4. Henri Copijn en Eduard Hoppe ontwerpen Nordfriedhof Düsseldorf

Begraafplaats Nordfriedhof Düsseldorf (1882)
Dit is al weer de vierde begraafplaats die we bekijken in verband met de vraag van Ver. Terebinth om nieuwe bestuursleden. Het Nordfriedhof  Düsseldorf werd in 1882 ontworpen.  Het is een uitgeschreven prijsvraag geweest, waarvoor Henri Copijn en Eduard Hoppe een ontwerp hebben gemaakt.
Het ontwerp van Copijn is hoofdzakelijk in landschapsstijl; dat van Hoppe duidelijk in gemengde stijl.
Over de familie Copijn is in 2014 een dik boek verschenen, daar is na  10 jaar misschien wel weer iets aan toe te voegen, maar het is een prachtig standaardwerk. Titel: Met levend materiaal. COPIJN 1763-2013. Tweehonderdvijftig jaar tuinlieden, boomkwekers boomverzorgers en tuin- en landschapsarchitecten. Geschreven door Mariëtte Kamphuis. Rotterdam, De Hef, 2014.

Copijn, H. Prijsvraagontwerp  Nordfriedhof  Düsseldorf, 1882. Ontwerp “Plan des Landschaftsgärtners H. Copijn in Groeneckan bei Utrecht”. Kleurenlitho Speciale Collecties WUR

De graven liggen in de open velden. Het ontwerp had net zo goed geschikt kunnen zijn als wandelpark, maar nu worden de open weiden ingevuld met graven gerangschikt langs gebogen lijnen. Toevallig is er ook een Duitstalige catalogus van de kwekerij van Copijn uit 1882-1883 bewaard gebleven bij de collectie kwekerscatalogi die bewaard wordt in Speciale Collecties WUR.
Men kan zich dus een beeld vormen welke planten in die tijd verhandeld en in de mode waren.
E. Hoppe. Eerste prijs-ontwerp Begraafplaats Düsseldorf, 1882. Kleurenlitho. Speciale Collecties WUR
Maar de prijsvraag werd gewonnen door Eduard Hoppe. Zijn ontwerp wordt gekarakteriseerd door een monumentaal gedeelte, waarbij de graven in een compact gedeelte, in de vorm van een groot kruis, zijn gerangschikt. De rest van de ruimte die beschikbaar was heeft Hoppe als  ‘parmantigen Friedhof’ ingericht.
In Duitsland zag men aan het eind van de 19de eeuw (in Nederland pas halverwege de twintigste eeuw) begraafplaatsen al als wandelpark en die opvatting komt in dit ontwerp wel exclusief naar voren.
Grafsteen van Eduard Hoppe, en waarschijnlijk zijn dochter en zijn vrouw op Friedhof Zehlendorf, Berlin

3. Begraafplaats Westerbork (Dr.)

3. Begraafplaats Westerbork

Dit Bericht maakt deel uit van een serie over begraafplaatsen,  omdat de Vereniging Terebinth wat extra aandacht verdient. Bestuursleden gevraagd! Tegelijkertijd willen we met enige berichten aandacht vragen voor onbekende begraafplaatsen en onbekende tuinarchitecten die begraafplaatsen vorm hebben gegeven. In dt geval gaat het nu eens niet om de tuinarchitecten Jan Zocher of Leonard Springer, maar om de Groningse tuinarchitect Jan Vroom Jr., (1893-1958 ), als ontwerper van de begraafplaats in Westerbork.

