L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Maria Sibylla Merian, documentaire van Susanne Brand

(overgenomen van KB nationale bibliotheek):

Kijktip voor iedereen die houdt van natuurwetenschappelijke kunst in het algemeen – en van natuurwetenschappelijke kunst gemaakt door vrouwen in het bijzonder! Want wist je eigenlijk wel dat het vooral Nederlandse vrouwen waren die in de 17de eeuw de studie naar planten, reptielen en insecten verder brachten?

Afbeelding weergeven

Vorig weekend bracht ARTE hierover de internationale documentaire ‘Flower Power. Dutch women painters of the seventeenth century’ uit, gemaakt door Susanne Brand. Brand kwam ook langs in de KB om onze Collectiespecialist Esther van Gelder te interviewen over de 17e-eeuwse schilder en natuuronderzoeker Maria Sybilla Merian. De KB bewaart namelijk indrukwekkende stukken van Merian in haar collectie. Zo is ‘Metamorphosis insectorum Surinamensium’ (1705) is één van de topstukken van de KB: https://lnkd.in/emW3G9tC

De documentaire is tot 4 september te bekijken op ARTE:

Een aanrader!

#NationaleBibliotheek #Documentaire #MariaSybillaMerian #Collectie

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek ging brengen en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar ‘de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis’, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. VOYAGE au Jardin des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je als staflid jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverden het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en Buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (Oost- en West-) Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’ op deze website.

Berthe Hoola van Nooten, geboren 1817 in Utrecht in een bijgebouw van de Latijnse school

(ged. overgenomen van tekst van het Universiteitsmuseum)

In 2024 kreeg ik op mijn verjaardag van mijn jongste dochter en haar man een bijzonder boek cadeau, getiteld Berthe Hoola van Nooten 1817-1892, en geschreven door David Apollonius Coppoolse. Het boek bevat een biografie van Berthe, gecombineerd met een onderzoek over de betekenis van haar werk. Zij wisten niet dat ik het oorspronkelijke boekwerk Fleurs, fruits et feuillages choisis : de la flore et de la pomone de l’île de Java (1863) van Berthe wel kende, omdat ik dit als conservator van de Bibliotheek WUR van 1980 tot 2000 heb beheerd. Maar over het leven van Berthe wist ik niets, ik had alleen het 19de eeuwse boek en de latere edities (ook aanwezig in de Bibliotheek WUR) wat doorgeglansd en geconstateerd dat de tekeningen (ook van Berthe) veel deden denken aan die van Maria Sibylla Merian, alleen 150 jaar later gedateerd.

Dit Pinksterweekend (2026) is het werk van Hoola van Nooten opnieuw tot leven gebracht in de Botanische Biografie van Utrecht, een tentoonstelling in de Oude Hortus van de Universiteit Utrecht. Gezamenlijk gaven lokale kunstenaars een eigentijdse interpretatie aan het originele werk, en deze tekeningen zijn nu tentoongesteld.

Utrecht is de eerste provicie die een bijdrage leverde aan de De Botanische Biografie van Nederland. Uiteindelijk zullen alle 12 biografieën een online en offline expositie vormen, waarin lokale kunstenaars het verhaal van een voormalige botanische kunstenaar vertellen.

Het nieuwe boek (uit 2024) begint met een korte biografie van Berthe Hoola van Nooten en wat blijkt, zij is geboren in Utrecht (12 october 1817) en wel in een van de bijgebouwen van de Latijnse School aan de Kromme Nieuwe Gracht, de voorloper van mijn gymnasium. Zie voor een herinnering aan het Utrechts Stedelijk Gymnasium het Bericht Terugblik op mijn klassieke opleiding. Ik begrijp nu ook waarom men spreekt van de Botanische Biografie van Utrecht, echter de tekeningen op zichzelf hebben niets met Utrecht te maken. Het is een mooi gebaar om de schitterende botanische tekeningen van Berthe Hoola van Nooten op deze manier aan Utrecht te koppelen, hoewel een koppeling aan Wageningen Universiteit en Research misschien logischer zou zijn geweest.

