Categoriearchief: Bijzonderheden

weer en wind; VROUWENPORTRETTEN; THE WHITE BLOUSE

NIEUWE TENTOONSTELLINGEN IN SINGER MUSEUM.

Het weer was vandaag (5 sept.) zeer geschikt voor een bezoek aan Tentoonstelling ‘Weer en Wind’ in het Singer Museum Laren. Dreigende luchten die de kleur van bloemen opstookten en temperden en die de bezoeker naar buiten lokten naar de tuin van Piet Oudolf en ook weer naar binnen riepen om de tentoonstellingen bij dit wisselende licht te bekijken. Hoewel wij het tuinontwerp van 1910, gemaakt door Leonard Springer, maar al te goed kennen en misschien ook wel liefst dat plan aangepast en gereconstrueerd hadden willen zien, omdat de eenheid tussen huis en tuin dan misschien scherper tot uiting was gekomen, constateren wij toch dat de tuin van Piet Oudolf zeer geslaagd is.

Beeldentuin Singer Museum. Beplantingsplan en ontwerp Piet Oudolf. Foto Carla Oldenburger

Eenmaal binnen bezochten we eerst de tentoonstelling ‘Weer en Wind’. Omdat er direct om 11 uur al veel bezoekers waren liep ik direct door naar de laatste zaal met tekeningen en grafisch werk. En daar ontmoette ik direct werk van Charles Donker, zo geliefd in onze familie. Zie hieronder de ets op de tentoonstelling en onze eigen ets waarvan we al heel veel jaren genieten,

Charles Donker. Landschap bij Rhijnauwen. April 2015. Ets. Pat. collectie. Foto Carla Oldenburger
Charles Donker. ‘Rhijnauwen met vogelnamen’ (in het Rijks-prentenkabinet aanwezig onder de titel Kromme Rijnlandschap, 1972). Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De tentoonstelling ‘Weer en Wind’ is opgebouwd in weertypen. Stormen op zee en land, opkomend onweer, dijkdoorbraken, noodweer dat onrust baart, besneeuwde landschappen, avondrood en poëtische mistbanken, vastgelegd door kunstenaars als Hendrick Avercamp, Jan van Goyen, Piet Mondriaan, George Hendrik Breitner, Hendrik Johannes Weissenbruch, Jan Sluijters, Maurits Cornelis Escher en Carel Willink. Kortom schitterende kunst, samen met gedichten uit de publicatie Weer en wind – 100 gedichten en 100 gezichten, samengesteld door Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Beeldende kunst en poëzie, wat een unieke combinatie! Wat de mooiste schilderijen zijn, is voor iedereen anders. Enkele die mij troffen heb ik gefotografeerd en beeld ik hieronder af.

Jan van Kessel (1641-1680). Het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal in de winter. Ca. 1655-1675. Links op de hoek staat nu Boekhandel Athenaeum. Amsterdam Museum. Foto Carla Oldenburger.

Opvallend op schilderij van Jan van Kessel hierboven is de houten boombescherming (rechts). Het onderwerp 17de eeuwse boombescherming komt ook ter sprake op de Cascade-weblog.

Dirk Nijland (1881-1955). Wilgen, 1941. Groninger Museum, bruikleen van het J.B. Scholtenfonds. Foto Carla Oldenburger

Zelf hebben we ook een landschapschildering met een dreigende lucht, zo bijzonder, vinden wij zelf, dat het best ook op deze tentoonstelling had gepast. Een landschap met wilgen en dreigende lucht. Het is een olieverf op doek van de schilder Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943) uit 1915. Hij was lid van Ver. St. Lukas in Amsterdam en heeft een paar maal in het Stedelijk Museum geëxposeerd. Onze grootvader / overgootvader Ebbers heeft dit schilderij waarschijnlijk op een veiling in Amsterdam gekocht.

Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943). Landschap met wilgen en dreigende lucht. 1915. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger
Signatie kunstenaar Bartholomeus Bogaerdt ’t Hooft, 1915. Zie hierboven. Foto Carla Oldenburger

Na de tentoonstelling ‘Weer en Wind’ viel er nog heel veel meer te genieten, de tentoonstellingen ‘Vrouwenportretten’ en ‘The White Blouse’. De Vrouwenportretten die in deze tentoonstelling hangen zijn voor een deel verzameld door Anna Singer zelf. Alle portretten bevinden zich in de Singer Collectie, ze zijn gedateerd eind 19de eeuw tot eerste helft 20ste eeuw. U ontmoet karakteristieke vrouwen in felle kleuren, geschilderd door de “ultramodernen” Jan Sluijters, Leo Gestel en Kees van Dongen. Verder o.a. Isaac Israels, Albert Neuhuys, Carolus-Duran en Gustave Jean Jacquet.

Ik beeld hieronder een portret af van Isaac israels’ Vrouw op Parijs balkon’, vervaardigd tussen 1903-1934, gevolgd door een schilderij van Jacob Maris, dat ook een vrouw op balkon in Montmartre / Parijs voorstelt, namelijk onze eigen (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris (1851-1924), zuster van Jacob, die volgens de verhalen van mijn grootmoeder (dochter van Johanna Hendrika) hiervoor model heeft gestaan.

Isaac Israels. Vrouw op Parijs balkon, begin 20ste eeuw. Singer Collectie Laren. Foto Carla Oldenburger
Jacob Maris. Het Breistertje, of Vrouw op balkon in Parijs. 1869. Johanna Hendrika Maris heeft hiervoor model gestaan. Collectie Gemeente Museum Den Haag. Foto Gemeente Museum Den Haag.

Ik eindig met een vrouwenportret uit onze eigen verzameling, dat ik heel graag nog eens nader onderzocht zou willen hebben, een vrouwenportret uit ca. 1870, schat ik. Ik vind dit zo mooi en verfijnd dat ik het graag aan onze lezers laat zien. Tot heden is de schilder onbekend, zo ook de geportretteerde vrouw. Ik denk dat ook dit schilderij, dat misschien al bijna 100 jaar in onze familie is, afkomstig is van een veiling in Amsterdam.

Schilder onbekend. Vrouwenportret van onbekende dame. Ca. 1870. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De derde tentoonstelling die ik bezocht en die op zeer bijzondere wijze gekoppeld was aan de “Vrouwenportretten’, was ‘The White Blouse’. Bij het bewonderen van de ‘Vrouwenportretten’ zag ik al vanuit mijn ooghoeken het schilderij ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870) in de volgende zaal hangen. Dit schilderij van James McNeil Whistler (1834-1903) was in 1956 aan Singer Laren geschonken door Anna Singer-Brugh. Het was lang in het depot bewaard totdat enkele jaren geleden het ‘opnieuw ontdekt’ werd als een echte Whistler. Nu heeft dit schilderij uit ca, 1870 een centrale plaats gekregen temidden van 26 gefotografeerde dames en heren, alle kunstwerken van de fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier.

