Categoriearchief: Stadsparken

Zocher en de Oude Plantage in Rotterdam

J.D. Zocher, 1853. (gesigneerd en gedateerd). Ontwerp voor Villapark aan de Oude Plantage te Rotterdam. Coll. Stadsarchief Rotterdam

(287) Hierboven een ontwerp van J. D. Zocher jr. voor een villapark aan de Oude Plantage te Rotterdam. Hoewel het ontwerp bekend is onder de namen van J.D. en L.P. Zocher en ik ook altijd aanneem dat vader en zoon vanaf 1850 samenwerken, is de ondertekening deze keer toch alleen van Jan Zocher en is het jaartal 1853, hoewel alle bronnen het jaartal 1856 vermelden.

Op dit ontwerp is heel duidelijk sprake van een afwisselende wandeling langs een slingerende beek, langs heesterpartijen en open graspartijen. De Oude Plantage zelf maakte deel uit van een grotere groenaanleg, via de singels rond het oude Rotterdam tot aan Het Park aan de Westzeedijk. Nu neemt de aanleg niet meer ruimte in beslag dan een groene driehoek aan de buitenzijde van de Hoge Zeedijk van de Nieuwe Maas. Een deel van het voormalige park is tegenwoordig veranderd in een woonwijk. 

De Plantage dateert uit 1769 en bestond uit een formeel aangelegd park met rechte lanen. Het park was het eerste openbare park in Rotterdam en heette toen overigens Nieuwe Plantage. Als ontwerper wordt een zekere Zuidewijck genoemd. Het park werd echter door de Rotterdammers matig bezocht. 

Halverwege de 19de eeuw was het park, dat intussen wel was gemoderniseerd in vroege landschapsstijl, ernstig verwaarloosd. Omdat de Zochers een Nieuwe Plantage hadden aangelegd tussen de Oostzeedijk en de Oudedijk, was er vanaf dat moment sprake van een Oude Plantage (dit park langs de Nieuwe Maas) en een Nieuwe Plantage. De verwaarlozing zou misschien ten goede kunnen keren door er een villawijk aan te leggen en de Zochers kwamen toen met dit ontwerp. De as van het park werd gevormd door een natuurlijke beekpartij in de vorm van (zoals ik dat altijd noem) een uitgerekte ‘W’ en een uitgerekte ‘M’. De villa’s zouden volgens het plan van de Zochers alle schuin tegenover elkaar, aan beide zijden van de beekpartij, gebouwd gaan worden en ze hadden alle ook uitzicht op de beekpartij. De villa’s zijn er echter nooit gekomen. 

In 1897 werd het park door de gemeentelijke tuinarchitect D.G. Vervooren veranderd in late landschapsstijl, terwijl hier en daar de oude lanen herkenbaar bleven. Er werd een theeschenkerij ingericht en het parkbezoek nam toe. Tijdens de hongerwinter werden de bomen in het park echter door de Rotterdammers massaal gekapt en als brandhout opgestookt. Tijdens de Wederopbouw had de gemeente geen aandacht voor het park. Het theehuis raakte in verval en de jeugd kon zijn gang gaan in het verwilderde bos. Pas vanaf 1964 is men het terrein weer gaan inplanten met heesters en bomen. Moderne open zonne-weiden en een populieren-rond karakteriseren nu de plaats.

(gedeeltelijk overgenomen van https://natuurcentrum-rotterdam.nl/NATUUR/=NATUURGEBIEDEN/=PARKEN/=PARKEN%20ROTTERDAM/OUDE%20PLANTAGE.htm)

.

VAN BLOEMENMARKT NAAR POSTZEGELPLANTSOEN

(286) In Bericht 283 werd al gewag gemaakt van het nieuwe plantsoentje op de plaats van de voormalige postzegelmarkt, aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Dit Bericht concentreerde zich op de beplanting en het nieuwe ontwerp van de gemeente Amsterdam.

Hierbij aansluitend willen we nu nog iets verder op de historie van de locatie ingaan. In 2016 plaatsten we al een tekening van de bloemenmarkt van G. A. Berckheyde uit 1686. Toen de Nieuwezijds Voorburgwal in 1883 werd gedempt, moest de bloemenmarkt verhuizen naar de tegenwoordige plaats aan het Singel. Van de oude situatie op de St. Luciënswal (de locatie van de postzegelmarkt) kwamen we nu een gravure tegen van J. Cats (tek.) en J.P. Visser Bender (gravure) uit omstreeks 1800.

J. Cats (delin.) en J.P. Visser Bender (sculp.). Amsterdam, ca. 1800. Bloemenmarkt, later Postzegelmarkt, nog weer later Postzegelplantsoen. Coll. NHA.

De gracht is nog niet gedempt en boven de brug van de Paleisstraat zien we de achterkant van het stadhuis getekend, met Atlas die de wereldbol draagt, op het dak. Het huis waar we tegen aan kijken is het hoekhuis van de Wijdesteeg en de nering vindt plaats ongeveer ter hoogste van het Betty Asfaltcomplex. De belangrijkste informatie voor ons lezers van dit Bericht is dat we hier al twee rijen bomen zien, op regelmatige afstand van elkaar geplant, de linker, westelijke rij langs het tegenwoordige fietspad en de rechter, oostelijke rij langs de tegenwoordige trambaan. Daartussen bevindt zich nu het nieuwe postzegelplantsoen(tje).

