Categoriearchief: Nieuws

VIA LEENDERT VAN HAESTAR (1604-1675) ALLEN EEN GELUKKIG EN GEZOND 2021 GEWENST

Leendert Maertensz. van Haestar (1604-1675). ‘Aanbidding der Koningen’. Olieverf op paneel. Coll. Kunsthandel Jean Moust Brugge

(222) Het schilderij ‘Aanbidding van de Koningen’ of  ‘Drie wijzen uit het Oosten’ (Arabië) vertelt het verhaal uit de Bijbel (Matt. 2:11-18) van de drie Koningen of ‘Wijzen’ uit het oosten Caspar, Melchior en Balthasar. Zij zagen een opgaande ster (conjunctie tussen Jupiter en Saturnus?) die hen  naar de pasgeboren koning der Joden zou leiden.

Drie Koningen 6 januari

Op deze dag wordt herdacht dat de drie Koningen in de stal in Bethlehem aankwamen en Jezus geschenken offerden: goud, wierook (uit hars van de plant Boswellia sacra) en mirre (uit hars van de plant Commiphora myrrha).

Boswellia sacra (hierboven) en Commiphora myrrha (hieronder)

Waarom zijn wij zo geïntrigeerd door dit schilderij?

Omdat Juliet dit jaar door genealogisch onderzoek heeft ontdekt dat Leendert van Haestar, de schilder van het hierboven ruim 380 jaar geleden vervaardigde schilderij een voorvader van ons is. We zullen hem op Driekoningen-avond 6 januari in kleine kring gedenken.

Leendert van Haestar (Haester, Haestert, Haastrecht), 1604- 1675. Schilder, behangselschilder en tekenaar:

Naar Leendert van Haestar (Haastert). Gravure door Jonas Suyderhoef. Portret Prins Willem III (Willem Hendrik van Oranje, 1650-1702). Ca. 1672. Coll. Rijksmuseum

Leendert van Haestar (Haastert / Haastrecht) werd geboren in Den Haag en is daar  in de Kloosterkerk begraven. Van Haestar is lid geweest van het Haagse schildersgilde en schilderde o.m. ‘Aanbidding der Koningen’, 1640; ‘De woede van Aharverus’, coll. Bredius; en een portret (uit 1672) van Willem III, stadhouder en later koning van Engeland, hierboven als gravure afgebeeld). Hij huwde met  Lucia Peneels / Paneel. 

De kunstschilder Leendert Maertensz. van Haestar (ook bekend onder de namen Haester, Haestert, Haastrecht) was een tijdgenoot van Rembrandt (1606-1669). Aan het werk van beiden is te zien dat ze door Caravaggio beïnvloed zijn, hoewel beiden waarschijnlijk nooit in Italië zijn geweest. Op hun schilderijen wordt met licht en donker gespeeld, zodanig dat het oog van de toeschouwer naar het hoofdthema van het schilderij wordt geleid, in dit geval Jezus in de kribbe.

Leendert Maertensz. van Haestar staat twaalf generaties terug in onze stamboom via onze Haagse tak. Carla’s naamgeefster Carolina Sophia Ebbers-Vogelesang is de laatste die in de hofstad geboren werd. Leendert  is een zoon van Maerten Florisz. van Groenewegt (ca. 1574-1636) en Nyesgen Cornelisdr. Schrap. Zijn jongere broer Floris was goudsmid. Leendert had 2 zonen (Willem en Maerten, beiden ook goudsmid) en 2 dochters waarvan Swaentje trouwde met de kunstschilder Arnold Verbuys. 

In Leendert’s tijd is er duidelijk sprake van kunstzinnig talent in de familie, zoals ook later in de 19de eeuw, wanneer overgrootvader Vogelesang trouwt met Johanna Hendrika Maris uit de bekende schildersfamilie. In 2021 zullen we het onderzoek naar de werken van Leendert van Haestar voortzetten.

Damplantsoen geopend in 1925. Amsterdam

Vandaag las ik op LinkedIn over een nieuwe aanwinst van Kunsthandel Bijl-Van Urk B.V., namelijk een schilderij van Cornelis Vreedenburgh, gedateerd 1927. Op LinkedIn werd de vraag gesteld: “wat zien we voor soort ‘tuin’ of ‘volkstuin’ op de voorgrond?”

Mijn antwoord was dat het hier een tuin in zogenaamde “Oud-Hollandse” stijl betrof, passend / aansluitend bij het gebouw, voorheen het stadhuis van Amsterdam, gebouwd/ontworpen door Jacob van Campen vanaf 1648 en gereed in 1665.

Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis van Amsterdam), 1927. Kunsthandel Bijl-Van Urk, Alkmaar

We zien op het schilderij op de voorgrond een verdiepte tuin, opgebouwd uit grasvlakken en rechtlijnige bloemenborders. De tuin is verdiept en ontworpen langs een as van symmetrie, die aansluit op de middenas van het paleis. De tuin wordt ontsloten door een trappartijtje, gelegen in het midden van de dwarsas (voor de tram) en ook zijn dergelijke trapjes te vinden in het midden van de lengte-assen rond het middenperk. Op de hoeken van de lange perken en in het centrum van kleine vierkante perken staan taxussen geplant. De lange perken zullen nog met bloemen gevuld moeten worden, net zoals de perken aan beide zijden van de eerste trappartij. Het grote centrale rechthoekige grasvlak ligt binnen een wandelpad van flagstones en wordt daarbuiten afgesloten door (waarschijnlijk) buxusranden. Het beplantingsontwerp is volgens de rubriek Chronologie van het Stadsarchief Amsterdam (Onderwerp De Dam als plaats van herinnering) gemaakt door de gemeentelijke tuinarchitect Ir. J.R. Koning jr. .

De stijl van ontwerpen doet erg denken aan de stijl van Leonard Springer. Hij is in 1925 (toen de werkzaamheden begonnen) 70 jaar, en alhoewel is gebleken dat hij nog lang niet aan stoppen dacht in dat jaar, is de opdracht hem toch niet gegund. In de Springer Collectie Wageningen Library is wel enige summiere documentatie te vinden, namelijk een rijmpje uit het Haarlems Dagblad van T. de Rijmer, een krantenartikel uit De Telegraaf (1930-04-09) en een krantenfoto van het Damplantsoen.

