Categoriearchief: Groen Erfgoed

Gebroeders Copijn in 1892

(grotendeels overgenomen  van de Biltsche Courant.nl (12 juli 2024):

“Landgoed Jagtlust (gemeente De Bilt) heeft een hoge monumentale waarde. Dat concludeert een door het Biltse college ingehuurd onafhankelijk bureau (Bureau Contrei) in april jongstleden. Stichting Werkgroep Behoud Jagtlust, sinds zomer 2022 in touw voor een monumentenstatus, ziet het als een belangrijk en bepalend stuk werk. Het rapport is nu ook ter beschikking gesteld van de raadsleden, echter nog niet openbaar.

Genoemde stichting ziet het rapport van het onafhankelijke Rotterdamse bureau Contrei als een zeer goed beargumenteerde beschrijving van al de redenen die noodzaken om Landgoed Jagtlust en omgeving aan te wijzen tot monument. Recent sprak ook de oudste en nationale erfgoedvereniging, de Bond Heemschut, zich uit in een brief aan de Biltse raad.”

(overgenomen uit de Biltsche Courant.nl, 3 december 2023):

“De rijke geschiedenis van Jagtlust onthult steeds weer nieuwe verhalen. In het Stadsarchief van Amsterdam dook een kasboekje op van de familie Boissevain, die tussen 1892 en 1906 op Jagtlust verbleef. Uit dat kasboekje blijkt dat een groot bedrag werd uitgegeven voor de aanleg van de tuin rondom Jagtlust door de firma [Gebroeders H. en P.G.] Copijn, toen al boomkweker en tuinarchitect in Groenekan en zelfs hofleverancier van Z.M. de Koning. Later werd ook nog een aanbetaling gedaan voor de aanleg van een rozentuin. De familie Boissevain deed er alles aan om van het gebied rondom Jagtlust een waar lustoord in de Engelse Landschapsstijl te maken. [Gebroeders] Copijn zou daarvan de ontwerper zijn geweest. Het resultaat van het onderzoek en afbeeldingen van het kasboekje zijn te lezen in het decembernummer (2023) van De Biltse Grift.”  Helaas niet digitaal, maar wel in de studiezaal van Het Utrechts Archief (HUA) te lezen en te fotograferen.

Hierna volgen de documenten waarin de koop van Jagtlust (1892 door Jan Boissevain) en de werkzaamheden van de Gebroeders Copijn (aanleg en tekening van de plaats) worden genoemd. Helaas is het ontwerp van de aanleg rond het huis  (nog) niet teruggevonden.

Aanleg van de plaats door Gebr. Copijn volgens aanneming en tekening. Stadsarchief Amsterdam

Met dank aan Lia Copijn en Anja Guinee.

Mijn dagelijkese uitje tijdens de oorlogsjaren, naar de Geuzenhof

De Geuzenkade was de plaats waar mijn wieg heeft gestaan. We woonden begane grond en we hadden een eigen tuin met zandbak en bloemenperken, maar toch wilde ik als peuter en kleuter elke dag met mijn vader de kippen en fazanten en pauwen bezoeken en een blaadje sla gaan brengen.

We woonden precies in de bocht van de Geuzenkade en vanaf hier was de Geuzenhof om de hoek, een binnentuin binnen het complex flatwoningen aan de Geuzenstraat. DE TUIN WAS TOEN OPENBAAR TOEGANGKELIJK, NU NIET MEER, MAAR VANDAAG STAAT DE POORT OPEN WANT HET IS OPEN TUINEN DAG.

Geuzenhof, (bouwdeel 1, voltooid 1935). Architect Jacob Dunnebier. Tuinarchitect Mien Ruys. Volière met pauwen, kalkoenen, of fazanten en kippen. Stadsarchief Amsterdam

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998), tekst Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, schreven we de volgende tekst:

“In de wijk De Baarsjes ligt een grote, langgerekte binnentuin ontworpen door Mien Ruys met allerlei speelvoorzieningen. De aanleg is uitgesproken architectonisch van opzet en toont eerder een late Jugendstil dan de van haar bekende modernistische signatuur. Er komen veel halfronde vormen in voor en afgeronde hoeken en twee symmetrische, gekromde paden. De tuin bestaat eigenlijk uit twee delen, die in elkaars verlengde liggen en die behoren bij de woonblokken Geuzenhof 1 en Geuzenhof 2, die de tuin bijna geheel insluiten. Als voorzieningen zijn twee zandbakken opgenomen, een speelplaats, een volière en zelfs een telefooncel. Volgens Ruys hadden deze tuinen een opvoedende werking. Zij voorzagen niet alleen in een gezonde vorm van buitenspelen, maar waren ook een stimulans voor de esthetische beleving van het groen. Zij zag tuin en architectuur als onafscheidelijke eenheden. In ‘de 8 en Opbouw’ van 1942 schreef zij onder meer over gemeenschappelijke tuinen: ‘Deze gemeenschappelijke tuinen kunnen vooral in arbeiderswijken een grote sociale verbetering brengen. […] Een juist aangebrachte beplanting kan de architectuur van het gebouw accentueren, maar het is ook mogelijk het karakter, de zuivere lijn van een huis te schaden door een verkeerde groepering.’ Zij was wars van het gebruik van hekken en voorzag dat spelende kinderen vanzelf belangstelling en waardering zouden krijgen voor de beplanting. Het geheel is nog grotendeels volgens de oorspronkelijke opzet en wordt gerestaureerd door de gemeente Amsterdam.”