De ingeburgerde Amsterdammers zullen weten dat aan de overkant van de trambaan, even ten noorden van de St.Luciënsteeg, een apart klein huisje staat. Het functioneert nu als koffie-afhaal-tentje, maar wat was de oorspronkelijke functie van dit gebouwtje?

Bouwtekening. Ontwerp Publieke Werken. Politiepost Nieuwezijds Voorburgwal, 1896. Type A (groot) en Type B (klein). Coll. Stadsarchief Amsterdam

Het huisje was oorspronkelijk bedoeld als politiepost, zoals de bouwtekening uit 1896 laat zien. Er waren verschillende modellen, de grootste stond op de Nieuwmarkt / hoek Zeedijk. Tussen 1915 en 1984 deed het dienst als toiletgebouw en tegenwoordig heeft het een horecafunctie. Het gebouwtje omvatte een wachtkamer voor agenten, een kamer voor de postcommandant, twee wc’s en een cel (het “suspecthok”).

Politiepost op de Nieuwezijds Voorburgwal, gebouwd in 1896.

Op de onderste linker plattegrond van de vier aangegeven locaties op de bouwtekening zien we de hoek St. Luciënsteeg / Nieuwezijds Voorburgwal aangegeven en de aangewezen locatie voor het politieposthuisje tegenover de twee rijen bomen ter hoogte van het tegenwoordige postzegelplantsoen.

Nu we de geschiedenis van dit stukje stad weer iets rijker hebben gemaakt, zal het ieder duidelijk zijn dat we zuinig op dit plantsoentje, en vooral zuinig op de bomen moeten zijn.

Nieuwezijds Voorburgwal: nieuw plantsoentje in Amsterdam: het postzegelplantsoen

(283) Op de Nieuwezijds Voorburgwal, tussen de Wijdesteeg en de Rosmarijnsteeg, ongeveer op de plaats van de postzegelmarkt, is een plantsoentje verrezen. De voetgangers en fietsers hebben hierdoor (gescheiden) ruim baan gekregen, terwijl de weg voor de tram en de auto’s smaller is geworden. Het doel is uiteraard het snelverkeer in de binnenstad te beperken.

Plantsoentje op de Nieuwezijds Voorburgwal (westzijde) tussen de Wijdesteeg en de Rosmarijnsteeg. Gevarieerde beplanting in de perkjes. Ook is duidelijk dat de voetgangers hier graag wandelen.. Foto Carla Oldenburger

De beplanting werd 26 april aangebracht; half juni is de officiële opening. De bomen zijn gelukkig blijven staan, voor een groot deel zijn ze nu in groene nieuw beplante perken opgenomen. De bomen die meer geïsoleerd langs het fietspad staan hebben een nieuwe keurig afgeperkte boomspiegel gekregen. Helaas zijn de wilde planten die in de oude boomspiegels waren uitgezaaid en ingeplant door een van de bewoners, op dat deel van de Voorburgwal voor een groot deel verdwenen. Enkele forse exemplaren mochten (voorlopig?) blijven, maar voor het overgrote deel zijn de boomspiegels nu kaal. Tussen de bomen langs het fietspad zijn nieuwe banken en bloemenbakken geplaatst. Kroonlantaarns zorgen voor verlichting. De paden zijn bestraat met klinkers, je vraagt je af of een halfverharding niet meer de sfeer van een plantsoentje had opgeroepen. De mate van waterafvoer zal hier een belangrijke rol hebben gespeeld.

Het zuidelijke deel van het plantsoentje nabij de Rosmarijnsteeg. Hier is het brede wandelpad te zien tussen het groene parkgedeelte en de bomen met kale boomspiegels en banken. Foto Carla Oldenburger
Worden deze boomspiegels nog voller beplant? Foto Carla Oldenburger
Noordelijke deel van het postzegelplantsoentje op de hoek van de Wijdesteeg. Foto Carla Oldenburger
Bloembakken op het Noordelijke gedeelte van het plantsoentje, langs het fietspad ter hoogte van het Betty Asfalt Complex. Foto Carla Oldenburger

Park Dersaborg in Valkenburg

(275) In Valkenburg aan de Wehryweg, even ten zuiden van het NS-station (oudste rijksmonument 1853) ligt Park Dersaborg. De naam doet vermoeden dat het park in Groningen ligt, maar niets is minder waar.

Valkenburg. Villa Dersaborg, de oude villa van Johann Georg Wehry. Gebouwd 1881. Vlakbij het huis een parkvijver met zwanen. Prentbriefkaart

Villa Dersaborg is gebouwd in 1881 in opdracht van de zakenman Johann Georg Wehry (ook wel bekend onder de naam Jean George Wehry), die van 1891-1894 burgemeester van Valkenburg was. Het huis is gelegen in de hoek tussen de Wehryweg en Geneindestraat. Johann Georg Marie Wehry (*Dinklage / Nedersaksen, 8 maart 1817) was de zoon van Johann Bernard Wehry en Maria Elisabeth Bernardina Fetter. Hij trouwde 29 april 1847 met Johanna Maria Hermina Maseland (* Utrecht, 2 augustis 1826, overleden 26 juni 1881) en overleed in 1898 op 80-jarige leeftijd.

