Categoriearchief: Begraafplaatsen

Bureau Oldenburgers Binnenstad & Buitenleven 2020 tot heden

2020-Projecten Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven

Het jaar 2020 zal lang in ons geheugen staan gebrand. O ja, corona, maar over een aantal jaren weten we vast niet meer precies hoe we die vreemde situatie het hoofd boden. Ons bureau heeft in deze onzekere tijd weerstand geboden door gewoon door te werken aan de opdrachten die we al hadden ontvangen en nieuwe kansen te zien en op te pakken. Hierbij een kort overzicht van ons werk in 2020 tot 1 oktober. Aan het eind van het jaar komen we met een aanvulling.

  • Texel Buitenplaats Brakestein onderzoek en ontwerp 17de eeuwse tuin (rapport en ontwerp ingeleverd en aanvaard). Part.
  • Wassenaar Buitenplaats Backershagen ontwerp vroeg -20ste eeuwse  tuin bij entree, in de geest van L.A. Springer (ontwerp ingeleverd en aanvaard). Part.
  • Heemstede  Groenendaal, advisering reconstructie Belvédère. Ontwerp ‘De Wandeling’ I.s.m. KPG Architecten. Winnend ontwerp. Wordt vervolgd. Gem. Heemstede.
Ontwerpteam ‘De Wandeling’ Groenendaal Belvédère
Winnend ontwerp ‘De Wandeling’ van bovenstaand ontwerpteam. Foto KPG
  • Wieringerwaard, voor-onderzoek en offerte voor 17de eeuws tuinontwerp bij Polderhuis. Wordt vervolgd. Part.
Polder Wieringerwaard met polderhuis, 1609. Huis in hoek van Vak B. Coll. Zijpemuseum
  • Hilversum Villa Kruisheide (rijksmonument). Onderzoek en redengevende omschrijving tuin Villa Kruisheide. 5 p. Gem. Hilversum. Aanvaard.
Zicht op de bibliotheek van het Landhuis Kruisheide Hilversum, gezien vanaf onderstaand tuinornament. Foto Carla Oldenburger
Origineel tuinornament (bankje in halfronde cirkelvorm als Eye-catcher vanuit de bibliotheek). Foto Carla Oldenburger
  • Amsterdam Vondelpark. Cultuur- en bouwhistorisch onderzoek Het Groot Melkhuis / Vondelpark Amsterdam. 34 p. Ingeleverd. Opdr. gever Rod’or Advies.
De boerderij in het Vondelpark bij winter gezien. Foto uit ca. 1880. Stadsarchief, Amsterdam.
Het boerengehucht (vgl. Le hameau de la Reine in Versailles) met v.l.n.r. hooiberg, de boerderij naar ontwerp van Louis P. Zocher, met aanbouw (i.e. later het Groot Melkhuis), het bakhuisje met daarvoor het melkbussenbootje. Heel vaag rechts is ook nog het dak van het ontspanningslokaal van Jan Springer te zien
  • Artikel JO: ‘Der Garten als Spiegel der Welt’. 12 p. Duits tijdschrift. In druk.
  • Artikel CO: ‘Over het Damplantsoen: ontwerper en karakteristieke kenmerken’. 13 p. Ingeleverd. Cascade Bulletin 2020-2.
  • Artikel JO: ‘Iepen bedreigd door kademuurrenovatie?’ Binnenstad 296 (jan./febr.2020), p. 8-10. 
  • Artikel JO: ‘Iepen toch bedreigd’. Binnenstad 298 (mei/juni 2020).
Boompje planten op de Keizersgracht. Foto Wim Ruigrok
  • Losse adviseringen, uitgewerkt in ‘Berichten’ op website in de vorm van weblogs. 1) Kaart van de Hofstede Adrichem. Uitgewerkt in weblog: ‘Huis Adrichem, is dit een ontwerp van J.G. Michael?’; 2) Welke Zocher ligt begraven op Kerkhof NH Kerk te Bloemendaal? Uitgewerkt in weblog: ‘Zocher-grafsteen op het kerkhof in Bloemendaal’;  3) Tuinontwerpen in de Collectie Six? Uitgewerkt in weblog: ‘Ontwerp rond Huis Mereveld van Johannes Montsche (1734-1799)?’
Detoil Kaart Watergraafsmeer, 1725. Mereveld is hier aangegeven met het perceel van Jan Lups. Tegenover (boven) de bezittingen van Jan Lups, aan de overzijde van de Grote Tocht Sloot ligt de buitenplaats Merenburg (niet te verwarren met Merenveld van Lups). Noorden beneden

4) N.a.v. een toegezonden notaris-advertentie omtrent Zocher en de buitenplaats Rosorum. Uitgewerkt in weblog: ‘Nieuwe Zocher (J.D. en L.P.) gedetecteerd’. 5a) Vraag over de aanwezigheid van een historisch doolhof-patroon op Texel. Uitgewerkt in weblog ‘Het Bosch van Engelsteen op het eiland Texel’; en 5b) ‘Het Bosch van Engelsteen of ’t Bossie heden ten dage’ (2).

Verder de weblogs lezen? Ga op deze website naar Zoeken en vul zoekterm uit de weblogtitel in.

Snipper Zocher-geschiedenis toegevoegd

Onlangs vertelde Mw. Joan Patijn mij dat er in Bloemendaal (rondom de oude Dorpskerk ) een oud kerkhof ligt en dat een zekere mevrouw C.J. Louisse in de jaren 1986-1990 een inventarislijst had samengesteld van grafstenen, die daar nog steeds aanwezig zijn.

Jan David Zocher geschilderd door Woutherus Mol, ca. 1830. Coll. Frans Hals Museum

Eerst iets over de kerk en de begraafplaats (overgenomen en aangevuld van de website van Vrienden van de Dorpskerk / dorpskerkbloemedaal.nl):

“De Bloemendaalse Dorpskerk kent een lange geschiedenis. In 1632 besloten bezitters van buitenplaatsen een kerk in het dorp te bouwen, speciaal voor de protestantse erediensten. Ook de dorpelingen zelf wensten een ‘Predikhuys’. Op 25 maart 1636 werd de eerste eredienst gehouden. Vanaf die tijd werden de leden van de kerk begraven in de kerk en op het kerkhof dat rondom de kerk is gelegen. … … Bijzonder in het interieur zijn de 17e-eeuwse gebrandschilderde ramen van de Haarlemse ‘glasschrijver’ Pieter Holsteyn I, schenkingen van de kerkstichters en de Heer van Brederode, de Staten van Holland en de steden Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Dordrecht, Beverwijk en Leiden. Andere historische elementen zijn de preekstoel met daarvoor het doophek, de herenbanken en enkele graf- en gedenkstenen. Ook de luidklok uit 1637 is nog in de toren aanwezig. Als monument in een monument prijkt het orgel van de 18e-eeuwse Leidse orgelbouwer Pieter Assendelft, dat voorheen in Groningen in de kerk van Baflo stond. Het onderhoud van de kerktuin is in handen van een team enthousiaste vrijwilligers.”