Ik zal eens verder zoeken op naam van J.R. Koning, om er achter te komen bij welke projecten hij nog meer betrokken was in Amsterdam.

Aanleg Damplantsoen, Bouwput 1925, vlak voor de aanleg van het plantsoen.. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Op bovenstaande foto zien we de omschutte bouwput van het toekomstige plantsoen, maar eigenlijk was het een ruimte die vrijgekomen was door de afbraak (1912) van het voormalige Commandantshuis ( D’Ailly’s Historische Gids van Amsterdam. Bewerking H. F. Wijnman. 1968) en de sloop van de westzijde van de Warmoesstraat. Er was een plan om hier een hotel te bouwen, maar dat is niet doorgegaan. Het Damplantsoen was bedoeld als tijdelijke tussen-oplossing. Zie  https://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/277/middendam-kromhout.html

12 september 1925. Officiële opening van het Damplantsoen 1925. Zicht over het Damplantsoen van Hotel Krasnapolsky naar Het Paleis. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Hier is goed te zien dat de paden aan de voet van de borders en rondom het centrale grasperk uit flagstones bestaan. NB de tram die hier te zien is, staat ook op het schilderij afgebeeld. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Met dank aan Walther Schoonenberg en Hans Krol.

Nader onderzoek leverde een artikel over dit onderwerp op. Zie: Carla Oldenburger. ‘Over het Damplantsoen: ontwerper en karakteristieke kenmerken’. 13 p. Cascade Bulletin 2020 (verschenen 2021), p. 33 t/m 44.

Amsterdamse iepen bedreigd door kademuurrestauratie

Voorliggend Bericht is overgenomen uit tijdschrift Binnenstad 296 (jan./ febr. 2020). Hierin werd aandacht besteed aan de walmuur-vernieuwing van de Amsterdamse grachten. Nu er een grote renovatiegolf op komst is van de Amsterdamse kaden heeft dit ook impact op de bomen die daarop groeien. Aangezien deze al vanaf het begin van de zeventiende eeuw deel uitmaken van de stedenbouwkundige structuur van de binnenstad, zullen de bomen voor het grootste deel worden herplant. De beschermde, beeldbepalende bomen en bijzondere iepensoorten die vitaal zijn, zal men echter trachten te behouden.

Omslag Tijdschrift Binnenstad, nummer 296

Alleen al in de Amsterdamse binnenstad staan circa 9000 bomen in de openbare ruimte, waarvan meer dan 5000 iepen. Op de stadsplattegrond van Pieter Bast uit 1597 zien we voor het eerst bomen op de kaden verschijnen: langs de binnenzijde van de stadswal van 1585 (de huidige Herengracht) is tussen de Brouwers- en de ‘Warmoesgracht’ (Raadhuisstraat, tussen Singel en Herengracht) een regelmatige rij bomen ingetekend. Ook langs de Oudezijds burgwallen vinden we dan al enkele verspreide bomenrijen.

Bijzonder is dat bomen bij de grote zeventiende-eeuwse stadsuitleggingen van Amsterdam van meet af aan deel uitmaken van het stedenbouwkundig plan. Zij werden ook aangeplant door de stedelijke overheid. Hoewel Amsterdam weinig echte pleinen kent, is de stad geenszins benauwd van opzet. Door de gesloten bouwblokken rond ruime binnentuinen en de aanleg van grachten is de bebouwing weids gespatieerd. De grachten die de stad doorsnijden worden door bruggen geleed in zogenaamde rakken, waardoor tussen de gevelwanden en de bruggen een soort waterpleinen ontstaan. De bruggen en bomenrijen op de kaden omlijsten deze pleinen als galerijen. De breedte van deze galerijen is min of meer gelijk aan de breedte van de kavels, waardoor op ruimtelijk niveau een soort kleinste maatstaf ontstaat, die de ruimte maat en schaal geven. Afgaande op de plattegrond van Baltasar Florisz en de Burgerwijkkaartjes bedroeg de onderlinge afstand van de bomen ongeveer anderhalve kavelbreedte. 

De bomenrijen maken dus deel uit van het stedenbouwkundige ontwerp voor de grachtengordel en de Jordaan. Dit was destijds in de hele wereld uniek en is op grote schaal nagevolgd, ook buiten Nederland. In de zeventiende eeuw werden in de stad niet alleen iepen, maar ook linden en abelen aangeplant. Van deze bomen was de iep de sterkste: door zijn kronkelige wortelgestel versterkte hij bovendien de kaden.

De ‘Belgica’ 

De oudst bekende cultuurvariëteit of gekweekte iepvorm is de oud-Hollandse iep (Ulmus x hollandica ‘Major’), een kruising tussen de veld- en de bergiep (Ulmus minor x Ulmus glabra). Deze iepenselectie werd, onder meer vanwege de grote bladvorm, al vanaf de zestiende eeuw gekweekt en in 1689 door stadhouder Willem III vanuit Nederland in Engeland geïntroduceerd, maar is nu in Amsterdam niet meer te vinden. Een andere selectie van de Hollandse iep, de Ulmus x hollandica ‘Belgica’, die vanaf het einde van de zeventiende werd gekweekt, bleek over een rechtere stam te beschikken en sloeg in Amsterdam zo goed aan, dat de linden, die aanvankelijk langs de grachten waren aangeplant in de loop van de achttiende eeuw op grote schaal door deze iepen zijn vervangen. Behalve een rechte stam heeft de ‘Belgica’ een zeer fijne, uitwaaierende takstructuur en enigszins afhangende takken, die soms bijna het water raken. 

