Categoriearchief: Portretten

Amsterdamsche Football Club AFC 1895

Tegenwoordig woont Juliet in het Aalsmeerder Veerhuis in Amsterdam, bijna tegenover de Overtoomse Sluis, al sinds de 17de eeuw een bekende locatie in Amsterdam, op de scheiding van Amsterdam-West en -Zuid. Dat laatste begin ik steeds meer te beseffen en ook steeds vaker ontdek ik plaatsen in en om deze buurt, waar leden van mijn familie ook veelvuldig verkeerden in het verleden.

Als kind hoor je tijdens verjaardagen de ouderen praten over plekken uit hun jeugd terwijl je er eigenlijk niet in geïnteresseerd bent omdat je die plekken niet kent. Ik hoorde nogal eens over de Zuidelijke Wandelweg, over het Jaagpad en over het volkstuincomplex ‘Ons Buiten’ aan de Nieuwe Meer. Allemaal plaatsen die je vanaf de Overtoomse Sluis makkelijk kunt bereiken. En ook ging het vaak over families en zaken en plekken in Heemstede waar mijn grootouders van beide kanten vandaan kwamen en over Amsterdam-West, waar familie en bekenden woonden en ik ook geboren ben.

Mijn vader Jantje en zijn zusje Marietje Ebbers voor de Comestibles winkel. Hoek Da Costastraat / Potgieterstraat. Ca.1912?

Mijn grootouders van vaders zijde trouwden in 1904. Grootvader Jan Ebbers (1874-1954) verhuisde in 1899 van Heemstede naar Amsterdam en begon in de gloednieuwe Kinkerbuurt (nu dé hippe buurt vanwege het Hallen-complex in de oude Tramremise) een ‘Comestibles’ winkel. Een uitgekiende locatie, enerzijds dichtbij de grachtengordel en de Jordaan en anderzijds dichtbij de Helmersbuurt en het tegenwoordige Museumkwartier. Dat hij daar ook klanten had is bekend; mijn tante moest vaak “aan de andere kant van het Vondelpark” boodschappen afleveren.

Schooltje van mijn vader Jan Ebbers (1906-1977), onderste rij, tweede van links. Zijn zusje Marie staat op de tweede rij van boven, derde persoon van rechts. Ca. 1912?

Mijn vader (1906-1977) groeide dus als tiener op in de Kinkerbuurt. Hij woonde op de hoek van de Da Costastraat en de Potgieterstraat. Zijn lagere school en voortgezet onderwijs zullen daar ergens in de buurt zijn geweest (Rozengracht?); zijn eerste baan was bij O.W.J. Schlencker Assuradeuren B.V. op de Keizersgracht. Zijn hobbies waren natuur (denk aan weekend-fietstochten naar het Naardermeer), fotograferen, tuinieren en boekenveilingen aflopen en in zijn jeugd voetbal. Dat laatste kan ik me niet voorstellen, maar het is echt zo, want ik heb een foto als bewijs. Als jongetje uit de Kinkerbuurt hoorde je eigenlijk bij Blauw Wit te voetballen, maar hij was altijd al apart, en dat was dus niet het geval. Hij was lid van AFC, de oudste voetbalclub van Amsterdam, opgericht in 1895. In de jaren twintig was mijn vader lid van deze club, die in 1920 verhuisde van een terrein in de Watergraafsmeer (achter Boerderij ‘Goed Genoeg’, aan de Middenweg naast Buitenplaats Frankendael) naar de Zuidelijke Wandelweg, aanvankelijk een romantisch wandelpad tussen de Amstelveenseweg (ter hoogte van het Stadion) en de Amstel, toen de scheiding tussen de stad en de Binnendijksche Buitenveldersche polder. Nu bestaat alleen een stukje van die weg nog nabij de Amstel. 

AFC-elftal. Keeper Jan Ebbers, vijfde van rechts. Ca. 1925?

Ik was best trots op mijn vaders voetbalverleden, juist omdat het in mijn ogen helemaal geen sportman was. Als we na de oorlog ’s zomers aan het strand onze vakanties doorbrachten -we verkenden de Noordzeekust van Noord naar Zuid, elk jaar een andere badplaats (Vlieland, Schoorl, Katwijk, Westenschouwen, Cadzand en tenslotte vele jaren Oostvoorne)- gingen we ’s morgens fietsen, met botaniseertrommel om de nek en ’s middags zette hij mijn moeder en mij af op het strand en kwam hij aan het eind van de middag, gekleed in zijn blauwe pak, na kilometers heen en weer wandelen langs het strand en door de duinen, terug met schelpen en planten en konijnen-botten. Hij was mijn held; juist omdat die gekke altijd keurig geklede man keeper was geweest bij AFC en hier in zijn keeperstrui temidden van zijn AFC-elftal (bekend als ‘The Reds’, gekleed in rood shirt met zwarte V-hals, zwarte broek en rode kniekousen, de kleuren van Amsterdam) op de foto staat. De foto bewijst zijn AFC-voetbalverleden. Zonder die had ik het niet geloofd.

MIJN MOEDER DE VROUW en MIJN MOEDER DE MOEDER

DE MOEDER DE VROUW

(Thema Boekenweek 2019, 23 maart t/m 31 maart)

Mijn moeder de vrouw

Waar denk ik aan als het over dit onderwerp gaat? Wil ik boeken lezen over dit thema, of wil ik serieus nadenken over mijn eigen moeder en me afvragen wat ik dan zo waardeerde in haar. 

Mijn moeder was Maria Catharina Jeanette (roepnaam Mies) Amse, na haar huwelijk met mijn vader Ebbers-Amse genaamd. Zij was geboren in Amsterdam in 1908. Zij kwam uit een warm ouderwets gezin, vader huisschilder, moeder huisvrouw, een oudere en een jongere broer, die beiden na hun middelbare school kozen voor het verzekeringsvak. Mijn moeder werd boekhouder, werkte voor haar huwelijk bij het bekende bedrijf Lucas Bols, sinds eind 17de eeuw op de Rozengracht gevestigd. 

Maar na haar huwelijk (1932) werd mijn moeder, zoals alle gehuwde vrouwen, de dag na haar huwelijk ontslagen en handelingsonbekwaam verklaard (Burgerlijk Wetboek, 1838). 