 

Geuzenhof Amsterdam, 2023 (?). Grind en tegels op de plaats van de voormalige volière. Zie hierboven. Beeld Jakob van Vliet. Overgenomen van Parool-artikel
Geuzenhof Amsterdam West, Ontwerp ca. 1935, opgeleverd met volière, zandbakken en vijvertje.  Stadsarchief Amsterdam

Huis Verwolde en 5 bekende tuinontwerpers tussen 1776 en 1981

Onlangs bracht de Stichting SKBL Huis Verwolde weer eens onder de aandacht. Jammer genoeg kwam de geschiedenis van de tuin daarbij niet erg royaal uit de verf.  Voor ons een aanleiding om juist nog eens op die geschiedenis te wijzen en er dieper op in te gaan. De tekst nemen we grotendeels over van onze eigen Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 2 (1996), auteurs Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok.

Laren (Gld.), Kasteel Verwolde. Eerste wijziging tuinontwerp Hugo Poortman, 1922. Coll. Geldersch Landschap en Kasteelen

De (tuin)architecten / tuinontwerpers die hier werkten, geven we in groen aan, daarop klikken en vervolgens bij ‘Beschrijving’ op vinkje klikken; dan verschijnt een uitgebreidere tekst.

Beschrijving Historische Tuin Verwolde:

Kasteel Verwolde staat op de plaats van een middeleeuwse voorganger. In 1738 werd het huis gekocht door A.P. van der Borch. Zijn zoon liet in 1776 door de stadhouderlijke architect P.W. Schonck een nieuw huis optrekken in Lodewijk XVI-stijl. Ook maakte Schonck een nieuw ontwerp voor de tuinen, met bloementuin en moestuin. Zijn ontwerptekeningen voor de tuinen zijn echter verloren gegaan. De zonnewijzervaas uit 1778 is eveneens naar ontwerp van Schonck. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ (1783) is duidelijk een eerste landschappelijke aanleg te zien binnen het oudere lanenstelsel.

Circa 1795 maakte de architect J.P. Posth een nieuw ontwerp voor de tuinen. Hij liet het grachtenstelsel vergraven tot een slingervijver. In de weiden vóór en achter het huis ontwierp Posth bloemperken en heesterpartijen in de geest van de Engelse tuinarchitect Humphrey Repton. Hij ontwierp bovendien enkele rondlopende wandelingen, terwijl hij daarnaast enkele delen van oude lanen handhaafde. Ook de boomgaarden en moestuinen werden door golvende paden omgeven. In de negentiende eeuw werd er weinig aan het park veranderd.
Laren (Gld.), Kasteel Verwolde, ca. 2015. Foto Wikipedia
Tijdens de verbouwing van het huis vanaf 1926, waarbij onder andere de toren werd aangebouwd, werd een nieuw tuinontwerp gemaakt door de tuinarchitect H.A.C. Poortman. Het pinetum, dat in 1921 was aangelegd, nam Poortman in zijn plannen op. Hij liet een deel van de slingervijver dempen, zodat aan de zuidzijde van het huis de begane grond door middel van een terras met trap met de tuin verbonden kon worden. Achter het huis ontwierp hij een grasparterre met een dubbelmonogram van de letter L. Daarachter creëerde hij een verdiepte ommuurde parterre-de-broderie met aan weerszijden gazon, en als afsluiting daarachter een 50 meter diep gazon, dat door bloemenborders en taxushagen werd begrensd. Het ontwerp voor deze ‘mixed-borders’ liet Poortman door J.W.M. Sluiter maken in de stijl van Gertrude Jekyll. Deze stijl kenmerkt zich door het gebruik van vaste planten in borders, gerangschikt op kleur en hoogte. Voor het huis kwam ook een gazon te liggen. Het hele ontwerp van Poortman ligt binnen een dubbel grachtenstelsel en vormde een overgang naar het omringende park in landschapsstijl.
Op het binnenterrein ligt ook een oranjerie, die sinds 1988 als theeschenkerij wordt gebruikt.
Huis en tuinen werden in 1977 aan de Stichting Geldersche Kasteelen overgedragen. Vanaf 1980 zijn de tuinen in vereenvoudigde vorm gerestaureerd, gebaseerd op het ontwerp uit 1926. De nieuwe beplanting van de lange bloemenborders werd door mevrouw M.E. Canneman-Philipse, bekend van haar tuin op De Walenburg in Langbroek, ontworpen. Op het landgoed Verwolde is ook de zogenaamde ‘Dikke Boom’ te bewonderen; een zeer imposante eik, waarvan gezegd wordt dat dit de dikste eik van Nederland is, met een stamomtrek van ruim 751 cm. De route naar deze boom is met kleine wegwijzers aangegeven en ook leiden verschillende uitgezette wandelroutes hierlangs.
Het Huis Verwolde is in historische trant ingericht en opengesteld voor publiek. Vanaf 20 juni t/m 17 oktober kan men deelnemen aan de Grand Tour, uitgebreide rondleidingen op donderdagen en zondagen.