James McNeil Whistler. ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870). Singer Museum, Laren. Foto Carla Oldenburger

Zij fotografeerde sinds ca. 2010 dames (en later ook enkele heren en kinderen, o.a. Jenny Arean, Alexandra Radius en Toer van Schayk en onze eigen Juliet Oldenburger) in de witte kanten blouse (uit ca. 1920) van haar oudtante. De directeur van het Singer Museum selecteerde 26 foto’s uit een serie van 75, alle dames en heren in deze blouse. Het zijn zeer fijnzinnige portretten, die op onnavolgbare wijze eenvoud, rust en geluk uitstralen. Wilt u meer weten over deze gepassioneerde fotografe? Zie Agenda van Singer Laren en onze eigen aankondiging van tentoonstelling en bijbehorend boek met tekst van Titus M. Eliëns en foto’s van Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, fotografe met een schildersziel (ook engelse tekst).

the white blouse in 1870, 1920 en 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier wordt in aankondigingen van haar tentoonstellingen vaak een fotografe met een schildersziel genoemd. Haar verstilde portretten, mysterieuze interieurfoto’s, bijzondere stillevens en Amsterdamse wintergezichten (je denkt gauw aan Jacob Olie) trekken de aandacht van musea en galerieën. Haar analoge Hasselblad camera speelt de hoofdrol. Kunstlicht is uit den boze.

“Net als de zeventiende-eeuwse portretschilders speelt Marie-Jeanne met het zonlicht, dat door een raam op de geportretteerde neervalt. De pure eenvoud en eerlijkheid van de foto’s van Marie-Jeanne zijn een verademing binnen de wereld van de ‘kunstfotografie’. Gelijk haar leermeester Koos Breukel beheerst zij de kunst om het wezen van de geportretteerde bloot te leggen.” Jan Rudolph de Lorm, museumdirecteur.

Tentoonstelling The White Blouse in het Singer Museum Laren, 3 september 2019 t/m 5 januari 2020
Marie-Jeanne maakte de afgelopen jaren een serie van 75 portretten van vrouwen en mannen, volwassenen en kinderen, bekenden en onbekenden, allen gekleed in of met de ruim honderd jaar oude kanten blouse van haar oudtante. Voor de tentoonstelling in Singer heeft Jan-Rudolph de Lorm, directeur van het Singer Museum, 26 portretten van deze serie uitgekozen. Zij gaan een dialoog aan met het in 2015 hergewaardeerde schilderij van de Amerikaanse kunstschilder James McNeill Whistler Symphony in White. The Girl in the muslin Dress, uit ca. 1870. Natuurlijk, de techniek verschilt, de blouse uit 1870 is niet de blouse uit ca. 1920, natuurlijk is iedere uitdrukking op elk gezicht anders, maar het gevoel dat de foto’s bij u oproepen is misschien wel hetzelfde gevoel dat het schilderij bij u doet of juist helemaal niet?

Boek: The White Blouse
Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Waanders & de Kunst het rijk geïllustreerde boek The White Blouse, met teksten van T.M. Eliëns. Selectie van portretten door Jan-Rudolph de Lorm. Dit prachtige fotoboek is vanaf 15 september verkrijgbaar in de boekwinkel en in de Singer Shop (ISBN 978 94 6262 247 0). 

Hoewel ik het boek nog niet heb gezien, scheppen de foto’s op Internet hoge verwachtingen. En waarom een aankondiging op onze website? Omdat ik so wie so een fan ben van (bijna) alle tentoonstellingen die Singer maakt en bovendien omdat Juliet een van de 75 in het boek opgenomen geportretteerden is.

Naast deze tentoonstelling van The White Blouse-foto’s van Marie-Jeanne zijn er nog twee andere tentoonstellingen vanaf 3 september in het Singer Museum te bewonderen:

  • Weer en Wind. Avercamp tot Willink, over vier eeuwen extreem weer. Met publicatie Weer & Wind: 100 gedichten en 100 gezichten / Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Hilversum, 2019.
  • Vrouwenportretten. Geen verdere details tot heden bekend, maar het onderwerp past natuurlijk wonderwel bij The White Blouse Portretten. Nadere gegevens volgen.

Weekblad ‘BUITEN’ en tijdschrift ‘HET BUITEN’

De Nederlandse Kastelenstichting is t.b.v. een nieuw tijdschrift een samenwerkingsproject aangegaan met de Stichting Vrienden Particuliere Historische Buitenplaatsen (Vrienden PHB), ondersteund door Stichting Landgoedvrienden en de Vereniging PHB. Hoofdredacteur is Jephta Dullaart. Het tijdschrift zal 3 x per jaar verschijnen, in mei, september en december. De doelgroepen zijn de boven vermelde stichtingen en vereniging. Maar ook geïnteresseerden in geschiedenis, cultureel erfgoed, monumenten, en historische tuinen, parken en landschappen kunnen abonnee worden.

‘Het Buiten’ is een populair wetenschappelijk tijdschrift, het bevat gedegen beschouwingen over ons erfgoed, voornamelijk gericht op kastelen, buitenplaatsen en landschap.

Het tijdschrift heeft een nieuwe naam. Wel een beetje een verwarrende naam jammergenoeg. De kasteel- en buitenplaatsliefhebbers krijgen in het vervolg het tijdschrift ‘Het Buiten’ in de bus, niet te verwarren met het vroegere zeer populaire weekblad ‘Buiten‘.

Wat zijn de verschillen tussen ‘Het Buiten’ en ‘Buiten‘?

‘Het Buiten’ verschijnt 3x per jaar, te beginnen in mei 20019, vervolgens in september en december; ‘Buiten‘ verscheen elke week, 52 x per jaar, van 1907 t/m 1936. ‘Het Buiten’ gaat over kastelen, buitenplaatsen en hun bewoners en is rijkelijk geïllustreerd met kleurenfoto’s; ‘Buiten’ was gewijd aan het buitenleven in het algemeen, kastelen, buitenplaatsen, landschap, bloemen, tuinen, tuinarchitectuur, vogels, wild, etc. en is ook rijkelijk geïllustreerd, maar natuurlijk alleen met zwart/wit foto’s. Wat betreft tuinarchitectuur en beplanting werkten bekende schrijvers mee, zoals L.A. Springer, D.F. Tersteeg, P. Westbroek, en E.Th. Witte. Kijk voor ‘Buiten’ op Internet, maar helaas zijn niet alle delen volledig gedigitaliseerd, zie:(http://www.weekbladbuiten.net/1907-1936/index.asp). In de bibliotheek van ons bureau in Rhenen staat een volledige serie.