Deze wet bleef van kracht tot 1 januari 1957. En uitgerekend in dat jaar kwam mijn grootvader, moeders vader,  bij ons inwonen omdat hij zelfstandig zijn leven niet meer op de rails kon houden. Hij overleed bij ons thuis in 1959.

Maar wat deed je dan zoal in die tijd als moeder overdag, zonder werk, zonder computer, maar ook zonder wasmachine en zonder ijskast?

Naast het huishouden en de zorg voor mijn vader en mij werkte mijn moeder vóór 1957 als vrijwilliger bij de UVV (Unie Vrouwelijke Vrijwilligers), opgericht in 1938 in Amsterdam. Mijn ouders verhuisden in december 1945 van Amsterdam naar Utrecht en kenden daar letterlijk niemand. Dus was lid worden van de UVV een manier om mensen te leren kennen en tegelijk bevredigend werk te doen. Moeder kwam terecht  in het Stadsarmenhuis in de Doelenstraat, dat qua naam overigens in 1931 was gewijzigd in Gemeentelijk Tehuis voor Ouden van Dagen. De locatie aan de Doelenstraat bleef bestaan tot 1958. Uit school komend ging ik mijn moeder wel eens opzoeken in dit hofje, dat in de Middeleeuwen een Begijnenhof was geweest. Oude dames (met witte mutsjes) zaten onder leiding van mijn moeder en andere dames te naaien, te breien en te handwerken. Wel komisch, want mijn moeder was in die tijd bepaald niet een ster in deze zaken. In de eerste klas van het gymnasium (1953/’54) deed ik mee aan een toneelstukje ‘Het Roverslied’ (Multatuli, Woutertje Pieterse) en toen bleek die functie van mijn moeder in dat Bejaardenhuis toch zeer handig. Voor de aankleding van het toneelstukje leende ik allerlei zwarte rokken en blouses en kousen en schoenen van de oude dames. En zij vonden het zeer interessant om op die wijze hun medewerking te verlenen.

In 1959 kon mijn moeder eindelijk 27 jaar na haar huwelijk haar beroep weer uitoefenen. Ze werd boekhouder bij Modemagazijn Gebr. Gerzon, gevestigd op de Oude Gracht te Utrecht. En ik heb het geweten. Een echte ‘uitzet’ (in mijn ‘verlovingstijd’ echt al uit de mode) zou ik krijgen, keuken-, kamer- en slaapkamer-linnen in overvloed en ik moest mijn hele schooltijd lang, wanneer er nieuwe kleren nodig waren, eerst kijken bij Gerzon. 

Bols en de UVV en Gerzon hebben haar geholpen een zelfstandige vrouw te worden, die zonder mijn vader, met haar nicht of een van haar vriendinnen ’s winters op wintersport ging en daarnaast altijd een fantastische huisvrouw en moeder is geweest. 

Naast haar werk (tot de pensionering van mijn vader en de verhuizing naar Cothen in 1971) en het huishouden had ze ook nog haar hobbies. Dat waren in Utrecht haar lidmaatschap van de Dr. Aletta Jacobs Rebekkahloge (Odd Fellows), piano spelen (Ans Witting, bekend van het Ans Witting Stipendium, was haar en mijn pianolerares) en declamatie (lerares?,  die op de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht woonde) en in Cothen handwerken en waardevolle postzegels verzamelen, omdat ze hiervoor het huis niet hoefde te verlaten en in de buurt van mijn zieke vader kon blijven. Daar was goed over nagedacht. 

Mijn moeder was een vrouw die veel in haar mars had, maar zich daar niet op liet voorstaan, die wachtte tot haar tijd zou aanbreken en absoluut niet op de voorgrond wilde treden. Haar vader (mijn grootvader) die via zijn moeder (Maria Catharina van Alkemade Munk) stamde uit een burgemeestersgeslacht (Van Lith, burgemeesters van Uitgeest, Heemstede/Bennebroek) had haar – streng als hij was- altijd bescheidenheid bijgebracht. Mijn vader beschikte gelukkig ook over die eigenschap.

Mijn moeder de moeder

Mijn moeder was een liefhebbende warme moeder. Ik was haar enige kind en dat feit heeft haar wel zorgen gebaard. Ze was niet bang dat ik de eenzaamheid niet aan kon, maar ze was wel bevreesd dat ik te beschermd zou worden opgevoed en te alleen in het leven zou komen te staan.

Om die reden werd ik van jongs af aan aangemoedigd om met andere kinderen om te gaan en veel vrienden te maken. 

Zo ging ik alle grote vakanties alleen een paar weken naar een boerderij in de Achterhoek. Met het boerenleven had ik al kennis gemaakt in de oorlog, toen mijn moeder mij in de hongerwinter op haar fiets met houten banden had weggebracht naar Dirkshorn bij Schagen. Daar kwamen we toevallig terecht bij een wildvreemde familie Duinkerken, waar ik tot na de bevrijding mocht wonen. Ik had het daar kennelijk erg naar mijn zin gehad want volgende jaren (mijn hele lagere schooltijd) werd ik weken lang uitbesteed op een boerderij, nu in Sinderen bij Varsseveld, van de familie Colenbrander. Het gezin bestond uit vader, moeder en vijf (?) kinderen, van wie ik veel geleerd heb: groenten en bessen plukken en schoonmaken, karnen, mennen, hooi opsteken, van de nokbalken in de hooiberg springen, op de deel wonen, honden en katten verzorgen etc. De mooiste ervaring was misschien wel zondags met de hele familie in de paardenkoets naar de kerk.  

Moeder en dochter Amsterdam, ca. 1943

Als de school weer begon in september, miste ik de kinderen en het heerlijke spannende boerenleven. Maar mijn moeder wist daar wel raad op. Op een keer (ik was net zeven) gingen we samen een tentoonstelling bezoeken in de Galeries Modernes. En daar was ook een heel groepje kabouters (de kleintjes van het Nederlands Padvindsters Gilde) aan het rondkijken onder leiding van Oehoe Moll van Charente. We hadden meteen goed contact en de volgende week mocht ik in het Vogelenbos (op de Weg naar Rhijnauwen) komen kijken. Het spelen in de natuur met andere kinderen trok me enorm en sindsdien stond ik iedere zaterdagmiddag met mijn fietsje op de hoek van de Prins Hendriklaan te wachten tot we en group naar dat bos zouden gaan. Na een tijdje kreeg onze hele groep onderdak in de kazematten op Fort Rhijnauwen, nog mooier en avontuurlijker natuurlijk dan het Vogelenbos; weer enige jaren later huisden we op Fort Lunetten III. Wat een voorrecht hier jaren te hebben mogen spelen, zeg ik nu.