Gemeentehuis en Park Dersaborg. Luchtfoto Google Earth 2020. Noorden boven. De weg die links langs het park loopt is de Wehryweg

Park Dersaborg is vanaf 1881 aangelegd in late landschapsstijl, voor het nieuwe geeemntehuis op dezelfde locatie als de oude villa, met drie grote perken tussen het huis en de Geneindestraat. In 1938 werd ongeveer ter plaatse van het eerste perk achter het huis een grote vijver aangelegd en we zien een grote rondwandeling . In de jaren vijftig van de twintigste eeuw was de bedoeling dat de Dersaborg na verkoop als gemeentehuis zou gaan functioneren. Het huis werd om deze reden na het overlijden van de schoondochter van Johann Georg (de laatste bewoonster) in 1955 aan de gemeente verkocht, maar na lang wikken en wegen is het pas in 1964 afgebroken om plaats te maken voor een nieuw gemeentehuis. Dit is voor het eerst te zien op de topofrafische kaart van 1968. De vijver werd bij de afbraak gedempt (op de top. kaart is dit echter pas te zien in 1978???) en het park werd gereorganiseerd. De oorspronkelijke beplanting van omstreeks 1881 bestond onder andere uit een aantal exotische bomen in de randen van het park. Het gaat hier om twee mammoetbomen (Seqoiadendron giganteum), twee Zilverlindes (Tilia tomentosa) en één Ceder (Atlasceder of Libanon Ceder?).

Park Dersaborg. Foto Wikipedia.
Zicht vanuit het park op het gemeentehuis. Foto Barry Kerckhoffs, 2022
Ingang tot het Park Dersaborg, met het originele toegangshek met hekpijlers. Foto Barry Kerckhoffs, 2022

Een quickscan op Internet brengt ons de volgende geschiedenis: In 1881 liet de zakenman Johann Georg of Jean George Wehry (firmant van Wehry & Willie, later hoofdfirmant van Geo Wehry & Co., een handelshuis voornamelijk in tabak en later textiel, opgericht in 1867 in Batavia), in Valkenburg de Villa Dersaborg optrekken. In voorgaande jaren verbleef hij tijdens vakanties met zijn gezin in het toenmalig bekende hotel Croix de Bourgogne, maar helaas kwam zijn echtgenote plotseling te overlijden, waarna Jean George besloot in Valkenburg een eigen huis te laten bouwen, zodat hij het graf van zijn vrouw regelmatig kon bezoeken. Villa Dersaborg was dus het gevolg van een trieste gebeurtenis, maar Valkenburg kreeg daardoor een prachtige buitenplaats cadeau, voorzien van een rijk interieur (o.a. één van de eerste Steinway-vleugels) en omgeven door een park met vijver in de zichtas.

Villa en Park Desaborg in het midden van de kaart, rechts onder het woord Station. Situatie 1924. Hier het oude huis Dersaborg te zien (midden op de kaart) met daaronder drie grasperken met bomen. In het park langs de Wehryweg een groenstrook
Villa en Park Desaborg in het midden van de kaart, rechts onder het woord Station. Situatie 1938. Op deze kaart het oude huis Dersaborg te zien en daaronder een vijver en daaronder de parkweide, omzoomd door bomen. Langs de Wehryweg aan de parkzijde een toegangslaan

Wehry, die intussen tot Nederlander was genationaliseerd, was zeer geliefd in Valkenburg en werd in 1891 zelfs burgemeester, maar overleed al snel in 1894. Zijn zoon Ivan George, gehuwd met de Akense Leonie Cassalette, is na het overlijden van zijn vader het landgoed gaan bewonen. Hij overleed in 1936, zijn echtgenote in 1955, het jaar van overdracht van het huis aan de gemeente. Op de kaart van 1938 is te zien dat er veranderingen in het park zijn aangebracht. Achter het huis is een vijver gekomen en er is een rondwandeling aangebracht. Het nieuwe gemeentehuis, werd in 1966 gebouwd naar ontwerp van architect Theo Boosten.

Grafkelder Familie Wehry. begraafplaats Cauberg, Valkenburg

De Familie Wehry is nog steeds een bekende familienaam in Valkenburg. Hun grafkelder (Caveau de la Famille Wehry) op de begraafplaats Cauberg is een rijksmonument. Het is uitgehouwen uit mergelsteen op een helling van de Cauberg en dateert uit 1885. Vader en moeder en zeven kinderen liggen hier begraven in grafnissen.

Het is wellicht interessant de tuinarchitect van dit park te achterhalen. We zouden kunnen denken aan (tuin)architect Lambert Freiherr von Fisenne, professor aan de Hochschule te Aken. Hij heeft zich ook bemoeid met het Proosdijpark in Meerssen (ca. 1890), waarin ook een vijver en een aantal exotische bomen zijn opgenomen. Het klooster en de kloosterkerk van de Franciscanessen In Valkenburg zijn ook van zijn hand. We gaan dit verder onderzoeken.