17 mei as. wordt het eerste exemplaar van ‘Het Buiten’ (Jg.1, nr.1) aangeboden aan prof. dr. Hanneke Ronnes, bijzonder hoogleraar historische buitenplaatsen en landgoederen. Carla is weer vaste columnist, zoals ook de voorgaande jaren (vanaf september 2015) van ‘Kasteel en Buitenplaats’ (zie: https://www.kastelen.nl/kastelen-publicaties.php?id=1)

In Memoriam Thea Schoonhoven, mijn Lagere School-vriendinnetje van de Dompleinschool

Thea Schoonhoven (1940-2019)

Thea Schoonhoven in 1952 (Foto.L.H. Hofland, bewerkt door Carla Oldenburger-Ebbers). Coll. Het Utrechts Archief

Hedenmorgen 4 maart 2017 las ik in de TROUW/Naschrift een mooi artikel over mijn Lagere School-vriendinnetje Thea Schoonhoven, een warm en vredelievend mens, altijd voor anderen in de weer, voor kinderen, voor zieken en behoeftigen. Ik heb dit allemaal niet geweten helaas. Ik was haar geheel uit het oog verloren, we gingen na de Lagere School ieder onze eigen weg. Enige jaren geleden had zij mij opgespoord. We hadden een lang telefoongesprek en beloofden elkaar op te zoeken. Ik raakte haar adres weer kwijt en het is er nooit meer van gekomen helaas. TROUW heeft mij toestemming gegeven het begin van het  artikel hieronder te plaatsen met een link naar het hele artikel, getiteld Thea Schoonhoven had genoeg aan haar Mytylkinderen.

Met anderen bezig zijn stemde haar gelukkig. Ontvangen vond ze lastiger. Dat merkten haar vrouw, vrienden en familie vooral de laatste maanden. Vanaf het moment dat ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, liet ze alles uit haar handen vallen. Ze sloot zich af en sprak er niet over: haar angst en verdriet kon ze moeilijk delen. Nu ze niet wist waar ze aan toe was, verloor ze haar standvastigheid en daadkracht.

Ze had dat op kleine schaal al eens eerder meegemaakt, toen ze als twintiger naar haar favoriete eiland Ibiza vloog en er flinke turbulentie ontstond onderweg. Ze kon niemand vasthouden en werd zo angstig dat ze in zichzelf begon te zingen. Ze besloot nooit meer te vliegen.

Theodora Everdina Schoonhoven werd in 1940 geboren als oudste dochter van Aart Schoonhoven en Riek Harselaar. Na haar kwamen nog twee zussen en twee broers. Met haar moeder, die hoedenmaakster en naaister was, kon ze lezen en schrijven. Beiden waren erg creatief, empatisch en sociaal. Hun huis stond open voor alles en iedereen. De relatie met haar vader was minder hecht, hij had vooral gehoopt op een zoon, iets dat zij liever niet had geweten. Thea trok veel op met de volwassen vrouwen in haar omgeving: haar moeder en haar twee oma’s, vooral met oma ‘boven’, die bij hen in huis woonde, had ze een klik. Zij nam haar kleindochter graag mee naar de Hema voor een kindercomplet: een bordje vol lekkernijen. Thea snapte volledig dat oma de helft van de snoepjes in haar zak liet glijden voor de kleintjes thuis….e.v. zie dus de link.

Ik was natuurlijk wel geschokt door het lezen van haar overlijden, en mijn gedachten gingen terug naar onze Lagere Schooltijd:

We zaten op dezelfde school, op de meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting, kortweg de Dompleinschool in Utrecht. Of Thea ook in de eerste klas bij Juffrouw  Nieuwenhuizen heeft gezeten weet ik niet. Ik kan haar op onderstaande foto niet herkennen.

Met wie ik verder in de klas zat (meer dan zeventig jaar geleden) weet ik echt niet meer. Ik herken de juffrouw, rechts daarvan Joke Hansen, en uiterst rechts Meta van de fietsenwinkel op de Oude Gracht; tweede rij van boven, tweede links ben ik (meisjesnaam Carla Ebbers), rechts daarvan Engelien?, uiterst rechts Ilse; derde rij middelste Willy?; en onderste rij links Willemien Wieringa (ook een goed vriendinnetje), Elly? en een meisje Hagenau?

Carla (in trui gebreid door mama of oma?) in de derde klas van de Dompleinschool. Traditionele setting voor een schoolfoto. Met pen en schrift in schoolbank en op de achtergrond een geranium.

Op Internet heb ik verder nagezocht of ik meer kon vinden over onze school. In het gebouw zit tegenwoordig het Utrechts Centrum voor de Kunsten.

Hier volgt een deel van het artikel: Jeugdherinneringen, door Maroesja Brits-Oversteegen in ‘Steengoed’, nr. 36, okt. 2003 (Utrechts Monumentenfonds).

De school op het Domplein.

“Al meteen, toen we in Utrecht kwamen wonen, moest er een lagere school voor mij worden gezocht. De dichtstbijzijnde school was de Nederlands Hervormde Burgerschool op het Domplein. En alhoewel mijn ouders niet christelijk waren, moest ik daar toch naar toe. In de vierde klas bleef ik zitten en daarna mocht ik naar de openbare Regentesseschool in de Hamburgerstraat, waar ik ‘beter op mijn plaats’ was. Dit even ter illustratie van de denkwijze in die tijd. Nu zou dit geen enkel probleem meer zijn.

De school werd in 1859 gevestigd op het Domplein in een huis op de plaats van het middeleeuws claustrale huis ‘De rode poort’. Ook na de grote verbouwing in 1925, toen het zijn huidige uiterlijk kreeg zijn nog veel resten van dat huis bewaard gebleven. Bij de verbouwing van de school tot Gemeentelijke Muziekschool, is er een grondig archeologisch onderzoek gedaan. De kelders werden onderzocht en in de Marnixzaal, de aula van de school, werd de beschilderde piscina weer zichtbaar gemaakt.

page9image7245264De school op het Domplein in 1940. (Adres Domplein 4). Links de meisjesschool, rechts de jongensschool

Marnixzaal. In plaats van deze stoelen stonden er volgens mij in de jaren veertig nog lange houten banken in de zaal. Foto Het Utrechts Archief.

