Categoriearchief: Boekaankondigingen

Wie is de ‘Schrijver der Flora’?

Op de weblog van Cascade Tuinhistorisch Genootschap las ik een aantal jaren geleden (15 april 2016) dat alle drie delen van het boek Nederlandsche Tuinkunst (1837-1838), uitgeven door de Gebroeders Diederichs te Amsterdam,  digitaal zijn te raadplegen. Klik hiervoor op de hierboven aangehaalde groene titel.

Dit boek is onder schuilnaam geschreven, namelijk door de Schrijver der Flora.  We kunnen hieruit concluderen dat deze anonyme schrijver al eerder een botanisch werk heeft afgeleverd onder de titel Flora. Als we zoeken op naam van de uitgever ‘Gebroeders Diederichs en Flora’, zien we dat het gaat om Flora Jaarboekje voor Bloemliefhebbers en Bloemkweekers (1837). Het derde deel van Nederlandschen Tuinkunst is ook apart uitgegeven, nu door de uitgever Loosjes te Haarlem, als apart deel van het Tijdschrift ter Bevordering der Nijverheid, onder de titel Dagboek voor Boom- en Bloemkweekers, Hoveniers en Warmoezeniers (1840), ook weer met de vermelding “door den Schrijver der Flora”. Een van de samenstellers van dit Tijdschrift was de welbekende hoogleraar in de Botanie en Landhuishoudkunde aan de Universiteit van Groningen, Prof. H.C. van Hall.

Het intrigeert mij al jaren dat ik niet weet wie de schrijver is van dit genoemde uitstekende bruikbare praktische handboek. Wie zou dat kunnen zijn? Misschien ging de auteur er van vanuit dat iedereen dat wist, maar een kleine twee honderd jaar later na verschijnen van dit handboek weet echt  niemand dat meer. Zie ook het artikel van Jan Holwerda in  Cascade Bulletin 23 (2014), nr.1, p. 42-44.  

Ik ken natuurlijk de naam van de botanicus H. C. Van Hall (1801-1874), die samen met Jan Kops (1765-1849) de delen 5 t/m 8 (1828-1844) van de Flora Batava samenstelde. Uitgever J.C. Sepp en Zn. Om dit puzzeltje op te lossen dacht ik niet meteen aan de Flora Batava omdat deze Flora de wilde planten van Nederland beschrijft, terwijl de Nederlandsche Tuinkunst echt een handboek is bedoeld voor bloemkwekers,  tuinbazen en tuinliefhebbers, hoewel de ‘beoefenaars der plantenkunde’ op de titelpagina als eerste doelgroep worden genoemd.  Van Hall was ook nog de schrijver van een eerdere flora, de Flora Belgii septentrionalis sive Index plantarum indigenarum of in het nederlands Flora van inheemse planten van Noord-Nederland, uitgegeven te Amsterdam bij dezelfde uitgever als van de Flora Batava, J.C. Sepp en Zn. in 1825. Ook dit boek beschrijft wilde inheemse planten.

Van Hall is dus bekend van twee wetenschappelijke flora’s met als eerste titelwoord ‘Flora, beide uitgegeven door J.C. Sepp en Zoon èn van het werk Nederlandschen Tuinkunst, uitgegeven door de Gebr. Diederichs, beide uitgevers gevestigd te Amsterdam. Het blijkt dat de gebroeders Diederichs uitgevers zijn van meer populaire werken (opgesomd in dbnl.nl). Wat wel vaker gebeurde is dat wetenschappers hun werk ook onder de aandacht wilden brengen van de gewone man; het zou kunnen zijn dat Van Hall daarom het derde deel van Nederlandsche Tuinkunst bij Diederichs publiceerde, een veel minder wetenschappelijke werk, bedoeld voor tuinlieden in de praktijk. Hij had zijn wetenschappelijke naam hoog te houden, dus verlaagde hij zich misschien niet graag tot de praktische kant van het vak en moest de term Schrijver der Flora insiders weer naar zijn wetenschappelijke werk verwijzen. Het is misschien een aardige theorie, maar geen bewijs. We blijven zoeken en speuren

Tuinen van Licht / Els Launspach

Nieuw boek van Els Launspach:  Tuinen van Licht. Gorredijk, Sterck & De Vreese, 2023. 352 p. €27,50. Adviezen Carla Oldenburger

De Tuinen van licht / Els Launspach

(Overgenomen van uitgeverij Sterck & De Vreese):

“De Tuinen van licht is een roman over verbeeldingskracht, die zich afspeelt tegen de achtergrond van de bloeiende 16e/17e-eeuwse tuincultuur in Frankrijk, de Lage Landen en Engeland. We volgen het verhaal van Pierre, die in Parijs wordt opgeleid tot hovenier. Tegen de wil van zijn vader, de grote hovenier Claude Mollet [1557-1647], laat Pierre [1590-1659] zich inlijven bij het katholieke leger om tegen de protestanten te vechten. Hij komt als krijgsgevangene in Vlissingen terecht, maar wordt later alsnog hovenier. Eenmaal volwassen vestigt hij zich in Luik, waar zijn vrouw Gonde zich wijdt aan de ontwikkeling van tulpen. In dienst van stadhouder Frederik Hendrik ontwerpt hij het grondplan voor de tuinen van Honselaarsdijk. Daar, in het noorden, ontmoet hij Simon Stevin, vriend en leermeester, die een grote invloed heeft op zijn zelfbeeld. Het verhaal van Pierre wordt verteld door Mathieu, onlangs weduwnaar geworden. Uit een behoefte aan troost kleurt hij de levens van deze historische personages in, en worstelt zich zo door zijn verdriet heen. Van Els Launspach verschenen de romans Messire; Richard Revisited; Jonker; en Maîtresse van Oranje.