Ontwerp Begraafplaats Westerbork. Jan Vroom, 1946. Deze begraafplaats vertoont delen in landschappelijke stijl en geometrische stijl. Speciale Collecties WUR
Uitbreidingsplan begraafplaats Westerbork, schaal 1 : 500.
Jan Vroom, 1951. Speciale Collecties WUR
Jan Vroom jr. werd in 1893 geboren in Glimmen. Om zich te bekwamen in het familieberoep tuinarchitect volgde hij een opleiding aan de tuinbouwschool in Frederiksoord. Door een oogziekte van zijn vader moest hij deze opleiding echter al na een jaar afbreken om diens werk als tuinarchitect over te nemen. Om zeker te zijn van een tijdige levering van goed plantmateriaal begon Jan Vroom jr. in 1919 een eigen kwekerij, ‘Bonte Hoek’. Het werd nu ook mogelijk om de ontworpen tuinen in eigen beheer te gaan uitvoeren. Hij ontwierp vele particuliere tuinen en ook de groenaanleg bij een groot aantal inrichtingen, ziekenhuizen en bejaardenhuizen in geheel Nederland en hij werkte aan uitbreidingsplannen van diverse gemeenten, waaronder Stadskanaal en Drachten. Na zijn overlijden in 1958 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoons die het in 1968 opdeelden in kwekerij ‘Bonte Hoek’, uitvoeringsbedrijf ‘De Punt’ en ‘Tuin- en landschapsarchitectenbureau Vroom’ (opgeheven in het midden van de jaren ’80).
Het kamp Westerbork werd door de Nederlandse regering in 1939 gebouwd als Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Ruim twee jaar na het begin van de Duitse bezetting, op 1 juli 1942, namen de nazi’s het kamp over, waarna Westerbork functioneerde als doorgangskamp.
Hoewel iedereen weet dat de meeste Nederlandse Joden via het doorgangskamp Westerbork werden vervoerd naar Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen, zijn er toch ook Joden begraven op deze gemeentelijke begraafplaats in Westerbork. 

2. Oude Begraafplaats Zutphen. Ontwerp J.D. Zocher jr.

Omdat de Vereniging Terebinth zich in zwaar weer bevindt vanwege het ontbreken van bestuursleden (voorzitter, secretaris en penningmeester gevraagd) leek het ons bureau een goed idee juist nu wat extra aandacht te schenken aan  historische begraafplaatsen. De beschrijvingen zijn goeddeels overgenomen uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (4 delen, 1995-2000), grotendeels van eigen hand.
20 juli jl. zijn we deze  begraafplaatsenreeks gestart met de begraafplaats Zuilen in Breda..  We zullen aandacht vragen voor de geschiedenis van 10 heel verschillende begraafplaatsen.
Hendrik Spies (1775-1841), Begraafplaats Zutphen van J.D. Zocher jr. met houten poortgebouw, 1830 (coll. Stedelijk Museum Zutphen)
In 1827 werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat gemeenten met meer dan 1000 zielen per 1 januari 1829 over een begraafplaats buiten de bebouwde kom moesten beschikken, waarmee een einde zou komen aan de onhygiënische gewoonte van het begraven in kerken en op kerkhoven binnen de stad. Zo zag ook de gemeente Zutphen zich genoodzaakt uit te zien naar een geschikt terrein voor de aanleg van een algemene begraafplaats. Dit werd gevonden aan de weg naar Warnsveld, even buiten de vesting, op het voormalige Galileënkamp aan het riviertje de Berkel. Als ontwerper werd J.D. Zocher jr. aangetrokken. Van het ontwerp zijn geen tekeningen of beschrijvingen bewaard gebleven. Opmerkelijk is de korte tijd waarin het plan tot stand kwam: tussen het verlenen van de opdracht en de aanbesteding lagen slechts elf dagen.
Zocher maakte, getrouw aan zijn stijl voor parkontwerpen, een aanleg in landschapsstijl. Hiervoor werden enkele slingerende waterlopen gegraven, waarbij de grond werd gebruikt om het terrein op te hogen, zodat enerzijds geen gevaar voor wateroverlast bestond en anderzijds de voor Zocher zo typerende glooiende belijningen werden verkregen.
Het rooms-katholieke gedeelte kwam op een apart ‘eiland’ te liggen, dat aanvankelijk nog alleen toegankelijk was via de algemene ingang met het eenvoudige houten, classicistische poortgebouw. Aan het eind van de negentiende eeuw werd, na veel geharrewar, de dam tussen beide begraafplaatsen geslecht en kreeg het katholieke gedeelte een eigen ingang met een,  minder in de stijl van Zocher passend, bakstenen poortgebouw. De begraafplaats heeft het typisch romantische karakter van een park, dat weliswaar gewijd is aan de overledenen, maar waarbij de visuele belevenis van de wandelaar en de continuïteit van het landschap een even voorname rol spelen. Zocher had de begraafplaats zelfs opgenomen in een van zijn kenmerkende Arcadische wandelingen, doordat hij de begraafplaats via een met bomen en heesters aangekleed pad verbond met de Lunetten van Coehoorn, de vestingwerken, die werden omgevormd tot het Sidneypark, het Slingerbos en het Coenenspark. Ook op de begraafplaats zelf grepen natuur en grafmonumenten terug naar de sfeer van het in de oudheid bezongen landschap van Arcadië.
Bomen die treurnis uitdrukken, zoals de treurwilg, de treures en de treurberk, zijn er gecombineerd met donkere heesters en coniferen. Hiertussen lichten als contrast de grafmonumenten op, die naar voorbeeld van de klassieken vormgegeven zijn met zuiltjes, timpanen en obelisken. In 1933 en in 1941 werd, ten westen van het door Zocher ontworpen deel, op een nieuw aangelegd eiland, in twee fasen een uitbreiding gerealiseerd. Dit eiland kreeg eveneens een landschappelijke vorm, maar is veel zakelijker ingericht, met dicht op elkaar lopende paden, waarlangs dubbel begraven kan worden. De monumenten, waaronder een burger- en een militair oorlogsmonument, zijn moderner van karakter en ook de beplanting is bonter en minder dramatisch dan in het deel van Zocher. Van de oorspronkelijke wandeling van de begraafplaats, langs de tot verdedigingslinie omgevormde Berkel naar de voormalige Lunetten, is het deel rond de begraafplaats nog ongewijzigd. De begraafplaats zelf is ook nog in tact, al zijn de bomen zodanig uitgegroeid dat door een grotere schaduwwerking een deel van de vermoedelijk door Zocher gebruikte heesters als sneeuwbes, sering, gouden regen en Gelderse roos het veld heeft moeten ruimen.