In 1984 is er nog een laatste reünie geweest. Dat was een plezierig weerzien. Dan voel je toch weer iets vertrouwds met de oude school op het Domplein. Hier had ik toch vier jaar van mijn jeugd doorgebracht.
Tijdens die reünie hoorde ik nog een aardig verhaal over de kelders. De jongens van de jongensschool, we waren toen nog strikt gescheiden, hadden ergens een gat ontdekt, waarachter zich een ruimte bevond. En wat doen jongens van een jaar of tien, die gaan op onderzoek uit. Stiekem kropen ze door dat gat naar binnen en zo ontdekten ze een grote kelder onder de school. Een mooi avontuur en ze hielden wijselijk hun mond over deze heimelijke ontdekking. Maar er kwamen klachten van de ouders. Hun kinderen kwamen soms zo ‘smerig’ thuis. Het hoofd van de jongensschool, de heer G.J. van Kamp, nam die klachten serieus en ging zelf op onderzoek uit. Toen kwam de aap uit de mouw. Na een verbouwing van de school waren de kelders dichtgemetseld en helemaal in de vergetelheid geraakt. Niemand wist meer van het bestaan, totdat die jongetjes de kelders herontdekten”. Einde citaat Maroesja  Brits -Oversteegen.

Wat betreft de piscina in de Marnixzaal, ik herinner me deze nog zeer goed. Altijd als er wat te doen was in deze zaal, liepen we eerst als in een soort pelgrimstocht langs deze piscina, die dienst had gedaan in het kanunnikenhuis dat vóór de bouw van de school, halverwege de 19de eeuw, hier op deze plaats had gestaan.  Het was een wonder uit de 14de eeuw, voorstellende een misdienaar die de handen wast van een priester tijdens de mis. De piscine is tot rijksmonument verklaard. Zie de volgende monumenten-beschrijving met foto:

Foto: detail schildering in piscine – utrecht – 20235572 – rce | Door: Schollen, A.H.C. (Fotograaf) – August 1975 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

“PISCINA met wandschildering. Uit de eerste helft der 14e eeuw daterende piscina met wandschildering, zich bevindend in een nis in de rechterwand van de z.g. Marnixzaal van de Ned.Herv. MAVO, overblijfsel uit claustraalhuis op dezelfde plaats, genaamd “de Rode Poort”. De piscina bevat een natuurstenen tweelicht met driepassen waarboven uit een stuk gehouwen traceerwerk; beneden twee bekkens en in de rechterzijde van de nis nog een natuurstenen tablet. De wandschildering geeft de voorstelling weer van de handwassing tijdens de mis waarbij de rechterfiguur een acolyth gekleed in een rood onder – en geelbovenkleed en een opgerolde doek in de linkerhand – water uitgiet uit een kan over de handen van de linkerfiguur, een priester welke is gekleed in een lichtgekleurd, met rood afgezet onderkleed en een blauw bovenkleed; op de achtergrond links een met een doek overdekt altaar waarop een opengeslagen boek, een hostiekelk en een kandelaar zijn afgebeeld”. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Een ander voorval in de Marnixzaal heeft mijzelf een trauma bezorgd. Ik was een goede leerling. Aan het eind van de 6de klas (o.l.v. juffrouw van Dijk) prijkten er alleen maar achten en negens en één 6,5 voor handwerken op mijn rapport. Maar ik zakte voor het toelatingsexamen Stedelijk Gymnasium, een domper op de leuke en fijne schooltijd die ik op het Domplein had doorgebracht. Wat was de oorzaak? Naast mijn zeker niet briljante resultaten in de proefklas, bleek ook dat het Stedelijk Gymnasium bijna nooit leerlingen aannam van een christelijke Lagere School (zonder aparte opleidingsklas). Ik moest het laatste jaar dus overdoen op een openbare school waar men leerlingen structureel opleidde voor HBS en gymnasium, en niet alleen tijdens een uurtje op zaterdag. Ik ging dus wel van school af net als mijn mede-klasgenoten. Het afscheid werd niet gevierd met de uitvoering van een musical zoals op de meeste scholen nu, maar met de uitreiking van een klein bijbeltje, namelijk het Nieuwe Testament. Dit festijn werd gevierd op een avond met de ouders in de Marnixzaal. Omdat ik naar een Openbare School ging (Puntenburg) kreeg ik geen bijbeltje uitgereikt. Net als Mevr. Maroesja Brits kan ik beamen dat “de denkwijze in die tijd” toch anders was.

Toch heb ik mooie herinneringen aan mijn lagere schooltijd overgehouden. En nu kom ik weer terug op mijn vriendinnetje Thea Schoonhoven en andere klasgenootjes. Het spelen bij Thea Schoonhoven thuis en in de stallen van de stalhouderij van haar vader, bij de paarden in de Keukenstraat, samen met Thea en haar broertjes ritjes maken met koetsier Kobus in de koetsen van de stalhouderij, spelen op het stille Domplein, in de Kloostergang en onder de Dom. Ook vond ik de opgravingen op het Domplein eind jaren veertig heel spannend net als het op onderzoek uitgaan (samen met klasgenootje Joke Hansen) in de puinhopen van de Geertekerk (tegenover mijn huis), die na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk was beschadigd.

Wie is de architect van de buitenplaats Oud-Rosenburg in 1775 of in 1825 in Den Haag / Loosduinen?

Oud-Rosenburg, ook gespeld Rozenburg en eertijds bekend onder de naam Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag / Loosduinen is een buitenplaats, die sinds 1895 qua functie te vergelijken is met de buitenplaats Meer en Berg in Santpoort, in 1849 bestemd tot Provinciaal Ziekenhuis, beide psychiatrische inrichtingen. De gronden van deze instituten gaan evenals kloostergronden steeds meer onze aandacht vragen omdat de indeling van park en tuinen, na eerder te zijn afgedaan als onbelangrijk en volledig verkaveld en niet meer interessant, toch na meer dan honderd jaar soms (op detail) wel interessant blijkt te zijn. Zo ook kwamen huis en park van het Apeldoornsche Bosch, het vroegere Centraal Israelitisch Krankzinnigengesticht onlangs weer in de belangstelling door het overlijden van Eli Asser die in 1943 in dit Nazi-concentratiekamp te werk werd gesteld. Hier werkte de tuinarchitect K.C. van Nes vanaf 1909.