Els Launspach bij het verschijnen van haar nieuwe boek, 23 mei 2023 te Haarlem. Foto Carla Oldenburger

Na haar studie kunstgeschiedenis en theaterwetenschap werkte Els  in het theater en publiceerde essays over toneel en film. Aan de Amsterdamse Academie voor Theater en Dans gaf ze ruim twintig jaar les over de Griekse tragedie en Shakespeare.”

CO: Voor de duidelijkheid, het is dus een roman over verbeeldingskracht en het raakt de hoveniersfamilie Mollet en de tuinen van Frederik Hendrik. Toch is het boek voor tuinhistorici zeker interessant, omdat het de grenzen opzoekt tussen heden en verleden en tussen fictie en werkelijkheid.  Juist dat kan de moderne mens stimuleren tot nadenken en onderzoek.

Nut boven schoonheid of schoonheid boven nut?

Wat prevaleert in dit geval? Het openhouden van een zichtlijn tussen Huize De Tangh en de Rijn OF het aanleggen van een wijngaard op die zichtlijn, op de plaats van een vroegere tabaksplantage?

Boven: Tegenwoordige zichtlijn op Huize De Tangh vanaf de Utrechtsestraatweg. Het huis is nu nog zichtbaar -de wijnstronken zijn eind april geplant-, maar dat zal niet lang meer duren. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vanmiddag (24 mei 2023) reed ik langs de Utrechtsestraatweg van Rhenen naar Amerongen. Je passeert dan het bijna 100 jaar oude Huize De Tangh even buiten Rhenen aan je rechterhand, terwijl je de zichtlijn -van het huis naar de Rijn- kruist. Aan je linkerhand is er dus zicht op de (uiterwaard van) Rijn.

Het huis is gebouwd in 1927 o.l.v. de Wageningse architect J.B. van der Haar, in opdracht van de eigenaar, destijds huisdokter van Rhenen, William Waller. Hij had de  bouwgrond al gekocht in 1920, om daar ter plekke een nieuw huis te laten bouwen in koloniale (Kaapse) stijl.

Boven: Zicht vanaf de Utrechtsestraatweg op (de uiterwaard van) de Rijn bijna dichtgegroeid. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vroeger was de situatie anders, vooral een veel meer open zicht op de Rijn en grazende koeien in de voorweide (nog vaag te zien op de oude foto). Zie hieronder een archieffoto met zicht vanaf het terras voor het huis  op de Rijn.

De grond loopt af naar de Rijn, dus vanuit het huis zal de Rijn nog wel even zichtbaar blijven, maar vanaf de Utrechtsestraatweg opkijkend naar het huis, zal het zicht op het huis gedeeltelijk verdwijnen. Het huis en het landgoed zijn niet beschermd als rijks – of gemeentelijk cultuurmonument, maar zeker is dat het zicht op de Rijn wel een hele belangrijke rol gespeeld zal hebben bij het bepalen van de locatie voor de bouw van het huis. De “genius loci” is hier alles bepalend, en daarom is m.i. het aanleggen van een wijngaard op deze plaats geen goed idee geweest.

In 2020 is een boek over de geschiedenis van huis en landgoed De Tangh verschenen en historisch gezien heel terecht heeft dit boek de volgende titel meegekregen: Genius Loci. Landgoed De Tangh. Ontstaan en geschiedenis van een familielandgoed en buitenplaats in Rhenen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug. Auteurs Stef van Doesburg, Ronald van Immerseel, Merel Haverman e.a.. Rhenen, 2020.

In vroeger tijden -zo is bekend, maar ik heb er geen archiefstuk van gezien- lag voor het huis een tabaksplantage. Dergelijke plantages waren een heel normaal verschijnsel in de hele omgeving en de “straatnaam” Plantage Willem III, iets verderop langs de Utrechtsestraatweg, herinnert daar nog aan. Het is wel aannemelijk dat er tijdelijk in de voorweide een tabaksplantage is geweest, maar een open weide voor het huis met grazende koeien of herten (denk aan Engelse landscape gardens in vorige eeuwen) zal het huis toch zeker een voornamer aanzicht hebben gegeven. Vandaar dat de laatste jaren de Lakenvelders in de voorwei een schitterend beeld opleverden en ik dat beeld liever in gedachten houd dan deze onlangs aangeplante zicht-verhinderende wijngaard.