Boompje planten op de Keizersgracht. Foto Wim Ruigrok

In de Eerste Wereldoorlog bleek dat de ‘Belgica’-iepen vatbaar zijn voor de door een schimmel veroorzaakte en de iepenspintkever verspreide iepziekte, waardoor ze vanaf circa 1940 niet meer zijn aangeplant. Ondanks het feit dat de Belgica’s door de iepziekte zijn getroffen, staan er nog steeds honderden langs de Amsterdamse grachten. Mede vanwege het feit dat dit vaak de oudste en grootste bomen zijn, is de Belgica nog steeds de meest beeldbepalende iep. De oudste Belgica’s langs het water vinden we onder meer op het Stationsplein – geplant in 1889, na oplevering Centraal Station – en langs de Nieuwe Herengracht – een ‘gekandelaberd’ exemplaar uit 1891. Op de Keizersgracht voor de Onze Lieve Vrouwekerk staat een rijtje circa honderd jaar oude Hollandse iepen met opvallend bochtige stammen van een onbekende selectie, waar onlangs stekken van zijn genomen. Op plaatsen waar de iepziekte toesloeg, werden de Belgica’s veelal vervangen door de wat stakerige Huntingdon-iepen (Ulmus x hollandica ‘Vegeta’, 1746) en later ook door de ‘Commelin’ (gekruist 1940 / uitgegeven 1960) en de ‘Groeneveld’ (1941/1963). Toen bij de tweede iepziektegolf begin jaren ’70 bleek dat deze kruisingen evenmin goed tegen iepziekte bestand waren, heeft men nieuwe selecties van de oud-Hollandse iep uitgegeven, met even oud-‘Hollands’ klinkende namen als de ‘Dodoens’ (1954/1973), ‘Plantijn’ (1954/ 1973), ‘Lobel’ (1958/1973) en ‘Clusius’ (1958/1983). Tegenwoordig worden nog resistentere, uit Amerika afkomstige cultivars toegepast, zoals de veelvuldig aangeplante ‘New Horizon’ – met sterk opgaande takken en enigszins glimmend, donkergroen blad, die we onder meer aantreffen op de vernieuwde en in 2003 ingeplante kade voor de Cromhouthuizen – , de kleinbladige en in de herfst rood verkleurende ‘Frontier’ – in 2013 aangeplant op het noordelijke deel van de Oudezijds Achterburgwal – en de zeer resistente ‘Rebona’ – waarvan er onder meer in 2016 twee zijn aangeplant op de Reguliersgracht. 

Hoewel de verschijningsvorm van de Belgica nog altijd het streefbeeld vormt van alle nieuw ontwikkelde cultuurvariëteiten, missen al deze meer en minder resistente soorten de gracieuze eigenschappen van de Belgica. Doordat de iepziekte in Amsterdam dankzij een speciaal monitoringsprogramma tegenwoordig goed onder controle is, worden de Belgica’s vanwege hun karakteristieke vorm weer in kleine aantallen gekweekt. Omdat dat de ziekte ook wordt overgebracht door wortelcontact, wisselt men de nieuwe aanplant van Belgica’s vaak af met meer resistente iepencultivars. De interactieve Bomenkaart (2017) van de gemeente Amsterdam geeft een overzicht van alle bomen die in de stad voorkomen, waaronder meer dan veertig verschillende soorten iepen: https://maps.amsterdam.nl/bomen/.

Bescherming 

In het kader van de geplande kademuurvernieuwingen zullen circa dertig kaden, merendeels in de binnenstad en in Amsterdam-West, de komende jaren worden vervangen. Bij een kademuurvernieuwing worden normaliter alle bomen op de desbetreffende kaden verwijderd. Door de gemeentelijke Bomenverordening (2014; 2016) genieten alle bomen binnen de bebouwde kom, die dikker zijn dan 30 cm een zekere bescherming, dat wil zeggen dat ze alleen onder voorwaarden gekapt mogen worden. In het kader van een walmuurvernieuwing gaan de bomen langs de grachten het met deze bescherming niet redden, maar ze moeten in principe wel weer worden herplant. Bij herplant worden ze vervangen door jonge iepen, vaak van een andere, iepziekte-resistente soort, maar op enkele beeldbepalende plaatsen als brughoofden zullen mogelijk ook weer Belgica’s worden aangeplant. 

Behalve door de Bomenverordening worden de bomenrijen langs de hoofdgrachten als fenomeen van rijkswege beschermd door het Beschermd Stadsgezicht (1999) en op Europees niveau (gewaarborgd door het Europese Hof van Justitie) door de aanmerking van de grachtengordel als UNESCO-Werelderfgoed (2010). Op grond van het feit dat de boombeplanting langs de grachten medebepalend is voor de cultuurhistorische waarde en stedenbouwkundige structuur van dit gebied en als zodanig ook specifiek wordt beschreven in de ‘Uitleg’ van het Beschermd Stadsgezicht (1999), die tevens de grondslag vormt voor de bescherming van het UNESCO-werelderfgoed, en in de diverse bestemmingsplannen, genieten de bomenrijen langs alle grachten van het beschermde gezicht een zekere extra bescherming, al is niet helemaal duidelijk wat deze bescherming precies inhoudt, aangezien de structurele samenhang van de bomen met de architectuur – anders dan in andere gemeenten – niet nader in de bestemmingsplannen en/of in zogenaamde ordenkaarten is uitgewerkt. 

Kadewandversterking ten behoeve van het behoud van de ‘Belgica’-iep op de Brouwersgracht. Foto Wim Ruigrok

Hoofdbomenstructuur 

Ook genieten bomen langs sommige doorgaande straten en grachten in de gehele stad een zekere extra bescherming door het (huidige) gemeentebeleid. Om de boombeplantingen langs straten en waterstructuren die van belang worden geacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de stad herkenbaar te maken, maar ook om het bomenbestand te herstellen en uit te breiden heeft de gemeente de Hoofdbomenstructuur ontwikkeld (HBS). Deze bomenstructuur is een beleidsinstrument, dat vooral betrekking heeft op de aanplant van nieuwe bomen, maar tot op zekere hoogte ook bomen beschermt bij herprofileringen: ‘Uitgangspunt voor bomen die deel uitmaken van de hoofdbomenstructuur is dat er bij het planten en beheren van bomen voldoende groeiruimte moet zijn en dat bij herprofileringen gezonde en levensvatbare bomen blijven staan. Bij het planten van de boom moet bovendien al rekening worden gehouden met de ruimte die de volwassen boom zal innemen, om zo tot beeldbepalende exemplaren te komen. Deze bomenlijnen staan langs de hoofdnetten, waterwegen, dijken of historische verkavelingspatronen’. 

