642. Coll. National Gallery London

“Gerard van Honthorst – In alles anders dan Rembrandt”  is de titel van een uitgebreide tentoonstelling over deze schilder in het Centraal Museum in Utrecht, nog te zien t/m 13 september.

Van Honthorst (1592-1656), geboren, getrouwd en gestorven in Utrecht was een tijdgenoot van Rembrandt. Hij vertrok al vroeg naar Rome en raakte onder invloed van Caravaggio, die bekend is door zijn licht/donker contrasten.  In 1620 is hij weer in Utrecht te vinden. Er zijn veel schilderijen en tekeningen van hem bewaard. Op de tentoonstellingen zijn ca. 60 schilderijen (veel portretten) en 30 tekeningen te bewonderen.

Gerard van Honthorst. Elisabeth Prinses van de Palts. 1636. Coll. Alexander Palace, Tsarskoje Selo

Hij kreeg veel opdrachten uit hofkringen, van het Hof in Den Haag, maar ook van vorsten en adellijke opdrachtgevers aan het Engelse hof van Karel I van Engeland en van  Frederik V van de Palts, de Winterkoning en zijn gemalin de Winterkoningin Elizabeth Stuart, die als balling in 1621 in Den Haag werden opgevangen door Prins Maurits en vanaf 1631 een paleis lieten bouwen in Rhenen.

Ook schilderde Honthorst de drie oudste dochters van Winterkoning; de oudste was Elisabeth van de Palts (1618-1680); de tweede dochter Louise Hollandine van de Palts (1622-1709), die zelf ook portretschilder was en les had gehad van Honthorst, en hun derde dochter Henriëtta Maria Charlotte van de Palts (1626-1709). Zie oudrhenen.nl/  

Gerard van Honthorst. Louise Hollandine Prinses van de Palts als Diana. 1643. Coll. Centraal Museum Utrecht. Foto Adriaan van Dam

Atelier Gerard van Honthorst. Henriette Maria Prinses van de Palts

Twee dochters van het echtpaar werden bovendien nog afgebeeld op een zeldzame tekening, getiteld De tekenles, nu in Teylers Museum.

Gerard van Honthorst. De tekenles. Ca. 1640. Aangenomen wordt dat dit twee dochters zijn van de Winterkoning en -koningin. Coll. Teylers Museum.

In Rhenen kennen alle inwoners het paleis van de Winterkoning en -koningin. De plaats van de moestuinen en boomgaarden kan iedereen aanwijzen. In het Stadsmuseum Rhenen kan men een digitale rondwandeling door het paleis maken en ook door de paleistuinen, die een aantal jaren geleden door ons bureau zijn gereconstrueerd. Zie virtuele rondleiding door huis en tuinen van Koningshuis Rhenen.

De gardenesque stijl en de tuin van het Bartholomeï-Gasthuis

Plattegrond van Bartholomeï Gasthuis, gemeeten en geteekend 1863, door S.A. van Lunteren. Noorden beneden. Coll. HUA

Vlak na de Tweede Wereldoorlog verhuisde ik als kleuter van Amsterdam naar Utrecht. Ik kwam toen tegenover het Bartholomeïgasthuis (en de Geertekerk) te wonen. Mijn kamer keek uit over de Catharijnesingel en op het gasthuis. Iedere dag huppelde ik door de Smeestraat naar school en wuifde ik naar de bejaarden die achter de ramen genoten van de bedrijvigheid in de straat.

Toen besefte ik niet dat er ook nog een tuin achter het gasthuis was gelegen. Het gaat om een tuin die in 1863 werd ontworpen door de Utrechtse (tuin)architect Samuel A. van Lunteren (1813-1877).

Wat direct opvalt aan  het ontwerp is de indeling van de tuin in zeven lobvormige grasperken die gevormd worden door een min of meer gebogen padenstelsel en die zijn opgesierd met bloemrijke heesterpartijen. Via twee ingangen vanuit de achtergevel aan de zuidkant van het gebouw is de tuin te bereiken. Er bevinden zich in de tuin verscheidene welputten en regenbakken (tegen buitengevels). De tuin is duidelijk bedoeld als binnentuin, om een klein wandelingetje in te maken en een frisse neus te halen. De tuin biedt geen uitzichten naar buiten. De kleurrijke heesterpartijtjes langs de paden nodigen uit tot kleine rondwandelingetjes. Van Lunteren heeft in zijn ontwerp  geen zitbanken getekend. Misschien vond hij de plaats aanwijzen van bankjes niet zijn werk?.  Een tuin verdeeld in dergelijke perken met fleurige bloem- en heesterpartijen noemen we een tuinaanleg in gardeneske (gardenesque) stijl.