 

Wie is de ‘Schrijver der Flora’?

Op de weblog van Cascade Tuinhistorisch Genootschap las ik een aantal jaren geleden (15 april 2016) dat alle drie delen van het boek Nederlandsche Tuinkunst (1837-1838), uitgeven door de Gebroeders Diederichs te Amsterdam,  digitaal zijn te raadplegen. Klik hiervoor op de hierboven aangehaalde groene titel.

Dit boek is onder schuilnaam geschreven, namelijk door de Schrijver der Flora.  We kunnen hieruit concluderen dat deze anonyme schrijver al eerder een botanisch werk heeft afgeleverd onder de titel Flora. Als we zoeken op naam van de uitgever ‘Gebroeders Diederichs en Flora’, zien we dat het gaat om Flora Jaarboekje voor Bloemliefhebbers en Bloemkweekers (1837). Het derde deel van Nederlandschen Tuinkunst is ook apart uitgegeven, nu door de uitgever Loosjes te Haarlem, als apart deel van het Tijdschrift ter Bevordering der Nijverheid, onder de titel Dagboek voor Boom- en Bloemkweekers, Hoveniers en Warmoezeniers (1840), ook weer met de vermelding “door den Schrijver der Flora”. Een van de samenstellers van dit Tijdschrift was de welbekende hoogleraar in de Botanie en Landhuishoudkunde aan de Universiteit van Groningen, Prof. H.C. van Hall.

Het intrigeert mij al jaren dat ik niet weet wie de schrijver is van dit genoemde uitstekende bruikbare praktische handboek. Wie zou dat kunnen zijn? Misschien ging de auteur er van vanuit dat iedereen dat wist, maar een kleine twee honderd jaar later na verschijnen van dit handboek weet echt  niemand dat meer. Zie ook het artikel van Jan Holwerda in  Cascade Bulletin 23 (2014), nr.1, p. 42-44.  

Ik ken natuurlijk de naam van de botanicus H. C. Van Hall (1801-1874), die samen met Jan Kops (1765-1849) de delen 5 t/m 8 (1828-1844) van de Flora Batava samenstelde. Uitgever J.C. Sepp en Zn. Om dit puzzeltje op te lossen dacht ik niet meteen aan de Flora Batava omdat deze Flora de wilde planten van Nederland beschrijft, terwijl de Nederlandsche Tuinkunst echt een handboek is bedoeld voor bloemkwekers,  tuinbazen en tuinliefhebbers, hoewel de ‘beoefenaars der plantenkunde’ op de titelpagina als eerste doelgroep worden genoemd.  Van Hall was ook nog de schrijver van een eerdere flora, de Flora Belgii septentrionalis sive Index plantarum indigenarum of in het nederlands Flora van inheemse planten van Noord-Nederland, uitgegeven te Amsterdam bij dezelfde uitgever als van de Flora Batava, J.C. Sepp en Zn. in 1825. Ook dit boek beschrijft wilde inheemse planten.

