Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.
Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA.
Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.
Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.
Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.
Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’ van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.
Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral ‘Bomen van Pieter Saenredam’ en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.
Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).
Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.