Naast een bijzondere glazenier was Pieter Holsteyn (1585-1662) ook een bekend schilder en tekenaar. Vooral zijn tekeningen van insecten en vogels zijn bekend gebleven. De Bibliotheek Wageningen UR bewaart ook enkele van zijn tekeningen, waaronder deze verzameling vlinders.

Pieter Holsteyn I. Blad met verzameling vlinders. Coll. Bibliotheek WUR / Speciale Collecties

Joan Patijn en haar man zijn twee van die enthousiaste vrijwilligers. Zij nam contact met mij op omdat op de lijst van de grafstenen “Jan David Zocher, overleden 1827”, voorkomt. De grafsteen zelf hebben zij nog niet her-ontdekt, deze ligt nu nog onder het zand, maar iedere zaterdagmiddag worden grafstenen schoongemaakt en hoopt men deze steen te kunnen fotograferen en te vergelijken met de gegevens op de lijst. Een foto van de Jan David Zochersteen hoop ik ter zijner tijd te mogen ontvangen.

Oude Dorpskerk (PKN) Bloemendaal met rondom de tuin met kerkhof

Maar de verstrekte gegevens stellen mij toch voor een raadsel. De grafsteen van J.D. Zocher jr. is reeds bekend. Zie foto hieronder. Deze staat op de begraafplaats Kleverlaan (de oude buitenplaats Akendam) te Haarlem.

Joan Patijn legt een Cascade-kransje bij grafsteen van J.D. Zocher op begraafplaats Kleverlaan te Haarlem. Foto Niek Steenbergen, 2013

We nemen dus aan dat de grafsteen in Bloemendaal J.D. Zocher sr. zal betreffen. Hij overleed in 1817 (en niet in 1827) op Soestdijk. Heeft Mw. Louisse zich misschien vergist of is de Bloemendaalse steen mogelijk deels onleesbaar, zodat zij het jaartal 1827 gelezen heeft in plaats van 1817? Maar waarom zou Zocher sr. begraven liggen in Bloemendaal? In 1817 woonde J.D. Zocher sr. voorzover we weten buiten de Kennemerpoort, op de kwekerij Rozenhagen. Het gezin van J.D. Zocher jr. woonde in 1827 op de buitenplaats Akendam, gelegen in de gemeente Schooten, ten noorden van Haarlem en ten oosten van de gemeente Bloemendaal. Als het werkelijk zo is dat het jaartal 1817 niet goed leesbaar is en men om die reden 1827 heeft genoteerd, dan zou deze grafsteen de steen van J.D. Zocher sr. kunnen zijn, want zijn graf en steen zijn tot heden niet teruggevonden.

Te mooi om waar te zijn zou je bijna zeggen. Ik deed verder onderzoek naar het jaar 1827 en de geschiedenis van Bloemendaal. Waarom werd er een Jan David Zocher begraven in Bloemendaal in 1817 of 1827? De familie woonde toch helemaal niet in Bloemendaal. Het zou ook een her-begrafenis kunnen zijn van Jan David senior, die misschien eerder in Soestdijk was begraven?

Begraafplaats Kleverlaan, aangelegd en ontworpen door Jan David Zocher jr. Uitbreidingen van Louis Paul Zocher (ontwerp 1879) en Leonard A. Springer (ontwerp 1915)

Nader onderzoek wees uit dat Jan David Zocher jr. en zijn vrouw Amy May (weduwe van Arnoldus Martinus Penninck Hoofd en voor de tweede maal in 1819 gehuwd met Jan David Zocher jr.) geruime tijd na het overlijden van Penninck Hoofd (1818) op de buitenplaats van Pennink Hoofd hebben gewoond (L.P. Zocher werd in 1820 op Akendam geboren), totdat zij de plaats moesten verlaten omdat zij deze hadden verkocht aan de gemeente Haarlem, om er een buiten-begraafplaats te realiseren, naar ontwerp van Zocher jr. zelf. Waarschijnlijk is het gezin Zocher-May in 1827 vertrokken naar een huis op de kwekerij Rozenhagen te Haarlem (even buiten de Kennemerpoort). Als het jaartal 1827 wel correct is overgenomen, is het begrijpelijk dat er in 1827 niet begraven kon worden op Akendam, omdat Akendam vanaf die tijd op de schop ging.

Het nader onderzoek bracht ook nog een geheel andere kijk op de zaak naar voren, die mogelijk tot de meest logische oplossing leidt. Jan David en Amy May kregen in 1820 een zoon, de eveneens bekende tuinarchitect Louis Paul Zocher. Een paar jaar later kreeg Louis Paul een zusje, genaamd Amy Zocher (geboren 10-01-1825 en overleden 27-04-1827). Zou de grafsteen op de oude begraafplaats te Bloemendaal haar grafsteen kunnen zijn en zouden op die grafsteen ook de namen van haar vader en moeder zijn gehakt en zouden die nu bijna 200 jaar later grotendeels onleesbaar zijn geworden? Mogelijk zijn die namen dan maar half en half te lezen geweest en heeft Mw. Louisse alleen het jaartal van overlijden en de naam van de vader kunnen noteren? Het lijkt een logische oplossing; we wachten rustig af tot de vrijwilligers de steen vinden en fotograferen. Wordt vervolgd.

het gestolen schilderij en de kerkjes van Van Gogh

Vincent van Gogh. Lentetuin. Pastorietuin te Nuenen. 1884. Collectie Groninger Museum. Olieverf op papier (op houten paneel geplakt)

Dit unieke schilderij Lentetuin, pastorietuin te Nuenen, in 1884 geschilderd door Vincent van Gogh, is zondag 29 maart 2020 gestolen uit het Singer Museum, waar het deel uitmaakte van de tentoonstelling Spiegel van de ziel. Toorop tot Mondriaan.

(overgenomen van whichmuseum.nl): ‘In deze tentoonstelling staat de private wereld van de 19de-eeuwse Nederlandse kunstenaar centraal. Het gaat hier om schilder- en tekenkunst als persoonlijke uiting. Thema’s als het interieur, het stilleven, de besloten tuin, maar ook de geesteswereld van de kunstenaar komen aan bod. Er is werk te zien van o.a. Jan Toorop, Vincent van Gogh, Willem Witsen en Piet Mondriaan’. 