De term en het verschijnsel gardenesque tuinstijl komen uit Engeland en werden geïntroduceerd door John Loudon (1832). Hij gebruikte de termen ‘picturesque’ en ‘gardenesque’ tuinen. Omdat hij bang was dat het principe van ‘picturesque planting’ (natuurlijk lijkende beplanting) niet voldoende herkend zou worden als kunst, wilde hij die herkenning als kunst wel bereiken met de ‘gardenesque planting’.  Bij gardenesque beplantingen ligt de nadruk meer op uitheemse planten  (denk aan rododendrons) en op gekweekte planten en ook op de manier van aanplant. Hier gaat het om een landschapsstijl verrijkt met tuinplanten, vaak in geometrische bedden en niet in lossere natuurlijke vormen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd deze manier van beplanten ook  in Nederland veelvuldig toegepast, vooral in de nabijheid van het huis, om van de schoonheid van de bloemen met volle teugen  te kunnen genieten. Dat was dus het geval in de tuin van het Bartholomeus gasthuis, genieten van uitheemse en gekweekte kleurige planten, dichtbij  de wandelaar, langs de paden, die zelf wel in een natuurlijk patroon (gebogen paden) waren aangelegd.

Jan de Beijer, 1744. Bartholomeus Gasthuis. Rechts gezicht op de stadsmuur en de Geertekerk

J. H. Verheijen. Stadswal langs de westgevel van het Bartholomeï Gasthuis tot de Geertekerk. Ca. 1850 (want muur al geslecht)

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

Dit is Bericht (weblog) nr. 500 van Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven. Altijd de moeite waard om te lezen.

(overgenomen van Historisch Museum De Scheper, Eibergen)

 

C.H.Hein. (1815-1879). De Wildeborch Lochem. Tekening tweede helft 19de eeuw? Coll. Museum De Scheper Eibergen

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

De familie Staring heeft een stevig stempel gedrukt op de geschiedenis van de streek met invloed tot over de landsgrenzen. Nog tot en met 19 september 2026 is er in museum de Scheper te Eibergen een expositie over vier leden van deze familie: Anthonie de bekende dichter, zijn zoons Willem en Winand en diens zoon Johan Alexander. 

Anthonie Christiaan Winand (1767–1840) was een veelzijdig man. Hij woonde op de Wildenborch en is vooral bekend om zijn gedichten. Toen zijn vader Damiaan overleed, stopte hij zo’n twintig jaar met dichten en richtte zich volledig op de inrichting, het beheer en de uitbreiding van het landgoed de Wildenborch. Anthonie bekommerde zich om de waterproblemen in het stroomgebied van de Berkel en het onderwijs in de omgeving. Hij was ook lokaal en provinciaal politicus. Naar Anthonie werd het Staringinstituut genoemd, centrum voor de Achterhoekse cultuur en taal.

Winand Carel Hugo (1808-1877) was naast rentmeester vooral bodemkundige en de eerste geoloog van Nederland. Zijn proefschrift “De bodem van Nederland” werd het standaardwerk voor Nederlandse geologen. Hij maakte ook de eerste geologische kaart van Nederland, deed uitgebreid geologisch onderzoek en schreef daar veel over. Naar hem zijn Het Staring Centrum in Wageningen, de Staringgroeve in Losser en de Staringputjes in Winterswijk genoemd.

Willem Constantijn Arnold (1812-1895) was militair en de man achter de oprichting van het Waterschap van de Berkel. Hij tekende gedetailleerde kaarten van de Berkel, van Billerbeck tot de monding in de IJssel bij Zutphen.

Johan Alexander (1850-1932) was de eerste secretaris van Waterschap de Berkel en bleef dat zo’n 45 jaar lang. Ook hij was beroepsmatig en maatschappelijk zeer actief.

Zie ook vorige weblog 1 augustus 2026.

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

De Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, 1996; Tengbergen, A. & E.J. Tengbergen, 1988 (3e druk). De acht kastelen van Vorden. De Walburg Pers, Zutphen

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Figuratief kaartje  uit 1828, getekend door W. Staring (hoogstwaarschijnlijk Winand C.H.)