Ook kinderen uit mijn klas (kleuteronderwijs Bilderdijkpark, Amsterdam (zie foto)

Bilderdijkschool in Bilderdijkpark, Amsterdam Oud-West. 1944-1945

en Agatha Snellenschool, Utrecht) en (lager onderwijs Dompleinschool en Puntenburgschool, Utrecht) en kinderen uit de buurt werden vaak door mijn moeder uitgenodigd om bij ons thuis te komen, allemaal in het kader van ‘sociaal opgroeien is belangrijk’. We hadden kippen en konijnen en een spannende tuin, een grote zolder met een ping-pong tafel en een enorme veranda waar thee en limonade drinken bij warm weer een feest was. Eenmaal op het gymnasium was de hele klas altijd welkom voor klasse-avonden of een fuifje. 

Mijn moeder had van 1920-1924 MULO (B) onderwijs gevolgd. De talen die leerlingen voor de oorlog gedoceerd kregen waren nederlands, frans en duits en van engels had zij dan ook geen kaas gegeten. Deze taal begon pas na de oorlog een vast programma-onderdeel van voortgezet onderwijs te worden. Mijn moeder vond talenonderwijs erg belangrijk en toen ik dan ook een vriendinnetje kreeg die op de zondagsschool van de Waalse gemeente (Pieterskerk Utrecht) zat, werd ik direct daar aangemeld. Heel vroeg kon ik dus al ‘Notre Père qui es aux cieux’ bidden, niet in het nederlands maar in het frans. Pasteur en Madame Le Cornu zullen me eeuwig in herinnering blijven. Zij waren heel oud ( maar of dat ook echt zo was?) en lief en aardig. En wat te denken van krijgertje en verstoppertje spelen in de (‘Franse’) Pieterskerk?

Naast goede spreekvaardigheid in vreemde talen, achtte mijn moeder gedichten citeren ook zeer belangrijk. Romans waren in onze boekenkast in de minderheid in tegenstelling tot gedichtenbundels. En dat kwam natuurlijk door die liefde voor declamatie. Haar liefde voor talen is overigens niet op mij overgegaan. Ik was er niet goed in en had er geen belangstelling voor.

Hoewel mijn lagere school zorgvuldig was uitgekozen door mijn ouders (meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting), was dit wel een lagere school met opleiding voor eigen vervolgschool (MULO), niet echt een opleiding voor HBS en gymnasium. Toen bleek dat ik goede cijfers haalde in de hogere klassen, was het de wens van mijn ouders mij toelatingsexamen te laten doen voor het gymnasium, dit keer het stedelijk en niet het christelijk. Dat werd een faliekante mislukking, mijn opleiding had tekort geschoten en ik kon niet meekomen in de proefklas. Wat was dat een grote teleurstelling voor mijn moeder. Ze heeft hemel en aarde bewogen me toch naar het gymnasium te krijgen maar dat liep op niets uit. Goede raad was duur, een dochter met een eindrapport waar alleen maar achten en negens op stonden en gezakt voor het toelatingsexamen. De rector van het gymnasium adviseerde mij nog een jaar naar een goeie opleidingsschool (Puntenburg) te sturen. Volgens mij heb ik daar niets geleerd, maar een jaar later slaagde ik gelukkig wel en is alles goed afgelopen.

Als je dit verhaal leest zou je kunnen denken dat ik een lastige puber ben geweest, maar niets is minder waar. Mijn moeder begreep alles, was lief, had het volste vertrouwen in mij en ik leerde heel langzaam aan van haar dat vrijheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en liefde geven belangrijk waren in het leven. 

Mijn ouderlijk huis van 1945-1961: Catharijnesingel 75, Utrecht

Ik verhuisde bij aanvang van de eerste klas gymnasium in het kader van vrijheid en zelfstandigheid binnenshuis van een kamer boven de entree op de eerste verdieping naar een kamer twee etages hoger in het torentje. Vrijheid blijheid, niemand die je op de vingers kwam kijken en altijd muziek die mij werd doorgegeven via de muziekinstallatie van een huisgenoot/vriendje (Andries Enklaar). Zelf had ik tijdens mijn schooltijd geen geld om platen te kopen, dus hadden we dit er op verzonnen. Wat hij draaide kon ik ook aanknippen als ik dat wenste. 

Naast het schoolleven (met ’s avonds bijeenkomsten van het Amor-Koor en de toneel- en debatteervereniging Lampomenè) en padvinderij vond mijn moeder toch dat ook sport en kunst bij de opvoeding hoorden. Zij had zelf jaren lang heel fanatiek aan korfbal gedaan (ROHDA) en mijn vader aan voetbal (AFC). En ze was er dan ook van overtuigd dat sporten voor de gezondheid onontbeerlijk was. Dus ging ik tennissen (ULTC vanaf de eerste klas gymnasium) en later ook nog roeien (VIKING vanaf de vijfde klas).

Kunst was in ons gezin en in de voor-ouderlijke gezinnen de gewoonste zaak van de wereld geweest. Passief of actief, wat je maar in je had. Mijn moeder was bevriend met de kunstenares Frieda Hunziker (1908-1966) en speelde tamelijk goed piano, dat had ze van huis uit meegekregen. Haar broers speelden viool, haar grootmoeder volgens overlevering ook piano, en bovendien mijn grootmoeder van vaders kant speelde alles wat kinderen en kleinkinderen maar wensten te zingen of te horen, ook in haar Alzheimertijd. Bij haar in de eetkamer stond een piano en in de salon een spinet. De piano werd ook mijn instrument en samen met mijn moeder speelde ik in mijn Utrechtse tijd vaak ‘quatre mains’. Vanaf die tijd heb ik ook altijd in koren gezongen. Mijn belangstelling voor beeldende kunst, die zich ook tijdens mijn middelbare schooltijd openbaarde, komt meer van vaders kant en valt daarom buiten dit bestek.

Mijn gedachten over mijn moeder als opvoedende moeder stoppen voorlopig hier omdat ze mij vanaf mijn laatste gymnasiumdag volledig de vrijheid heeft gegeven en er op vertrouwde dat ik mijn studie aan de universiteit verstandig zou aanpakken.