Bij de laatste vaststelling van de Hoofdbomenstructuur (kaart in het Beleidskader Puccinimethode, 2018) is deze ten opzichte van die in het eerder gepubliceerde kaartje in de Structuurvisie 2040 (2011) uitgebreid met diverse bomenrijen in de oude binnenstad (onder meer langs de Oude- en Nieuwezijds Voorburgwal, Kloveniersburgwal/Geldersekade en Oude Schans), terwijl de grachten en gedempte grachten in de Jordaan tussen de Brouwersgracht en Leidsegracht hier niet langer deel van uitmaken – behalve de petieterige Passeerdersgracht, een grachtje waarlangs in de zeventiende eeuw nu net geen bomen stonden. Dit laat tevens zien hoe veranderlijk beleid is: door de beleidswijziging van 2018 lijken de bomen op de Rozengracht – waarvan er volgens de kaart ‘Monumentale bomen en ander waardevol groen’ niet één als ‘monumentaal’ is aangemerkt – ten behoeve van de komende herinrichting nu eenvoudig te kunnen worden gekapt. 

Behalve de locaties geeft de Puccinimethode – genoemd naar de bonbons van de Amsterdamse chocolaterie Puccini, die symbool moeten staan voor goede kwaliteit – ook de ‘spelregels, voorwaarden en inrichtingseisen’. Hierin worden o.m. de groeiplaatsomstandigheden voor nieuwe en bestaande bomen beschreven: ‘Bij walmuurvernieuwing (van grachten die deel uitmaken van de Hoofdbomenstructuur) worden bestaande bomen vervangen en de groeiomstandigheden zo ingericht dat de groei voor de nieuw te planten bomen voor tenminste 50 jaar is gewaarborgd. Bepalend voor de onderlinge plantafstand van de bomen en het type iep is de beschikbare doorwortelbare ruimte, zowel kwalitatief als kwantitatief’. 

Onder normale omstandigheden groeien de boomwortels in een zone die overeenkomt met de projectie van de kroon. Maar op de ondergrondse openbare ruimte ligt tegenwoordig een grote druk: behalve aan de waterleiding, riolering en elektriciteit- en internetkabels moeten de kaden ruimte bieden aan tal van nieuwe voorzieningen zoals ondergrondse afvalcontainers, laadpalen voor geëlektrificeerd autoverkeer en warmtepompen. Op heringerichte grachten groeien de iepen daarom vooral in de smalle strook onder de parkeerzone en dreigen de iepen steeds verder uit elkaar te worden geplant. Over het algemeen hebben de hoofdgrachten een straatprofiel van meer dan negen meter breed en is de grondwaterdiepte er lager dan 80 centimeter. Bij zijgrachten bevindt het grondwater zich vaak al op 40-60 centimeter en is de breedte van het straatprofiel geringer. ‘De iepen langs de hoofdgrachten worden bij voorkeur in een onderlinge plantafstand van 12-15 meter geplant, de iepen langs de zijgrachten in een onderlinge plantafstand van meer dan 15 meter.’

Als de grond rond de boom al te zeer wordt verdicht door parkeren en een te grote belasting door het zware verkeer, kunnen de wortels zich niet goed ontwikkelen. Daarom krijgen de bomen optimale groeiomstandigheden mee, dat wil zeggen dat ze in beginsel beschikken over een doorwortelbare ruimte van 25m3 tot 40m3 per boom, zoveel mogelijk gevuld met ‘Amsterdams bomenzand’ – een speciaal ontwikkeld grondmengsel, dat zowel vruchtbaar is als een grotere belasting kan dragen. De wortelzone wordt bovendien zoveel mogelijk gescheiden van kabels en leidingen, en in een sterk verdichte omgeving, zoals op groeiplaatsen tussen parkeervakken, kunnen extra voorzieningen zoals druk verspreidende middelen worden toegepast. 

In de Hoofdbomenstructuur worden bij herplant tenslotte bij voorkeur bomen toegepast met een stamomtrek van 50 tot 60 cm, die in volwassen toestand hoger worden dan twaalf meter.

De kaden van de Oudezijds Achterburgwal zijn lager, waardoor de iepen niet tot volle wasdom kunnen komen. Foto Wim Ruigrok

Monumentale bomen

Om kap van bijzondere bomen te voorkomen kunnen deze bovendien (in het kader van de Bomenverordening) beschermd zijn als ‘beschermwaardige houtopstand’. Zo’n houtopstand, dat wil zeggen één of meerdere bomen of houtige gewassen, kan zowel op particuliere grond als in de openbare ruimte staan en wordt op de (voorlopige) lijst geplaatst vanwege zijn beeldbepalende waarde, cultuurhistorische betekenis, natuurwaarde, zeldzaamheidswaarde of ouderdom. De kaart ‘Monumentale bomen en ander waardevol groen’ is niet compleet, maar geeft een goede indruk van het beschermde bomenbestand in de openbare ruimte. Als een boom op de lijst (of zolang deze nog niet is vastgesteld op een van de lijsten van de voormalige stadsdelen) voorkomt mag deze niet worden gekapt, maar alleen (met vergunning) worden gesnoeid of verplaatst, tenzij er sprake is van ‘zwaarwegende omstandigheden’ om toch tot kap over te gaan.

Langs de grachten vinden we afgezien van enkele tientallen linden en enige platanen en paardenkastanjes vooral iepen. In de binnenstad genieten een paar honderd hiervan speciale bescherming doordat ze op bovengenoemde lijst voorkomen. Naast de Belgica’s en Huntingdon-iepen zijn er ook nog een aantal meer bijzondere cultivars, waaronder de smalle, hoog opgaande monumentaal-iep (Ulmus minor ‘Sarniensis’, 1836-Eng.), die veel in Amsterdam-Zuid is toegepast, maar in de binnenstad slechts op enkele plaatsen voorkomt (Kattengat, Stromarkt); een speciale variant met een duidelijke enting en min of meer ronde kroon van de duiveltjesiep (Ulmus glabra ‘Cornuta’, vóór 1845), die onder meer te vinden is langs de Reguliersgracht, en de vanuit de voormalige iepenselectietuin bij Huis Groeneveld te Baarn afkomstige en in de herfst knalgeel kleurende Amsterdam-iep (Ulmus ‘Amsterdam’, 1950/1980), waarvan we een rijtje aantreffen aan de westkant van de Weesperstraat – en een aantal langs de Sloterkade, waarvan één voor het Aalsmeerder Veerhuis.

