Categoriearchief: Groen Erfgoed

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek ging brengen en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar ‘de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis’, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. VOYAGE au Jardin des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je als staflid jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverden het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en Buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (Oost- en West-) Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’ op deze website.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Tentoonstelling over 450 jaar bescherming Haagse Bos (2 maart t/m 9 april 2026)

In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag,  ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).

Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….  

Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht.
Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.

Plattegrond Haagsche Bosch, 1645

In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.

P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos

Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.

I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch,  1825, met wegen en paden en de grote waterpartij

In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.

Genomineerden voor de Gouden Terebinth (o.a. de buiten-begraafplaats Hilversum)

Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.

Logo Stichting Terebinth in het goud

De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).

We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .

Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.

Dit is mijn tekst, die ik in 1998 schreef voor onze Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 3, 1998:
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay  en Albertus Perk, notaris,  wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”

Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen

De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat  het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen,  tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij. 

Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie  afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly.     De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.

“Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot”. Jaarboek 2023 van Cuypersgenootschap verschenen.

 

Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.

Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.

Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.

Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.

Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.

Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’. Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/