J.D.Zocher jr. was de architect van zowel het huis Meer en Berg als de aanleg eromheen, maar wie kan nu de architect van Oud-Rosenburg geweest zijn? Ik denk direct aan Zocher, maar ook andere architecten komen in aanmerking.

Huis Oud-Rosenburg. Foto Carla Oldenburger, 2019

In 1895 werd de buitenplaats en het landgoed Oud-Rosenburg door jonkheer Louis Pierre Quarles van Ufford verkocht aan het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag.

Prentbriefkaart Oud-Rosenburg. Ca. 1908. Foto H. van Noort  Coll. Haags Gemeentearchief. De ingangstrap is in deze tijd naar het linker portiek verplaatst

Het huis werd in 1775 gebouwd in opdracht van Mr. Johan François van Byemont (schepen van Den Haag) op de plaats van een boerderij die zich tot kleine herenboerderij ontwikkelde.

J.F. van Byemont als jager, geschilderd door Mattheus Verheyden (1700-1776). Part.Coll.

Vanuit het midden van het huis had men zicht over een ‘grand canal of zichtkanaal’. Mr. Hendrik Hooft (1676-1752) kocht het goed in 1721 van Byemont. Leden van het regentengeslacht Hooft bleven de buitenplaats precies honderd jaar bewonen totdat jonkheer Louis Quarles van Ufford huis en landgoed kocht in 1821. In zijn tijd vond een verbouwing plaats in neo-classicistische stijl, waarbij het huis aan de voorzijde werd verrijkt met de aanbouw van twee zij-veranda’s. In 1849 staat in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa te lezen: (Oud-) Rozenburg. Dit buiten bestaat uit heerenhuis, en daarbij behoorende getimmerten, bouwmanswoning, blekerij en woonhuis, vijvers, wei-, hooi- en teelland, jagt en visserij…

Vóór de neo-classicistische verbouwing in de tijd van Quarles van Ufford werd het rechte zichtkanaal vóór het huis (zichtbaar op een anonieme tekening van 1804) veranderd in een enigszins slingerende vijver die aansluiting kreeg op de Haagvaart, om zo het park een landschappelijk aanzicht te geven. Deze slingerende waterpartij die in ieder geval van 1818 of eerder stamt, is nog steeds aanwezig hoewel niet direct zichtbaar. Zie de hieronder afgebeelde Google Earth-foto en het daaronder afgebeelde detail van de kadasterkaart uit 1818. Het licht groene vlakje in het midden van de Google-foto is de waterpartij (met veel kroos).

MIN08106A01, 20-04-2002, 12:40, 8C, 7804×11796 (2006+372), 125%, Minuutplan_Div, 1/80 s, R51.5, G25.2, B26.6. Kadasterkaart 1818

Tussen 1993 en 1995 volgde een ingrijpende verbouwing. De bijgevoegde eerste foto laat het huis zien aan het begin van de 21-ste eeuw. Het huis is sinds 1967  een rijksmonument.

Wie kan mij helpen aan de naam van de architect uit 1775 of  die van de restauratie/verbouw uit ca. 1825? Buitenplaats-architecten die in Nederland werkten in het laatste kwart van de 18de eeuw en/of in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn onder meer Leendert Viervant jr., Abraham van der Hart,  Jacob Otten Husly, Jan de Greef, Zeger Reijers en Jan David Zocher jr.  De laatste drie zijn tijdgenoten van elkaar. Zij volgden alle drie tegelijkertijd hun opleiding in Parijs en Reijers en Zocher vervolgden hun opleiding in Rome. Natuurlijk moeten we ook denken aan deskundige timmerlieden die samen met de opdrachtgever de klus zonder architect geklaard kunnen hebben.

Over Zeger Reijers (een leerling van zijn oom, de architect L. Viervant) is verder bekend dat hij na zijn opleiding in Parijs en Rome, in Juli 1813 terug was in Nederland en in Augustus 1819 werd benoemd tot stads-bouwmeester te ’s Gravenhage. Zeger Reijers ligt begraven op de historische Begraafplaats Oud Eik en Duinen, even ten oosten van Oud-Rosenburg (zie kaart hieronder).

Is Reijers wellicht de architect van de restauratie en verbouw van Oud-Rosenburg rond 1825? 

Kaart Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. 1927. Coll. Haags Gemeentearchief. Midden onder (lichtgroen) ‘Oud-Roozenburg’. Rechtsonder (lichtgroen) Begraafplaats Oud Eik en Duinen

Deze kennismaking met (oud-) Rozenburg brengt ons er toe meer aandacht te gaan besteden aan ziekenhuizen en medische instituten op voormalige buitenplaatsen.

Lit. D. Valentijn (red.). Rosenburg: van buitenplaats tot Zorgcentrum. Den Haag, 1995.

MOOI GROEN 2019 GEWENST DOOR BUREAU BINNENSTAD & BUITENLEVEN / OLDENBURGERS.NL

BINNENSTAD & BUITENLEVEN VERHUIST

15 januari verhuist ons bureau met Juliet Oldenburger mee naar het Aalsmeerder Veerhuis, Sloterkade 21 te Amsterdam.

De Sloterkade vormde tot 1921 de grens tussen het oude dorp Sloten en de stad Amsterdam. Voor nadere adresgegevens en een huidige foto van het kantoorpand, zie de pagina Contact.

Tussen ongeveer 1515 en 1908 lag voor de deur van het Aalsmeerder Veerhuis (1634) de overtoom (overhaal) – van 1908 tot 1842 schutsluis – tussen de Hollandse waterschappen Amstelland en Rijnland. De open vaarverbinding tussen de rivier de Schinkel (tussen de Nieuwe Meer en de Overtoomse sluis) en de Kostverloren Vaart was op last van het provinciebestuur (de stad Haarlem) afgedamd omdat dit een sluipweg was geworden om de tolheffing aan het Spaarne in Haarlem te ontduiken.  Wel mocht over die dam een sleepshelling of overtoom worden aangelegd voor kleine platte schuiten, waarvan de maten nauwkeurig waren vastgesteld. Op de gevelsteen boven de deur van het Aalsmeerder Veerhuis zijn behalve deze scheepjes ook het veerhuis afgebeeld – waar men kennelijk zijn dorst kon lessen, terwijl de schuiten over de sleephelling werden getrokken. Op de puibalk daaronder zien we  een os, die verwijst naar de naam van de herberg: de Bonte Os.
Tevens vertrok voor het huis de trekschuit tussen Amsterdam en Aalsmeer, van waar men verder kon reizen naar Leiden en Rotterdam.