Essentie van inboeten en klimaatverandering

Wouter Johannes van Troostwijk. Vreugdenhof aan den Amsteldijk uit het huis te zien. 1805. Tekening zwart krijt gewassen in kleur. Geveild bij Christie’s 2014. Part. Collectie

(270) Op bovenstaande afbeelding is heel duidelijk een ingeboete boom te zien. De essentie van het begrip ‘inboeten’ is Het opnieuw inplanten op plaatsen waar andere planten zijn weggevallen, in dit geval dus een weggevallen boom.

Als planten wegvallen, is daar vaak niet één specifieke reden voor aan te wijzen. Bij het aanplanten is het belangrijk dat er gekeken wordt naar de situatie waar de planten komen te staan. Zo moet men rekening houden met de zonnestand , maar ook met hoe hard een plant groeit. Want planten hebben de ruimte nodig om goed te kunnen groeien. Daarnaast is het belangrijk dat de plant voldoende (regen)water krijgt, de grond een goede structuur heeft en dat de bodem voldoende voedingsstoffen bevat.

De veranderingen in het klimaat kunnen direct effect hebben op de plantengroei. Zo kunnen planten uitdrogen als het lang droog en warm is. Maar ook veel regen kan ervoor zorgen dat de wortels van de plant te weinig zuurstof krijgen en dat daardoor de plant dood gaat.

Het is belangrijk om de groei van een nieuw ingeplantte boom het eerste jaar nauwkeurig in de gaten te houden. Als de boom dreigt dood te gaan is z.s.m. inboeten van belang zodat een nieuwe boom in een laan nog met zijn ‘buren’ tegelijk op kan groeien.

Op de tekening zien we een boompje dat eigenlijk te laat is ingeboet terwijl het juist heel belangrijk is in de landschapsstijl dat lanen regelmatig beplant zijn en er dus geen gaten vallen in de plantenrij. Structuurelementen die de vroege landschapsstijl (eind 18de eeuw tot ca. 1815) bepalen zijn: kronkelende paden,vaak zonder duidelijk einddoel en op regelmatige afstand beplant met bomen. Zicht op een doel in de verte (hier langs de Amstel), om het park zelf groter te doen lijken, komt ook vaak voor. Let hier ook op het zandpad en de randbewerking tussen gras en pad. En het is belangrijk dat heesters niet te ver van het pad worden aangeplant, zodat de wandelaar in de bloeitijd optimaal van de bloemen kan genieten.

Gorinchem de Allermooiste Vestingstad van Nederland!

(253) (Deels overgenomen van Erfgoedstem):

16 augustus 2021 De ANWB verkiezing rond de Allermooiste vestingstad van Nederland is beslecht: Gorinchem mag zich de allermooiste vestingstad van Nederland noemen!  Vandaag, 19 augustus 2021 zet ANWB-directeur Marga de Jager Gorinchem in het zonnetje.

De jury koos het Zuid-Hollandse stadje uit een Top 5 waarin ook Dokkum (FR), Bourtange (GR), Hulst (ZL) en Sittard (LB) stonden. “Gorinchem is beeldschoon gelegen op de plek waar de Linge uitmondt in de Merwede. Schitterend bewaard gebleven zijn de wallen: een groen lint om de stad met knoeperds van kastanjes en platanen om onder te flaneren én met zicht op de ommelanden, de rivier en de vele verdedigingswerken. Die combinatie van zicht op de rivier, ring van groen en levendige binnenstad maakt Gorinchem tot een smakelijke bonbon.”, aldus de jury.

Zicht vanaf de Appeldijk westwaarts

Zelf schreven wij in de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998):

“De stad Gorinchem maakt deel uit van de vestingdriehoek Loevestein, Woudrichem en Gorinchem. Tussen 1579 en 1609 werd Gorinchem onder leiding van de Alkmaarse vestingbouwer Adriaen Anthonisz omgebouwd van middeleeuwse stad tot moderne vesting. Rondom de stad kwamen elf bolwerken te liggen, die op één na nog allemaal aanwezig zijn. Ook werden er vier nieuwe poorten gebouwd, onder andere de Burchtpoort en de Waterpoort. Deze laatste is niet meer aanwezig maar wel bekend als locatieaanduiding omdat ‘Buiten de Waterpoort’ veel valt te beleven. Hier kan men onder andere een wandeling beginnen over de Westwal. De wallen en plantsoenen in Gorinchem zijn in drie wandelingen te verdelen, de Westwal, de Oostwal en het gebied ‘Buiten de Waterpoort’. Dit laatste gebied is als negentiende-eeuws stadswandelpark te beschouwen. Het is een grote groene ruimte met oude kastanjes, gelegen langs de Boven-Merwede. Men kan hier met een pontveer oversteken naar de stad Woudrichem en naar Loevestein. Het hele park is – behalve aan de stadskant – omgeven door water.

De dichteres Ida Gerhardt, in 1905 in Gorinchem geboren, schreef voor deze plek het gedicht ‘Op een rivierbaken’:

‘God weet, ik heb mijn verzen uitgestort voor wie ik nimmer zag, noch ooit zal zien. Opdracht vol raadselen. Het uur is kort. Misschien is het een erfgenaam: nadien wanneer ikzelf tot stof zal zijn verdord. Een kind dat in dit land geboren wordt.’