Ik ben niet iemand die over haar moeder te klagen heeft. Ik kan er ook niet jubelend boeken over vol schrijven. Mijn moeder was lief en eerlijk en vastberaden, iemand die altijd probeerde anderen gelukkig te maken. Ze cijferde zichzelf beslist niet weg, had haar eigen ideeën, en liet tegelijkertijd haar man en dochter altijd voorgaan. Ik hield van haar en heb haar altijd hooggeacht om wie ze was en om wat ze mij heeft geleerd over het leven.

Carla, voor mijn liefhebbende moeder

In Memoriam Thea Schoonhoven, mijn Lagere School-vriendinnetje van de Dompleinschool

Thea Schoonhoven (1940-2019)

Thea Schoonhoven in 1952 (Foto.L.H. Hofland, bewerkt door Carla Oldenburger-Ebbers). Coll. Het Utrechts Archief

Hedenmorgen 4 maart 2017 las ik in de TROUW/Naschrift een mooi artikel over mijn Lagere School-vriendinnetje Thea Schoonhoven, een warm en vredelievend mens, altijd voor anderen in de weer, voor kinderen, voor zieken en behoeftigen. Ik heb dit allemaal niet geweten helaas. Ik was haar geheel uit het oog verloren, we gingen na de Lagere School ieder onze eigen weg. Enige jaren geleden had zij mij opgespoord. We hadden een lang telefoongesprek en beloofden elkaar op te zoeken. Ik raakte haar adres weer kwijt en het is er nooit meer van gekomen helaas. TROUW heeft mij toestemming gegeven het begin van het  artikel hieronder te plaatsen met een link naar het hele artikel, getiteld Thea Schoonhoven had genoeg aan haar Mytylkinderen.

Met anderen bezig zijn stemde haar gelukkig. Ontvangen vond ze lastiger. Dat merkten haar vrouw, vrienden en familie vooral de laatste maanden. Vanaf het moment dat ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, liet ze alles uit haar handen vallen. Ze sloot zich af en sprak er niet over: haar angst en verdriet kon ze moeilijk delen. Nu ze niet wist waar ze aan toe was, verloor ze haar standvastigheid en daadkracht.

Ze had dat op kleine schaal al eens eerder meegemaakt, toen ze als twintiger naar haar favoriete eiland Ibiza vloog en er flinke turbulentie ontstond onderweg. Ze kon niemand vasthouden en werd zo angstig dat ze in zichzelf begon te zingen. Ze besloot nooit meer te vliegen.

Theodora Everdina Schoonhoven werd in 1940 geboren als oudste dochter van Aart Schoonhoven en Riek Harselaar. Na haar kwamen nog twee zussen en twee broers. Met haar moeder, die hoedenmaakster en naaister was, kon ze lezen en schrijven. Beiden waren erg creatief, empatisch en sociaal. Hun huis stond open voor alles en iedereen. De relatie met haar vader was minder hecht, hij had vooral gehoopt op een zoon, iets dat zij liever niet had geweten. Thea trok veel op met de volwassen vrouwen in haar omgeving: haar moeder en haar twee oma’s, vooral met oma ‘boven’, die bij hen in huis woonde, had ze een klik. Zij nam haar kleindochter graag mee naar de Hema voor een kindercomplet: een bordje vol lekkernijen. Thea snapte volledig dat oma de helft van de snoepjes in haar zak liet glijden voor de kleintjes thuis….e.v. zie dus de link.

Ik was natuurlijk wel geschokt door het lezen van haar overlijden, en mijn gedachten gingen terug naar onze Lagere Schooltijd:

We zaten op dezelfde school, op de meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting, kortweg de Dompleinschool in Utrecht. Of Thea ook in de eerste klas bij Juffrouw  Nieuwenhuizen heeft gezeten weet ik niet. Ik kan haar op onderstaande foto niet herkennen.

Met wie ik verder in de klas zat (meer dan zeventig jaar geleden) weet ik echt niet meer. Ik herken de juffrouw, rechts daarvan Joke Hansen, en uiterst rechts Meta van de fietsenwinkel op de Oude Gracht; tweede rij van boven, tweede links ben ik (meisjesnaam Carla Ebbers), rechts daarvan Engelien?, uiterst rechts Ilse; derde rij middelste Willy?; en onderste rij links Willemien Wieringa (ook een goed vriendinnetje), Elly? en een meisje Hagenau?

Carla (in trui gebreid door mama of oma?) in de derde klas van de Dompleinschool. Traditionele setting voor een schoolfoto. Met pen en schrift in schoolbank en op de achtergrond een geranium.

Op Internet heb ik verder nagezocht of ik meer kon vinden over onze school. In het gebouw zit tegenwoordig het Utrechts Centrum voor de Kunsten.

Hier volgt een deel van het artikel: Jeugdherinneringen, door Maroesja Brits-Oversteegen in ‘Steengoed’, nr. 36, okt. 2003 (Utrechts Monumentenfonds).

De school op het Domplein.

“Al meteen, toen we in Utrecht kwamen wonen, moest er een lagere school voor mij worden gezocht. De dichtstbijzijnde school was de Nederlands Hervormde Burgerschool op het Domplein. En alhoewel mijn ouders niet christelijk waren, moest ik daar toch naar toe. In de vierde klas bleef ik zitten en daarna mocht ik naar de openbare Regentesseschool in de Hamburgerstraat, waar ik ‘beter op mijn plaats’ was. Dit even ter illustratie van de denkwijze in die tijd. Nu zou dit geen enkel probleem meer zijn.

De school werd in 1859 gevestigd op het Domplein in een huis op de plaats van het middeleeuws claustrale huis ‘De rode poort’. Ook na de grote verbouwing in 1925, toen het zijn huidige uiterlijk kreeg zijn nog veel resten van dat huis bewaard gebleven. Bij de verbouwing van de school tot Gemeentelijke Muziekschool, is er een grondig archeologisch onderzoek gedaan. De kelders werden onderzocht en in de Marnixzaal, de aula van de school, werd de beschilderde piscina weer zichtbaar gemaakt.

page9image7245264De school op het Domplein in 1940. (Adres Domplein 4). Links de meisjesschool, rechts de jongensschool

Marnixzaal. In plaats van deze stoelen stonden er volgens mij in de jaren veertig nog lange houten banken in de zaal. Foto Het Utrechts Archief.