DE NERING IS HIER GOET GODT LOF – MEN DRAECHT HET BIER HIER OP EN OF. Op de puilijst onder de gevelsteen staat een afbeelding van ‘de Bonte Os’ – de historische naam van de hier gevestigde herberg.

Als herinnering aan het toeziend oog van Haarlem op het overhalen van schepen van de juiste afmetingen toont het schilddragende leeuwtje op de geveltop van het veerhuis het wapenbord van de stad Haarlem.

Het wapen van Haarlem op de top van de gevel  van het Aalsmeerder Veerhuis

Verder zien we op de historische foto (boven) nog dat in het pand omstreeks 1910-1915 de aardappelen- en groentenhandel van W.A. Schevenhoven was gevestigd. Een grote stapel zakken met aardappelen ligt tussen de twee linker souterrainvensters. Links van het huis was een steegje (nu een gesloten poortje) naar de ‘biertuin’. Voor het huis stond een linde. Tegenwoordig staan langs de Sloterkade, tussen de Andreas Schelfhoutstraat en de Surinamestraat een aantal iepen met de naam Ulmus ‘Amsterdam’. Links van het Aalsmeerder Veerhuis staat een  Ulmus ‘Dodoens’, rechts ook een Ulmus ‘Amsterdam’. Deze laatste iepenvariëteit werd in de jaren ’80 van de vorige eeuw in de voormalige stadskwekerij vermeerderd als mogelijke opvolger van de Hollandse iep (Ulmus hollandica ‘Belgica’), maar bleek toch niet zo resistent tegen iepziekte.

Ook stonden voor het huis één grote en twee kleinere meerpalen, om de schepen te laten afmeren en de herberg vanaf het water te bevoorraden.  Op de foto anno NU (op de Contactpagina) is te zien dat het pand sinds de restauratie van 1965 weer zijn oorspronkelijke indeling heeft teruggekregen.

Het veerhuis is sinds 1921 in eigendom van de Vereniging Hendrick de Keyser. In het pand zijn verschillende monumenteninstanties gevestigd, waaronder de stichting Diogenes (hoofdhuurder), de stichting Claes Claesz. Hofje, de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, de stichting Vrienden van het Amsterdamse Bos, de Vriendenkring van de Van der Laan Stichting en de stichting tot Behoud van de Oude kerk.

Ook bureau Binnenstad & Buitenleven gaat hier dus vanaf het nieuwe jaar (2019) beginnen. Heerlijk om in zo’n mooi oud pand te mogen werken.

SLUIPMOORDENAAR DOOR DE TUINEN VAN HET LOO

DANIEL LIBESKIND EN ‘AARDSE ZORGEN’ IN DE TUIN VAN PALEIS HET LOO. WAAR BLIJFT DE KRITIEK OP DE NIEUWE TUIN-AANPAK?

Tuin Paleis Het Loo na de renovatie in 2015. Foto Paleis Het Loo

 

Tuinontwerp / Artist Impression Tuin  Paleis Het Loo 2019 / Daniel Libeskind. Copyright Studio Libeskind 

TUIN PALEIS HET LOO / NIEUWE STIJL                                                        Tuin Paleis Het Loo / Nieuwe Stijl is in voorbereiding.

Van 2 april 2019  t/m  29 september 2019 (en vervolgens nog meerdere jaren te zien) start een presentatie van tuinbeelden van Daniel Libeskind in de tuin van Paleis Het Loo, getiteld: 

THE GARDEN OF EARTHLY WORRIES

Vier imposante eigentijdse abstracte sculpturen naar ontwerp van de architect Daniel Libeskind zullen dan rondom de Venusfontein verrijzen, centraal geplaatst in de middelste vier parterres van de Benedentuin (zie afgebeelde Artist Impressions). Voor het eerst zal er hedendaagse kunst  in de tuin van Paleis Het Loo te zien zijn.

Artist impression Studio Libeskind (D), vanuit het zuidoosten.Copyright  Artist impression Studio Libeskind
Globe. Copyright Studio Libeskind

CONTRAST MET BAROK

De 17e-eeuwse paleistuin verbeeldt het paradijs, als een menselijke weerspiegeling van de perfecte natuur. De aarde verandert echter zienderogen onder invloed van het menselijk handelen. Met de vier beelden plaatst Libeskind een groot contrast in de barokke paleistuin. De beelden symboliseren de elementen ozon, distikstofmonoxide (lachgas), methaan en koolstofdioxide. Volgens de kunstenaar zijn deze gassen schadelijke bijproducten  van ons menselijk handelen en dragen ze bij aan de onbalans in de natuur, leidend tot onomkeerbare klimaatveranderingen met desastreuze gevolgen voor mens en natuur.

Libeskind geeft met zijn installaties een architecturale interpretatie van de barokke paradijstuin en verbindt hiermee de historische tuin met de hedendaagse werkelijkheid.

De presentatie is onderdeel van Paleis Het Loo BuitenGewoon Open. Andere kunstwerken van Daniel Libeskind in Nederland zijn  het Stadsmarkeringsplan Groningen (1990) en het Holocaust Namenmonument in Amsterdam (nog te realiseren). De kunstwerken van Daniel Libeskind worden gerealiseerd door Volumina in Turijn (It.).

(Artist Impressions en tekstdelen overgenomen van de website van Paleis Het Loo).

EN WAT VINDEN WIJ ERVAN?

We hebben niets tegen het idee van Libeskind om aandacht te vragen voor de ‘earthly worries’ die velen van ons delen met elkaar.  Maar is dit de plaats waar deze zorgen moeten worden gedeeld? Met de rijk beplante tuinen van Het loo is juist geprobeerd de schoonheid en rijkdom van de aarde te laten zien en de zorg van de mens voor deze; en moet die schoonheid en rijkdom en zorg juist op deze plaats nu weer gedeeltelijk worden afgebroken door de inbreng van, ongetwijfeld voor velen, onbegrijpelijke beelden? Natuurlijk zal er een bordje verschijnen waarop de symboliek van  ozon, distikstofmonoxide, methaan en koolstofdioxide zal worden uitgelegd, maar helaas,  slechts weinigen zullen het lezen, terwijl ook velen geschokt en verwonderd zullen zijn en, ik hoor het kunsthistorici al zeggen, dat is nu precies het doel van moderne kunst.