Duiveltjesiep (Ulmus gladra ‘Cornuta’) op de Reguliersgracht. Foto Wim Ruigrok

Afgaande op bovengenoemde interactieve kaart van monumentale bomen bevinden de meeste monumentale bomen zich langs de hoofdgrachten, terwijl we langs de grachten van de oude binnenstad (binnen het Singel) en van de Jordaan relatief weinig bomen aantreffen die beschermwaardig worden geacht. Mogelijk staan er in de Jordaan en de oude binnenstad ook weinig echt monumentale bomen (meer), doordat veel kademuren nog niet zo lang geleden zijn vernieuwd, veel bomen dus relatief jong zijn en er langs de smallere en lagere grachten weinig ruimte is waardoor de iepen niet tot monumentale bomen uit kunnen groeien.

Voor de monumentale bomen zullen bij een kademuurvernieuwing speciale maatregelen worden getroffen om ze te behouden. Sommige bomen kunnen bijvoorbeeld worden verplaatst, al moeten de takken en wortels daarvoor vaak ingrijpend worden gesnoeid. Als bomen te zwaar zijn om over de kade te verplaatsen en te groot om onder de bruggen door te varen, worden ze wel tijdelijk aan de overzijde van de gracht op een schuit geplaatst. Als ze niet verplaatsbaar zijn, bestaan er nog verschillende andere mogelijkheden om ze te behouden. Zo kan er een kade worden geplaatst vóór de bestaande kadewand of er kan in de muur een uitstulping worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld in de Brouwersgracht. Door deze oplossingen wordt de gracht natuurlijk wel smaller , wat weer nadelig is voor de waterberging, doorstroming en voor het aanzicht en de stedenbouwkundige structuur. Naar verwachting zullen alle monumentale bomen meestal toch ingrijpend gesnoeid moeten worden om ze te behouden.

Juliet Oldenburger

het gestolen schilderij en de kerkjes van Van Gogh

Vincent van Gogh. Lentetuin. Pastorietuin te Nuenen. 1884. Collectie Groninger Museum. Olieverf op papier (op houten paneel geplakt)

Dit unieke schilderij Lentetuin, pastorietuin te Nuenen, in 1884 geschilderd door Vincent van Gogh, is zondag 29 maart 2020 gestolen uit het Singer Museum, waar het deel uitmaakte van de tentoonstelling Spiegel van de ziel. Toorop tot Mondriaan.

(overgenomen van whichmuseum.nl): ‘In deze tentoonstelling staat de private wereld van de 19de-eeuwse Nederlandse kunstenaar centraal. Het gaat hier om schilder- en tekenkunst als persoonlijke uiting. Thema’s als het interieur, het stilleven, de besloten tuin, maar ook de geesteswereld van de kunstenaar komen aan bod. Er is werk te zien van o.a. Jan Toorop, Vincent van Gogh, Willem Witsen en Piet Mondriaan’. 

Dat het (bovenstaande) schilderij van de pastorietuin een persoonlijke uiting is van de kunstenaar Vincent van Gogh is alleen al duidelijk omdat het de tuin betreft van zijn ouders achter de pastorie in Nuenen. In de verte zien we de toren van de Oude Kerk van Nuenen. Dit is niet de Hervormde kerk waar Vincent’s vader dominee was, maar de oorspronkelijk rooms katholieke kerk gebouwd in de tweede helft van de 15de eeuw, die in 1823 werd afgebroken, op de toren na, die in 1885 werd gesloopt, een jaar nadat Vincent Van Gogh het schilderij van de Lentetuin / pastorietuin en de Oude Kerk maakte. Vincent woonde sinds eind 1883 in Nuenen, zodat we mogen aannemen dat hij van de afbraak op de hoogte was geweest en dat hij juist als herinnering deze toren heeft willen verenigen met de achtertuin van de pastorie waar zijn ouders nog niet zo lang woonden. De Ned. Hervormde kerk van zijn vader is bekend van het schilderij ‘het uitgaan van de kerk in Nuenen’ uit 1884-1885.

Links: Hervormde kerk van Nuenen.
Rechts: Het ‘uitgaan van de Hervormde kerk van Nuenen’, geschilderd door Vincent van Gogh, 1884-1885. Collectie Van Gogh Museum
Vincent Van Gogh. Oude Kerk en begraafplaats Nuenen, 1884. Coll. Stiftung Sammlung E.G. Bührle. Dit is de kerk die ook op het schilderij van de lentetuin voorkomt

Huis en Tuin van Brakestein Texel worden rijksmonument

Net als gisteren de verheugende mededeling binnenkwam over het winnen van het Belvedère-ontwerp (in Heemstede, zie vorige bericht), komt vandaag het blijde bericht binnen dat de buitenplaats Brakestein op Texel bij Oudeschild tot rijksmonument zal worden aangewezen.

We zijn zeer happy en verrast te horen dat Brakestein (huis en tuin) – zo snel na het verschijnen van ons rapport – de status van rijksmonument tegemoet kan zien. Onze waardestelling heeft mogen bijdragen tot deze beslissing. We gaan nu adviseren aangaande het inrichtingsplan. Het wandelpad door de boomsingel buiten de gracht is al gekapt en vrijgemaakt; het uitbaggeren van de gracht is het volgende winterproject.

Buitenplaats genaamd Braaken Steen op het eiland Texel behorende aan den heer Den Berger, ongesigneerd en ongedateerd [vanaf 1786] (noorden rechts). Collectie Noord-Hollands Archief, toeg.nr 269, inv.nr 1046.

In het voorjaar 2020 gaat Juliet beginnen met het maken van enige schetsen / alternatieve voor een inrichtingsplan.

NIEUWE BELVEDÈRE VOOR GROENENDAAL HEEMSTEDE

In de vandaag (12-12-2019) ontvangen mededeling hieronder is -na vergroting- te lezen dat ons bureau Binnenstad en Buitenleven in een samenwerkingsverband met KPG Architecten uit Heemstede, zal meewerken aan de totstandkoming van een nieuwe Belvedère op de buitenplaats / openbaar park Groenendaal in Heemstede.