1. Begraafplaats Zuilen (Haagweg) te Breda.

Omdat de Vereniging Terebinth zich in zwaar weer bevindt vanwege het ontbreken van bestuursleden (voorzitter, secretaris en penningmeester gevraagd) leek het ons bureau een goed idee juist nu wat extra aandacht te schenken aan  historische begraafplaatsen. De beschrijvingen zijn goeddeels overgenomen uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (4 delen, 1995-2000), grotendeels van eigen hand.
Begraafplaats Zuilen-Haagveld, Breda. ‘Eerste Begrafenis op de Katholieke Begraafplaats Zuylen’, geschilderd door Constant Huysmans, 1832; Origineel: Breda’s museum
De geschiedenis van de rooms-katholieke begraafplaats Zuilen loopt parallel met die van de naastgelegen hervormde begraafplaats Haagveld. Tegenwoordig vormen zij samen één complex met een crematorium. De voormalige buitenplaats Zuilen ligt in het gebied tussen Breda en het Liesbos dat in vroeger eeuwen een aantrekkelijke omgeving vormde om in de zomermaanden de stad te ontvluchten. In de zeventiende eeuw lag hier al een herenboerderij met de naam Suylen. De naam Haag of Hage, hetgeen op een groenaanleg duidt, kwam in die tijd ook al voor in het hier gelegen plaatsje Princenhage. Vermogende Bredanaars hadden langs de oude uitvalsweg richting Mastbos aanvankelijk boerderijen in bezit met herenkamers, dikwijls met bijbehorende nutsgronden en siertuinen met tuinkoepeltjes. Het gebied stond bekend om zijn tuinderijen, in het bijzonder vanwege de teelt van aardbeien en ander klein fruit. Later, in het begin van de negentiende eeuw na de vrede met België (1830), werden er ook veel kapitale villa’s gebouwd voor permanente bewoning. Deze waren vaak omgeven door parkachtige tuinen met Engelse bosjes en een landschappelijke vijverpartij. Namen van huizen uit die tijd, zoals Tuinzicht, Torenzicht, Huis ten Bosch en Lindenburg, illustreren het toenmalige karakter van een Arcadisch landschap met pittoreske doorzichten tussen monumentale boomgroepen. Soms werd in een hoekje van het park een particuliere begraafplaats ingericht. Hoewel dit niet vaak voorkwam, was ‘de dood’ als verschijnsel geen zeldzaamheid in een romantische parkaanleg. Een bemoste zerk, een gebroken klassieke zuil of een tombe met grafregels die de wandelaar aan de vergankelijkheid herinnerden, waren geliefde landschappelijke stijlmiddelen. De begraafplaats Zuilen is ontstaan uit een dergelijke particuliere begraafplaats. In 1826 en in 1829,  het jaar waarin het Koninklijk Besluit van kracht was geworden dat gemeenten met meer dan 1000 inwoners om hygiënische redenen een begraafplaats buiten de stadsgrenzen moesten aanleggen, werd de particuliere begraafplaats Zuilen aanmerkelijk uitgebreid met aangrenzende tuinen, waarop achtereenvolgens een rooms-katholieke begraafplaats (Zuylen of Zuilen) en een hervormde begraafplaats (Haagveld) werden aangelegd. Het geheel bleef het parkachtige karakter in de late landschapsstijl houden en zelfs twee tuinkoepels bleven lange tijd als onderdeel van de begraafplaats in stand. De oude oprijlaan naar Zuilen is nog altijd herkenbaar en de beuken op Haagveld dateren nog van vóór de aanleg van de begraafplaats. Duidelijk is het verschil in sfeer tussen beide, met elkaar in verbinding staande, begraafplaatsen te ervaren. Het hervormde deel is soberder van sfeer, het rooms-katholieke deel heeft meer ornamenten. Op het rooms-katholieke deel ligt onder een onopvallende steen Louis Charles de Bourbon begraven, zoon van de Franse kroonpretendent, die volgens overlevering in Delft in het Kalverbos begraven ligt. Op het protestantse gedeelte is het gietijzeren monument van Cornelis Jan Wouter Nahuys heer van Burgst uit 1831 het meest opvallend. Het is het oudst bewaarde graf en gedecoreerd met natuurkundige instrumenten die verwijzen naar zijn liefhebberij als amateur-natuurkundige. Evenals veel villa’s in de omgeving is het monument uitgevoerd in neoclassicistische stijl. De combinatie van late landschapsstijl met neoclassicistische architectuur behoort tot de stijlperiode die zijn hoogtepunten beleefde onder de tuinarchitect J.D. Zocher jr. De witte architectuur stak helder af tegen het decor van groen gebladerte en moest een sfeer oproepen als in de landschapsschilderingen van kunstenaars als Claude Lorrain en Nicolas Poussin. Door verdichting is de romantische sfeer van de begraafplaatsen deels verloren gegaan. In 1933 werd de verwaarloosde tuinkoepel en in 1970 ook de kapel afgebroken. Op Zuilen is sinds de jaren zeventig ook een crematorium ingericht naar ontwerp van architect Van den Miracker. Dit luidde een nieuwe uitbreiding met urnenvelden in. In een hoek aan de Ettense Baan ligt een Poolse erebegraafplaats. Het verscholen graf op de hervormde begraafplaats tegen de heg waarop ‘Vincent van Gogh’ staat, is niet dat van de beroemde schilder, maar van zijn grootvader, predikant in de grote kerk van Breda. De oom van Vincent van Gogh ligt verderop in een grafkelder, een duurder klassegraf.