 

 

 

 

 

Boven: Lakenvelders in de voorweide. Foto Carla Oldenburger, 2014

Het is erg jammer dat nog steeds niet bekend is of er een landschapsarchitect zich met deze aanleg heeft bemoeid. Ook is mogelijk dat William Waller, geholpen door de architect J. B. van der Haar, zelf de locatie van het huis heeft bepaald en de huisplaats op de zichtlijn heeft aangegeven. En de achtertuin (in formele stijl), met muurwerk tegen het wild en tegen de noordenwind (?) inclusief een rosarium zou misschien ook wel van zijn eigen hand kunnen zijn. Ik heb wel eens in een lezing voor de Historische Vereniging van Rhenen en Omstreken de naam van de lector Tuin-architectuur aan de Rijks Landbouw Hooge School (opvolger van Leonard Springer) in dit verband laten vallen als mogelijke ontwerper, omdat hij juist in tegenstelling tot Springer, graag in formele stijl werkte. Maar voorlopig zal het antwoord op dit raadseltje nog wel even onopgelost blijven.

 

Zijn naam is Hendrik Francois Hartogh Heys van Zouteveen (1870-1943), bekend in Wageningen en daarbuiten. Hij was o.a. een van de oprichters van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten in 1922. Volg de groene link hierboven voor zijn uitgevoerde werken, voorzover bekend.

U zult het al wel begrepen hebben. Als antwoord op de gestelde vraag in de titel, gaat mijn voorkeur uit naar “Schoonheid boven nut”. Dat zal het antwoord ook zijn van iedere tuinarchitect, als het gaat om een buitenplaats of villatuin, omdat een zichtlijn, gekoppeld aan de locatie van het huis,  primair en heilig is in een tuinontwerp.

John James Audubon (1785-1851) Voorproefje

Een kijkje in mijn boekenkast. met Birds of America / J.J. Audubon (herdruk 1997, Wordsworth Edition))

(241) Het originele werk Birds of America, het meesterwerk van John James Audubon (verschenen tussen 1827 en 1838 op dubbel-olifantsformaat) bevat 435 platen. De Wordsworth Edition geeft een schitterende herdruk van de platen, weliswaar in folio-formaat (daarom een plaatje van mijn boekenkast, zodat je kan zien hoe groot het boek ook nu nog is). Naast zijn tekeningen (plaatwerken) van de vogels schreef Audubon zijn waarnemingen over het gedrag van de vogels in een aparte uitgave getiteld ‘Ornithological Biography‘ (1831-1839).

Als student of net afgestudeerde biohistoricus maakten we met de staf van ons instituut een keer (eind jaren zestig zal het geweest zijn) een uitstapje naar Teylers Museum. Onze professor (Prof. dr. Frans Verdoorn) kende de staf van Teylers Museum goed en we werden dan ook gefêteerd op alle schatten van het museum. Toen zag ik voor het eerst de originele delen van de serie plaatwerken van Audubon, het enige exemplaar in Nederland. We waren wel wat gewend want Mevrouw Verdoorn was de gelukkige bezitster van de ‘Nederlandsche Vogelen’ van Sepp en Nozeman, het eerste Nederlandse Vogelboek (1770 -1829). En als je deze twee uitgaven vergelijkt, blijkt dat beide uitgaven uitblinken qua illustraties, maar dat Audubon de vogels heeft getracht in hun natuurlijke omgeving en in een natuurlijke houding weer te geven, en dat is helemaal fantastisch.

Trompet Zwaan (Cygnus buccinator) uit Birds of America. 1838.

Gisteren (17 april 2021) was ik deelnemer aan een webinar georganiseerd door Teylers Museum. De onderwerpen die daar werden besproken waren een voorproefje op de komende activiteiten van het museum.

1) Tentoonstelling Vogelpracht, over het vogelboek van Audubon en andere vogelboeken en tekeningen uit Teylers collectie, die op 17 juli 2021 (als corona dat toelaat) zijn deuren opent;

2) Opening van het Teylers Huis (november 2021), en in verband daarmee sprak de stoelen-restaurator Poole over de restauratie van de stoelen uit het Teylers Huis;

3) Tentoonstelling ‘Italiaanse barok in Teylers’ n.a.v. het verschijnen van de nieuwe ‘Bestandscatalogus Italiaanse Tekeningen’ uit de zeventiende eeuw, samengesteld door Carel van Tuyll (opening 17 juli 2021). Getoond zullen worden o.a. de twee tekeningen van Bernini die onlangs als ‘herontdekking’ het nieuws haalden.

Na de opening van de diverse activiteiten zullen we op deze aankondiging in onze ‘Berichten’ terugkomen.

Hollandse Datsja’s

Zoals bekend zijn nog steeds in de omgeving van Amsterdam en Haarlem vele buitenplaatsen te vinden, ooit eigendom van kooplieden die handel dreven op de VOC en WIC. Maar behalve deze achtergrond van welgestelde bouwheren, was er nog een groep rijk geworden kooplieden, namelijk zij die handel dreven op Rusland (Moscovië). Ook zij lieten buitenplaatsen of hofsteden (of in het Russisch genoemd datsja’s) bouwen of kochten buitenplaatsen op om ze te verfraaien, voornamelijk in Holland en Utrecht. Deze nieuwe publicatie gaat over de groep datsja’s / buitenhuizen, gebouwd door kooplieden die voeren op de Oost.