Die schok over de tuin van Paleis Het Loo had ik al in 2018 ervaren. De Tuin Nieuwe Stijl bleek ook een nieuw beplantingsplan in te houden. Ik wist van de op handen zijnde veranderingen in het kleurenschema, maar de veel kleuriger beplanting (waarmee ik het in principe eens was, want ook de interieurs zijn veelvormig en veelkleurig) deed mij beslist schrikken. En dat was niet onterecht. Het nieuwe beeld is niet realistisch. Het is te vergelijken met een 17-de eeuws of 18-de eeuws rijkgekleurd bloemstilleven, waarvan we weten dat het niet realistisch is omdat die bloemen nooit in dezelfde tijd in die ene vaas hebben kunnen staan. En in de tuin is nu hetzelfde aan de hand. De planten (bloemen) dateren nu (vanwege een nieuw kleuriger beplantingsplan) uit de 17-de en 18-de en 19-de eeuw en hebben nooit in dezelfde tijd in die ene tuin kunnen staan.

Met de verandering in kleurenschema met niet-realistische beplantingsgevolgen en de toevoegingen van de symbolische beelden voor  ozon, distikstof-monoxide, methaan en koolstofdioxide van Libeskind, zie ik een sluipmoordenaar de tuin in komen en ik vraag me af hoeveel hij ‘stilletjes aan en met goede bedoelingen’ nog meer zal ‘vermoorden’. Dat laatste is toegestaan, want de tuin is geen monument, maar of het wenselijk is, is de grote vraag. We hebben nu voor jaren geen zuivere (neo)-baroktuin meer in Nederland.

Kennismaking met kunst in het Huis der Provincie (GE)

Kunst/Familie Hendriks uit Doesburg/Botanische schilderijen

Kraaien (merels?). Elli Slegten. Nu te zien in Huis der Provincie, Arnhem. Foto Carla Oldenburger

Enige tijd geleden maakte ik kennis met Marten Hendriks en Elli Slegten, een kunstenaarsechtpaar uit Doesburg. Marten heeft nu (t/m 13 januari 2019) een uitgebreide tentoonstelling in Museum Boymans, ‘Time Slip’, werk van zijn hand ontstaan in de afgelopen 55 jaar.

Afgelopen week zag ik op de tentoonstelling ‘Familieportret’  werk van het hele gezin Hendriks, vader Marten, moeder Elli, dochter Rosemin en zoon Lieven. Stuk voor stuk bijzondere werken. Marten’s werken probeer je meteen te analyseren (complex en subtiel), Elli sprak mij aan vanwege haar botanische onderwerpen, Rosemin’s (zelf)portretten waren  fors en krachtig en detaillistisch tegelijk en Lieven’s doeken waren echt ongelooflijk subtiel.  Opgeteld hadden ze alle iets verfijnds en natuurlijks, zonder een zoetige of romantische bijsmaak op te roepen.

Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-1. Terugblik

De Schoolmeester lezen op De Groote Vaart ?

Deze website behandelt niet alleen de onderwerpen historische plantgebruik, historische landschapsarchitectuur en historisch kleurgebruik, maar zo af en toe als tussendoortje richten we onze blik op een stukje familiegeschiedenis. We hebben dan ook niet voor niets een Categorie ‘Familie’ bij categorieën opgenomen.

Gedichten van Den Schoolmeester. Amsterdam, Gebrs. E. en M. Cohen, erfstuk van A.S. Groustra

Wat was het bijzonder om te ontdekken dat we de Gedichten van den Schoolmeester (Gerrit van de Linde) als erfstuk van Oom Andreas Groustra in onze boekenkast hadden staan. Op het schutblad  staat geschreven: A.S. Groustra 2de off. S.S. Houtman. Prijs 1,90. (zie Bericht 1 oktober 2018, waar ook een foto van de ss. Houtman afgebeeld staat). We mogen aannemen dat Andreas tijdens zijn reizen met de Houtman de 332 pagina’s van de Gedichten uitvoerig heeft kunnen lezen.

Andreas Sibren was de zoon van Harmannus Groustra, broer van mijn schoonmoeder Ronesca Groustra (1901-1969), kleinzoon van de rijkscommies belastingen Jan Groustra (1810-1894) en Geessien Redeker (1818-1903) en oudoom van mijn man Feddo Oldenburger.

Andreas Sibren Groustra (1893-1919). Tweede stuurman S.S. Houtman. Foto: N.V. Charles & van Es & Co. Ned. Indië (Soerabaja 1880-1915; Charls & van Es & Co, N.V. Batavia 1895-1940)

Dat Andreas Sibren vroeg was overleden, was bekend, maar ook niet veel meer dan dat. In de familie werd altijd met respect over hem gesproken. Zijn ouderlijk huis stond in Slochteren (tegenover de Fraeylemaborg). Eenmaal wordt in de Internet-archieven vermeld dat zijn beroep  timmerman is, maar dat zal maar heel kort zijn geweest (of een vergissing) want hij is al heel vroeg de wijde wereld ingetrokken. In 1916 wordt  in zijn ‘Certificate of Registration of Alien Seaman’ als woonplaats Weltevreden, voorstad van Batavia opgegeven.

Andreas was genoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, Andreas Visscher (1805-1879), gehuwd met Alida van Delden (1807-1871). Grootvader was predikant in Helpman, gem. Haren. Zijn tweede naam Sibren kwam van zijn oom Sibren Jan Groustra (1844-1895), de oudste broer van zijn vader. De twee Sibrens mochten elkaar waarschijnlijk bijzonder graag. In ieder geval is Andreas Sibren in de voetsporen van zijn oom getreden. Oom Sibren was namelijk zeeman en later directeur van de Zeevaartkundige School op Terschelling. Andreas Sibren ging naar de Zeevaartschool om stuurman te worden. Op 14 november 1913, 20 jaar oud,  behaalde hij in ’s Gravenhage zijn diploma als derde stuurman voor de ‘Groote Stoomvaart’  (in familiearchief) en op 28 augustus 1916 behaalde hij zijn Diploma Tweede  Stuurman aan de Zeevaartschool te Soerabaja (zie foto hieronder).

Diploma Tweede Stuurman van Andreas Sibren Groustra, dd. Soerabaja, 28 augustus 1916

Het tweede diploma vermeldt dat Andreas in 1916 Batavia als woonplaats had. Zoals we boven zagen woonde hij dus eigenlijk in de voorstad Weltevreden. In Batavia was het hoofdkantoor van de KPM, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de rederij van De Houtman gevestigd. Op onderstaande kaart van Ned. Indië zijn de verplichte vaarwegen van de KPM ingetekend.