Dat het (bovenstaande) schilderij van de pastorietuin een persoonlijke uiting is van de kunstenaar Vincent van Gogh is alleen al duidelijk omdat het de tuin betreft van zijn ouders achter de pastorie in Nuenen. In de verte zien we de toren van de Oude Kerk van Nuenen. Dit is niet de Hervormde kerk waar Vincent’s vader dominee was, maar de oorspronkelijk rooms katholieke kerk gebouwd in de tweede helft van de 15de eeuw, die in 1823 werd afgebroken, op de toren na, die in 1885 werd gesloopt, een jaar nadat Vincent Van Gogh het schilderij van de Lentetuin / pastorietuin en de Oude Kerk maakte. Vincent woonde sinds eind 1883 in Nuenen, zodat we mogen aannemen dat hij van de afbraak op de hoogte was geweest en dat hij juist als herinnering deze toren heeft willen verenigen met de achtertuin van de pastorie waar zijn ouders nog niet zo lang woonden. De Ned. Hervormde kerk van zijn vader is bekend van het schilderij ‘het uitgaan van de kerk in Nuenen’ uit 1884-1885.

Links: Hervormde kerk van Nuenen.
Rechts: Het ‘uitgaan van de Hervormde kerk van Nuenen’, geschilderd door Vincent van Gogh, 1884-1885. Collectie Van Gogh Museum
Vincent Van Gogh. Oude Kerk en begraafplaats Nuenen, 1884. Coll. Stiftung Sammlung E.G. Bührle. Dit is de kerk die ook op het schilderij van de lentetuin voorkomt

Nogmaals De Nieuwe Ooster en een borstbeeld van LEONARD SPRINGER

Vorige week maakte ik een uitstapje naar De Nieuwe Ooster omdat ik daar een tentoonstelling wilde zien in het Uitvaart Museum en ook zin had daar weer eens te genieten van de rust en goede sfeer op deze begraafplaats en de bijzondere bomen die de tuinarchitect Leonard Springer daar aan het eind van de negentiende eeuw geplant had. Aangezien ik eerder die middag de oude hortus op de Plantage Middenlaan had bezocht, was ik nogal laat en besloot dan eerst maar de tentoonstelling in het Uitvaartmuseum “Tot Zover” te bekijken. Ik kwam speciaal voor de knekelberg van Herman de Vries, die daar echter niet ‘in natura’ was te bewonderen, maar ‘op foto’ hing in de tentoonstellingszaal, aangezien deze berg niet verplaatsbaar is en zich in Vlaanderen bevindt. Heel bijzonder was hij wel.

Herman de Vries. Knekelberg. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

In verband met de inzamelingsactie t.b.v. een borstbeeld van de tuinarchitect Leonard Springer (zie ook vorig bericht), wil ik hier nog eens nader ingaan op Springers betrekkingen met De Nieuwe Ooster. Leonard Antony Springer was een zoon van de bekende Amsterdamse historieschilder Cornelis Springer (1817-1891) en Geertrui ten Cate (1819-1902). Cornelis’ voorvaderen kwamen al generaties lang voort uit een Amsterdams geslacht van timmerlieden, aannemers en architecten. Zijn vader en ook zijn drie oudere broers Hendrik, Jan Cornelis en Willem (van 1858 tot 1890 opzichter Publieke Werken Amsterdam) waren allen architect en/of timmerman evenals Jan, de zoon van Willem. Cornelis was als kunstschilder dus het buitenbeentje van de familie, maar de onderwerpen die hij schilderde, hadden toch bijna altijd architectuur tot onderwerp. 

Cornelis kreeg van zijn oudste broer Hendrik les in bouwkundig tekenen en perspectiefleer en wist met die kennis zijn stads- en dorpsgezichten een realistisch aanzien te geven. Leonard kreeg op zijn beurt weer les van zijn vader en van zijn Oom Willem. 

In dit kunstzinnige milieu groeide Leonard op als kind in een gezin van zes kinderen, dat woonde op de Overtoom, vlakbij het Vondelpark, dat tijdens zijn jeugd werd aangelegd. Langs de Overtoom, waar in het verleden verschillende Amsterdammers zich een buitenplaats hadden laten bouwen, verliet men in die tijd de stad in de richting van Amstelveen en Sloten. Het gebied fungeerde als een schakel tussen de drukke stad en het aangename buitenleven. Ook Leonard wandelde samen met zijn vader en broers geregeld langs deze weg de stad uit en kwam dan thuis met planten en boomtwijgen in zijn botaniseertrommel. De financiën voor de aanleg van het park werden door de burgers zelf opgebracht en de familie Springer die zeer bij de ontwikkeling van de stad was betrokken, zal zeker aan dit initiatief hebben bijgedragen. 

In ieder geval is bekend dat de jonge Leonard sinds de aanleg van het park geïnteresseerd was geraakt in de totstandkoming ervan. Aangenomen wordt dat hij hierdoor enthousiast geworden is voor tuinarchitectuur, tuinbouw en bosbouw.
Op 15 juni 1865, toen Leonard 10 jaar oud was, werd het eerste deel van het toen genoemde ‘Nieuwe Park’ (ontwerp J.D. en L.P. Zocher) opengesteld. Jammer genoeg zijn er uit deze jaren geen catalogi van de kwekerij van de Firma Zocher en Co. bewaard gebleven, zodat we ons geen exact beeld kunnen vormen van de toegepaste soorten. Er zullen echter niet veel exoten zijn geplant, daar de ondergrond van laagveen hier niet geschikt voor was. Na zijn lagere en middelbare schoolopleiding koos Springer voor de nieuw opgerichte tuinbouwschool ‘Linnaeus’ aan de Middenweg in de Watergraafsmeer, die hij van 1871-1874 heeft bezocht. ‘Linnaeus’ was gevestigd op de buitenplaats Frankendael en was eigenlijk een handelskwekerij met een opleiding voor boomkwekers. Onderwijs in tuinarchitectuur en evenmin in bosbouw bestond toen nog nergens in Nederland. Wilde men zich bekwamen in deze vakken, dan was zelfstudie de enige weg. Door het meedoen aan prijsvragen en het geven van ongevraagde adviezen heeft Springer langzaamaan een plaats in de wereld van de tuinarchitectuur en bosbouw verworven. 

Ontwerp De Nieuwe Oosterbegraafplaats / Leonard Springer, 1889. Coll. Bibliotheek Wageningen UR, Afd. Speciale Collectie. Links boven op de plaats waar geschreven staat “Oud Roosenburch”, is nu het Uitvaartmuseum “Tot Zover”

 Zijn eerste prijsvraag-ontwerpen (uitgeschreven door de gemeente Amsterdam in 1888 en 1890) betroffen ‘De Nieuwe Oosterbegraafplaats’ en het ‘Oosterpark’, beide gepland in de Watergraafsmeer. Voor de Nieuwe Oosterbegraafplaats werden door de gemeente naast Springer ook H. Copijn, L.J. Ritter en de firma J.D. en L.P. Zocher uitgenodigd. De Zochers zagen af van deelname. De locatie in de Watergraafsmeer was een voordeel voor Springer omdat hij al in deze polder had gewerkt. Hij had immers op ‘Linnaeus’ ervaring in het boomkwekersvak opgedaan en wist precies welke bomen en andere houtige gewassen hier goed zouden kunnen aanslaan.
Springer deed aan beide prijsvragen mee en heeft ook beide gewonnen. De ‘parken’ werden door Springer ontworpen in de ‘gemengde’ of ‘late’ landschapsstijl. Gebogen paden, harmonieus gecombineerd met boom- en heestergroepen en solitaire bomen op karakteristieke zorgvuldig uitgezochte plaatsen bepalen de grote lijnen in deze stijl. Enkele kleinere rechtlijnige parkdelen worden met deze natuurlijke lijnvorming samengevoegd. 

 We gaan ervan uit dat de jury Springer’s beide ontwerpen heeft uitverkoren vanwege zijn stijlopvattingen, zijn aanpassingen aan de vlakke polder-omgeving en zijn deskundige beplantingsadviezen. Toch had hij nog een streepje voor. Oom Willem Springer was in die jaren assistent-stadsarchitect Publieke Werken van de gemeente en zal zeker zijn invloed hebben doen gelden. 

In Amsterdam heeft Springer door de aanleg van (het eerste deel van) de Nieuwe Ooster en het Oosterpark bekendheid gekregen. In vakkringen rees zijn ster doordat hij mede-oprichter was van de Bond van Nederlandsche Tuinarchitecten (1922) en de Nederlandsche Dendrologische Vereniging (1924). 

Tegenwoordig wordt de Nieuwe Ooster een arboretum genoemd, dat wil zeggen dat hier op deze plek veel verschillende soorten bomen groeien, zowel loofbomen als naaldbomen. De wandelaar wordt telkens weer verrast door zonbelichte en/of donkerbladige bomen, door solitaire naaldbomen en door stammen, bladeren, bloemen en vruchten in alle vormen en kleuren. De oorsprong van deze verscheidenheid is te danken aan de tuinarchitect en dendroloog Leonard Antony Springer, die zijn grote dendrologische kennis ter beschikking stelde aan deze prachtige bomentuin met vreedzame rustplaatsen voor velen. 

Informatie en schenkingen: denieuweoosterbomenpark.nl

sponsoring borstbeeld leonard springer

Springer Sponsor Roadtrip

In het kader van de inzamelingsactie ten behoeve van het plaatsen van een bronzen beeld van de heer Leonard Anthony Springer op De Nieuwe Ooster kunt u zich inschrijven voor een unieke Springer Roadtrip.

L.A. Springer ontwierp in Amsterdam-Oost twee bekende groenprojecten, namelijk De Nieuwe Ooster (Begraafplaats) en het Oosterpark. Ook de buitenplaats Frankendael was voor hem vertrouwd terrein, omdat hij daar op de bekende tuinbouwschool ‘Linnaeus’ had gezeten, van 1871-1874. In 1873 maakte hij een gedetailleerde plattegrond van die buitenplaats. Lees meer….

Op 2 november (en eventuele volgende nog bekend te maken data) wordt u per (9-pers) bus vervoerd vanaf De Nieuwe Ooster naar diverse locaties in Noord Holland, die naar tuinen, parken of begraafplaatsen leiden die Springer heeft ontworpen en aangelegd. In ieder geval bezoeken we ook de begraafplaats in Bloemendaal.. Behalve dat hij deze begraafplaats heeft ontworpen heeft hij hier ook zijn laatste rustplaats.
Onderweg krijgt u informatie en wordt u koffie/thee met wat lekkers en een lunch aangeboden. Aan het eind van de middag wordt u weer keurig naar De Nieuwe Ooster gebracht.

Deze geheel verzorgde dag wordt u aangeboden voor het sponsorbedrag van € 100,-
De eerst tripdatum is gesteld op zaterdag 2 november. We vertrekken om 9.30 uur vanaf de parkeerplaats van De Nieuwe Ooster aan de Rozenburglaan en hopen rond 16.00 uur weer terug te zijn. Aan de hand van de hoeveelheid aanmeldingen kunnen meerdere trips ingeroosterd worden. 
U kunt uw sponsorbedrag overmaken op rekening NL76 INGB 0003 6991 05 t.n.v. stichting Arboretum De Nieuwe Ooster.

U kunt zich voor deze trip inschrijven via een formulier, dat u kunt vinden op denieuweoosterbomenpark.nl/springer-sponsortrip/

Verder is op woensdag 9 oktober in de aula van De Nieuwe Ooster een bijeenkomst vanwege het 125 jaar bestaan van het park. Op die middag wordt een boekje uitgereikt met interviews over de mensen van D(e) N(nieuwe) O(oster). Het kleibeeld van Springer wordt dan ook tentoongesteld met een verwijzing naar onze geldinzamelings-acties.

het land van de Grote geest en FRANS BUBBERMAN

Frans Bubberman maakt oeroude rotstekeningen op een monoliet zichtbaar met wit krijt. Sipaliwini-savanne Zuid-Suriname

Gisteravond (2 juli 2019) waren wij met familie en vriend van mijn man bijeen om Feddo Oldenburger (1937-2017) te herdenken. Hij had in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw deel uit gemaakt van twee botanische expedities naar de Sipaliwini-savanne in Zuid-Suriname, op de grens van Brazilië. Een droomlandschap waar nog steeds Indianen (Trio’s) heer en meester zijn.

Zie de resultaten van deze expedities: http://sipaliwinisavanna.com

Een vrij onbekend gedicht van J.E. Bazuin heb ik tijdens die maaltijd voorgelezen, ter nagedachtenis aan mijn man en ook aan mede-expeditieganger Frans Bubberman, die in mei jl. is overleden. Een recent bericht uit de Volkskrant plaats ik hier, na het Sipaliwini-gedicht.

Sipaliwini-savanne. Uit: ‘Sporen van menselijke bewoning’ / J.E.Bazuin. Paramaribo, 1972.

NACHT.

aarde reist door een nauwe schacht / de donkere baarmoeder van de ruimte / heeft alles straks aan het licht gebracht / kersrood en nieuw bedacht / in de savanne huivert het gras / en de granieten monolieten / zit de dauw in de kouwe kleren / vogels strekken de keel bevolken / de stilte met hun ontluikende taal / de trillende pijlen van het licht / drijven de dieren uit hun verstening / wolken schrijven hun onnaspeurbaar verhaal. / maar ook vandaag zal niemand de sporen lezen / noch de buit binnenhalen / en de Grote Geest wacht ’s avonds vergeefs / op de thuiskomst van zijn rode broeders / het vuur en de dans tot zijn vergenoegen. men heeft het de goden vergeten te melden / dat dié zijn verdwenen / buitenspel gezet in het bitter stratego / van vreemde heersers en baatzuchtigere volken / doch zij blijven waken / met buitenmenselijk geduld / hoezeer ook verlaten / en allesbepalende trouw.

Overgenomen uit De Volkskrant 24 juni 2019:

Peter de Waard. Het eeuwige leven Frans Bubberman (1929-2019).

Frans Bubberman (1929-2019), de man die het Surinaamse oerwoud kon lezen

Foto uit Reisverhalen Sipaliwini Savanna 1963. Op weg van Paloemeu naar de Sipaliwini.