N.a.v. de digitale uitgave van het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens (Dododnaeus)

 

Vorige maand (juni 2026) las ik  dat het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens van de UVA (Allard Pierson Museum) digitaal beschikbaar is gemaakt.  Dit in verband met de reconstructie van een ‘hortus medicus’ bij het Allard Pierson Museum. Vgl. de Clusius- tuin in de Hortus van de UL.

Dat dit boek van Dodoens is gedigitaliseerd is heel bijzonder te noemen omdat het boek uit 1554 dateert en uit bijna 1000 pagina’s met planten-afbeeldingen bestaat. Dit prachtige interessante boek was het eerste historische boek van het Biohistorisch Instituut RUU dat ik als jonge onderzoeker in handen kreeg, omdat het samen met andere kruidenboeken uit die tijd hèt bronmateriaal vormde voor mijn studie over planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Mijn focus lag aanvankelijk op planten uit de 16de eeuw, maar breidde zich al snel uit naar de 17de eeuw, omdat de tuinen die in die jaren gerestaureerd werden in Nederland, meestal in de 17de eeuw waren ontworpen en aangelegd.

Het volgende artikel is als een korte samenvatting van mijn studenten-onderzoek over planten op schilderijen van Vlaamse Primitieven te beschouwen.

Hierna volgden artikelen in Vakblad GROEN. Het eerste artikel van mijn hand over historische planten verscheen in Vakblad GROEN (1975, nr. 10). Zie eerste genoemde artikel hieronder. Het artikel werd direct opgepikt in kringen van ICOMOS in verband met het onderwerp ‘restauratie van historische tuinen’. En zo kwamen in de jaren zeventig als eerste de tuinen van Huis Beeckestijn in Velsen, de tuin van Hofje de Bruntenhof in Utrecht en de tuinen van Paleis Het Loo op mijn pad.

Het is een beetje een omweg, maar uit bovenstaande blijkt dat een studie naar 16de eeuwse planten die voorkomen in het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens  (en andere boeken uit dezelfde tijd) kan leiden tot een studie naar tuinplanten uit de 17de eeuw. Deze studie  naar 16de en 17de eeuwse tuinplanten leidde uiteindelijk tot een Advies aan de Werkgroep Tuinaanleg Paleis het Loo, waarin planten, bomen, heesters en  vruchtbomen werden genoemd die in 1684 in Nederlandse tuinen werden toegepast en dus geschikt geacht werden voor de beplanting van de nieuwe tuinen van Paleis Het Loo, die in 1984 werden geopend.

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

Museum Koningshuis Schiermonnikoog

3 juli 2026, het was die dag echt weer voor een fikse strandwandeling op Schiermonnikoog. Niet te warm en niet te koud, wel een beetje stormachtig. Juliet, Walther en Lune gingen dus op pad richting paal 10 en ik bleef hangen in het dorp om eens uitgebreid  het museum (in Beheer bij Cultuurhistorische Vereniging ’t Heer en Feer) te bezoeken.

Het Koningshuis Schiermonnikoog. Foto Carla Oldenburger

Dit museum bevindt zich in het voormalige woonhuis van de onderwijzer en laatste bewoner Henk Koning (1930-2018) en wordt om die reden ook het Koningshuis genoemd. Er is van alles te zien en te leren, o.a. over de geschiedenis van de boerderijen en scholen op het eiland, over de Zeevaartschool (mooie oude scheepsmodellen), en over de historische begraafplaats Het Vredenhof.  Vele historische kaarten verhelderen de geschiedenis van het eiland.

Een voor mij bijzondere tekening hing in het gangetje aan de achterkant van het huis,  een duinlandschapje van G. Draaijer, dat door zijn zoon en onze goede vriend Luuk Draaijer aan het museum was geschonken.

Schiermonnikoog duinlandschap, G. Draaijer. Geschonken aan Museum Koningshuis te Schiermonnikoog, door Luuk Draaijer

Mooi laag duinlandschapje met een ‘Hollandse lucht’ er boven, zoals we die dagen  zo vaak hebben kunnen beleven. Het enige dat ik mis zijn enige vogels.