Beemsterlust in De Beemster

De auteur Igor Wladimiroff, gespecialiseerd in Nederlands-Russische betrekkingen, schreef een boek over deze laatste groep buitenplaatsen of datsja’s.

Titel: Hollandse datsja’s: Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800. Heemstede, 2019. € 29,95, 240 pp. Bestel hier

Westerhout bij Beverwijk

De datsja’s die ter sprake komen zijn: Vechtenstein in Maarssen; Beemsterlust in de Beemster. De familie Bernard beschikte over een reeks buitenplaatsen Volgerlust in de Beemster; Kattenbroek bij Linschoten; Vreedenhoff tussen Loenen en Nieuwersluis; De Kruidberg bij Santpoort; Westerbroek ten zuiden van Velsen; en Westerhout bij Beverwijk/Velsen. Verder worden uitgebreid besproken De Drie Noordermaden in Egmond aan de Hoef; Heerlijkheid Huisduinen tussen Huisduinen en Wieringen. Huis ter Specke bij Lisse. Zwaansvliet en Het Kasteel in de Beemster. Oud-Bussum bij Huizen (NH). Bijlmerlust aan de oever van het Gein in Abcoude; Elswout te Overveen en Hof te Waerder bij Nieuwerbrug. Spanderswoud bij ’s Graveland, De Engelenburg bij Herwijnen.

Huis ter Specke bij Lisse

De Schans bij Beverwijk en Valkenburg in Heemstede. Tijdverdrijf in Egmond aan de Hoef, Trompenburg aan de Amstel/Amsterdam. Meergaarden (Goed Genoeg, later Ajax voetbalvelden) in de Watergraafsmeer; Oostrust (De Valk) aan de Amstel. Ruygenhof bij Loenen. Leeuwenveld bij Weesp. Petersburg bij Nigtevecht. Hout en Duinzicht (later Vredenhof) bij Haarlem. Meereveld bij Amsterdam in de Watergraafsmeer. Spruytenbos in Haarlem (Wagenweg). Welgelegen in Haarlem. Land en Boschzicht te ’s Graveland; Vredenhof (Hout en Duinzicht) bij Haarlem; Spanderswoud te ’s Graveland. De punten in deze opsomming scheiden diverse eigenaren-families.

Zwaansvliet aan de Volgerweg in de Beemster

Naast een uitgebreide beschrijving van de bovengenoemde buitenplaatsen komen ook de geschiedenissen van families en eigenaren ter sprake. Veel illustraties, ook van oude geografische kaarten, verduidelijken de geschiedenis van vermelde buitenplaatsen.

Bijlmerlust aan het Gein bij Abcoude

Van een Russische invloed op de Hollandse tuinkunst is tot heden niet veel boven water gekomen, behalve de badstoof op de buitenplaats Petersburg aan de Vecht. In het laatste hoofdstuk over de Hollandse invloed op Russische buitenplaatsen des te meer.

Engelenburg bij Herwijnen

Zie ook:

  • Carla Oldenburger en Diederik Six. Hollands Russische bouwkunst en tuinkunst in de tijd van Peter de Grote: rapportage en advies t.a.v. voorstellen voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed projecten, in de Russische steden jaroslavl en St. Petersburg. Rhenen/Zeist, 2009. 28 p.
  • Carla en Juliet Oldenburger, ‘Hollandse tuinkunst in Rusland’ in: Cascade Bulletin voor tuinhistorie, jrg. 21 (2012), nr. 2, p. 7-42.

Dit boek lokt uit tot nader onderzoek op het gebied van de ontstaansgeschiedenis van de vroege 17de eeuwse buitenplaatsjes aangelegd in De Zijpe (drooggelegd in 1597), De Beemster (drooggelegd in 1612), De Purmer (drooggelegd in 1622), De Bijlmer (1627) en de Watergraafsmeer (1629).

Meer lezen?: * http://www.beemsterbuitenplaatsen.nl en * het boek Buitenplaatsen in de Purmer, van auteur Corrie Boschma-Aarnoudse. Wormerveer, 2016.

Het doksaal van de cunerakerk in rhenen

15 november 2019 was een bijzondere dag voor historisch geïnteresseerden in Rhenen. De avond stond in het teken van de restauratie van het vroeg-renaissance-doksaal in de Cunerakerk en de aanbieding van een boek over dit onderwerp.

Affiche met doksaal en doksaal op de achtergrond

Het eerste exemplaar van het boek, getiteld Het doksaal van de Cunerakerk in Rhenen en geschreven door Anton van Run (uitgave Stichting Matrijs, Utrecht) werd aangeboden aan wethouder Hans Boerkamp. Het boek ziet er prachtig verzorgd uit, met vele foto’s en uitleg van alle reliëfs, beelden en ornamenten.

Anton van Run. Het doksaal van de Cunerakerk in Rhenen. Utrecht, Stichting Matrijs, 2019

Anton van Run hield een voordracht voordat het boek overhandigd werd. Hij ging in op de betekenis van het doksaal als scheidingswand tussen het priesterkoor en het schip van de kerk en gaf uitleg over de betekenis van de reliëfs. Hieronder is op de volgende foto goed te zien dat het doksaal een scheidingswand is .