Wat betekent dat: “Natuurherstelwet aangenomen door Europees Parlement”?

 


Vervuiling vanuit de Noordzee

De inhoud van de EU-regels voor natuurherstel ziet er in het kort als volgt uit:

Vooruitstrevend Nederland heeft de (toegegeven, wel enigszins afgezwakte) wet met gejuich ontvangen -men spreekt in deze kringen van een groene en gezonde toekomst -; Conservatief Nederland noemt de EU-regels voor natuurherstel nog steeds te star, te eenzijdig en te ingrijpend. Hun mening is dat veel gebieden op slot zullen gaan, ten koste van voedselproductie, woningbouw en zelfs verkeersveiligheid.”

De mens zal bewuster met de natuur moeten gaan samenleven. De wet vraagt 30% van de gedegradeerde ecosystemen te herstellen tegen het jaar 2030 (denk aan schonere energiebronnen, schonere uitstoot van fabrieken en auto- en vliegverkeer, schonere uitstoot in de land- en tuinbouw); 10 % van de steden groener te maken (vooral meer bomen, waterberging, stadsparken, gevel en dakvergroening,  en minder verhardingen tegen 2050); (zie verder onder foto)

Aeres Hogeschool te Almere. Gevelbeplanting. Uitvoering Van Ginkel Groep

rivieren vrijer te laten stromen (denk aan de wateroverlast in Limburg); bijen- en vlinderpopulaties weer op pijl te brengen (is dat in 2030 gelukt door toename van biodiversiteit); 30% van drooggelegde veengronden weer te herstellen (te verlaten) tegen 2030 (70 % tegen 2050), zodat minder broeikasgassen vrijkomen; en bossen robuuster te maken door bossen te verbinden en te doen herleven, door meer dood hout te laten liggen en te streven naar een verantwoorde mix van jonge en oude bomen, om zo meer koolstof vast te leggen.

Als ons dat gaat lukken, en we beginnen toch allemaal heel langzaam aan van deze wet doordrongen te raken, zal een schone en gezonde toekomst voor de generaties die na ons komen gloren aan de horizon.

Ons bureau ‘Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven’ probeert zich al jaren aan deze regels voor natuurherstel en samenleving met de natuur te houden. Een mooi voorbeeld is het project waarmee we nu bezig zijn: Waardestelling van Kasteel Vliek te Ulestraten, waar de ‘Vliekerwaterlossing’ de hoofdrol speelt. (Rapport nog niet verschenen). Zie verder ook Bericht 26 januari 2021: ‘Duurzaamheid voorop, ook bij renovatie van historische tuinen’.

Nu de natuurherstelwet is aangenomen zie ik opeens veel helderder de relatie tussen duurzaamheid, milieu, inheemse beplantingen en groen erfgoed en tussen historie en ecologie (genius of the place). De wet vraagt ons in ieder geval bij elke (ontwerp)beslissing goed na te denken over de gevolgen  in het kader van herstel van de natuur. Daarbij zal ook gepaste creativiteit een belangrijker plaats gaan innemen in onze planvorming.

Schiermonnikoog en de storm Poly

Kaart van eiland Schiermonnikoog. Tekening  Lune Moonen, Foto Carla OldenburgerJuliet in de vogelhut op Schier. Foto Walther Schoonenberg

Kleindochter Lune als toekomstig bioloog. Foto Carla Oldenburger

We waren met de familie afgelopen week op Schiermonnikoog. Het eiland is de kleinste gemeente van Nederland en in 1989 als geheel tot Nationaal Park verklaard. Het staat bekend om zijn brede strand, het breedste van Nederland en wordt geroemd om zijn rust en natuur. Twee jaar geleden hebben we ons o.a. gericht op de historie van de buitenplaats Rijsbergen in het dorp Schiermonnikoog, terwijl we nu druk bezig waren met determineren van de duinplanten  en de vogels en de schelpen. Juliet is goed bekend met de duinflora, Lune was een uitstekende vogelaar en samen bestudeerden ze nu met behulp van de Schelpengids de gevonden schelpen.

De storm Poly dwong ons 5 juli binnen te blijven. In de middag (15.00 -16.00 uur) werden hier sterke windvlagen (15-16 m. p/s.) verwacht. Maar het viel erg mee. Het binnenzitten heeft ook zijn charme.  Lezen, schrijven, genieten van het bijzondere vertrouwde hotel (Van der Werff). Hieronder bijpassende foto’s, de mooiste en meest bijzondere  vondsten van afgelopen dagen: Parnassia; Pyrola of Rond Wintergroen; Grauwe Vliegenvanger; Kleine Plevier; een kijkje in het prachtige schelpenmuseum van Thijs de Boer; en enkele historische relicten in Hotel van der Werff. Juliet en Lune hebben alle vondsten in hun flora en vogelgids en schelpengids genoteerd.

Parnassia palustris in vochtige duinvalleien. Foto Walther Schoonenberg

Pyrola rotundifolia in vochtige duinen. Foto Walther Schoonenberg

Grauwe vliegenvanger. Foto Wikipedia

Kleine Plevier. Foto Wikipedia

Boven en onder: Twee gezichten in het Schelpenmuseum. Foto Carla Oldenburger

Prehistorische Stekelhoren. Foto Walther Schoonenberg

Oude foto van Hotel van der Werff. In de gang van het hotel. Foto Carla Oldenburger

Andere documenten in een vitrinekast van het hotel. Foto Carla Oldenburger

Wapensteen van de familie Stachouwer, destijds eigenaar van het eiland. De steen sierde in de 17de eeuw hun kasteel Binnendijken, al waar recht gesproken werd. Na de stormvloed (ca. 1700) verhuisde de steen naar het nieuwe rechthuis (= Hotel van der Werff). Foto Carla Oldenburger

Ook fungeerde het hotel later als wachtlokaal. Foto Carla Oldenburger

Juliet in de lounge/salon van het hotel tijdens de storm Poly. Foto Carla Oldenburger