In 1984 is er nog een laatste reünie geweest. Dat was een plezierig weerzien. Dan voel je toch weer iets vertrouwds met de oude school op het Domplein. Hier had ik toch vier jaar van mijn jeugd doorgebracht.
Tijdens die reünie hoorde ik nog een aardig verhaal over de kelders. De jongens van de jongensschool, we waren toen nog strikt gescheiden, hadden ergens een gat ontdekt, waarachter zich een ruimte bevond. En wat doen jongens van een jaar of tien, die gaan op onderzoek uit. Stiekem kropen ze door dat gat naar binnen en zo ontdekten ze een grote kelder onder de school. Een mooi avontuur en ze hielden wijselijk hun mond over deze heimelijke ontdekking. Maar er kwamen klachten van de ouders. Hun kinderen kwamen soms zo ‘smerig’ thuis. Het hoofd van de jongensschool, de heer G.J. van Kamp, nam die klachten serieus en ging zelf op onderzoek uit. Toen kwam de aap uit de mouw. Na een verbouwing van de school waren de kelders dichtgemetseld en helemaal in de vergetelheid geraakt. Niemand wist meer van het bestaan, totdat die jongetjes de kelders herontdekten”. Einde citaat Maroesja  Brits -Oversteegen.

Wat betreft de piscina in de Marnixzaal, ik herinner me deze nog zeer goed. Altijd als er wat te doen was in deze zaal, liepen we eerst als in een soort pelgrimstocht langs deze piscina, die dienst had gedaan in het kanunnikenhuis dat vóór de bouw van de school, halverwege de 19de eeuw, hier op deze plaats had gestaan.  Het was een wonder uit de 14de eeuw, voorstellende een misdienaar die de handen wast van een priester tijdens de mis. De piscine is tot rijksmonument verklaard. Zie de volgende monumenten-beschrijving met foto:

Foto: detail schildering in piscine – utrecht – 20235572 – rce | Door: Schollen, A.H.C. (Fotograaf) – August 1975 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

“PISCINA met wandschildering. Uit de eerste helft der 14e eeuw daterende piscina met wandschildering, zich bevindend in een nis in de rechterwand van de z.g. Marnixzaal van de Ned.Herv. MAVO, overblijfsel uit claustraalhuis op dezelfde plaats, genaamd “de Rode Poort”. De piscina bevat een natuurstenen tweelicht met driepassen waarboven uit een stuk gehouwen traceerwerk; beneden twee bekkens en in de rechterzijde van de nis nog een natuurstenen tablet. De wandschildering geeft de voorstelling weer van de handwassing tijdens de mis waarbij de rechterfiguur een acolyth gekleed in een rood onder – en geelbovenkleed en een opgerolde doek in de linkerhand – water uitgiet uit een kan over de handen van de linkerfiguur, een priester welke is gekleed in een lichtgekleurd, met rood afgezet onderkleed en een blauw bovenkleed; op de achtergrond links een met een doek overdekt altaar waarop een opengeslagen boek, een hostiekelk en een kandelaar zijn afgebeeld”. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Een ander voorval in de Marnixzaal heeft mijzelf een trauma bezorgd. Ik was een goede leerling. Aan het eind van de 6de klas (o.l.v. juffrouw van Dijk) prijkten er alleen maar achten en negens en één 6,5 voor handwerken op mijn rapport. Maar ik zakte voor het toelatingsexamen Stedelijk Gymnasium, een domper op de leuke en fijne schooltijd die ik op het Domplein had doorgebracht. Wat was de oorzaak? Naast mijn zeker niet briljante resultaten in de proefklas, bleek ook dat het Stedelijk Gymnasium bijna nooit leerlingen aannam van een christelijke Lagere School (zonder aparte opleidingsklas). Ik moest het laatste jaar dus overdoen op een openbare school waar men leerlingen structureel opleidde voor HBS en gymnasium, en niet alleen tijdens een uurtje op zaterdag. Ik ging dus wel van school af net als mijn mede-klasgenoten. Het afscheid werd niet gevierd met de uitvoering van een musical zoals op de meeste scholen nu, maar met de uitreiking van een klein bijbeltje, namelijk het Nieuwe Testament. Dit festijn werd gevierd op een avond met de ouders in de Marnixzaal. Omdat ik naar een Openbare School ging (Puntenburg) kreeg ik geen bijbeltje uitgereikt. Net als Mevr. Maroesja Brits kan ik beamen dat “de denkwijze in die tijd” toch anders was.

Toch heb ik mooie herinneringen aan mijn lagere schooltijd overgehouden. En nu kom ik weer terug op mijn vriendinnetje Thea Schoonhoven en andere klasgenootjes. Het spelen bij Thea Schoonhoven thuis en in de stallen van de stalhouderij van haar vader, bij de paarden in de Keukenstraat, samen met Thea en haar broertjes ritjes maken met koetsier Kobus in de koetsen van de stalhouderij, spelen op het stille Domplein, in de Kloostergang en onder de Dom. Ook vond ik de opgravingen op het Domplein eind jaren veertig heel spannend net als het op onderzoek uitgaan (samen met klasgenootje Joke Hansen) in de puinhopen van de Geertekerk (tegenover mijn huis), die na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk was beschadigd.

Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-2. Terugblik

In de berichten van 1 en 7 oktober jl., wordt heel kort Andreas Sibren Groustra aan de lezer voorgesteld.  Eigenlijk waren zijn  gegevens in het bericht van 7 oktober het enige wat we over dit familielid wisten. Maar zoals wel vaker gebeurt, hoe meer je weet over iemand of over een bepaalde gebeurtenis, hoe meer je de persoon of de situatie gaat begrijpen, en zo kwam het dat we na de publicatie van het bericht toch nog een familiefoto opdiepten waar Andreas opstond met zijn ouders en broers en zusters (zie eerste en laatste foto) en vonden we een prachtige serie briefkaarten in het familie-archief, die zeker van Andreas Groustra afkomstig zijn.

V.l.n.r. vader Harmannus Groustra, Andreas S. Groustra, zuster Ronesca E. Groustra (schoonmoeder/grootmoeder van Carla/Juliet)

De briefkaarten  (kartoe pos) zijn uitgegeven door NV-vh. H. van Ingen te Soerabaja (ca. 1900-1920, gedeeltelijk naar foto’s van het bekende Foto-Atelier Kurkdjian en waarschijnlijk door Andreas als souvenir aangeschaft, tijdens of na zijn opleiding aan de Zeevaartschool in Soerabaja .