De tekst is in steen uitgevoerd en is geplaatst aan de oever van de Merwede. De stadswallen vormen een historisch park van allure, maar worden jammergenoeg door weinigen als zodanig beschouwd, getuige onder andere het toegestane autoverkeer ter plaatse. Vanuit het park kan men de Westwal bezoeken. Eenmaal boven aangekomen, langs de bloeiende engelwortel, krijgt men een uitzicht langs het huis van het Hoogheemraadschap. Verder langs het water lopend richting station passeert men dijken begroeid met groot hoefblad en heeft men uitzicht op de toren, de grienden, de jachthaven en in de verte weer de Merwede. Aan de oostzijde van de stad staat Molen De Hoop uit 1764. Op deze wal met kanonnen is een fraai zicht op de Merwede, Woudrichem en Loevestein. Ook de plaats van het kasteel van Arkel is te zien. Een wandeling langs de Dalemwal (de Oostwal) voert langs lindebomen, platanen en in het voorjaar langs veel stinseplanten als kievitsbloem, daslook, lenteklokje en pijlkruidkers. De grienden langs de Dalemwal liggen als een groenstrook tussen de oude stad en de nieuwbouw van Wijdschild”.

Molen De Hoop, 1764

De ANWB-jury droeg de volgende redenen aan:

  1. Authenticiteit: gelegen op het kruispunt van Linge en de Merwede voel je de urgentie van een vestingstad op deze plek. Aanvankelijk was dit een machtsbasis van de heren van Arkel, die de dienst uitmaakten in grote delen van het rivierengebied. Schitterend bewaard gebleven en onderhouden zijn de wallen en vele verdedigingswerken: kruitmagazijnen, het tolhuis, bolwerken, de Dalempoort, de Lingewacht, grachten, de haven, kruitmagazijnen, ‘sucht’ riolen, ravelijnen, de kazemat, twee molens, de schotbalkenloods, de Caponnière, het Arsenaal… De historie is echt onderdeel van het nu. Nieuwbouw langs de wal is mooi ingebed in de historische bebouwing en de binnenstad grossiert in de historische gebouwen (meer dan 400 rijks- en gemeentelijke monumenten!).
  2. Ruimtelijke samenhang: Gorinchem vormt samen met Zaltbommel en Woudrichem de vestingdriehoek, een van de mooiste onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met een pontje vaar je zo naar Woudrichem en Slot Loevestein (Maar ook naar Fort Vuren en Zaltbommel) en krijg je dus zomaar nog een vestingstadje cadeau.
  3. Levendigheid: in Gorinchem wordt gewoond, geleerd, gewerkt en gerecreëerd. Er zijn scholen, winkels, theaters, restaurants, kroegen en terrassen. Een historische stad met moderne vibe.
  4. Recreatief karakter: varen, suppen, kanovaren, fietsen, wandelen, een terrasje pakken, restaurant of theater bezoeken. Het kan hier allemaal.

Een onbeschermde onbekende buitenplaats in Schiermonnikoog: Huis Rijsbergen

Schiermonnikoog: Huis Rijsbergen of De Burch, gebouwd in 1757 door Johan Willem Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. In 1860 kreeg het huis in opdracht van de nieuwe eigenaar John Eric Banck zijn huidige neo-classicistische aanzien. Foto Walther Schoonenberg

(248) Na onze kennismaking met de onbekende en onbeschermde buitenplaats Huis Brakestein op Texel enkele jaren geleden, zijn we nu op Schiermonnikoog op zoek gegaan naar voormalige buitenplaatsen, die misschien nu niet meer als zodanig bekend zijn. ‘Huis Rijsbergen’ of zoals de Eilanders het huis noemen ‘De Burcht’ en sinds 2021 bekend als Cisterciënzer ‘Klooster Schiermonnikoog’ voldoet aan de definitie van voormalige buitenplaats.

Dit huis Rijsbergen is omstreeks 1757 (jaartal op gevel) gebouwd in opdracht van Johan Willem Tjarda van Sterkenborch Stachouwer, Heer van Rijsbergen en eigenaar van het eiland Schiermonnikoog, ter vervanging van het huis Binnendijken bij het voormalige dorp Westerburen, dat omstreeks 1760 door de zee werd verzwolgen. Ook de nabijgelegen boerderij Patmos (op de kadasterkaart nrs. 505 en 506), volgens een gevelsteen gebouwd in 1762, maakte deel uit van het complex Rijsbergen of De Burch.

De kadasterkaart uit 1832 en een foto van een schilderij van het huis (kunstenaar, jaartal, vindplaats en techniek onbekend) verschaffen meer duidelijkheid over de eigenaren, de ligging, de stijl en het uiterlijk van het gebouw.