“In de oorlog ontsnapte hij aan de nazi’s door uit een rijdende trein te springen. Daarna werkte hij als bosbouwer in de jungle van Suriname, waar hij na de coup werd ‘weggepest’.

Frans Bubberman.

De jungle noemde hij ‘het bos’. Zijn leven bracht Frans Bubberman door in ‘het bos’. Hij kon ‘het bos lezen’. Uit de vegetatie van de immense Surinaamse oerwouden kon hij zien of daar in de buurt ooit indiaanse nederzettingen waren geweest. In het Historisch Nieuwsblad vertelde Annejet van Zijl een keer hoe zij hem had leren kennen na het verschijnen van haar roman Sonny Boy.

‘Hij schreef dat hij foto’s had van De Dageraad, de plantage waar de voorouders van mijn mannelijke hoofdpersoon vandaan kwamen. Zelf had ik ook geprobeerd daar te komen, maar alle toegangswegen waren toen al overwoekerd of dichtgeslibd. Hij had de restanten gevonden en de ijsselsteentjes meegenomen. Daarmee is nu de binnenplaats van Fort Zeelandia bestraat.’

Bubberman overleed 15 mei op 90-jarige leeftijd. Hij kampte al jaren met evenwichtsstoornissen, waardoor hij beperkt was in zijn activiteiten.

Bubberman werd als zoon van een dierenarts geboren in Nederlands-Indië. Vlak voor de oorlog keerde het gezin met vier kinderen terug naar Nederland, waar zijn vader ging werken bij de diereninspectie in Rotterdam. Het gezin ging wonen in Schiedam. Op 14 januari 1945 viel daar de Gestapo binnen. De hele familie, man, vrouw, twee zoons en een dochter (de andere woonde in Groningen), werd afgevoerd naar de strafgevangenis in Scheveningen, bijgenaamd het Oranje Hotel. Frans’ broer Ary Bubberman had voor het verzet wapens verborgen.

De drie mannen werden daarop op transport gezet naar het beruchte concentratiekamp Neuengamme. De 17-jarige Frans redde zich door vlak voor de Duitse grens uit de rijdende trein te springen. Vier nachten liep hij door bezet Nederland naar het noorden, waar hij onderdook bij zijn zus. Na de oorlog bleken zijn vader en broer te zijn omgekomen.

Bubberman ging tropische bosbouw studeren in Wageningen. In Suriname kreeg hij een baan als houtvester bij ’s-Lands Bosbeheer (LBB). Door middel van intensief veldwerk ontwikkelde hij een methode om het waardevolle schilfhoutsoort baboen via luchtfoto’s op te sporen. Ook lukte het hem op grond van de vegetatie plekken te ontdekken in de enorme oerwouden die ooit bewoond waren. Zijn zoon Bart Bubberman noemt zijn vader een geweldig verteller, waardoor hij heel geliefd was bij de Surinamers.

In 1964 werd hij benoemd tot hoofd van het LBB. ‘Hij werd een groot kenner van het tropisch oerwoud en verrichte pionierswerk op het gebied van archeologie en cartografie van Suriname’, zegt Hillebrand Ehrenburg, die zelf jarenlang in Suriname werkte en nu een boek schrijft over de infrastructuur van het land. In totaal werd onder Bubbermans leiding 1.500 kilometer aan ontsluitingswegen en oeververbindingen over de vele rivieren aangelegd.

‘Nadat Desi Bouterse de macht had gegrepen door een militaire coup, werd het werken hem onmogelijk gemaakt. Hij zei dat hij werd weggepest’, aldus Ehrenburg. Hij werkte nog twee jaar aan een brug in Suriname en keerde in 1984 terug naar Nederland. Eerst streek hij neer in Doetinchem, later ging hij in Rheden wonen. In 1985 overleed zijn echtgenote. Bart Bubberman: ‘Elke winter ging hij voor drie maanden terug naar Suriname om mee te helpen aan archeologisch onderzoek en andere museale werkzaamheden. Later deed hij dit ook op St. Eustatius.’

Annejet van Zijl bewonderde zijn positieve instelling: ‘Niets heeft hem bitter kunnen maken. Nog altijd kijkt hij de wereld rond met de blijmoedigheid van de onbezorgde 17-jarige die hij ooit was.’ “

Zie ook ter afsluiting het Reisverslag van Frans Bubberman (onderdeel van de genoemde website www.sipaliwinisavanna.com) met veel informatie over de archeologie van de Sipaliwini Savanna en vol spannende, persoonlijke herinneringen.

Beschermwaardige houtopstanden Amsterdam

Openbare Ruimte en Groen

Het college van B en W van Amsterdam heeft één centrale adviescommissie voor monumentale bomen ingesteld. Deze commissie adviseert de gemeente over welke bomen op de lijst ‘beschermwaardige houtopstanden’ moeten worden geplaatst. Door deze lijst behoudt Amsterdam een bijzondere collectie levend erfgoed die qua uitstraling, ecologie en educatie past bij de stad. Juliet Oldenburger maakt deel uit van deze adviescommissie.

Ruimte & Duurzaamheid en Monumenten & Archeologie hebben het initiatief genomen samen met de stadsdelen de kaart monumentale bomen en ander waardevol groen te ontwikkelen. De kaart geeft zowel de beschermwaardige houtopstanden weer (waaronder monumentale bomen) als de groene rijks- en gemeentelijke monumenten.

Kaart monumentale bomen en ander waardevol groen

Amsterdam plant al meer dan 400 jaar bomen. Storm, boomziekten en de dynamiek van de stad maakt echter dat de oudste bomen in deze stad ‘slechts’ zo’n 250 jaar oud zijn. Het grachtenpatroon met bomenrijen is uniek in de wereld. Om waardevolle bomen en houtopstanden beter te beschermen en beheren stellen stadsdelen – of voor grootstedelijke gebieden de centrale stad – lijsten van beschermwaardige houtopstanden vast. Dit gebeurt op basis van bomenverordeningen. De beschermde status houdt in dat een boom in principe niet wordt gekapt. Ook wordt er extra aandacht aan het beheer en aan het onderhoud besteed. De diverse lijsten zijn samengebracht op deze kaart.

Een ‘beschermwaardige houtopstand’ is een monumentale boom of een andere houtopstand, zoals houtachtige klimplanten, herdenkingsbomen, klim- en klauterbomen en bijzondere heesters. Een monumentale boom heeft minstens een van de volgende kenmerken: beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, natuurwaarde en zeldzaamheidswaarde. De minimale stamomtrek is 31 cm. Overige beschermwaardige houtopstanden kunnen ook jonger zijn, zoals bijvoorbeeld herdenkingsbomen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘boom die alles zag’ in de Bijlmer.