Mme de Sévigné en haar liefde voor tuinen en bloemen

Manuscript met bloementekeningen en gedichten, gemaakt als verjaardagsgeschenk voor Julie d’Angennes (1641). Gezien in Musée Carnavalet

In de brieven van Mme de Sévigné komen heel regelmatig bloemen en planten voor, als uitdrukking van haar gemoedstoestand. Ook het hier boven geplaatste  manuscript, dat op de tentoonstelling in Musée Carnavalet werd getoond (zie eerder Bericht) sluit aan bij het gevoelsleven van welgestelde dames in 17de eeuws Parijs. Met behulp van AI geef ik hier een lijstje van bloemen die zij benoemt in haar brieven en die ook ongetwijfeld deel uitmaakten van haar tuin bij Chateau Les Rochers in Bretagne. Haar brieven tonen liefde voor de bloemen van die tijd en een “tuinierster” die geniet van het planten van bomen, het aanleggen van lanen en het genieten van de veranderende seizoenen. 

Ook op het schilderij van Jean Nocret (Nancy, 1615 – Paris, 1672), dat in Musée Carnavalet hangt, is Mme de Sévigné met een guirlande van bloemen in haar hand te zien.

Bloen en planten beschreven in de brieven van Mme de Sévigné (volgens AI):

  • ” Rozen: Ze beschrijft vaak de geur en schoonheid van rozen in haar tuinen.
  • Jasmijn: Geliefd om de geur.
  • Lelies: Vaak genoemd in de context van de siertuin.
  • Oranjebomen (orangers): Ze noemt haar “oranjebomen” (in potten) met zorg en toewijding, wat wijst op een passie voor deze planten.
  • Lavendel: Vooral in de context van haar verblijf in de Provence (Grignan).
  • Viooltjes: Genomineerd als een van de vroege lenteverschijningen.
Bomen en bosachtige planten:
  • Lindebomen (tilleuls): Ze beschrijft vaak het wandelen onder de lindebomen.
  • Elzen (aulnes): Geplant op haar landgoed in Bretagne.
  • Beuken en eiken: Onderdeel van de “oude bossen” waar ze graag doorheen wandelde, en soms met pijn in het hart zag kappen.
  • “Petits bouquets”: Ze spreekt vaak over kleine bosjes of groepjes bomen in het landschap.
Tuin- en Landschapselementen:
  • “Allées”: Lange lanen, zoals de Allée des Capucines of de Allée de Livry, worden vaak genoemd als wandelplekken.
  • “Bosquets”: Kleine, vaak dichte bosjes in de formele tuin.
  • “Charmilles”: Haagbeuklanen of -hagen.”

Bostuin op de Laarschenberg

Bostuin langs de Levendaalseweg. Foto Carla Oldenburger

Na heerlijke belevenissen in Parijs, nu even weer met beide voeten op de Rhenense grond van ‘De Laarschenberg’. Dit  is een landgoed van Utrechts Landschap, eigenlijk een deel van de Grebbeberg, maar dan aan de noordkant van de Grebbeweg in Rhenen. Het bos op de Grebbeberg is een afwisselend bos, loofbomen en naaldbomen en eikenhakhout en daar tussen door kronkelpaadjes en open plekken (ook wel laar genoemd). Aan de noordzijde aan de rand van het bos heb je prachtig uitzicht richting Veenendaal, het lijkt wel Frankrijk, zei een kleuter eens toen ze hier met mij ging wandelen. Ook ter afwisseling historische graanakkers en graften, walletjes waarop eikenhakhout staat.

Vanuit Rhenen loopt de Levendaalseweg (een statige beukenlaan, naar het vroegere Huis Levendaal) het bos in. Langs dit bospad ligt een stukje grond, mijn tuin, die ik dus een zo passend mogelijke beplanting heb gegeven, een bostuin met veel inheemse bosplanten, maar ook met hier en daar een rododendron of een krentenboompje, om de tuin wat accenten te geven. Geen last van droogte of wateroverlast, maar  vlinders, insecten en vogels nog niet genoeg naar mijn zin, laten we hopen dat ze nog komen. Wellicht plaats ik nogmaals een mooie foto van deze tuin met libellen of hommels en bijen?

Huis Levendaal (uit de 14de eeuw) op de Laarschenberg te Rhenen. Op de achtergrond de Gelderse Vallei

Marie de Rabutin-Chantal, Markiezin de Sévigné (1626-1696)

 

Binnentuin Musée Carnavalet Paris. Woonhuis van Mme de Sévigné sinds 1636. Neo-17de eeuwse tuin met gemengd gevulde randbeplanting

Onlangs een prachtige en interessante expositie bezocht in Musée Carnavalet in Parijs. ter gelegenheid van de geboortedag van Madame de Sévigné 400 jaar geleden.

