Categoriearchief: Flora

Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek ging brengen en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar ‘de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis’, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. VOYAGE au Jardin des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je als staflid jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverden het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en Buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (Oost- en West-) Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’ op deze website.

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.

Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Amsterdam, 2025. 422 pp.

Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.

Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025.  Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums.  Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.

Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk  uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.

Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.

Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven,  was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland.  Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’.  Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.

Jac. (Co) P. Thijsse

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam  en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.

In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie,  naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.

Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.

En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.

Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.

Ik verwijs graag voor nadere kennismaking en eigen onderzoek naar de Ver. Natuurmonumenten, het  Archief van J.P. Thijsse en de Heimans en Thijsse stichting/

Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven

Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.

Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA. 

Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht  dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.

Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.

Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.

Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en  de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’  van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.

Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral  ‘Bomen van Pieter Saenredam’  en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.

Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg  langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).

Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.

Nationale Parken anno 2025

Over Nationale Parken wordt dezer dagen anno 2025 veel geschreven en gediscussieerd vanwege geplande bezuinigingen. Maar als je aan een willekeurige parkbezoeker vraagt wat eigenlijk de term Nationaal park inhoudt, staat men met een mond vol tanden.

Zicht in Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. Ingesteld 2003/2013. 10000ha.  Foto Wikipedia

Op Wikipedia staat de volgende definitie: Een nationaal park is een aaneengesloten natuurgebied van ten minste 1000 hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzonder landschappelijke gesteldheid en planten- en dierleven, waar tevens goede mogelijkheden zijn voor recreatief medegebruik.

KAART NATIONALE PARKEN IN NEDERLAND

Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. In het uiterste zuidelijke puntje op bovenstaande kaart is het Utrechtse deel van bureau B&B gevestigd.

Overzichtstabel Nationale Parken in Nederland en het Caraibisch gebied

Nationale parken in Nederland zijn weergegeven in onderstaande tabel. In 2024 is Van Gogh Nationaal Park als park erkend, waarin het al langer bestaande park Loonse en Drunense Duinen op zal gaan.

Naam park Provincie Grootte (ha) Ingesteld Kaart Foto
Grenspark De Zoom – Kalmthoutse Heide Noord-Brabant, Antwerpen 3750 2001 Kaart De Zoom - Kalmthoutse Heide Nationaal Park Zoom - Kalmthoutse Heide Cross-Border Park
Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa Drenthe 10600 2002 Kaart Drentse Aa Nationaal Park Drentsche Aa Nationaal Landschap
Nationaal Park De Alde Feanen Friesland 4000 2006 Kaart Alde Feanen Nationaal Park Alde Feanen Nationaal Park
Nationaal Park De Biesbosch Noord-Brabant, Zuid-Holland 9000 1994 Kaart Biesbosch Nationaal Park Biesbosch National Park
Nationaal Park De Groote Peel Noord-Brabant, Limburg 1340 1993 Kaart De Groote Peel Nationaal Park Groote Peel National Park
Nationaal Park De Hoge Veluwe Gelderland 5500 1935 Kaart De Hoge Veluwe Nationaal Park Hoge Veluwe Nationaal Park
Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen Noord-Brabant 3700 2002 Kaart De Loonse en Drunense Duinen Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen Nationaal Park
Nationaal Park De Maasduinen Limburg 4500 1996 (uitbr. 1998) Kaart De Maasduinen Nationaal Park Maasduinen Nationaal Park
Nationaal Park De Meinweg Limburg 1700 1990 Kaart De Meinweg Nationaal Park Meinweg Nationaal Park
Nationaal Park Drents-Friese Wold Drenthe, Friesland 6100 2000 Kaart Drents-Friese Wold Nationaal Park Drents-Friese Wold Nationaal Park
Nationaal Park Duinen van Texel Noord-Holland 4300 2002 Kaart Duinen van Texel National Park Duinen van Texel National Park
Nationaal Park Dwingelderveld Drenthe 3700 1991 Kaart Dwingelderveld Nationaal Park Dwingelderveld Nationaal Park
Nationaal Park Lauwersmeer Groningen, Friesland 6000 2003 Kaart Lauwersmeer Nationaal Park Lauwersmeer Nationaal Park
Nationaal Park Nieuw Land Flevoland 28900[3] 2018 kaart Nieuw land Nieuw Land Nationaal Park
Nationaal Park Oosterschelde Zeeland 37000 2002 Kaart Oosterschelde Nationaal Park Oosterschelde Nationaal Park
Nationaal Park Sallandse Heuvelrug Overijssel 3500 2004 Kaart Sallandse Heuvelrug Nationaal Park Sallandse Heuvelrug Nationaal Park
Nationaal Park Schiermonnikoog Friesland 5400 1989 Kaart Schiermonnikoog Nationaal Park Schiermonnikoog National Park
Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug Utrecht 10000 2003 (uitbr. 2013) Kaart Utrechtse Heuvelrug Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug Nationaal Park
Nationaal Park Veluwezoom Gelderland 5000 1930 Kaart Veluwezoom Nationaal Park Veluwezoom Nationaal Park
Nationaal Park Weerribben-Wieden Overijssel 10500 1992 (uitbr. 2009) Kaart Weerribben-Wieden Nationaal Park Weerribben-Wieden Nationaal Park
Nationaal Park Zuid-Kennemerland Noord-Holland 3800 1995 (voorl. 1950) Kaart Zuid-Kennemerland Nationaal Park Zuid-Kennemerland Nationaal Park