Groene rijks- en gemeentelijke monumenten
Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Let op
Het is een kaart in ontwikkeling die wordt aangevuld zodra nieuwe beschermwaardige houtopstanden zijn benoemd of bestaande lijsten zijn geactualiseerd. Stadsdelen hanteren soms andere definities van monumentale bomen. Op deze kaart zijn alle bomen en houtopstanden ondergebracht onder bovenstaande stadsbrede definitie.

(voor het grootste deel overgenomen van: https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/gebouwen-gebieden/monumentale-bomen/

Nieuws over Harmen de Vries (1753-1837), architect en ‘projectontwikkelaar’

Met een boekwerkje getiteld ‘Johannes Montsche & Harmen de Vries’ (uitgegeven door TuinTerTijd Bureau voor Tuinhistorie 2013) èn met een later artikel ‘Harmen de Vries en Zoon’ in Cascade Bulletin Jg.20 (2017), nr.1 (p. 25-35), heeft Arinda van der Does aandacht gevraagd voor genoemde architecten. Nieuwe gegevens over Harmen de Vries werden recentelijk door ons gevonden in verband met buitenplaatsen die hij door koop verwierf, namelijk Rozenburg in de Watergraafsmeer en Wallenstein in Loenen aan de Vecht.

Rozenburg, uit de Bloemperken naar het Huis. Ets Daniël Stopendaal, 1725. Stadsarchief Amsterdam
Toegangshek Buitenplaats Wallestein, XVIII. Loenen a/d Vecht

Er zijn een klein aantal ontwerpen van Harmen de Vries bekend (Library Wageningen University / Special Collections heeft enkele buitenplaatsen en een toegangshek, en Stadsarchief Amsterdam bewaart enkele ontwerpen van huizen en een kerk en een duiventil), maar tot voor kort was het zo goed als onbekend welke (delen van) buitenplaatsen en welke huizen deze ontwerpen voorstelden en kenden we ook weinig persoonsgegevens van De Vries. In genoemde artikelen worden enige vragen opgelost, maar het is duidelijk dat meer gegevens vinden over deze personen deels afhankelijk zal zijn van toevallige vondsten, zoals deze.

De buitenplaats Rozenburg (of Oud-Rozenburg of Meerlust of het Viskaantje) was gelegen in de Watergraafsmeer, ten zuiden van de in 1890 door Leonard Springer ontworpen Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Topografische kaart 1894, met de Nieuwe Oosterbegraafplaats en de buitenplaats Rosenburgh

Op de website Buitenplaatseninnederland.nl (met verwijzingen naar oudere bronnen) is te lezen over Rozenburg: “Govert Loten liet in 1642 op deze plek een huis bouwen dat hij Het Viskaantje noemde. In 1681 kocht de Amsterdamse zijdefabrikant Jacob van Lennep (1631 – 1704) de buitenplaats en noemde het Meerlust. Via de dochter van Jacob van Lennep, Ingena, kreeg haar echtgenoot Pieter Rutgers de buitenplaats in bezit. In 1697 werd hij door keizer Leopold I in de adelstand verheven en kreeg hij de toevoeging ‘van Rozenburg’ bij zijn naam. Híj zal dan ook de naam Rozenburg aan zijn Amsterdamse buitenplaats hebben gegeven… … In 1801 werd de buitenplaats eigendom van Harmen de Vries en Roelof Gelke. Gelke richtte er na 1802 een theetuin in. In het begin van de 19e eeuw werd de uitspanning Oud-Rozenburg genoemd. In 1914 kocht de gemeente Amsterdam de buitenplaats voor uitbreiding van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Leonard Springer maakte ook het ontwerp voor de uitbreiding in 1916. Het huis is verdwenen. Landgoed Rozenburg is nu onderdeel van de Oosterbegraafplaats”.

Over de buitenplaats Wallensteyn (Loenen aan de Vecht) is het volgende bekend (buitenplaatseninnederland.nl): “Op een kaart uit ca 1710, die uitgegeven werd door Nicolaas Visscher en gegraveerd door P. Schenk voor Giorgio de Haze, Heer van Mijnden, komen we de naam Wallesteyn voor het eerst tegen. Wallesteyn ligt ten noorden van Kickestein, een buitenplaats die we al op een oudere kaart tegen komen. De vroegst bekende eigenaar was Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde, die het huis in 1698 kocht. Haar zoon Jacob werd in 1711, een jaar voor haar dood, schepen van Loenen. Waarschijnlijk had hij in 1710 al de buitenplaats van haar overgenomen. Op een kaart van Covens en Mortier van Loenen uit 1726 komt men de buitenplaats Wallesteyn weer tegen, het landgoed is dan echter uitgebreid met Kickestein. Na 1710 wordt door Jacob Balde het huis Wester Klip aangekocht en in 1726 de ambachtsheerlijkheid Loenen en Nieuwersluis van Dirk Fiool. Jacob sterft in 1730 en zijn broer Jan erft Wallesteyn… …”

Dan volgen gegevens over de tijd van Jan Balde, IJsbrand Balde.

“Als IJsbrand in 1770 sterft, gaan zijn bezittingen naar zijn vrouw Nicola Geertruij Smissaert, en noemde zij zich Vrouwe van Kronenburg, Loenen, Loenersloot, Nieuwersluis, enz. De dochters van IJsbrand en Nicola Geertruij erven de bezittingen in 1795. Aan het begin van de 19e eeuw worden de bezittingen één voor één verkocht. De jongste dochter Anna Adriana, die getrouwd was met Mr. Hendrik Huygens verkoopt Wallesteyn voor f. 33.100,- waarbij nog f. 500,- extra betaald moest worden voor de beelden in de tuin. De nieuwe eigenaar wordt Harmen de Vries, architect te Weesp. Om een idee van de waarde van het geld moet je het bedrag met 100 vermenigvuldigen. Niet lang na 1811 werd het huis gesloopt. Waarschijnlijk werden de bomen en al het afkomende materiaal van de afbraak door architect De Vries geveild, waarna de plaats weer een agrarische funktie kreeg“.

Hierna volgt een uitgebreide beschrijving van huis, bouwhuizen, stallen, duiventil, etc. uit de tijd van de fam. Balde. Daarna de volgende tekst over de tuin, waar mogelijk Harmen de Vries de hand in heeft gehad.