Slot Rijsbergen op de Kadasterkaart Sectie B2, 1832, getekend door W. van der Vegt, landmeter Iste Klasse). Links boven (nr. 505 en 506) ligt de boerderij Patmos; midden boven (nr. 570) Slot Rijsbergen met omliggende weilanden en bossen (562, 565, 571). Karakteristiek voor de tuinaanleg behorend bij een 18de eeuwse buitenplaats is de zichtlaan (nr.563) achter het huis Rijsbergen, gericht op het midden van de achter(zuid)gevel. Tussen de Boerderij en het slot loopt de Oosterreeweg. Ten zuiden van Boerderij Patmos loopt het kerkenlaantje. Noorden boven. Collectie RCE

Op de kadastrale leggers behorend bij de kadasterkaart worden ook de eigenaren van slot Rijsbergen en boerderij Patmos genoemd. Het slot is in 1832 eigendom van Edzard Tjarda Starkenborch Stachouwer (lid der Provinciale Staten Groningen) en de boerderij is op dat moment in bezit van Johan Stachouwer (Grietman Schiermonnikoog). Beide gebouwen liggen aan de Langestreek aan de overzijde van de reeks nieuwe huizen die gebouwd werden ter vervanging van de ‘verdronken’ huizen van Westerburen. Het dorp werd langzaam maar zeker, na de overstromingen van 1717 en 1720 en de hevige stormvloed van 1760, in zijn geheel naar het oosten verplaatst; vandaar dat de naam van het dorp Schiermonnikoog eerst Oosterburen was. We zien midden achter (op de kaart onder) het slot een zichtlaan lopen, evenwijdig aan de Oosterreeweg (links). Aan weerszijden van deze laan liggen vlak achter en opzij van het slot elzenbossen (nrs. 562 en 565; 571) en daar achter twee weilanden of hooilanden (nrs. 561 en 564). Deze symmetrische aanleg achter het huis is karakteristiek voor classicistische tuinen, maar is in 1832 wel ouderwets te noemen. Anthony Winkler Prins bezocht het huis ook eind jaren dertig van de 19de eeuw en beschrijft (zie literatuur, p.12) het land achter het huis als volgt: een “vrij uitgestrekt elzenbos met talrijke op een hoofdlaan uitkomende zijlanen, des zomers met de klokvormige bloesems der witte winde rijk versierd.” Van een toegangslaan is op de kadasterkaart niets te zien. Wel benoemt Winkler Prins het kerken(elzen)laantje, dat loopt van de burcht naar de kerk (zie op kad. kaart onder boerderij Patmos) en is er volgens hem “ten westen van de kerk, tussen de Langestreek en de Middenstreek, door de zorg van de heer Banck, een sierlijk en vrij uitgestrekt plantsoen aangelegd. Het opgaand geboomte belommert er de slingerpaden, die met bloeiende heesters zijn omzoomd.” Dit moet begin jaren zestig geweest zijn, in de begintijd van Banck. Het slot zelf vertoont aan de noordzijde twee kleine torenvormige uitbouwen die ook op het schilderij waarneembaar zijn en aan de zuidzijde twee langere en bredere uitbouwen. De beschrijving van het plantsoen met ‘slingerpaden en bloeiende heesters’ duidt op de gardeneske landschapsstijl die halverwege de 19de eeuw erg populair begon te worden. Hoe de slottuin er in de tweede helft van de 19de eeuw precies uitzag, is niet in detail bekend, Wel zien we op het schilderij een aanplant van heesters vóór het slot. Deze zou op een ‘A-ha’ kunnen duiden, een onzichtbare afscheiding tussen een dierenweide en de grond voor het huis, gevormd door een diepe (droge) sloot met steile walkanten, waardoor geen visuele verstoring door hekwerken ontstaat.

Huis Rijsbergen. Kunstenaar, techniek en vindplaats onbekend. Laatste kwart 18de eeuw. Zicht op de noordgevel. Huis met gewolfd zadeldak en aangebouwde torentjes. Achter het linker torentje is een uitbouw te zien. Op dit schilderij is geen sprake van bosaanplant achter en opzij van het huis. Bovendien ontbreekt een toegangslaan. Dit schilderij is waarschijnlijk geschilderd voor de tijd van Banck (voor 1860) want er zijn geen bossen achter het huis te zien.

De familie Stachouwer kocht het eiland ‘als heerlycheijt van het Eilant Schiermunckoogh’ (met ‘heerlijke rechten’ o.a. het zeerecht en het jachtrecht) omstreeks 1640 van de Friese Staten, nadat het eerst tot 1580 in bezit was geweest van de kloosterorde van Cisterciënzers. Zij bewoonden de abdij Klaarkamp te Rinsumageest ten zuidwesten van Dokkum en hadden op Schiermonnikoog hun ‘uithof’, die in de middeleeuwen bij laag water te voet bereikbaar was. Zo gek en ver was dat dus niet. De Cisterciënzers staan in heel Nederland bekend om hun ontginningen. Hierdoor werd het land geschikt gemaakt voor veeteelt en akkerbouw. De grijze monniken van Schiermonnikoog (schier duidt op hun grijze pijen en koog betekent eiland) hebben het eiland bewoonbaar gemaak

Na de familie Stachouwer ging het eiland en ook het slot in 1858 in andere handen over (na twintig jaar in bezit te zijn geweest van Gerrit Fenenga; maar deze verkoop aan Fenenga is niet notarieel vastgelegd). De Nederlandse jurist en letterkundige Mr. John Eric Banck (1833-1902) werd de nieuwe eigenaar. Hij is vooral bekend geworden door het aanleggen van de zuidelijke zeedijk als bescherming tegen het water van de Waddenzee en door ontginning van een deel van het eiland (Banckpolder). Hij liet de duinen verstevigen door ze met helm te beplanten. Ook was hij een van de oprichters van de Zeevaartschool en liet hij het Badhotel bouwen. En wat Rijsbergen betreft ‘renoveerde’ hij het gebouw, met gevolg dat de gevel een neo-classicistisch uiterlijk heeft gekregen. Volgens Winkler Prins werden de torentjes in Banck’s tijd afgebroken en kwamen er kleine huisjes (soort koepeltjes) voor in de plaats.