Duo Dolce Vita (Maurice Bonnemayers, piano en Lanneke Lie, dwarsfluit) verzorgde de muziek met intermezzi van J.S. Bach, Franz Schubert, Camilie Saint-Saëns en eigen werk van Maurice Bonnemayers.U kunt de restauratie van het doksaal steunen door onder meer lid te worden van de Vrienden van de Cunerakerk.

Het doksaal in volle glorie te aanschouwen tijdens concerten en natuurlijk tijdens kerkdiensten

Dit natuurstenen doksaal is uniek zowel voor Rhenen als voor Nederland. Uiteraard is het een rijksmonument, zoals de hele kerk. Erfgoed van wereldformaat dat wij in Rhenen mogen beheren.

weer en wind; VROUWENPORTRETTEN; THE WHITE BLOUSE

NIEUWE TENTOONSTELLINGEN IN SINGER MUSEUM.

Het weer was vandaag (5 sept.) zeer geschikt voor een bezoek aan Tentoonstelling ‘Weer en Wind’ in het Singer Museum Laren. Dreigende luchten die de kleur van bloemen opstookten en temperden en die de bezoeker naar buiten lokten naar de tuin van Piet Oudolf en ook weer naar binnen riepen om de tentoonstellingen bij dit wisselende licht te bekijken. Hoewel wij het tuinontwerp van 1910, gemaakt door Leonard Springer, maar al te goed kennen en misschien ook wel liefst dat plan aangepast en gereconstrueerd hadden willen zien, omdat de eenheid tussen huis en tuin dan misschien scherper tot uiting was gekomen, constateren wij toch dat de tuin van Piet Oudolf zeer geslaagd is.

Beeldentuin Singer Museum. Beplantingsplan en ontwerp Piet Oudolf. Foto Carla Oldenburger

Eenmaal binnen bezochten we eerst de tentoonstelling ‘Weer en Wind’. Omdat er direct om 11 uur al veel bezoekers waren liep ik direct door naar de laatste zaal met tekeningen en grafisch werk. En daar ontmoette ik direct werk van Charles Donker, zo geliefd in onze familie. Zie hieronder de ets op de tentoonstelling en onze eigen ets waarvan we al heel veel jaren genieten,

Charles Donker. Landschap bij Rhijnauwen. April 2015. Ets. Pat. collectie. Foto Carla Oldenburger
Charles Donker. ‘Rhijnauwen met vogelnamen’ (in het Rijks-prentenkabinet aanwezig onder de titel Kromme Rijnlandschap, 1972). Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De tentoonstelling ‘Weer en Wind’ is opgebouwd in weertypen. Stormen op zee en land, opkomend onweer, dijkdoorbraken, noodweer dat onrust baart, besneeuwde landschappen, avondrood en poëtische mistbanken, vastgelegd door kunstenaars als Hendrick Avercamp, Jan van Goyen, Piet Mondriaan, George Hendrik Breitner, Hendrik Johannes Weissenbruch, Jan Sluijters, Maurits Cornelis Escher en Carel Willink. Kortom schitterende kunst, samen met gedichten uit de publicatie Weer en wind – 100 gedichten en 100 gezichten, samengesteld door Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Beeldende kunst en poëzie, wat een unieke combinatie! Wat de mooiste schilderijen zijn, is voor iedereen anders. Enkele die mij troffen heb ik gefotografeerd en beeld ik hieronder af.

Jan van Kessel (1641-1680). Het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal in de winter. Ca. 1655-1675. Links op de hoek staat nu Boekhandel Athenaeum. Amsterdam Museum. Foto Carla Oldenburger.

Opvallend op schilderij van Jan van Kessel hierboven is de houten boombescherming (rechts). Het onderwerp 17de eeuwse boombescherming komt ook ter sprake op de Cascade-weblog.

Dirk Nijland (1881-1955). Wilgen, 1941. Groninger Museum, bruikleen van het J.B. Scholtenfonds. Foto Carla Oldenburger

Zelf hebben we ook een landschapschildering met een dreigende lucht, zo bijzonder, vinden wij zelf, dat het best ook op deze tentoonstelling had gepast. Een landschap met wilgen en dreigende lucht. Het is een olieverf op doek van de schilder Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943) uit 1915. Hij was lid van Ver. St. Lukas in Amsterdam en heeft een paar maal in het Stedelijk Museum geëxposeerd. Onze grootvader / overgootvader Ebbers heeft dit schilderij waarschijnlijk op een veiling in Amsterdam gekocht.

Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943). Landschap met wilgen en dreigende lucht. 1915. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger
Signatie kunstenaar Bartholomeus Bogaerdt ’t Hooft, 1915. Zie hierboven. Foto Carla Oldenburger

Na de tentoonstelling ‘Weer en Wind’ viel er nog heel veel meer te genieten, de tentoonstellingen ‘Vrouwenportretten’ en ‘The White Blouse’. De Vrouwenportretten die in deze tentoonstelling hangen zijn voor een deel verzameld door Anna Singer zelf. Alle portretten bevinden zich in de Singer Collectie, ze zijn gedateerd eind 19de eeuw tot eerste helft 20ste eeuw. U ontmoet karakteristieke vrouwen in felle kleuren, geschilderd door de “ultramodernen” Jan Sluijters, Leo Gestel en Kees van Dongen. Verder o.a. Isaac Israels, Albert Neuhuys, Carolus-Duran en Gustave Jean Jacquet.

Ik beeld hieronder een portret af van Isaac israels’ Vrouw op Parijs balkon’, vervaardigd tussen 1903-1934, gevolgd door een schilderij van Jacob Maris, dat ook een vrouw op balkon in Montmartre / Parijs voorstelt, namelijk onze eigen (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris (1852-1924), nicht van Jacob, die volgens de verhalen van mijn grootmoeder (dochter van Johanna Hendrika) hiervoor model heeft gestaan.

Isaac Israels. Vrouw op Parijs balkon, begin 20ste eeuw. Singer Collectie Laren. Foto Carla Oldenburger
Jacob Maris. Het Breistertje, of Vrouw op balkon in Parijs. 1869. Zijn nicht Johanna Hendrika Maris heeft hiervoor model gestaan. Collectie Kunstmuseum Den Haag. Foto Kunstmuseum Den Haag.

Ik eindig met een vrouwenportret uit onze eigen verzameling, dat ik heel graag nog eens nader onderzocht zou willen hebben, een vrouwenportret uit ca. 1870, schat ik. Ik vind dit zo mooi en verfijnd dat ik het graag aan onze lezers laat zien. Tot heden is de schilder onbekend, zo ook de geportretteerde vrouw. Ik denk dat ook dit schilderij, dat misschien al bijna 100 jaar in onze familie is, afkomstig is van een veiling in Amsterdam.

Schilder onbekend. Vrouwenportret van onbekende dame. Ca. 1870. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De derde tentoonstelling die ik bezocht en die op zeer bijzondere wijze gekoppeld was aan de “Vrouwenportretten’, was ‘The White Blouse’. Bij het bewonderen van de ‘Vrouwenportretten’ zag ik al vanuit mijn ooghoeken het schilderij ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870) in de volgende zaal hangen. Dit schilderij van James McNeil Whistler (1834-1903) was in 1956 aan Singer Laren geschonken door Anna Singer-Brugh. Het was lang in het depot bewaard totdat enkele jaren geleden het ‘opnieuw ontdekt’ werd als een echte Whistler. Nu heeft dit schilderij uit ca, 1870 een centrale plaats gekregen temidden van 26 gefotografeerde dames en heren, alle kunstwerken van de fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier.

James McNeil Whistler. ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870). Singer Museum, Laren. Foto Carla Oldenburger

Zij fotografeerde sinds ca. 2010 dames (en later ook enkele heren en kinderen, o.a. Jenny Arean, Alexandra Radius en Toer van Schayk en onze eigen Juliet Oldenburger) in de witte kanten blouse (uit ca. 1920) van haar oudtante. De directeur van het Singer Museum selecteerde 26 foto’s uit een serie van 75, alle dames en heren in deze blouse. Het zijn zeer fijnzinnige portretten, die op onnavolgbare wijze eenvoud, rust en geluk uitstralen. Wilt u meer weten over deze gepassioneerde fotografe? Zie Agenda van Singer Laren en onze eigen aankondiging van tentoonstelling en bijbehorend boek met tekst van Titus M. Eliëns en foto’s van Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, fotografe met een schildersziel (ook engelse tekst).

the white blouse in 1870, 1920 en 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier wordt in aankondigingen van haar tentoonstellingen vaak een fotografe met een schildersziel genoemd. Haar verstilde portretten, mysterieuze interieurfoto’s, bijzondere stillevens en Amsterdamse wintergezichten (je denkt gauw aan Jacob Olie) trekken de aandacht van musea en galerieën. Haar analoge Hasselblad camera speelt de hoofdrol. Kunstlicht is uit den boze.

“Net als de zeventiende-eeuwse portretschilders speelt Marie-Jeanne met het zonlicht, dat door een raam op de geportretteerde neervalt. De pure eenvoud en eerlijkheid van de foto’s van Marie-Jeanne zijn een verademing binnen de wereld van de ‘kunstfotografie’. Gelijk haar leermeester Koos Breukel beheerst zij de kunst om het wezen van de geportretteerde bloot te leggen.” Jan Rudolph de Lorm, museumdirecteur.

Tentoonstelling The White Blouse in het Singer Museum Laren, 3 september 2019 t/m 5 januari 2020
Marie-Jeanne maakte de afgelopen jaren een serie van 75 portretten van vrouwen en mannen, volwassenen en kinderen, bekenden en onbekenden, allen gekleed in of met de ruim honderd jaar oude kanten blouse van haar oudtante. Voor de tentoonstelling in Singer heeft Jan-Rudolph de Lorm, directeur van het Singer Museum, 26 portretten van deze serie uitgekozen. Zij gaan een dialoog aan met het in 2015 hergewaardeerde schilderij van de Amerikaanse kunstschilder James McNeill Whistler Symphony in White. The Girl in the muslin Dress, uit ca. 1870. Natuurlijk, de techniek verschilt, de blouse uit 1870 is niet de blouse uit ca. 1920, natuurlijk is iedere uitdrukking op elk gezicht anders, maar het gevoel dat de foto’s bij u oproepen is misschien wel hetzelfde gevoel dat het schilderij bij u doet of juist helemaal niet?