Nationale parken in Caribisch Nederland, voor 10 oktober 2010 erkend als nationaal park van de Nederlandse Antillen, zijn:

Naam park Eiland Grootte (ha) Ingesteld Foto Kaart
Bonaire National Marine Park Bonaire 2600 1979 Uitzicht op Klein Bonaire, dat deel uitmaakt van het Bonaire National Marine Park

Lijst van nationale parken in Nederland (Bonaire)

Lijst van nationale parken in Nederland
Washington Slagbaai National Park Bonaire 5643 1969 Overzicht van het park

Lijst van nationale parken in Nederland (Bonaire)

Lijst van nationale parken in Nederland
Sint Eustatius National Marine Park Sint Eustatius 2750 1996 Sint Eustatius en omliggende wateren
Quill/Boven National Park Sint Eustatius 340 1998 Uitzicht op The Quill
Saba National Marine Park Saba 1300 1987 Diamond Rock Saba en omringende wateren
Saba National Land Park Saba 43 1999 Een zijde van Mount Scenery
Sababank Saba 220.000 2010 Onderwaterleven op de Sababank

16 MEI 2025. Nationale parken verdienen na brede steun geen bezuiniging.  Op 14 april 2025 ondertekenden provincies en partners een breed manifest om samen gebiedsgerichte parels te versterken. Nog diezelfde week werd het bijbehorende budget in de voorjaarsnota vrijwel volledig geschrapt. De natuur van Nederland hangt aan een zijden draadje.

De Vierde van Mahler en de Eerste van mij

Vandaag de Mahlerkrant in de brievenbus. Van 8 t/m 18 mei wordt het Mahler Festival gevierd in Amsterdam en daar hoort natuurlijk een krant bij met allerlei wetenswaardigheden over Gustav Mahler en zijn verblijf in Amsterdam in ‘Hotel  Mengelberg’, het huis van Willem Mengelberg in de Van Eeeghenstraat. Mahler vond zijn gastheer Mengelberg een genie, “weet je (schreef hij aan Alma) wat ze gedaan hebben…Ze hebben mijn compositie (de Vierde Symphonie in dit geval) twee keer op het programma geplaatst. Na de pauze begint het weer van voren af aan. Wat zeg je daarvan?” Het was inderdaad een schitterende manier om het publiek met het nieuwe moeilijke werk van Mahler te laten kennis maken. Door deze herhaling hoopte  men dat zijn werk veel eerder in Amsterdam begrepen zou worden dan in andere steden zoals Parijs, Sint Petersburg of Helsinki.

Iris pseudacorus. Gart der Gesundheit. 1485.

Wat wil ik nu eigenlijk vertellen? het volgende: “Herhalen van een nieuw nog ongekend  werk is een goede manier om publiek (luisteraars, lezers) nog eens bij jouw werk te betrekken. In mijn geval, wie leest er tenslotte nog een artikel uit 1973?

Via Mengelberg en Mahler kwam ik op de gedachte mijn allereerste gedrukte artikel uit 1973 (meer dan vijftig jaar geleden) nog eens aan mijn lezers voor te leggen,

C.S. Oldenburger-Ebbers, ‘The “scientific” study of nature reflected in the composition of the vegetation in late-medieval paintings’ in: JANUS, Revue internationale de l’histoire des sciences, de la médecine, de la pharmacie et de la technique, vol. 60 (1973).