Huis Rijsbergen, ca. 1925. Prentbriefkaart

 In 1893 kocht Hartwig Arthur Berthold graaf Von Bernstorff, lid van de Duitse Rijksdag,  het eiland Schiermonnikoog en het slot van Eric Banck. Drie generaties Von Bernstorff kregen het eiland achtereenvolgens in bezit; het bleef wel Nederlands grondgebied, onder Nederlands bestuur. De familie kwam graag naar Schiermonnikoog en genoot van Rijsbergen als zomerhuis en als jachtslot. De laatste Von Bernstorff is begraven op de gemeentelijke begraafplaats achter de kerk.

Graven van de Von Bernstorff-familie. Rechts (gedeeltelijk te zien) de grafsteen van Bechtold Eugen Von Bernstorff, die het eiland en het huis Rijsbergen in 1945 moest opgeven; links die van zijn vrouw Ursula. De middelste steen is een herinnering aan de tijd dat de familie Von Bernstorff het eiland in bezit had. Foto Carla Oldenburger

Na de Tweede Wereldoorlog werden Duitse goederen (i.c. het bezit van Bechtold Graaf Von Bernstorff) door Nederland geconfisqueerd. Het eiland en huis Rijsbergen kwamen in bezit van de Nederlandse Staat (Dienst Domeinen). Het beheer van het eiland kwam in 1988 in handen van Staatsbosbeheer, welke dienst het vervolgens overdroeg aan de Ver. Natuurmonumenten. Het hele eiland Schiermonnikoog werd toen aangewezen als natuurreservaat. Het huis viel onder beheer van Rijksgebouwendienst. Het gebouw ging functioneren als jeugdherberg (NJHC) tot 1992. In dat jaar werden huis en een deel van het terrein verkocht aan de heer Victor Claessens en mevrouw Els Claessens. Zij renoveerden het interieur (1992-1993). Een bijzondere ontdekking was toen dat diverse scheepsonderdelen uit het verleden bij de bouw van het huis gebruikt werden voor de balkenconstructies. Huis Rijsbergen werd zo tot een geliefd hotel omgetoverd. In 2019, dienden de Cisterciënzer monniken uit Abdij Sion zich als kopers aan. Zij waren van dezelfde orde, de Cisterciënzers, als de monniken die in de middeleeuwen vanuit Abdij Klaarkamp naar Schiermonnikoog trokken. Zij hebben hun abdij Sion in 2015 moeten verlaten omdat ze met vijf monniken het beheer van deze grote abdij niet meer aan konden. We hebben even naar ze gezwaaid, maar vanwege corona mochten we elkaar niet ontmoeten.

We hopen over niet al te lange tijd het huis en de monniken nog eens te bezoeken om samen met hen over de 18de eeuwse aanleg van Rijsbergen te praten en hen enthousiast te maken voor het aanleggen van een Benedictijnse kloostertuin.

Literatuur:

  • Claessens, Els. Rijsbergen, van burcht tot klooster. Uitgave Cultuurhistorische Vereniging ’t Heer en Feer, Themanummer 2019. –
  • Mellema, L. Schiermonnikoog: lytje pole. 1973/1981.
  • Winkler Prins, A. Geschiedenis en beschrijving van het eiland Schiermonnikoog. Amsterdam, 1867 [na een bezoek aan Rijsbergen in de jaren dertig van de 19de eeuw].

‘T HOF TE VLAARDINGEN: HISTORIE, ANALYSE, WAARDERING. DIASHOW

(253 x op Slideshare bekeken)

(240). Deze dia-show behoort bij een onderzoek over het stadspark/ voormalige buitenplaats ’t Hof te Vlaardingen, uitgevoerd in 2007. Het rapport is gedeponeerd in de Bibliotheek WUR (Wageningen UB).

Op een mooie voorjaarsdag Stinsenplanten-wandeling 30 maart 2021

(190 x bekeken op Slideshare)

(237) Juliet en Walther maakten gisteren een heerlijke wandeling in het J.P. Thijssepark in Amstelveen.


De aanleg van het Amsterdamse Bos, in de jaren dertig, vond grotendeels plaats op grond die toebehoorde aan de gemeente Amstelveen. Amstelveen zag hiermee een belangrijke mogelijkheid tot stadsuitbreiding verloren gaan. Om toch welgestelde burgers binnen de gemeentegrens te halen, plande de gemeente in het gebied tussen het Amsterdamse Bos en De Braak een villapark.