In het Glossy Tijdschrift HIK ( = Heemstede in Kaart), nummer  18, 2019,  zijn heel kort de 6 architectenbureaus beschreven, die een ontwerp hebben ingezonden voor een nieuwe Belvedère op de buitenplaats Groenendaal te Heemstede. Oldenburgers Binnenstad & Buitenleven deed mee als partner van KPG-Architecten. Zie de foto van Juliet (midden) in de laatste bureau-beschrijving. Ons samenwerkingsverband is na stemming -door de bewoners van Heemstede- op 6 anonieme ontwerpen met de meeste stemmen uit de bus gekomen met het ontwerp “De Wandeling”.

Voorlopig ontwerp ‘De Wandeling’ voor nieuwe Belvedère Groenendaal. In tweede instantie zal nu met de heer Bids besproken worden hoe dit ontwerp aan te passen tot definitief ontwerp

De hele stemming is echter niet naar tevredenheid van de burgers van Heemstede verlopen. Zie hieronder nog eens een samenvatting wat er allemaal gebeurde en hoe ver het proces nu gevorderd is, dd. 15 januari 2020. In de laatste zin van dit bericht staat te lezen dat het winnende ontwerp deze week bekend zal worden gemaakt. Dat betekent dus dat we vandaag of morgen nader bericht ontvangen.

En hier is dan de officiële uitslag in het Haarlems Dagblad van 17 januari 2020:

Bericht uit Haarlems Dagblad, 17 januari 2020

‘HERBOUW’ BELVEDÈRE GROENENDAAL HEEMSTEDE

De Belvedère in het wandelbos Groenendaal (vm. buitenplaats, rijksmonument) stond in het noordelijke deel van het bos op een kunstmatig verhoogd duin en bestond uit een stenen uitzichttoren met omlopende achthoekige veranda. In het centrum van de toren liep een gietijzeren wenteltrap. Het gebouwtje was ontworpen door de Nederlandse architect John Thomas Hitchcock (1812-1844), in opdracht van eigenaar Henry Philip Hope (1812-1839). De bouw dateert van 1838/1839. Overigens opmerkelijk dat Hope niet J.D. Zocher jr. in de arm heeft genomen. Waarschijnlijk is dit terug te voeren op hun beider Engelse betrekkingen.

Ons bureau is gevraagd door KPG-architecten uit Heemstede om mee te werken aan hun inzending / ontwerp voor ‘herbouw’ van de koepel (zie hierover verder). Wij zullen uiteraard de relatie tussen de belvedère en het omliggende groen, inclusief de heropening van de zichtlijnen naar beste weten begeleiden.

Doorsnede Belvedère Groenendaal. Ontwerp J. Th. Hitchcock

Tijdens de laatste buitenplaats-periode, voordat Groenendaal in 1913 naar de gemeente Heemstede overging, verkocht een pachter toegangskaartjes voor de belvedère, en ansichtkaarten en consumpties, een poging om het onderhoud te ondersteunen. Dit werd op den duur echter toch te kostbaar en in 1965 werd besloten de toren af te breken. 

Zichten vanaf de Belvedère richting Lelievijver (NO), richting molentje (O) en richting kleine waterkom (ZW).

27 nov. 2018 besloot de gemeente Heemstede (gemeente Heemstede Collegebesluit), na aanvaarding van een schenking van een half miljoen euro, tot herbouw van de Belvedère Groenendaal. Deze voorgenomen herbouw past in het meerjaren Beheerplan Wandelbos Groenendaal 2015-2032, waarin staat vermeld dat er rekening is gehouden met het herstellen van twee van de drie historische zichtlijnen.  Vanaf de Belvédere lopen deze 1) over de Lelievijver naar de Vrijheidsdreef (in NO-richting); 2) over het Seringendal naar het Molentje van Groenendaal aan de Van Merlenvaart (in Oostelijke richting) en 3) naar de kleine waterkom richting de Adriënnelaan (in westelijke richting). Het tweede zicht zal moeilijk te herstellen zijn, omdat dit zicht volledig is dichtgegroeid en (te) veel bomenkap zal vergen.

De Heemsteedse Courant schreef 23 juli jl. het volgende bericht, waaruit duidelijk de kritische opstelling van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek (HvHB) naar voren komt.

Uit Heemsteedse Courant 23 juli 2019

Beschermwaardige houtopstanden Amsterdam

Openbare Ruimte en Groen

Het college van B en W van Amsterdam heeft één centrale adviescommissie voor monumentale bomen ingesteld. Deze commissie adviseert de gemeente over welke bomen op de lijst ‘beschermwaardige houtopstanden’ moeten worden geplaatst. Door deze lijst behoudt Amsterdam een bijzondere collectie levend erfgoed die qua uitstraling, ecologie en educatie past bij de stad. Juliet Oldenburger maakt deel uit van deze adviescommissie.

Ruimte & Duurzaamheid en Monumenten & Archeologie hebben het initiatief genomen samen met de stadsdelen de kaart monumentale bomen en ander waardevol groen te ontwikkelen. De kaart geeft zowel de beschermwaardige houtopstanden weer (waaronder monumentale bomen) als de groene rijks- en gemeentelijke monumenten.

Kaart monumentale bomen en ander waardevol groen

Amsterdam plant al meer dan 400 jaar bomen. Storm, boomziekten en de dynamiek van de stad maakt echter dat de oudste bomen in deze stad ‘slechts’ zo’n 250 jaar oud zijn. Het grachtenpatroon met bomenrijen is uniek in de wereld. Om waardevolle bomen en houtopstanden beter te beschermen en beheren stellen stadsdelen – of voor grootstedelijke gebieden de centrale stad – lijsten van beschermwaardige houtopstanden vast. Dit gebeurt op basis van bomenverordeningen. De beschermde status houdt in dat een boom in principe niet wordt gekapt. Ook wordt er extra aandacht aan het beheer en aan het onderhoud besteed. De diverse lijsten zijn samengebracht op deze kaart.

Een ‘beschermwaardige houtopstand’ is een monumentale boom of een andere houtopstand, zoals houtachtige klimplanten, herdenkingsbomen, klim- en klauterbomen en bijzondere heesters. Een monumentale boom heeft minstens een van de volgende kenmerken: beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, natuurwaarde en zeldzaamheidswaarde. De minimale stamomtrek is 31 cm. Overige beschermwaardige houtopstanden kunnen ook jonger zijn, zoals bijvoorbeeld herdenkingsbomen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘boom die alles zag’ in de Bijlmer.

Groene rijks- en gemeentelijke monumenten
Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Let op
Het is een kaart in ontwikkeling die wordt aangevuld zodra nieuwe beschermwaardige houtopstanden zijn benoemd of bestaande lijsten zijn geactualiseerd. Stadsdelen hanteren soms andere definities van monumentale bomen. Op deze kaart zijn alle bomen en houtopstanden ondergebracht onder bovenstaande stadsbrede definitie.

(voor het grootste deel overgenomen van: https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/gebouwen-gebieden/monumentale-bomen/

Nieuws over Harmen de Vries (1753-1837), architect en ‘projectontwikkelaar’

Met een boekwerkje getiteld ‘Johannes Montsche & Harmen de Vries’ (uitgegeven door TuinTerTijd Bureau voor Tuinhistorie 2013) èn met een later artikel ‘Harmen de Vries en Zoon’ in Cascade Bulletin Jg.20 (2017), nr.1 (p. 25-35), heeft Arinda van der Does aandacht gevraagd voor genoemde architecten. Nieuwe gegevens over Harmen de Vries werden recentelijk door ons gevonden in verband met buitenplaatsen die hij door koop verwierf, namelijk Rozenburg in de Watergraafsmeer en Wallenstein in Loenen aan de Vecht.

Rozenburg, uit de Bloemperken naar het Huis. Ets Daniël Stopendaal, 1725. Stadsarchief Amsterdam
Toegangshek Buitenplaats Wallestein, XVIII. Loenen a/d Vecht

Er zijn een klein aantal ontwerpen van Harmen de Vries bekend (Library Wageningen University / Special Collections heeft enkele buitenplaatsen en een toegangshek, en Stadsarchief Amsterdam bewaart enkele ontwerpen van huizen en een kerk en een duiventil), maar tot voor kort was het zo goed als onbekend welke (delen van) buitenplaatsen en welke huizen deze ontwerpen voorstelden en kenden we ook weinig persoonsgegevens van De Vries. In genoemde artikelen worden enige vragen opgelost, maar het is duidelijk dat meer gegevens vinden over deze personen deels afhankelijk zal zijn van toevallige vondsten, zoals deze.

De buitenplaats Rozenburg (of Oud-Rozenburg of Meerlust of het Viskaantje) was gelegen in de Watergraafsmeer, ten zuiden van de in 1890 door Leonard Springer ontworpen Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Topografische kaart 1894, met de Nieuwe Oosterbegraafplaats en de buitenplaats Rosenburgh

Op de website Buitenplaatseninnederland.nl (met verwijzingen naar oudere bronnen) is te lezen over Rozenburg: “Govert Loten liet in 1642 op deze plek een huis bouwen dat hij Het Viskaantje noemde. In 1681 kocht de Amsterdamse zijdefabrikant Jacob van Lennep (1631 – 1704) de buitenplaats en noemde het Meerlust. Via de dochter van Jacob van Lennep, Ingena, kreeg haar echtgenoot Pieter Rutgers de buitenplaats in bezit. In 1697 werd hij door keizer Leopold I in de adelstand verheven en kreeg hij de toevoeging ‘van Rozenburg’ bij zijn naam. Híj zal dan ook de naam Rozenburg aan zijn Amsterdamse buitenplaats hebben gegeven… … In 1801 werd de buitenplaats eigendom van Harmen de Vries en Roelof Gelke. Gelke richtte er na 1802 een theetuin in. In het begin van de 19e eeuw werd de uitspanning Oud-Rozenburg genoemd. In 1914 kocht de gemeente Amsterdam de buitenplaats voor uitbreiding van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Leonard Springer maakte ook het ontwerp voor de uitbreiding in 1916. Het huis is verdwenen. Landgoed Rozenburg is nu onderdeel van de Oosterbegraafplaats”.

Over de buitenplaats Wallensteyn (Loenen aan de Vecht) is het volgende bekend (buitenplaatseninnederland.nl): “Op een kaart uit ca 1710, die uitgegeven werd door Nicolaas Visscher en gegraveerd door P. Schenk voor Giorgio de Haze, Heer van Mijnden, komen we de naam Wallesteyn voor het eerst tegen. Wallesteyn ligt ten noorden van Kickestein, een buitenplaats die we al op een oudere kaart tegen komen. De vroegst bekende eigenaar was Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde, die het huis in 1698 kocht. Haar zoon Jacob werd in 1711, een jaar voor haar dood, schepen van Loenen. Waarschijnlijk had hij in 1710 al de buitenplaats van haar overgenomen. Op een kaart van Covens en Mortier van Loenen uit 1726 komt men de buitenplaats Wallesteyn weer tegen, het landgoed is dan echter uitgebreid met Kickestein. Na 1710 wordt door Jacob Balde het huis Wester Klip aangekocht en in 1726 de ambachtsheerlijkheid Loenen en Nieuwersluis van Dirk Fiool. Jacob sterft in 1730 en zijn broer Jan erft Wallesteyn… …”

Dan volgen gegevens over de tijd van Jan Balde, IJsbrand Balde.

“Als IJsbrand in 1770 sterft, gaan zijn bezittingen naar zijn vrouw Nicola Geertruij Smissaert, en noemde zij zich Vrouwe van Kronenburg, Loenen, Loenersloot, Nieuwersluis, enz. De dochters van IJsbrand en Nicola Geertruij erven de bezittingen in 1795. Aan het begin van de 19e eeuw worden de bezittingen één voor één verkocht. De jongste dochter Anna Adriana, die getrouwd was met Mr. Hendrik Huygens verkoopt Wallesteyn voor f. 33.100,- waarbij nog f. 500,- extra betaald moest worden voor de beelden in de tuin. De nieuwe eigenaar wordt Harmen de Vries, architect te Weesp. Om een idee van de waarde van het geld moet je het bedrag met 100 vermenigvuldigen. Niet lang na 1811 werd het huis gesloopt. Waarschijnlijk werden de bomen en al het afkomende materiaal van de afbraak door architect De Vries geveild, waarna de plaats weer een agrarische funktie kreeg“.