Zij werd geboren in een van de karakteristieke 17de eeuwse huizen op de Place Royale (tegenwoordig Place de Vosges, Marais) in Parijs. Wie is daar niet geweest als toerist om een biertje of een koffie te drinken bij Café Ma Bourgogne in de galerij aan dit plein?

Mme de Sévigné werd hier geboren op de Place Royale (tgw. Palce de Vosges), Paris. Ze woonde hier tot haar 10de jaar, daarna Hotel Carnavalet.
Antoine-Julien Hénard (1812-1837). Woonhuis Mme de Sévigné / Binnenplaats Hotel Carnavalet, 1843. Met standbeeld Mme de Sévigné

In 1644 trouwde Marie met een Bretonse edelman, Henri de Sévigné en samen kregen ze twee kinderen, Françoise Marguerite and Charles. In 1651, op haar 25ste, werd ze weduwe toen Henri een duel niet overleefde. Sindsdien verdeelde ze haar tijd tussen Parijs en haar Chateau des Rochers in Vitré (ten oosten van Rennes). Ze verkeerde in de meest exclusieve literaire kringen en heeft met haar brieven (vnl. aan Francoise die met haar man, Comte de Grignan, verhuisd was naar de Provence) niet een steentje, maar een enorme groot stenen blok bijgedragen aan de Franse cultuur. Met haar brieven aan Francoise is het leven van een edelvrouw in 17de eeuws Parijs voor ons (latere generaties) gaan leven. Ik bewonder haar stijl, haar heerlijke flamboyante (in ons idee) rijke zinnen en het leven in literaire kringen van die tijd, dat zij weet op te roepen.

Emmanuel Dolivet (1854-1911). Model voor een beeld van Mme de Sévigné voor Parc Vitré/ Bretagne

Voor mensen die zich meer in het leven van Mme de Sévigné willen verdiepen, raad ik aan te lezen:

  • Ben Rekers (vertaald en bezorgd). Madame de Sévigné Brieven. Serie Privé-domein. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
  • Gerda Munk. Madame de Sévigné et madame de Grignan. Dans la correspondance et dans la critique. Utrecht, 1966. Gerda Munk (*1920- ?) was een achternicht van mijn moeder.

Nog meer aandacht voor vogels: vogel-eieren

N.a.v. de tentoonstelling ‘BIRDS’ in het Mauritshuis (t/m 7 juni as) maakte ik al twee ‘Berichten’ op onze website voor en na het bezoek aan deze tentoonstelling. Ik liet al doorschemeren dat ik het toch jammer vond dat vogels alleen kunsthistorisch zijn belicht en dat er nauwelijks aandacht is besteed aan de vogel als natuurverschijnsel.

Zie Vogels biohistorisch beschouwd  en Tentoonstelling BIRDS nader bekeken.

Nu wil ik nog een aspect toevoegen dat misschien ook niet erg bekend is onder kunsthistorici, namelijk het vogelei.

A.A. van Pelt Lechner. Oologia Neerlandica: de eieren der in Nederland broedende vogels. Den Haag, 1910-1913. 2 delen

Nederlandse (inheemse) vogeleieren worden voor het eerst beschreven door  Arnold Anton van Pelt Lechner (1863-1950) in zijn boek:  OOLOGIA NEERLANDICA: DE EIEREN DER IN NEDERLAND BROEDENDE VOGELS (2 delen). Den Haag, 1910-1913, met 617 afbeeldingen in kleurendruk en 50 in heliotype op 191 platen, naar voorwerpen uit de verzameling van de schrijver zelf. Er zijn 250 exemplaren van dit boek gedrukt waarvan 50 in het nederlands en 100 in het engels. Uiterst zeldzaam. (Herdrukken van de engelse uitgave in 2016/2018/2023).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1899 werd Van Pelt Lechner, die tot dan toe burgemeester van Zevenhuizen (ZH) was geweest, benoemd tot bibliothecaris van de Rijks Hóogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool (nu Wageningen University & Research), dit bleef hij tot 1916. Hij heeft dit boek dus geschreven in de tijd dat hij bibliothecaris was in Wageningen. Het is dus duidelijk hoe dit boek in de bibliotheek van WUR terecht is gekomen. Ik beschouw Van Pelt Lechner graag als mijn collega. Maar eigenlijk was hij een collega van de tuinarchitect Leonard Springer, die van 1897 tot 1900 leraar tuinkunst was aan dezelfde school.