Hier volgen nu de briefkaarten; de locaties zijn duidelijk op die kaarten aangegeven; de foto’s dateren alle van het begin der twintigste eeuw en -in ieder geval enkele, maar misschien alle- zijn gemaakt door Atelier Kurkdjian in Soerabaja.

Willemskade Soerabaja  met gebouw van ‘De Algemeene’, ontworpen door H.P.Berlage, ca. 1900 (midden-rechts met dakkapel en boven op het dak reclame van de verzekeringsmaatschappij)

Goenoeng Sarie is de naam van een buitenplaats in Batavia en zal hier in Soerabaja waarschijnlijk de naam van een buurtschap zijn

Ossenkarren bij de Groote Boom (Douanekantoor), Soerabaja. Foto: Atelier Kurkdjian, ca. 1900

Kramat Gantoeng is de naam van deze straat. Foto: Atelier Kurkdjian, ca. 1900

De straat die we hier zien heet Kambing Djepoon, dat Japans is voor  Japanse bloesem. Kaart ca. 1900

De Werfstraat (nu Jl. Kasuaris) was genoemd naar de werven aan de oostzijde van de straat, langs de rivier Kali Mas (zie hieronder); nu is de straat genoemd naar de  vogelsoort casuarius.  Na de onafhankelijkheid werd de naam van de Werfstraat eerst veranderd in Djalan (Jalan) Pendjaqra oftewel Gevangenisstraat, naar de voormalige ’s Lands Gevangenis aan de westzijde van de straat — de Jalan Kasuari omvat ook de voormalige Bankstraat)

Willemskade en Kampong Baroe langs de Kali Mas (Grote rivier) te Soerabaja, ca.1900

Sluizen van Goebeng, Soerabaja. Ca. 1900

In de vorige Berichten van 1 en 7 oktober werden al enige belangrijke data van het gezin waar Andreas toebehoorde genoemd.  In verband met de familiefoto, nu ook toegevoegd, voorzover bekend, de geboorte- en overlijdensjaren van de leden van het gezin Groustra.

Vader Harmannus Groustra (1861-1944) huwde met moeder Alida van der Schaaf [1861-1952). Hun kinderen waren:

1. Gezina A.E.R. Groustra (1888-1980 ); 2. Gellaart Jan Groustra (1889-? ); 3. Alida Catharina (1891-1952); 4. Andreas Sibren (1893-1919); 5. Albert Nicolaas (1896- ca. 1966 ); 6. Ronesca Elisabeth (1901-1969).

In de tuin in Slochteren, staand  v.l.n.r: Albert, Gezina, vader Harmannus, Andreas, Ronesca, Gellaart. Zittend links moeder Alida, zittend rechts Alida

We laten de familie Groustra weer even rusten. U kunt indien gewenst meer lezen over vader Harmannus Groustra op Biografisch Portaal, op de website van de Geschiedenis van het Humanitarisme in Nederland, en in het (bovenstaande boek van Christianne Smit, De volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld. 1870-1914. Hilversum, 2015.

Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-1. Terugblik

De Schoolmeester lezen op De Groote Vaart ?

Deze website behandelt niet alleen de onderwerpen historische plantgebruik, historische landschapsarchitectuur en historisch kleurgebruik, maar zo af en toe als tussendoortje richten we onze blik op een stukje familiegeschiedenis. We hebben dan ook niet voor niets een Categorie ‘Familie’ bij categorieën opgenomen.

Gedichten van Den Schoolmeester. Amsterdam, Gebrs. E. en M. Cohen, erfstuk van A.S. Groustra

Wat was het bijzonder om te ontdekken dat we de Gedichten van den Schoolmeester (Gerrit van de Linde) als erfstuk van Oom Andreas Groustra in onze boekenkast hadden staan. Op het schutblad  staat geschreven: A.S. Groustra 2de off. S.S. Houtman. Prijs 1,90. (zie Bericht 1 oktober 2018, waar ook een foto van de ss. Houtman afgebeeld staat). We mogen aannemen dat Andreas tijdens zijn reizen met de Houtman de 332 pagina’s van de Gedichten uitvoerig heeft kunnen lezen.

Andreas Sibren was de zoon van Harmannus Groustra, broer van mijn schoonmoeder Ronesca Groustra (1901-1969), kleinzoon van de rijkscommies belastingen Jan Groustra (1810-1894) en Geessien Redeker (1818-1903) en oudoom van mijn man Feddo Oldenburger.

Andreas Sibren Groustra (1893-1919). Tweede stuurman S.S. Houtman. Foto: N.V. Charles & van Es & Co. Ned. Indië (Soerabaja 1880-1915; Charls & van Es & Co, N.V. Batavia 1895-1940)

Dat Andreas Sibren vroeg was overleden, was bekend, maar ook niet veel meer dan dat. In de familie werd altijd met respect over hem gesproken. Zijn ouderlijk huis stond in Slochteren (tegenover de Fraeylemaborg). Eenmaal wordt in de Internet-archieven vermeld dat zijn beroep  timmerman is, maar dat zal maar heel kort zijn geweest (of een vergissing) want hij is al heel vroeg de wijde wereld ingetrokken. In 1916 wordt  in zijn ‘Certificate of Registration of Alien Seaman’ als woonplaats Weltevreden, voorstad van Batavia opgegeven.

Andreas was genoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, Andreas Visscher (1805-1879), gehuwd met Alida van Delden (1807-1871). Grootvader was predikant in Helpman, gem. Haren. Zijn tweede naam Sibren kwam van zijn oom Sibren Jan Groustra (1844-1895), de oudste broer van zijn vader. De twee Sibrens mochten elkaar waarschijnlijk bijzonder graag. In ieder geval is Andreas Sibren in de voetsporen van zijn oom getreden. Oom Sibren was namelijk zeeman en later directeur van de Zeevaartkundige School op Terschelling. Andreas Sibren ging naar de Zeevaartschool om stuurman te worden. Op 14 november 1913, 20 jaar oud,  behaalde hij in ’s Gravenhage zijn diploma als derde stuurman voor de ‘Groote Stoomvaart’  (in familiearchief) en op 28 augustus 1916 behaalde hij zijn Diploma Tweede  Stuurman aan de Zeevaartschool te Soerabaja (zie foto hieronder).

Diploma Tweede Stuurman van Andreas Sibren Groustra, dd. Soerabaja, 28 augustus 1916

Het tweede diploma vermeldt dat Andreas in 1916 Batavia als woonplaats had. Zoals we boven zagen woonde hij dus eigenlijk in de voorstad Weltevreden. In Batavia was het hoofdkantoor van de KPM, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de rederij van De Houtman gevestigd. Op onderstaande kaart van Ned. Indië zijn de verplichte vaarwegen van de KPM ingetekend.

Waarschijnlijk heeft hij in eind 1913 zijn eerste grote bootreis gemaakt. Er is een toelatingskaart voor Java en Madeira bewaard gebleven (in familie-archief) en hierop wordt Andreas’ laatste woonplaats Amsterdam genoemd en bovendien het feit dat hij op 9 februari 1914 in Tandjong Priok (haven van Batavia) is aangekomen met het stoomschip Koningin der Nederlanden. Van een latere reis op de ss. Houtman zijn foto’s bewaard gebleven, gemaakt door Andreas in Singapore (1915), in Port Moresby, de hoofdstad van het toenmalige Australisch Nieuw Guinea (1916 en 1917) en in Townsville (1917), gelegen in Queensland,  aan de oostkust van Australië. De bijschriften onder de foto’s zijn kopieën, van door Andreas achterop de foto’s geschreven gegevens. Deze maken duidelijk dat Andreas geïnteresseerd was in cultuur en natuur.

Singapore Chineesche wijk, 12-01-1915. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 12-11-1916. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Haven van Townsville, Oostkust Australie, 10-04-1917. Rechts ligt de ss. Houtman voor anker op de rede bij Townsville. Foto: A.S. Groustra

Uit het jaar 1919 is een bewijs van lidmaatschap bekend (in familie-archief, op naam van A.S. Groustra) van de Vereeniging van Nederlandsche Gezagvoerders en Stuurlieden.

10 november 1919 is Andreas Sibren Groustra overleden in zijn geboortedorp Slochteren, in de leeftijd van 26 jaar.

Vermeldenswaardig is nog wel dat achterneefje Feddo Oldenburger (1937-2017) in 1946 ook met een boot van de KPM met verlof naar Nederland ging en wel met ss. De Tegelberg. Zie daaromtrent het Bericht https://www.oldenburgers.nl/2018/01/20/korte-biografie-feddo-hans-frits-oldenburger-1937-2017/

 

 

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Huis en tuin Raden Saleh in Jakarta

Portret Raden Saleh, tegenwoordig toegeschreven aan Friedrich Carl Albert Schreuel. Rijksmuseum Amsterdam

Al zoekend op Internet naar een foto van het interneringskamp St. Vincentius in Jakarta, kwam ik een paar mooie foto’s tegen van het landhuis van de kunstschilder, ‘Oosterse prins’ Raden Saleh, o.a. bekend als hofschilder van de Oranjes.

Toen in cultuurhistorische kringen de laatste jaren belangstelling aan de dag werd gelegd voor historische tuinen in Ned. Indië en Indonesia, o.a. door een lezing van Leo den Dulk voor het Tuinhistorisch Genootschap Cascade,  viel mij op dat er nog weinig bekend was over de geschiedenis van buitenplaatsen en paleizen in dit land. Misschien toch eens een uitgebreide studie waard.

Hieronder nu een prachtig plaatje van het landhuis van Raden Saleh in Menteng/Jakarta, tegenwoordig bekend als het ziekenhuis van Cikini. Helaas is er weinig van de tuin over. Ik herinner me van mijn bezoek enkele jaren geleden alleen nog maar geparkeerde auto’s op de plaats van de tuin, maar terugbrengen van deze tuin is natuurlijk altijd nog mogelijk.

Het prachtige huis van Saleh in Menteng, op Java. Litho naar een oorspronkelijke aquarel van J.C. Rappard, ca. 1882-1889. Foto: Hollandse Hoogte / Koninklijk Instituut voor de Tropen


Huis en tuin van het landhuis van Raden Saleh, naar men zegt door hemzelf ontworpen. Gebouwd in 1852 en vanaf 1898 gebruikt als ziekenhuis

De schrijfster Amy Geertruida de Leeuw en enige onbekende pennenvruchten over Tuinkunst

 
Amy Geertruida de Leeuw. Carte de visite. Fotograaf Ludwig Fröhlich. Coll. N-H Archief.
De schrijfster Amy Geertruida de Leeuw (1843-1938) werd geboren in Haarlem in 1843 als oudste kind van Ir. J.C. de Leeuw  en Maria Cornelia Elisabeth Pennink Hoofd. Amy was een halfzus van de tuinarchitect Louis Paul Zocher en een (stief)kleindochter van de beroemde Jan David Zocher.
De Leeuw ontwikkelde al op vroege leeftijd een liefhebberij voor tuinieren. Als kind kreeg ze van grootvader een eigen stukje grond op de kwekerij Rozenhagen. Haar schuilnaam/schrijversnaam is Geertruida Carelsen.
In haar geschriften is liefde voor het buitenleven duidelijk waarneembaar.  Ik kende wel haar artikel ‘ Het werk van de Zochers’ in De Tijdspiegel (1917), maar na enig speurwerk blijkt zij toch als telg uit de Zocher-dynastie ook haar steentje te hebben bijgedragen aan de geschiedenis van de tuinkunst. Zie de titels hieronder, waarvan de meeste nu totaal onbekend zijn.
G. Carelsen. ‘Bloemen en tuinen’. Volks-almanak van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen (1879), p. 42–49.
G. Carelsen. ‘In het park van Muskau’. De Gids. Jaargang 50 (1886).
G. Carelsen. ‘Onkruidpoëzie’ {over het werk van F.W. van Eeden]. De Gids. Jaargang 51 (1887).
G. Carelsen. ‘Eerbied voor het levend materiaal in de tuinkunst’. Haarlem, 1902.
G. Carelsen. ‘De liniaal-epidemie in de tuinkunst’. Onze Eeuw. Jaargang 10 (1910).
G. Carelsen. ‘Bouwkunst en Tuinkunst’. De Beweging. Jaargang 10 (1914).
G. Carelsen. ‘Het werk der Zochers’. De Tijdspiegel 74 (1917), p. 205–220.