Hierna volgt een uitgebreide beschrijving van huis, bouwhuizen, stallen, duiventil, etc. uit de tijd van de fam. Balde. Daarna de volgende tekst over de tuin, waar mogelijk Harmen de Vries de hand in heeft gehad.

“Oorspronkelijk was de tuin een Franse geometrische tuin, die een aantal jaren voor 1811 veranderd werd in Engelse landschapstuin. In de tuin komen we een aantal vruchtdragende bomen tegen, maar ook exotische planten en gewassen. Achter het huis bevond zich een groot bos met slingerpaden en een grote goudviskom. In de tuin stond een grote achtkante stenen koepel. Het dak van deze koepel russte op losstaande zuilen, waartussen zich fraaie beelden bevonden. Vanuit de ruime kamer in de koepel had men fraai uitzicht op de Vecht en de daarlangs lopende rijweg. Verder had deze koepel een buffet en een secreet. Tot het landgoed behoorden verder twee grote moestuinen, een kas voor perziken, een kas voor bloemen, een grote schuur, twee hooibergen en een wagen- en gereedschapsschuur. Tot slot was er nog een tweede stenen koepel, die tevens dienst deed als duiventoren. Aan de achterkant grensde de buitenplaats aan het land van Het Huis te Velde, dat toen al lang een boerderij was. Deze boerderij was ook bezit van mevrouw Huygens-Balde. Over de sloot, die scheiding maakte tussen Wallestein en Het Huis te Velde, lag een draaibruggetje, zodat men over eigen terrein naar de Slootdijk kon lopen. Het landgoed was 21 morgen groot, inclusief vijf morgen weiland. Daaromheen lagen nog 19 morgen hooi- en weiland, die vroeger tot de buitenplaatsen Westerklip en Kickestein behoorden. Op de twee bewaard gebleven pilaren van het toegangshek bevinden zich twee schilden. Het ene schild draagt het wapen van IJsbrant Kieft Balde en de andere die van zijn vrouw Nicola Geertruy Smissaert.

Bewoners:

1698 – 1712 Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde
1712 – 1730 Jacob Balde, getrouwd met Anna Marie Kieft
1730 – 1734 Anna Marie Kieft
1734 – 1763 Jan Balde sr.
1763 – 1770 IJsbrand Kieft Balde, getrouwd met Nicola Geertruy Smissaert
1770 – 1795 Nicola Geertruy Smissaert
1795 – 1811 Anna Adriana Balde
1811 Harmen de Vries (koop f. 33100)”

De hamvraag is nu: hebben de ons bekende ontwerpen van Harmen de Vries (tuinontwerpen, huizen, hek, duiventil) iets te maken met de buitenplaatsen Rozenburg en/of Wallestein? het is wel toevallig dat er in het geval van Wallestein gesproken wordt van een tuin die in landschapsstijl is veranderd, en ook van een hek, huizen en een duiventil. Maar nader onderzoek is nodig. Op het eerste gezicht zijn er wel details die overeen komen (bij het hek en een huis), maar is er geen sprake van 100 % overeenkomst. De tuinontwerpen moeten nog met kaartmaterialen worden vergeleken. Hoe dan ook, dat Harmen de Vries buitenplaatsen opkocht, zoals veel meer bekende architecten deden in de economisch zwakke periode rond 1800, moge duidelijk zijn.

Weekblad ‘BUITEN’ en tijdschrift ‘HET BUITEN’

De Nederlandse Kastelenstichting is t.b.v. een nieuw tijdschrift een samenwerkingsproject aangegaan met de Stichting Vrienden Particuliere Historische Buitenplaatsen (Vrienden PHB), ondersteund door Stichting Landgoedvrienden en de Vereniging PHB. Hoofdredacteur is Jephta Dullaart. Het tijdschrift zal 3 x per jaar verschijnen, in mei, september en december. De doelgroepen zijn de boven vermelde stichtingen en vereniging. Maar ook geïnteresseerden in geschiedenis, cultureel erfgoed, monumenten, en historische tuinen, parken en landschappen kunnen abonnee worden.

‘Het Buiten’ is een populair wetenschappelijk tijdschrift, het bevat gedegen beschouwingen over ons erfgoed, voornamelijk gericht op kastelen, buitenplaatsen en landschap.

Het tijdschrift heeft een nieuwe naam. Wel een beetje een verwarrende naam jammergenoeg. De kasteel- en buitenplaatsliefhebbers krijgen in het vervolg het tijdschrift ‘Het Buiten’ in de bus, niet te verwarren met het vroegere zeer populaire weekblad ‘Buiten‘.

Wat zijn de verschillen tussen ‘Het Buiten’ en ‘Buiten‘?

‘Het Buiten’ verschijnt 3x per jaar, te beginnen in mei 20019, vervolgens in september en december; ‘Buiten‘ verscheen elke week, 52 x per jaar, van 1907 t/m 1936. ‘Het Buiten’ gaat over kastelen, buitenplaatsen en hun bewoners en is rijkelijk geïllustreerd met kleurenfoto’s; ‘Buiten’ was gewijd aan het buitenleven in het algemeen, kastelen, buitenplaatsen, landschap, bloemen, tuinen, tuinarchitectuur, vogels, wild, etc. en is ook rijkelijk geïllustreerd, maar natuurlijk alleen met zwart/wit foto’s. Wat betreft tuinarchitectuur en beplanting werkten bekende schrijvers mee, zoals L.A. Springer, D.F. Tersteeg, P. Westbroek, en E.Th. Witte. Kijk voor ‘Buiten’ op Internet, maar helaas zijn niet alle delen volledig gedigitaliseerd, zie:(http://www.weekbladbuiten.net/1907-1936/index.asp). In de bibliotheek van ons bureau in Rhenen staat een volledige serie.

17 mei as. wordt het eerste exemplaar van ‘Het Buiten’ (Jg.1, nr.1) aangeboden aan prof. dr. Hanneke Ronnes, bijzonder hoogleraar historische buitenplaatsen en landgoederen. Carla is weer vaste columnist, zoals ook de voorgaande jaren (vanaf september 2015) van ‘Kasteel en Buitenplaats’ (zie: https://www.kastelen.nl/kastelen-publicaties.php?id=1)