Ik ben benieuwd wat mijn lezers er van vinden. Laat je horen in een reactie, dat zou leuk zijn na vijftig jaar.

Collectie-tuinen / Heidetuinen

In de tweede helft van de 19de eeuw waren collectie-tuinen in opkomst. Tegenwoordig is er minder belangstelling voor,  maar mooie Rozentuinen (Rosarium) , of Iristuinen (Iridarium), of Arboreta en Pineta, daar is men nog wel voor warm te krijgen. En wat te denken van Rotstuinen (ook genoemd Alpiene tuinen),  Stinzenplantentuinen of Grassentuinen? Onlangs kwamen we in de vakliteratuur de term heidetuin tegen. Wat is nu precies een heidetuin? Logisch zou je zeggen,  een tuin beplant met vele soorten heide (Calluna en Erica), maar we lazen op Internet ook een uitgebreidere nauwkeuriger definitie “een heidetuin is een natuurtuin waarin allerlei soorten heide- èn zuurminnende siergewassen zijn geplant”. Het gaat dus niet alleen over een tuin beplant met heidesoorten, maar ook zuurminnenden siergewassen zijn in een heidetuin te vinden. Waar moeten we dan aan denken? Natuurlijk allereerst  aan Struikheide en Dopheide – soorten maar daarnaast ook aan andere zuurminnende planten uit de heidestruikfamilie (Ericaceae), zoals de meest bekende genera Vaccinium (Bosbes), Pernettya (Z. Am. ingevoerd 1828 in Eng.), Gaultheria (meeste soorten uit China en Japan), Andromeda (N. Amerika), Kalmia of Lepelboom (N. Amerika, in 18de eeuw ingevoerd in Eng.) en vele soorten Rhododendron (ponticum uit Z.Europa en Kl. Azië). De conclusie van het bovenstaande leidt tot een wat bredere definitie van het woord heidetuin, namelijk een tuin beplant met Ericaceae en misschien met nog enkele andere zuurminnende soorten buiten de struikheidefamilie, zoals de Schijnhazelaar (Corylopsis pauciflora), de Sneeuwklokjesboom (Halesia carolina), de Toverhazelaar (Hamamelis). Zie lijst Tuincentrum Gigant  voor een lange lijst zuurminnende planten.

Heidetuin Driebergen-Rijsenburg. Eigenaar Utrechts Landschap

Grebbeberg / Laarschenberg: bosgoud

Eigen tuin op de Grebbeberg. Gouden Maand, 2024.  Foto Carla Oldenburger

Herfstblues

door Erna Kagenaar

Daar ga je
los van het leven
je valt
vlak voor mijn voeten

Je kleuren verraden
je verhaal
Licht en donker
had ik je eerder kunnen ontmoeten?

Nu je mijn aandacht hebt
geen hoogte, maar wel diepte kent
bewonder ik je des te meer
gevallen blad

De herfst bepaalt jouw lot
Je mag met duizenden tegelijk
ons weemoedig maken
We hebben je bloei zo lief gehad

Kunst en Wetenschap combineren

Leonardo da Vinci (Vinci 1452 – Amboise 1519). De Aankondiging, 1472. Museum Uffici, Florence

Kunst en (exacte) Wetenschap combineren heeft me altijd al geboeid. Eigenlijk uit pure onkunde en wanhoop. Ik had een diploma gymnasium B in mijn zak, maar wilde eigenlijk altijd al kunstgeschiedenis studeren. Maar een Beta – diploma werd in de tijd dat ik eindexamen deed niet voldoende geacht om (kunst)geschiedenis  en oude en moderne talen te gaan studeren, dus ik werd gedwongen een andere meer exacte richting te kiezen. Dat heb ik gedaan en het was een groot geluk voor mij dat in Utrecht in  1959 net een nieuwe richting binnen de Biologiestudie was opgericht, namelijk het vak Biohistorie, dat door Professor Frans Verdoorn vanuit de US (Boston/Waltham MA.) in Nederland was geïntroduceerd.. Hij had dit begrip als volgt gedefinieerd: “de relaties tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis.”