Waarschijnlijk heeft hij in eind 1913 zijn eerste grote bootreis gemaakt. Er is een toelatingskaart voor Java en Madeira bewaard gebleven (in familie-archief) en hierop wordt Andreas’ laatste woonplaats Amsterdam genoemd en bovendien het feit dat hij op 9 februari 1914 in Tandjong Priok (haven van Batavia) is aangekomen met het stoomschip Koningin der Nederlanden. Van een latere reis op de ss. Houtman zijn foto’s bewaard gebleven, gemaakt door Andreas in Singapore (1915), in Port Moresby, de hoofdstad van het toenmalige Australisch Nieuw Guinea (1916 en 1917) en in Townsville (1917), gelegen in Queensland,  aan de oostkust van Australië. De bijschriften onder de foto’s zijn kopieën, van door Andreas achterop de foto’s geschreven gegevens. Deze maken duidelijk dat Andreas geïnteresseerd was in cultuur en natuur.

Singapore Chineesche wijk, 12-01-1915. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 12-11-1916. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Haven van Townsville, Oostkust Australie, 10-04-1917. Rechts ligt de ss. Houtman voor anker op de rede bij Townsville. Foto: A.S. Groustra

Uit het jaar 1919 is een bewijs van lidmaatschap bekend (in familie-archief, op naam van A.S. Groustra) van de Vereeniging van Nederlandsche Gezagvoerders en Stuurlieden.

10 november 1919 is Andreas Sibren Groustra overleden in zijn geboortedorp Slochteren, in de leeftijd van 26 jaar.

Vermeldenswaardig is nog wel dat achterneefje Feddo Oldenburger (1937-2017) in 1946 ook met een boot van de KPM met verlof naar Nederland ging en wel met ss. De Tegelberg. Zie daaromtrent het Bericht https://www.oldenburgers.nl/2018/01/20/korte-biografie-feddo-hans-frits-oldenburger-1937-2017/

 

 

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Oldenburgia-VROUWENARBEID EN ONZE FAMILIEVROUWEN

VROUWENARBEID, 1898,  Nationale Tentoonstelling 120 jaar

Suze Fokker, Affiche Nationale Tentoonstelling Vrouwenarbeid, 1898, Lithografie. Coll. Rijksmuseum.

Al in het vorige Bericht op deze website sprak ik over de tentoonstelling ‘Art Nouveau in Nederland’. Toen ik bovenstaande affiche zag viel me meteen op dat drie witte lelies omarmd door vier zonnebloemen de vrouwenarbeid hier als het ware symboliseerden. In de christelijke middeleeuwen stonden drie witte lelies al symbool voor de reinheid en onaantastbaarheid van de maagd Maria. En de zonnebloemen, waar staan deze voor? Zij zijn in ieder geval al heel lang het symbool van levenslust. Die betekenis past ook goed bij Vrouwenarbeid kunnen wij ons voorstellen.

Vrouwenarbeid was ongepast in de negentiende eeuw  en in 1898 oordeelde een groep vrouwen dat daar maar eens verandering in moest komen. Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam en het was gebruikelijk dat vrouwen automatisch werden ontslagen op de dag na hun huwelijkssluiting, zodat ze huisvrouw en moeder konden worden. Dat gold sinds een Koninklijk Besluit (KB) uit 1924 voor alle vrouwen onder de leeftijd van 45 die in overheidsdienst waren, zoals ambtenaressen, secretaresses en onderwijzeressen en trendvolgers. In 1956 werd deze wet opgeheven.

Jan Toorop.  Afbeelding van een lot waarmee geld verzameld werd voor acties in 1898. Lithografie

Mijn schoonmoeder Ronesca E. Groustra, eerste vrouwelijke lerares ‘Lichamelijke Oefening en Rhytmiek’ (in Maastricht),  werd de dag na haar huwelijk in 1928 ontslagen. Ze vertrok naar Ned. Indië en oefende daar haar vak uit op vrijwillige basis. Zo leidde zij allerlei sportactiviteiten voor volwassenen (tennis, waterpolo, zwemmen en korfbal). Ook gaf zij rhytmiek-lessen aan volwassen dames en kinderklasjes.

Uitvoering dames-rhytmiekgroep in Sanga Sanga Dalam (Borneo). Lerares Ronesca Oldenburger-Groustra, hier rechts zittend, in de bloemetjes 

Ronesca’s oudere zuster Alida C. Groustra, onderwijzeres in Slochteren (gehuwd in 1925 met Bauke Zondervan), trof hetzelfde lot in 1925, terwijl het oudste meisje van het gezin Groustra, Gezina A.E.R. Groustra eerst voor haar grootouders (hoofdonderwijzer Gaele van der Schaaf [1833-1918] en Alida van der Schaaf-Visscher [1835-1925]) in Meedhuizen moest zorgen en daarna voor haar ouders (hoofdonderwijzer Harmannus Groustra [1861-1944] en Alida Groustra-van der Schaaf [1861-1952]), die na de pensionering van vader Harmannus in 1925 naar Hilversum waren verhuisd. Gezina  was dus niet in de gelegenheid geweest een opleiding te volgen, zoals zo vele oudste dochters overkwam.

Alida van der Schaaf-Visscher (1835-1925), Meedhuizen

Huis van hoofdonderwijzer Gaele van der Schaaf (1833-1918) en Alida van der Schaaf-Visscher (1835-1925) in Meedhuizen

Amsterdamse Likeurstokery ’t Lootsie Erven Lucas Bols, Rozengracht Amsterdam, in de tijd dat mijn moeder Maria Amse hier werkte

Modepaleis Gebr. Gerzon  op de Oude Gracht in Utrecht, waar mijn moeder Maria Ebbers-Amse een tweede kans kreeg

Mijn eigen moeder Maria C.J. Amse trouwde in 1932 met mijn vader Jan Ebbers. Zij was het enige meisje in het gezin Amse (Amsterdam) en mocht gelukkig na de MULO een opleiding tot boekhouder volgen. Met haar diploma op zak trad zij in dienst bij de Erven Lucas Bols aan de Rozengracht tot haar dienstverband in 1932, nadat ze in het huwelijk was getreden, werd beëindigd. De ‘Wet Handelingsonbekwaamheid’ werd in 1956 afgeschaft. Mijn moeder is toen na het overlijden van haar ouders, Johan Carel Willem Amse (1877-1959) en Anna Jacoba Vetter (1879-1956), op 52-jarige leeftijd weer gaan werken als boekhouder van Modemagazijnen Gebr. Gerzon in Utrecht. Al met al heeft zij helaas haar ambities niet geheel waar kunnen maken doordat haar carrière van overheidswege werd onderbroken. De tijden zijn gelukkig veranderd.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren