Op een mooie voorjaarsdag Stinsenplanten-wandeling 30 maart 2021

(55 x bekeken op Slideshare)

(237) Juliet en Walther maakten gisteren een heerlijke wandeling in het J.P. Thijssepark in Amstelveen.


De aanleg van het Amsterdamse Bos, in de jaren dertig, vond grotendeels plaats op grond die toebehoorde aan de gemeente Amstelveen. Amstelveen zag hiermee een belangrijke mogelijkheid tot stadsuitbreiding verloren gaan. Om toch welgestelde burgers binnen de gemeentegrens te halen, plande de gemeente in het gebied tussen het Amsterdamse Bos en De Braak een villapark.

De aanleg van een nieuw park zou bovendien de aan- trekkingskracht op toekomstige bewoners verhogen. Het park werd opgedragen aan Jac.P. Thijsse, die een belangrijke rol speelde in de natuureducatie, onder meer met zijn befaamde Verkade-albums. Thijsse was oprichter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en wandelde rond de eeuwwisseling veel in deze voor hem favoriete streek ten zuiden van Amsterdam. Een van zijn bekende uitspraken was: ‘Ik droom van een plantsoen, waar publiek, oud en jong, onwetend of ingewijd, het hele jaar door gemakkelijk getuige kan zijn van wat er in de loop der seizoenen op het gebied van de inheemse planten- en dierenwereld te beleven valt.’ Deze droom is in het Jac.P. Thijssepark, en trouwens ook in de andere Amstelveense parken, werkelijkheid geworden.

Het park kreeg zijn huidige omvang in drie fasen. Met de aanleg van de eerste fase is gestart in 1940. Het gaat om het gedeelte ten noordwesten van De Braak dat grenst aan de Hoornsloot; de waterscheiding met het Amsterdamse Bos. Het park is aangelegd als een smalle strook, die vanaf de ingang aan de Prins Bernhardlaan uitloopt op een kunstmatige heuvel. Daar maakt het een hoek in zuidelijke richting. Aan het middengedeelte begon men in 1949. Het geheel is naar ontwerp van C.P. Broerse, hoofd Plantsoenen bij de gemeente Amstelveen, uitgevoerd. De laatste fase is een ontwerp van B.J. Galjaard. Overigens sluit het ontwerp en de aanleg van dit deel uitstekend aan op het werk van zijn voorganger.

Broerse was groot voorstander van inheems plantgebruik in parken en tuinen. Hij bestudeerde al op jonge leeftijd natuurlijke planten-gemeenschappen in Nederland. Een park behoorde zijns inziens beplant te worden met soorten zoals de ‘schepper’ – de natuur – ze daar wilde hebben. De slappe veenbodem onder het Jac.P. Thijssepark kon het beste beplant worden naar het voorbeeld van veenplassen in de omgeving van Amstelveen. Door plaatselijke verhoging en verlaging van het maaiveld konden planten voor drogere en vochtiger grond worden toegepast. Er was dan steeds een ruime keuzemogelijkheid uit een breed scala planten van bos- en watervegetaties. De wilde-plantenspecialist J. Landwehr, in 1938 bij de Amstelveense plantsoenendienst in dienst gekomen, bood hulp bij het zoeken en kweken van inheemse planten.

In De Braak werd een wilde-plantenkwekerij ingericht, speciaal voor gebruik in de Amstelveense plantsoenen. In het hele ontwerp slingeren paden door een begroeiing van hoge bomen, dichte struiken en kruiden naar open ruimten van afwisselende grootte. Daar valt het oog op vijvers die omgeven zijn door een op de natuur geïnspireerde beplanting. Het water en de vormen van de in groepen bij elkaar geplaatste inheemse planten en boomgroepen geven telkens een sterk, schilderachtig beeld. Aan de zijde van de Hoornsloot zijn op enkele plaatsen open plekken aan het water gemaakt.

In 2011 is het Jac.P. Thijssepark op de rijksmonumentenlijst geplaats, samen met De Braak. Het zijn de eerste twee heemparken op deze lijst en beide parken behoren tevens tot de oudste voorbeelden van dit genre in het land.

(Tekst gedeeltelijk overgenomen uit ‘Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur’ door Carla S. Oldenburger, A.M. Backer en E. Blok. Rotterdam, 1998).

Prachtige Nieuwe Opstelling van het Lam Gods in de St. Baafs- Kathedraal Gent

Jan en Hubert van Eyck. Nieuwe opstelling in de St. Baafs Kathedraal / Sacramentskapel te Gent. Foto: Cedric Verhelst

(236) Het altaarstuk ‘Het Lam Gods’ van Jan en Hubert van Eyck is verplaatst en voorzien van een glazen ombouw die perfecte klimatologische omstandigheden (14-16 gr. C. ), luchtvochtigheid en lichtinval garandeert.

Zelf heb ik het altaarstuk diverse malen in tamelijk donkere omstandigheden gezien. Het veelluik behoorde tot een verzameling schilderijen die ik bestudeerde voor mijn doctoraalexamen. Het onderwerp van deze studie was ‘De plant op Middeleeuwse schilderijen van Noord- en Zuid-Nederlandse Meesters’. Door de planten eerst te determineren en hun kruidkundige en iconologische betekenis te achterhalen, werd gezocht naar meer achterliggende betekenis van de schilderijen.

Dit is een goede reden om deze doctoraal-scriptie (hoofdvak), naast mijn andere twee doctoraal-scripties (tweede hoofdvak en bijvak) uit 1965/’66/’67 bij mijn publicaties op te nemen, ook al zijn zij alleen in typoscript voor handen en niet gepubliceerd. Zie onder ‘Literatuurlijst Carla S. Oldenburger-Ebbers‘, de eerste drie items (onderaan de lijst).

Nieuw Portret van jong meisje, geschilderd door Simon Willem Maris

(235) Op 23 februari jl. schreef ik een Bericht over de afbeelding op een affiche voor de Slavernij-tentoonstelling in het Rijksmuseum. De afbeelding was een portret van Isabella, een schilderij van Simon Maris (1873-1935).

N.a.v. dit Bericht ontvingen wij een reactie van de schoonmoeder van Juliet, die ook over een portret van een ‘donker’ meisje van Simon Maris beschikte (uit 1933), hieronder afgebeeld.

Simon Maris. Jongedame met kettinkje. Olieverf op paneel. Gesigneerd en gedateerd (1933). Particuliere Collectie

Dus nog maar eens verder op zoek naar portretten van Simon Maris. Wie is dit model? En waar komt het schilderij vandaan? Het moet geschilderd zijn in de tijd dat Simon in Amsterdam woonde op de Keizersgracht 498. Bekend is dat het tot eind jaren tachtig heeft gehangen in Café – Bodega “Le Jardin”, op de hoek van de Vijzelstraat en de Reguliersdwarsstraat. Het verhaal gaat dat de baas van dit café dit schilderij voor de Tweede Wereldoorlog al heeft ontvangen, waarschijnlijk als ruilmiddel (tegen wijn of andere spiritualia), misschien van Simon Maris zelf, die tamelijk dichtbij woonde, of van een eerdere koper van het schilderij?

Op Internet zocht ik naar vergelijkbare portretten in de hoop de naam van deze jongedame te vinden.

Simon Maris. Negroïde dame met sieraden. Olieverf op paneel. Geveild bij Twents Veilinghuis, 2020

Simon Maris. Jonge vrouw met boek. Olieverf op doek op schilderboard. Gesigneerd, 1926. Voorheen Collectie Simonis & Buunk

Bovenstaande twee portretten lijken wel iets op het portret uit 1933. Ook hebben de meisjes steeds hetzelfde kettinkje om. Of de eerste twee dezelfde vrouw voorstellen zou kunnen, maar valt moeilijk te zeggen. In het vorige Bericht over Isabella werd gesuggereerd dat zij mogelijk een Creoolse of Hindoestaanse was. Bij het tweede portret spreekt het Twents Veilinghuis van een negroïde meisje.

Verbouwingstekening door A.C.Swets. 1901. Stadsarchief Amsterdam. De tweede en derde verdieping werden tot één hoge lichte ruimte verbouwd.

Naast deze portretten heeft Simon Maris ook vele andere dames geschilderd, vaak zijn vrouw en kinderen. Hij wordt terecht portretschilder genoemd. Hij ontving zijn modellen, als hij In Amsterdam was, in zijn atelier op de Keizersgracht 498. Dit huis dat hij in 1901 had gekocht heeft hij ten gunste van een ruim en licht atelier eerst laten verbouwen. De verbouwingstekening bevindt zich in het Stadsarchief Amsterdam. Op de bijgevoegde foto zien we ook het nieuwe interieur (i.p.v. het atelier van Simon, dat al in het vorige Bericht werd afgebeeld) en het grote raam op het NO, dat voor schilders het ideale licht laat binnenkomen.

Het interieur van het atelier van Co-op 2, het reclamebureau van fotograaf Guermonprez (1908-1944). Ca, 1935. Stadsarchief Amsterdam

DIASHOW: HAND-TAPIJTKNOPERIJ KINHEIM BEVERWIJK (1910-1973)

(744 x bekeken op Slideshare.nl)

(234) Gisteren (19 maart 2021) stond er in de dagelijkse Berichten van het tijdschrift MONUMENTAAL een artikeltje over Deventer Tapijten in Huis van Brienen (Herengracht 282, Amsterdam).

Deventer tapijt in Huis van Brienen Amsterdam

Deze tapijten werden in Deventer vervaardigd in de  Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (1797-1978). Maar er waren meer tapijtfabrieken, waaronder de Hand-tapijtknoperij Kinheim te Beverwijk (1910 tot 1973). De grootste collectie tapijten uit Beverwijk bevindt zich in Museum Kennemerland te Beverwijk. Op de website van dit museum staat onder meer te lezen:
“Hendrik Godefridus Polvliet startte volgens het handelsregister de Tapijtknoperij ‘Kinheim’ op 1 september 1910 aan de Zeestraat 104 te Beverwijk. Oorspronkelijk zat het bedrijf aan de Vondellaan in Beverwijk, toen nog Spargielaan geheten. Zijn vrouw, mevrouw C.M. Polvliet – Van Hoogstraaten (1883-1966), was daar al in 1909 gestart met de handtapijtknoperij ‘Kinheim’. Op kleine schaal werden hier met de hand tapijten geknoopt. Zie verder het hele document van het museum en bovenstaande diashow.

DIASHOW: GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE TUINARCHITECTUUR AAN DE HAND VAN KAARTMATERIALEN

(290 x bekeken op Slideshare.nl)

(233) Historische kaartmaterialen zijn naast historische ontwerpen van tuinen, parken en landschappen een belangrijke bron voor het verkrijgen van een zicht op de ontwikkeling van de tuin- en landschapsarchitectuur. Ook topografische kaarten vanaf ca. 1850 (in de vorm van de Topografische Militaire Kaart van Nederland) kunnen een beeld verscherpen, alhoewel deze kaarten zelf meestal onnauwkeuriger zijn dan losse kaarten van één landgoed of regio.

DIASHOW HISTORISCHE STADSTUINEN renoveren of reconstrueren BIJ HUIZEN UIT DE 17DE / 18DE EEUW ?

Historische huizen en tuinen

(201 x bekeken op Slideshare.nl)

(232) De VRAAG die in deze diashow wordt uitgewerkt: Is de architectonische eenheid tussen huis en tuin nog bepalend voor een nieuw tuinontwerp in de 21ste eeuw?

N.a.v. drie rijksmonumenten (met tuin) in Amsterdam en één in Den Haag wordt voorlopig een eerste conclusie getrokken.