Wat heeft Marie van Zeggelen met de Zochers en met Indië?

Eerst ter oientatie. Zocher jr. huwde Amy May van Vollenhoven. Amy May kreeg uit haar eerste huwelijk met Arnoldus Martinus Pennink Hoofd, een dochter, genaamd Maria Cornelia Elisabeth Penninck Hoofd, die huwde met met Ir J.C. de Leeuw. Zij was de halfzuster van Louis Paul Zocher.

Maria C.E. Penninck Hoofd en J.C. de Leeuw kregen eveneens een dochter, Amy Geertruida de Leeuw (1843-1938), een (stief)-kleindochter van Zocher jr. dus, en de schrijfster van ‘Het werk van de Zochers’  in  De Tijdspiegel, Jg. 74 (1917), p. 205-220. Zie over deze schrijfster het hierna volgende Bericht.

De schrijfster Marie van Zeggelen (1870-1957) vertelt over deze (stief)-kleindochter van Zocher jr.: Amy Geertruida de Leeuw [schuilnaam Geertruida Carelsen], in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1942.                                        Portret van Amy Geertruida de Leeuw

Marie van Zeggelen (1870-1957), getrouwd met KNIL militair kapitein H.A. Kooij,  is vooral bekend van haar boeken over Nederlands Indië. Zij was daar een voorvechtster van het Vrouwenkiesrecht en verkeerde met de zuster van Aletta Jacobs (Charlotte) in Indië in deze kringen.

Op de komende TONG TONG FAIR (25 mei t/m 5 juni 2017) zal een tentoonstelling aan haar gewijd zijn, getiteld Marie van Zeggelens kijk op Indië

Marie van Zeggelen midden zittend, secretaresse in het bestuur van SOVIA, Vereeniging Steun Onderwijs Vrouwelijke Inlandsche Artsen

Behalve kijk op Indië, had zij tijdens haar leven in Nederland ook oog voor tal van andere onderwerpen, o.a. vertelt zij in romanvorm over een leven op de buitenplaats Over- Holland (in de roman De Plaetse aan de Vecht (1929). Het gaat over de eigenaar Jacob Poppen en zijn dochter. Marie van Zeggelen woonde gedurende 3 maanden in de theekoepel om het leven op Over-Holland te bestuderen.

De buitenplaats Beeckestein werd ook door Marie in romanvorm beschreven, in de roman Een liefde in Kennemerland (1936). Het boek gaat over Catharina, oudste dochter van Jacob Boreel Jansz. en Agnetha Margaretha Munter, die verliefd wordt op de huisonderwijzer Claude de Narbonne Pélèt Salgas. En vooral over de verschillen in opvoeding en afkomst van beiden geliefden.

 

Louis P. Zocher leermeester van landschapschilder Paul J.C. Gabriël

Paul J.C. Gabriël. Trein in Landschap (traject Amsterdam-Haarlem?), 1887. Coll. Rijksmuseum

Paul Joseph Constantin Gabriël (1828-1903) was (landschap)schilder, tekenaar, aquarellist en etser, die behoorde tot de Haagse School. Hij werd onlangs door Wim Pijbes genoemd en naar voren gehaald in een uitzending van NTR als landschapschilder van de nieuwe tijd (eind 19de eeuw), waarin het landschap door toedoen van de industrialisatie aan grote veranderingen onderhevig was.

Aangemoedigd door de schoonheid van enkele getoonde schilderijen, zocht ik verder op Wikipedia naar meer gegevens over Paul J.C. Gabriël, omdat ik wist dat de vader van Louis Paul, Jan David Zocher, tijdens zijn opleiding in Rome bevriend was met de beeldhouwer Paul Gabriël, de vader van de schilder Gabriël.

Tot mijn grote verbazing vond ik op Wikipedia (bron: de welbekende Encyclopedie van Pieter Scheen) dat de schilder Paul Gabriel een leerling was geweest van Louis Paul Zocher. Jammer genoeg zonder verdere bijzonderheden. Zie ook rkd.nl/nl/explore/artists

Paul J.C. Gabriël, zelfportret. Coll. Rijksmuseum

De vraag komt dan op, zou Zocher Gabriël hebben begeleid in het schildersvak of zou hij Gabriël hebben onderwezen in de geschiedenis en het ontstaan van het Nederlandse landschap? Zijn het privé-lessen geweest of gaf Zocher misschien ook les op de Rijksacademie in Amsterdam, waar Gabriel lessen volgde? Wel is bekend dat Gabriël zich sinds 1853  in Haarlem heeft gevestigd. Daar zullen ze elkaar zeker zijn tegengekomen via hun vaders. In ieder geval weer een heel klein feitje over een van de vier Zochers boven water.

Zochers OnLine Nieuwe editie April 2017

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Na ruim vijf jaar is de Zochers OnLine editie uit 2011 eindelijk herzien en vermeerderd. De structuur van deze Internet-publicatie is veranderd; persoonlijke gegevens zijn aangescherpt; enkele Zocherparken zijn uitgewerkt; nieuwe belangrijke illustraties zijn toegevoegd, o.a. het schilderij van Wybrand Hendriks ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’, uit 1799 en een belangrijke kaart van de locatie van de Bloemisterij op Rozenhagen uit 1882; vele aktes en contracten omtrent Rozenhagen, afkomstig uit een particulier familie-archief zijn toegevoegd; de projectenlijst is qua jaartallen en opdrachtgevers aangevuld en bijgesteld. Zonder fouten is het document beslist niet. Aanvullingen en commentaren zijn daarom uiterst welkom.

We zijn erg blij met alle belangstelling voor dit document. In talloze onderzoeksrapporten zien we zinnen uit dit geschrift terug (met of zonder bronvermelding, foei); in Haarlem/Bloemendaal  werd het na overleg gehanteerd als uitgangsdocument voor lezingen en fietsroutes;  in Zuid-Holland werd het in overleg gebruikt als onderlegger voor hun ‘Handreiking bij beheer en herstel’ van Zocherparken .  Ook vele Zocher-onderzoekers en instituten namen onze biografische en geografische Zocher-gegevens graag over.

We hopen dat ook andere provincies met veel Zocherparken (Noord-Holland, Gelderland, Utrecht) in overleg met ons bureau onze studie gaan gebruiken.

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.