“Oorspronkelijk was de tuin een Franse geometrische tuin, die een aantal jaren voor 1811 veranderd werd in Engelse landschapstuin. In de tuin komen we een aantal vruchtdragende bomen tegen, maar ook exotische planten en gewassen. Achter het huis bevond zich een groot bos met slingerpaden en een grote goudviskom. In de tuin stond een grote achtkante stenen koepel. Het dak van deze koepel russte op losstaande zuilen, waartussen zich fraaie beelden bevonden. Vanuit de ruime kamer in de koepel had men fraai uitzicht op de Vecht en de daarlangs lopende rijweg. Verder had deze koepel een buffet en een secreet. Tot het landgoed behoorden verder twee grote moestuinen, een kas voor perziken, een kas voor bloemen, een grote schuur, twee hooibergen en een wagen- en gereedschapsschuur. Tot slot was er nog een tweede stenen koepel, die tevens dienst deed als duiventoren. Aan de achterkant grensde de buitenplaats aan het land van Het Huis te Velde, dat toen al lang een boerderij was. Deze boerderij was ook bezit van mevrouw Huygens-Balde. Over de sloot, die scheiding maakte tussen Wallestein en Het Huis te Velde, lag een draaibruggetje, zodat men over eigen terrein naar de Slootdijk kon lopen. Het landgoed was 21 morgen groot, inclusief vijf morgen weiland. Daaromheen lagen nog 19 morgen hooi- en weiland, die vroeger tot de buitenplaatsen Westerklip en Kickestein behoorden. Op de twee bewaard gebleven pilaren van het toegangshek bevinden zich twee schilden. Het ene schild draagt het wapen van IJsbrant Kieft Balde en de andere die van zijn vrouw Nicola Geertruy Smissaert.

Bewoners:

1698 – 1712 Hester Casteleyn, weduwe van Jean Balde
1712 – 1730 Jacob Balde, getrouwd met Anna Marie Kieft
1730 – 1734 Anna Marie Kieft
1734 – 1763 Jan Balde sr.
1763 – 1770 IJsbrand Kieft Balde, getrouwd met Nicola Geertruy Smissaert
1770 – 1795 Nicola Geertruy Smissaert
1795 – 1811 Anna Adriana Balde
1811 Harmen de Vries (koop f. 33100)”

De hamvraag is nu: hebben de ons bekende ontwerpen van Harmen de Vries (tuinontwerpen, huizen, hek, duiventil) iets te maken met de buitenplaatsen Rozenburg en/of Wallestein? het is wel toevallig dat er in het geval van Wallestein gesproken wordt van een tuin die in landschapsstijl is veranderd, en ook van een hek, huizen en een duiventil. Maar nader onderzoek is nodig. Op het eerste gezicht zijn er wel details die overeen komen (bij het hek en een huis), maar is er geen sprake van 100 % overeenkomst. De tuinontwerpen moeten nog met kaartmaterialen worden vergeleken. Hoe dan ook, dat Harmen de Vries buitenplaatsen opkocht, zoals veel meer bekende architecten deden in de economisch zwakke periode rond 1800, moge duidelijk zijn.

Wie is de architect van de buitenplaats Oud-Rosenburg in 1775 of in 1825 in Den Haag / Loosduinen?

Oud-Rosenburg, ook gespeld Rozenburg en eertijds bekend onder de naam Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag / Loosduinen is een buitenplaats, die sinds 1895 qua functie te vergelijken is met de buitenplaats Meer en Berg in Santpoort, in 1849 bestemd tot Provinciaal Ziekenhuis, beide psychiatrische inrichtingen. De gronden van deze instituten gaan evenals kloostergronden steeds meer onze aandacht vragen omdat de indeling van park en tuinen, na eerder te zijn afgedaan als onbelangrijk en volledig verkaveld en niet meer interessant, toch na meer dan honderd jaar soms (op detail) wel interessant blijkt te zijn. Zo ook kwamen huis en park van het Apeldoornsche Bosch, het vroegere Centraal Israelitisch Krankzinnigengesticht onlangs weer in de belangstelling door het overlijden van Eli Asser die in 1943 in dit Nazi-concentratiekamp te werk werd gesteld. Hier werkte de tuinarchitect K.C. van Nes vanaf 1909.

J.D.Zocher jr. was de architect van zowel het huis Meer en Berg als de aanleg eromheen, maar wie kan nu de architect van Oud-Rosenburg geweest zijn? Ik denk direct aan Zocher, maar ook andere architecten komen in aanmerking.

Huis Oud-Rosenburg. Foto Carla Oldenburger, 2019

In 1895 werd de buitenplaats en het landgoed Oud-Rosenburg door jonkheer Louis Pierre Quarles van Ufford verkocht aan het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag.

Prentbriefkaart Oud-Rosenburg. Ca. 1908. Foto H. van Noort  Coll. Haags Gemeentearchief. De ingangstrap is in deze tijd naar het linker portiek verplaatst

Het huis werd in 1775 gebouwd in opdracht van Mr. Johan François van Byemont (schepen van Den Haag) op de plaats van een boerderij die zich tot kleine herenboerderij ontwikkelde.

J.F. van Byemont als jager, geschilderd door Mattheus Verheyden (1700-1776). Part.Coll.

Vanuit het midden van het huis had men zicht over een ‘grand canal of zichtkanaal’. Mr. Hendrik Hooft (1676-1752) kocht het goed in 1721 van Byemont. Leden van het regentengeslacht Hooft bleven de buitenplaats precies honderd jaar bewonen totdat jonkheer Louis Quarles van Ufford huis en landgoed kocht in 1821. In zijn tijd vond een verbouwing plaats in neo-classicistische stijl, waarbij het huis aan de voorzijde werd verrijkt met de aanbouw van twee zij-veranda’s. In 1849 staat in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa te lezen: (Oud-) Rozenburg. Dit buiten bestaat uit heerenhuis, en daarbij behoorende getimmerten, bouwmanswoning, blekerij en woonhuis, vijvers, wei-, hooi- en teelland, jagt en visserij…

Vóór de neo-classicistische verbouwing in de tijd van Quarles van Ufford werd het rechte zichtkanaal vóór het huis (zichtbaar op een anonieme tekening van 1804) veranderd in een enigszins slingerende vijver die aansluiting kreeg op de Haagvaart, om zo het park een landschappelijk aanzicht te geven. Deze slingerende waterpartij die in ieder geval van 1818 of eerder stamt, is nog steeds aanwezig hoewel niet direct zichtbaar. Zie de hieronder afgebeelde Google Earth-foto en het daaronder afgebeelde detail van de kadasterkaart uit 1818. Het licht groene vlakje in het midden van de Google-foto is de waterpartij (met veel kroos).

MIN08106A01, 20-04-2002, 12:40, 8C, 7804×11796 (2006+372), 125%, Minuutplan_Div, 1/80 s, R51.5, G25.2, B26.6. Kadasterkaart 1818

Tussen 1993 en 1995 volgde een ingrijpende verbouwing. De bijgevoegde eerste foto laat het huis zien aan het begin van de 21-ste eeuw. Het huis is sinds 1967  een rijksmonument.

Wie kan mij helpen aan de naam van de architect uit 1775 of  die van de restauratie/verbouw uit ca. 1825? Buitenplaats-architecten die in Nederland werkten in het laatste kwart van de 18de eeuw en/of in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn onder meer Leendert Viervant jr., Abraham van der Hart,  Jacob Otten Husly, Jan de Greef, Zeger Reijers en Jan David Zocher jr.  De laatste drie zijn tijdgenoten van elkaar. Zij volgden alle drie tegelijkertijd hun opleiding in Parijs en Reijers en Zocher vervolgden hun opleiding in Rome. Natuurlijk moeten we ook denken aan deskundige timmerlieden die samen met de opdrachtgever de klus zonder architect geklaard kunnen hebben.