Stinkende Gouwe of Cheledonium majus (Fam. Papaveraceae), uit ‘Gart der Gesundheit’, 1485.

In dit vak ben ik na mijn afstuderen doorgegaan (hoewel ik ook afgestudeerd was in planten-ecologie), zodat de relaties  tussen Kunst en Wetenschap mij altijd zijn  blijven boeien. Die relaties tussen Kunst en Wetenschap zijn natuurlijk van velerlei aard en iedereen kan een richting kiezen die hem interesseert. Ik begon met de betekenis van planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven en gaf daarbij colleges in de geschiedenis van botanie door de eeuwen heen, beginnend met Theophrastus en ‘De Materia medica’ van Dioscorides (1ste eeuw na Chr.).

Dat resulteerde weer in een opdracht van de Stichting Experimenten in Kunst en Technologie / E.K.T. die ik samen met Pieter Smit (†) heb uitgevoerd (verwerkt tot een lijvig geschrift) en getiteld is ‘Wetenschap en Kunst in de Levenswetenschappen: enkele aspecten van hun onderlinge samenhang’, gepubliceerd als deelschrift van het EKT-rapport ‘Orientatie Materiaal over Wetenschap en Kunst’ onder redactie van C. Blok, P.H. van de Poel en C. Tempelaars, en tegelijkertijd in Communicationes Biohistoricae Ultrajectinae nr. 57 (zomer 1975), p. 147-255.

Sindsdien zijn er vijftig jaar voorbij en ben ik nu op een punt gekomen om me nog eens verder te verdiepen in die mysterieuze richting Kunst en Wetenschap. Ik vroeg me net af of daar tegenwoordig ook cursussen in gevolgd kunnen worden, toen mijn kleindochter vertelde dat ze een (andere) online cursus had gevolgd (en deze had gevonden via ‘Coursera’, een platform waar online opleidingen van internationaal erkende universiteiten worden aangeboden). Ik begon te zoeken of er iets voor mijn gading bij was. Misschien Agroforestry bij de Universiteit van Florida? Het is maar net waar je op zoek naar bent. De keuze die Lune maakte was Paleontology: Theropod Dinosaurs and the origin of Birds, bij de University of Alberta. Plus een certificaat op naam, van de University of Alberta. Feliciteren mag, reactie, commentaar , repost op Linkedin mag ook..

Genoeg voedsel voor de vogels in de tuin?

Vandaag (1 oktover 2024, begin van de herfst) wordt de tuin eens nauwkeurig geïnspecteerd op voedsel-aanwezigheid voor vogels. Is mijn tuin wel aantrekkelijk genoeg voor vogels? Zijn er genoeg struiken met bessen en zaaddragende vaste planten?  Belangrijk in dit verband is natuurlijk dat we de planten niet hebben verwijderd of gesnoeid vóór de winter, maar de bloemschermen hebben laten staan.

Rode Kornoelje (Cornus sanguinea). Foto Wikipedia

In mijn tuin staan genoeg van de volgende soorten: Klimop (Hedera helix), krentenboompjes (Amelanchier lamarckii), vlier (Sambucus nigra), hulst (Ilex aquifolium) en lijsterbes (Sorbus aucuparia), maar toch kan er in een hoekje misschien best nog een Gelderse Roos (Viburnum opulus) of een Rode of Gele Kornoelje (Cornus) worden bijgeplant voordat de winter intreedt. Gelukkig groeien er in het aangrenzende bos genoeg eiken, beuken en hazelaars.

Grote kaardenbol (Dipsacus fullonum). Foto Wikipedia

Meer aandacht moet ik misschien wel besteden aan vaste planten zoals:  Grote Kaardenbol (Dipsacus fullonum), Teunisbloemen (Oenothera biennis), en niet-inheems uit VS: Zonnebloemen (Helianthus annuus),  Rudbeckia / Echinacea en Kogeldistel (Echinops ritro).

Kogeldistel (Echinops ritro). Foto Wikipedia

De laatste jaren ben ik niet toegekomen aan een kruidenhoekje, maar wilde Tijm (Thymus serpyllum)  en wilde Marjolijn (Origanum vulgaire) zijn natuurlijk voor de vogeltjes (de zaden) en voor de mens (de blaadjes) niet te versmaden.

Kortom, na de inspectie, de vogels kunnen zich wel laven, maar het moet nog beter.