Terugblik op de buitenplaats De Lathmer in Wilp

Ik las onlangs over zorglandgoed (een voormalige buitenplaats) De Lathmer in Wilp (Zorginstelling Zozijn). Op de website vond ik niets over de historie van deze buitenplaats. Misschien dat  een korte groene historie van De Lathmer daarom hier wel op zijn plaats is.

Voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur‘ schreef ik in 1996 het volgende:

Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is te zien dat De Lathmer toentertijd te bereiken was middels een lange oprijlaan vanuit de richting van Voorst. Ten westen van het kasteelterrein lag een driehoekig perceel met sterrebossen. Ten oosten en ten westen van het huis lagen moestuinen en achter het huis, aan de overzijde van de gracht, was een groot rechthoekig weiland. Ook op De Lathmer had de aanleg in 1783 dus nog een regelmatige vormgeving, zoals op zovele andere buitenplaatsen, terwijl de landschapsstijl zijn intrede toch al had gedaan. Het terrein ten oosten van het huis was op dat moment waarschijnlijk nog niet ontgonnen. In dit gedeelte zijn op de kaart van landmeter De Man (1812) slingerende paden afgebeeld. Dit deel is dus tussen 1783 en 1812 in landschappelijke stijl uitgevoerd, waarbij een vierkant bouwland was uitgespaard. Vervolgens werd ook de verdere terreinaanleg in landschapsstijl veranderd, zoals blijkt uit de topografische kaart die verkend werd in 1865 (herzien in 1908). Het huis is dan omgeven door een min of meer slingerend grachtenstelsel. Achter het huis lagen moestuinen en een vijver en ten oosten van het huis is een klein landschappelijk park afgebeeld. In 1913 werd er een nieuw huis gebouwd door het architecten-bureau van de gebroeders Van Nieukerken.

Ontwerp tuinen en rosarium De Lathmer, L.A. Springer, 1913

De tuinen daaromheen werden ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer, die vaker met het bureau van Van Nieukerken samenwerkte. De tuinen liggen op het huisterrein, dat door een rechthoekig grachtenstelsel is omgeven. Ten oosten van het huis ontwierp Springer vier moderne geometrische bloementuinen en ten zuidwesten van het huis een rosarium. Uit de kasboeken van de firma Copijn te Groenekan blijkt dat zij in 1917 en 1918 bomen en heesters voor De Lathmer leverden. Hoewel de invulling van de verschillende tuinen is veranderd, is de structuur van de oude aanleg nog aanwezig. Het is ook bekend dat in 1954 het Tuinarchitectenbureau Buys-Meyers-Warnau  op De Lathmer heeft gewerkt.

Rapport van H.R. van Diessen, 1980; H. v.d. Wijck, 1983, p. 125; Kasboeken Copijn, 1917 en 1918 (levering aan de heer Crommelin).

Klimaarverandering treft ook het groene erfgoed (VPHB)

Naar aanleiding van de aanhoudende bosbranden in Zuid-Frankrijk, heeft de VPHB een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.
Wij steunen deze zienswijze van harte.

(overgenomen):
Klimaatverandering raakt niet alleen gebouwen en infrastructuur, maar ook het groene erfgoed. Toch dreigt juist dat onderbelicht te blijven in het nieuwe klimaatbeleid.


VPHB heeft een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.

Om welke omvang gaat het? Nederland telt bijna 7.700 rijksmonumentale objecten bij 553 historische buitenplaatsen en kastelen. Samen vormen zij ruim 8 procent van het totale rijksmonumentenbestand, en met ruim 18.000 hectare beslaan zij 23,4 procent van het totale groene monumentenoppervlak. Na de verdedigingswerken de grootste categorie.

De gevolgen zijn nu al zichtbaar. Monumentale bomen sterven af door droogte en hitte, historische watersystemen vallen droog en funderingen worden aangetast door veranderingen in de grondwaterstand. Zonder aanvullende maatregelen is verdere aantasting, of zelfs verlies, van onderdelen van dit erfgoed aannemelijk.

Juist dit groene erfgoed levert een brede maatschappelijke bijdrage. Het vormt ecologische stapstenen, draagt bij aan biodiversiteit, dient als waterberging en verkoeling bij hitte, en is voor miljoenen Nederlanders toegankelijk of zichtbaar. De waarde reikt daarmee veel verder dan het individuele monument.

VPHB vraagt daarom om rijksbeschermd groen erfgoed expliciet op te nemen in de strategie, zodat het meetelt in beleid en uitvoering.