Boek: The White Blouse
Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Waanders & de Kunst het rijk geïllustreerde boek The White Blouse, met teksten van T.M. Eliëns. Selectie van portretten door Jan-Rudolph de Lorm. Dit prachtige fotoboek is vanaf 15 september verkrijgbaar in de boekwinkel en in de Singer Shop (ISBN 978 94 6262 247 0). 

Hoewel ik het boek nog niet heb gezien, scheppen de foto’s op Internet hoge verwachtingen. En waarom een aankondiging op onze website? Omdat ik so wie so een fan ben van (bijna) alle tentoonstellingen die Singer maakt en bovendien omdat Juliet een van de 75 in het boek opgenomen geportretteerden is.

Naast deze tentoonstelling van The White Blouse-foto’s van Marie-Jeanne zijn er nog twee andere tentoonstellingen vanaf 3 september in het Singer Museum te bewonderen:

  • Weer en Wind. Avercamp tot Willink, over vier eeuwen extreem weer. Met publicatie Weer & Wind: 100 gedichten en 100 gezichten / Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Hilversum, 2019.
  • Vrouwenportretten. Geen verdere details tot heden bekend, maar het onderwerp past natuurlijk wonderwel bij The White Blouse Portretten. Nadere gegevens volgen.

De tuinarchitect John Bergmans en de catalogi van Kwekerij Abbing te Zeist

Jl. Vrijdag 11 januari 2019 was ik te gast bij Kwekerij Abbing te Zeist omdat in hun prachtig aangeklede kas de presentatie werd gehouden van het nieuw verschenen boek over de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980), getiteld John Bergmans Tuinarchitect en plantenkenner, uitgegeven door Uitgeverij Verloren in de reeks BONAS Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen. Auteurs van het boek zijn Marianne van Lidth de Jeude en Johanna Karssen-Schüürman.  De heer Paul Machielsen hield een levendige inleiding over de geschiedenis van de kwekerij waar Bergmans ook ooit werknemer was.

Paul Machielsen vertelt over de historie van Kwekerij Abbing.

De oudste catalogi van kwekerij Abbing

Zie verder voor een indruk van de catalogi lager en onder volgende tekst.

Ik had met het tot stand komen van het boek niets te maken gehad, behalve dan dat ik in 1980, dus bijna veertig jaar geleden de collectie tekeningen, boeken, documentatiematerialen etc. als conservator van de Bibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool (Wageningen) had mogen ontvangen. Dat ‘ontvangen’ had voor mij als kersverse conservator (aangesteld in begin 1980) nog heel wat voeten in de aarde gehad, daar ik weliswaar conservator was geworden van een rijke landbouwkundige bibliotheek en van de bekende Springer-Collectie (ontwerpen van de tuinarchitect Leonard Springer, 1855-1940), maar nog geen beleid had ontwikkeld over het aantrekken van nieuwe collecties. Ik stortte me na de overhandiging dus maar samen met mijn kersverse bibliotheek-assistente op het inventariseren van deze omvangrijke collectie, zonder nog te weten hoe ik de afdeling Speciale Collecties (boeken en tijdschriften en ontwerpen/tekeningen/documenten) zou gaan uitbouwen. Dankzij het inventariseren van deze collectie werd me gaandeweg duidelijk waarom deze collectie met ontwerpen etc. van John Bergmans zo belangrijk was en waarom dit het begin was van de uitbouw van de Springer-Collectie en het begin van de unieke verzameling ontwerpen Tuin – en Landschapsarchitectuur, die nu bestaat uit duizenden en duizenden ontwerpen en documenten. De filosofie achter deze uitbreiding werd door mij verwoord in een artikel in het tijdschrift GROEN (oktober 1981, p. 453-458), getiteld ‘De John Bergmans-Collectie in de Centrale Bibliotheek van de Landbouwhogeschool’.  Hierin wordt uitgelegd waarom deze ontwerpen van John Bergmans naast de collectie ontwerpen van Springer zo’n belangrijke aanvulling vormden en dit beleid/filosofie is zeker 30 jaar nadien altijd het uitgangspunt gebleven. Het komt er op neer dat ontwerpen etc. worden opgenomen als ze wel in een zekere verhouding staan met de Springer Collectie. Zijn  de ontwerpen qua tijd voorafgaand of opvolgend aan de ontwerpen van Springer, vullen zij hiaten in de Springer Collectie op, zijn de ontwerpen van tijdgenoten van Springer of zijn ze getekend in dezelfde stijl of juist in een andere door Springer gehate stijl? Ook de locaties zijn belangrijk natuurlijk. Zijn de locaties vergelijkbaar met die waar Springer werkte of worden er juist regio’s belicht waar Springer niet werkte zodat ook hier weer van een aanvulling sprake is? Vormt de nieuwe collectie een tijdsbeeld of geeft het alleen herhalingen? Een optelsom van deze uitkomsten en nog andere (zie artikel) heeft mij als conservator altijd geholpen nieuwe collecties wel of niet aan te nemen. In het geval van de Bergmans -collectie werden de ontwerpen en documenten opgenomen in de Bibliotheek LH / Speciale Collecties en gingen de door Bergmans geschreven boeken en tijdschriftartikelen en kaartsystemen (op botanisch gebied) op verzoek van de botanicus dr. Onno Wijnands naar de vakgroep Plantensystematiek, omdat deze vakgroep dit materiaal vaker zou kunnen gebruiken.

De geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur is mede door de komst van de Bergmans-collectie (en later natuurlijk door veel meer andere collecties) duidelijk op de kaart gezet en de verzamelingen  op zichzelf zijn uniek voor Nederland te noemen.

Later in de jaren negentig (schat ik) werden in de Afdeling Speciale Collecties ook de verzamelde kwekerscatalogi (verzameld door het Instituur RIVRO) aangenomen als zijnde een meerwaarde voor de verzamelingen tuinontwerpen. Lang niet compleet (dat is onmogelijk), maar wel een rijke unieke collectie.  De collectie Abbing-catalogi is in Wageningen zeker niet compleet te noemen en daarom was het zo interessant dat Abbing jl. vrijdag speciaal voor deze gelegenheid een mooie tentoonstelling had gemaakt van al hun plantencatalogi. Het nu verschenen boek over John Bergmans behandelt overigens ook de door Bergmans in zijn ontwerpen voorgestelde bomen, heesters en vaste planten. Zij vormen een karakteristiek plantenbeeld uit zijn tijd.

Hieronder en hierboven een indruk van de catalogi die hangen in de kas (winkel) van Abbing en die u nog wel even kunt bewonderen.  Het adres is Odijkerweg 132-134 – 3709 JJ Zeist +31 (0) 343 513741.

IMG_0588.JPG

 

Het was beslist een levendige en interessante en goed verzorgde bijeenkomst. Dank aan Kwekerij Abbing.

Wat een aparte Monumentendag 2018.

MONUMENTENDAG 2018 IN RHENEN

Samengesteld balkenplafond in de trouwzaal van het Oude Raadhuis te Rhenen, het nieuwe stadsmuseum

Mijn Monumentendag 2018 was heel verrassend. Natuurlijk was ik al veel vaker in Rhenen op Monumentendag door de stad gelopen. Bekend is dat de Delftse School het goed doet in onze stad, omdat Rhenen tot twee maal toe verwoest en herbouwd is als gevolg van de Tweede Wereldoorlog.

Maar vandaag stond in Rhenen niet de Delftse School centraal maar het nieuwe Stadsmuseum (in het Oude Raadhuis, gisteren voor een deel officieel geopend) en de tentoonstelling van de kaartencollectie van Henk Deys. Zeer de moeite waard. Prachtige Catalogus. Rhenen op de Kaart: De kaartencollectie van Henk Deys. (Publicatie bij de eerste tentoonstelling in het nieuwe Stadsmuseum Rhenen, 2018, 35 p.).

Opmerkelijk vond ik ook de plafondschildering in het Oude stadhuis, die is aangebracht op basis van vondsten tijdens de restauratie in 1967. Gestileerde ranken en bloemen in groen, oranjerood en oker doen in eerste instantie vermoeden dat we te maken hebben met een plafond uit de renaissance, maar men houdt het op een oorspronkelijk 19de eeuwse plafond in renaissance trant (zie eerste foto).

Naast het oude Raadhuis is een tuintje gelegen dat men via een poortje betreedt. Helaas is ook hier  de buxus volledig aangetast door de buxus-mot (Buxus-rups). Niets aan te doen als het zover is als in deze tuin. Advies: alles eruit en  (zoals in de tuinen van Het Loo) alles herplanten met Ilex crenata.

Tuinpoort naast Oude Raadhuis Rhenen, met sluitstuk mogelijk van het Koningshuis

Tuin bij Oude stadhuis Rhenen, aangetast door Buxus-rups

In tegenstelling tot de bouwfragmenten, die vandaag ‘onthuld’ zijn vóór het appartementencomplex Het Koningshuis, is het bouwfragment boven dit tuinpoortje hoogstwaarschijnlijk wèl afkomstig van het voormalige paleis van Frederik V van de Palts.

De fragmenten (twee voluten en twee wapenleeuwtjes) in het monument bij Het Koningshuis blijken bij nader inzien niet afkomstig te zijn van Het Koningshuis, maar waarschijnlijker van de Westpoort, die overigens vlakbij het Koningshuis stond. Zie de laatste tekening (detail) van Andreas Schelfhout (hieronder).

Andreas Schelfhout. De Westpoort te Rhenen. Ca. 1820. Collectie RKD. Detail. Twee voluten en twee leeuwtjes  als decoratie van de westpoort en  nu deel uitmakend van een monument vóór het aooartementencomplex Het Koningshuis