Over Zeger Reijers (een leerling van zijn oom, de architect L. Viervant) is verder bekend dat hij na zijn opleiding in Parijs en Rome, in Juli 1813 terug was in Nederland en in Augustus 1819 werd benoemd tot stads-bouwmeester te ’s Gravenhage. Zeger Reijers ligt begraven op de historische Begraafplaats Oud Eik en Duinen, even ten oosten van Oud-Rosenburg (zie kaart hieronder).

Is Reijers wellicht de architect van de restauratie en verbouw van Oud-Rosenburg rond 1825? 

Kaart Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. 1927. Coll. Haags Gemeentearchief. Midden onder (lichtgroen) ‘Oud-Roozenburg’. Rechtsonder (lichtgroen) Begraafplaats Oud Eik en Duinen

Deze kennismaking met (oud-) Rozenburg brengt ons er toe meer aandacht te gaan besteden aan ziekenhuizen en medische instituten op voormalige buitenplaatsen.

Lit. D. Valentijn (red.). Rosenburg: van buitenplaats tot Zorgcentrum. Den Haag, 1995.

De tuinarchitect John Bergmans en de catalogi van Kwekerij Abbing te Zeist

Jl. Vrijdag 11 januari 2019 was ik te gast bij Kwekerij Abbing te Zeist omdat in hun prachtig aangeklede kas de presentatie werd gehouden van het nieuw verschenen boek over de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980), getiteld John Bergmans Tuinarchitect en plantenkenner, uitgegeven door Uitgeverij Verloren in de reeks BONAS Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen. Auteurs van het boek zijn Marianne van Lidth de Jeude en Johanna Karssen-Schüürman.  De heer Paul Machielsen hield een levendige inleiding over de geschiedenis van de kwekerij waar Bergmans ook ooit werknemer was.

Paul Machielsen vertelt over de historie van Kwekerij Abbing.

De oudste catalogi van kwekerij Abbing

Zie verder voor een indruk van de catalogi lager en onder volgende tekst.

Ik had met het tot stand komen van het boek niets te maken gehad, behalve dan dat ik in 1980, dus bijna veertig jaar geleden de collectie tekeningen, boeken, documentatiematerialen etc. als conservator van de Bibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool (Wageningen) had mogen ontvangen. Dat ‘ontvangen’ had voor mij als kersverse conservator (aangesteld in begin 1980) nog heel wat voeten in de aarde gehad, daar ik weliswaar conservator was geworden van een rijke landbouwkundige bibliotheek en van de bekende Springer-Collectie (ontwerpen van de tuinarchitect Leonard Springer, 1855-1940), maar nog geen beleid had ontwikkeld over het aantrekken van nieuwe collecties. Ik stortte me na de overhandiging dus maar samen met mijn kersverse bibliotheek-assistente op het inventariseren van deze omvangrijke collectie, zonder nog te weten hoe ik de afdeling Speciale Collecties (boeken en tijdschriften en ontwerpen/tekeningen/documenten) zou gaan uitbouwen. Dankzij het inventariseren van deze collectie werd me gaandeweg duidelijk waarom deze collectie met ontwerpen etc. van John Bergmans zo belangrijk was en waarom dit het begin was van de uitbouw van de Springer-Collectie en het begin van de unieke verzameling ontwerpen Tuin – en Landschapsarchitectuur, die nu bestaat uit duizenden en duizenden ontwerpen en documenten. De filosofie achter deze uitbreiding werd door mij verwoord in een artikel in het tijdschrift GROEN (oktober 1981, p. 453-458), getiteld ‘De John Bergmans-Collectie in de Centrale Bibliotheek van de Landbouwhogeschool’.  Hierin wordt uitgelegd waarom deze ontwerpen van John Bergmans naast de collectie ontwerpen van Springer zo’n belangrijke aanvulling vormden en dit beleid/filosofie is zeker 30 jaar nadien altijd het uitgangspunt gebleven. Het komt er op neer dat ontwerpen etc. worden opgenomen als ze wel in een zekere verhouding staan met de Springer Collectie. Zijn  de ontwerpen qua tijd voorafgaand of opvolgend aan de ontwerpen van Springer, vullen zij hiaten in de Springer Collectie op, zijn de ontwerpen van tijdgenoten van Springer of zijn ze getekend in dezelfde stijl of juist in een andere door Springer gehate stijl? Ook de locaties zijn belangrijk natuurlijk. Zijn de locaties vergelijkbaar met die waar Springer werkte of worden er juist regio’s belicht waar Springer niet werkte zodat ook hier weer van een aanvulling sprake is? Vormt de nieuwe collectie een tijdsbeeld of geeft het alleen herhalingen? Een optelsom van deze uitkomsten en nog andere (zie artikel) heeft mij als conservator altijd geholpen nieuwe collecties wel of niet aan te nemen. In het geval van de Bergmans -collectie werden de ontwerpen en documenten opgenomen in de Bibliotheek LH / Speciale Collecties en gingen de door Bergmans geschreven boeken en tijdschriftartikelen en kaartsystemen (op botanisch gebied) op verzoek van de botanicus dr. Onno Wijnands naar de vakgroep Plantensystematiek, omdat deze vakgroep dit materiaal vaker zou kunnen gebruiken.

De geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur is mede door de komst van de Bergmans-collectie (en later natuurlijk door veel meer andere collecties) duidelijk op de kaart gezet en de verzamelingen  op zichzelf zijn uniek voor Nederland te noemen.

Later in de jaren negentig (schat ik) werden in de Afdeling Speciale Collecties ook de verzamelde kwekerscatalogi (verzameld door het Instituur RIVRO) aangenomen als zijnde een meerwaarde voor de verzamelingen tuinontwerpen. Lang niet compleet (dat is onmogelijk), maar wel een rijke unieke collectie.  De collectie Abbing-catalogi is in Wageningen zeker niet compleet te noemen en daarom was het zo interessant dat Abbing jl. vrijdag speciaal voor deze gelegenheid een mooie tentoonstelling had gemaakt van al hun plantencatalogi. Het nu verschenen boek over John Bergmans behandelt overigens ook de door Bergmans in zijn ontwerpen voorgestelde bomen, heesters en vaste planten. Zij vormen een karakteristiek plantenbeeld uit zijn tijd.

Hieronder en hierboven een indruk van de catalogi die hangen in de kas (winkel) van Abbing en die u nog wel even kunt bewonderen.  Het adres is Odijkerweg 132-134 – 3709 JJ Zeist +31 (0) 343 513741.

IMG_0588.JPG

 

Het was beslist een levendige en interessante en goed verzorgde bijeenkomst. Dank aan Kwekerij Abbing.