De aanleg van een nieuw park zou bovendien de aan- trekkingskracht op toekomstige bewoners verhogen. Het park werd opgedragen aan Jac.P. Thijsse, die een belangrijke rol speelde in de natuureducatie, onder meer met zijn befaamde Verkade-albums. Thijsse was oprichter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en wandelde rond de eeuwwisseling veel in deze voor hem favoriete streek ten zuiden van Amsterdam. Een van zijn bekende uitspraken was: ‘Ik droom van een plantsoen, waar publiek, oud en jong, onwetend of ingewijd, het hele jaar door gemakkelijk getuige kan zijn van wat er in de loop der seizoenen op het gebied van de inheemse planten- en dierenwereld te beleven valt.’ Deze droom is in het Jac.P. Thijssepark, en trouwens ook in de andere Amstelveense parken, werkelijkheid geworden.

Het park kreeg zijn huidige omvang in drie fasen. Met de aanleg van de eerste fase is gestart in 1940. Het gaat om het gedeelte ten noordwesten van De Braak dat grenst aan de Hoornsloot; de waterscheiding met het Amsterdamse Bos. Het park is aangelegd als een smalle strook, die vanaf de ingang aan de Prins Bernhardlaan uitloopt op een kunstmatige heuvel. Daar maakt het een hoek in zuidelijke richting. Aan het middengedeelte begon men in 1949. Het geheel is naar ontwerp van C.P. Broerse, hoofd Plantsoenen bij de gemeente Amstelveen, uitgevoerd. De laatste fase is een ontwerp van B.J. Galjaard. Overigens sluit het ontwerp en de aanleg van dit deel uitstekend aan op het werk van zijn voorganger.

Broerse was groot voorstander van inheems plantgebruik in parken en tuinen. Hij bestudeerde al op jonge leeftijd natuurlijke planten-gemeenschappen in Nederland. Een park behoorde zijns inziens beplant te worden met soorten zoals de ‘schepper’ – de natuur – ze daar wilde hebben. De slappe veenbodem onder het Jac.P. Thijssepark kon het beste beplant worden naar het voorbeeld van veenplassen in de omgeving van Amstelveen. Door plaatselijke verhoging en verlaging van het maaiveld konden planten voor drogere en vochtiger grond worden toegepast. Er was dan steeds een ruime keuzemogelijkheid uit een breed scala planten van bos- en watervegetaties. De wilde-plantenspecialist J. Landwehr, in 1938 bij de Amstelveense plantsoenendienst in dienst gekomen, bood hulp bij het zoeken en kweken van inheemse planten.

In De Braak werd een wilde-plantenkwekerij ingericht, speciaal voor gebruik in de Amstelveense plantsoenen. In het hele ontwerp slingeren paden door een begroeiing van hoge bomen, dichte struiken en kruiden naar open ruimten van afwisselende grootte. Daar valt het oog op vijvers die omgeven zijn door een op de natuur geïnspireerde beplanting. Het water en de vormen van de in groepen bij elkaar geplaatste inheemse planten en boomgroepen geven telkens een sterk, schilderachtig beeld. Aan de zijde van de Hoornsloot zijn op enkele plaatsen open plekken aan het water gemaakt.

In 2011 is het Jac.P. Thijssepark op de rijksmonumentenlijst geplaats, samen met De Braak. Het zijn de eerste twee heemparken op deze lijst en beide parken behoren tevens tot de oudste voorbeelden van dit genre in het land.

(Tekst gedeeltelijk overgenomen uit ‘Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur’ door Carla S. Oldenburger, A.M. Backer en E. Blok. Rotterdam, 1998).

Het Damplantsoen en Cascade Bulletin voor Tuinhistorie

Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis) Amsterdam, 1927. Olieverf op doek.Kunsthandel Bijl-van Urk, Alkmaar

(225) Enige maanden geleden kwam ik op LinkedIn boven afgebeeld schilderij tegen. Bij de foto werd de vraag gesteld “wat zien we voor soort tuin of volkstuin op de voorgrond”? Ik reageerde hierop met het antwoord dat het een tuin betrof in de zogenaamde ‘Oud-Hollandse stijl’, passend bij de architectuur van het voormalig stadhuis van Amsterdam op de Dam, dat gebouwd werd vanaf 1648 en ingewijd werd in 1655.

Dit gegeven heb ik uitgewerkt in een artikel, dat onlangs geplaatst werd in Cascade Bulletin voor Tuinhistorie Jg.2020, p. 33-44. De titel luidt: Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’.

De inhoud van dit Bulletin luidt:

– Lenneke Berkhout. ‘De beste en kundigste enteniers van geheel Europa’.
– Carla Oldenburger-Ebbers. Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’.
– Els van der Laan-Meijer. Datering van Roodbaards ontwerptekeningen.
– Ciska van der Genugten. De planten van de barones.
– Laudatio uitreiking Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2020.
– Lisa Johnson. Pieter de la Court van der Voort en innovaties in de ananasteelt.
– Cas van Rossum. ‘De voornaamste vermaaken der Dordtenaaren’.
– Iris de Baat. Er was eens een natuurpark in Kaatsheuvel.

Cascade Bulletin 2020 te bestellen via redactie@cascade1987.nl