Categoriearchief: Groen Erfgoed

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

De Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, 1996; Tengbergen, A. & E.J. Tengbergen, 1988 (3e druk). De acht kastelen van Vorden. De Walburg Pers, Zutphen

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Figuratief kaartje  uit 1828, getekend door W. Staring (hoogstwaarschijnlijk Winand C.H.)

N.a.v. de digitale uitgave van het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens (Dododnaeus)

 

Vorige maand (juni 2026) las ik  dat het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens van de UVA (Allard Pierson Museum) digitaal beschikbaar is gemaakt.  Dit in verband met de reconstructie van een ‘hortus medicus’ bij het Allard Pierson Museum. Vgl. de Clusius- tuin in de Hortus van de UL.

Dat dit boek van Dodoens is gedigitaliseerd is heel bijzonder te noemen omdat het boek uit 1554 dateert en uit bijna 1000 pagina’s met planten-afbeeldingen bestaat. Dit prachtige interessante boek was het eerste historische boek van het Biohistorisch Instituut RUU dat ik als jonge onderzoeker in handen kreeg, omdat het samen met andere kruidenboeken uit die tijd hèt bronmateriaal vormde voor mijn studie over planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Mijn focus lag aanvankelijk op planten uit de 16de eeuw, maar breidde zich al snel uit naar de 17de eeuw, omdat de tuinen die in die jaren gerestaureerd werden in Nederland, meestal in de 17de eeuw waren ontworpen en aangelegd.

Het volgende artikel is als een korte samenvatting van mijn studenten-onderzoek over planten op schilderijen van Vlaamse Primitieven te beschouwen.

Hierna volgden artikelen in Vakblad GROEN. Het eerste artikel van mijn hand over historische planten verscheen in Vakblad GROEN (1975, nr. 10). Zie eerste genoemde artikel hieronder. Het artikel werd direct opgepikt in kringen van ICOMOS in verband met het onderwerp ‘restauratie van historische tuinen’. En zo kwamen in de jaren zeventig als eerste de tuinen van Huis Beeckestijn in Velsen, de tuin van Hofje de Bruntenhof in Utrecht en de tuinen van Paleis Het Loo op mijn pad.

Het is een beetje een omweg, maar uit bovenstaande blijkt dat een studie naar 16de eeuwse planten die voorkomen in het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens  (en andere boeken uit dezelfde tijd) kan leiden tot een studie naar tuinplanten uit de 17de eeuw. Deze studie  naar 16de en 17de eeuwse tuinplanten leidde uiteindelijk tot een Advies aan de Werkgroep Tuinaanleg Paleis het Loo, waarin planten, bomen, heesters en  vruchtbomen werden genoemd die in 1684 in Nederlandse tuinen werden toegepast en dus geschikt geacht werden voor de beplanting van de nieuwe tuinen van Paleis Het Loo, die in 1984 werden geopend.

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

Klimaarverandering treft ook het groene erfgoed (VPHB)

Naar aanleiding van de aanhoudende bosbranden in Zuid-Frankrijk, heeft de VPHB een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.
Wij steunen deze zienswijze van harte.

(overgenomen):
Klimaatverandering raakt niet alleen gebouwen en infrastructuur, maar ook het groene erfgoed. Toch dreigt juist dat onderbelicht te blijven in het nieuwe klimaatbeleid.


VPHB heeft een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.

Om welke omvang gaat het? Nederland telt bijna 7.700 rijksmonumentale objecten bij 553 historische buitenplaatsen en kastelen. Samen vormen zij ruim 8 procent van het totale rijksmonumentenbestand, en met ruim 18.000 hectare beslaan zij 23,4 procent van het totale groene monumentenoppervlak. Na de verdedigingswerken de grootste categorie.

De gevolgen zijn nu al zichtbaar. Monumentale bomen sterven af door droogte en hitte, historische watersystemen vallen droog en funderingen worden aangetast door veranderingen in de grondwaterstand. Zonder aanvullende maatregelen is verdere aantasting, of zelfs verlies, van onderdelen van dit erfgoed aannemelijk.

Juist dit groene erfgoed levert een brede maatschappelijke bijdrage. Het vormt ecologische stapstenen, draagt bij aan biodiversiteit, dient als waterberging en verkoeling bij hitte, en is voor miljoenen Nederlanders toegankelijk of zichtbaar. De waarde reikt daarmee veel verder dan het individuele monument.

VPHB vraagt daarom om rijksbeschermd groen erfgoed expliciet op te nemen in de strategie, zodat het meetelt in beleid en uitvoering. 

L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek ging brengen en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar ‘de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis’, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. VOYAGE au Jardin des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je als staflid jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverden het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en Buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (Oost- en West-) Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’ op deze website.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Tentoonstelling over 450 jaar bescherming Haagse Bos (2 maart t/m 9 april 2026)

In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag,  ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).

Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….  

Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht.
Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.

Plattegrond Haagsche Bosch, 1645

In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.

P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos

Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.

I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch,  1825, met wegen en paden en de grote waterpartij

In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.