Van Hall is dus bekend van twee wetenschappelijke flora’s met als eerste titelwoord ‘Flora, beide uitgegeven door J.C. Sepp en Zoon èn van het werk Nederlandschen Tuinkunst, uitgegeven door de Gebr. Diederichs, beide uitgevers gevestigd te Amsterdam. Het blijkt dat de gebroeders Diederichs uitgevers zijn van meer populaire werken (opgesomd in dbnl.nl). Wat wel vaker gebeurde is dat wetenschappers hun werk ook onder de aandacht wilden brengen van de gewone man; het zou kunnen zijn dat Van Hall daarom het derde deel van Nederlandsche Tuinkunst bij Diederichs publiceerde, een veel minder wetenschappelijke werk, bedoeld voor tuinlieden in de praktijk. Hij had zijn wetenschappelijke naam hoog te houden, dus verlaagde hij zich misschien niet graag tot de praktische kant van het vak en moest de term Schrijver der Flora insiders weer naar zijn wetenschappelijke werk verwijzen. Het is misschien een aardige theorie, maar geen bewijs. We blijven zoeken en speuren

Kasteel Merckenburgh te Heukelum

Ons jonge gezin woonde van 1970 tot 1973 in het destijds Hollandse middeleeuwse stadje Heukelum (ommuring ca. 1230; stadsrechten ca. 1390), midden in het centrum, tegenover de muziektent, en ook 100 m. verwijderd van de Linge. Het was ons eerste huis(je). Jaren achtereen had de plaatselijke veldwachter, in die tijd ook nog wel koddebeier genoemd, in het huis gewoond. Ook stond het huis bekend vanwege het  bijbehorende ‘Weeghuisje’,   jammergenoeg was de weegbrug toen al verdwenen. We waren de trotse bezitters van twee panden dus, met twee huisnummers, en tussenin een piepklein tuintje.

Omdat de tuin zo klein was en de Linge dichtbij, hadden we een roeibootje op de Linge liggen, waarmee we de Linge konden bevaren. En zo kwam het dat we al heel snel Kasteel Heukelum (officieel Kasteel Merckenburgh, gebouwd door de Heren van Arkel rond 1286)) ontdekten vanaf het water en vanaf de Lingedijk die de verbinding vormde tussen de stad en het kasteel.

Kasteel Heukelom. J. Schijnvoet Fecit (ca. 1711) naar R. Roghman. Noorden boven. Part. Coll.

Op bovenstaande prent uit 1711 (Jacobus Schijnvoet F. 1685-1733, de zoon van de meer bekende Simon Schijnvoet) zien we links van het kasteel een muur en een toegangspoort, die aan het begin van de toegangslaan stond. Tussen het kasteel en het water (de slotgracht?) is een bosaanplant te zien en vóór de knotwilgen (ten zuiden van deze gracht) loopt (nog steeds) de Heidensweg tussen Heukelum en Asperen.

Op de 19de eeuwse Topografische Kaart van Nederland (deze versie is vanaf 1872) is de verbinding tussen stad en kasteel heel duidelijk, recht toe recht aan. We zien tussen de stad Heukelum en het kasteel een stippellijn, dat is een deel van de (Zuider)Lingedijk. Aan de westkant gaat deze dijk over in de Voorstraat (verderop Torenstraat), en aan de oostkant gaat de dijk met een klein knikje over in de toegangslaan tot het kasteel, terwijl de Lingedijk zelf eigenlijk iets noordwaarts afbuigt om de Lingeloop te volgen. De Heidensweg is ook duidelijk op de kaart waarneembaar ten oosten van de stad. Deze vormt de verbinding met de nabijgelegen stad Asperen. Het kasteel ligt binnen een duidelijk aangegeven slotgracht en buiten deze gracht, aan het eind van de toegangslaan, zijn twee bouwhuizen te zien. In het bos ligt een vijver.

Stad Heukelum en Kasteel Heukelum, daartussen deel van (Zuider)Lingedijk en toegangslaan tot Kasteel. Noorden boven

In de jaren dat wij in Heukelum woonden, was Rudolph Alexander baron van Heeckeren van Brandsenburg, heer van Heukelum (1909-1980) de enige en illustere bewoner. Hij was een paardenman, zijn contacten met het dorp gingen niet verder dan de bakker en de slager. Als je zo gelukkig was om eens binnen te mogen komen kijken, gaf hij zelf een rondleiding en gidste hij je langs verschillende ‘Rembrandts’ en allerlei geschenken die hij naar zijn zeggen o.a. van Churchill had gekregen. Hij was een (oorlogs)verhalen-verteller, een markante persoonlijkheid die in de stad Heukelum niet gauw vergeten zal worden.

Kasteel Slangenburg te Doetinchem

Omdat Kasteel De Slangenburg vanaf dit Pinksterweekend 2024 wordt opengesteld, is  onze beschrijving van tuin en park van De Slangenburg hier (bijna onveranderd) overgenomen uit de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur , deel 2, uit 1996:

“Omstreeks 1675 werd het vijftiende-eeuwse huis de Slangenburg in opdracht van Frederik Johan van Baer verbouwd tot een symmetrisch huis met twee hoektorens en twee zijvleugels. In diezelfde tijd werden een nieuwe oprijlaan (Kasteellaan) en een trapeziumvormig lanenstelsel aangelegd met bossen en bouw- en weilanden tussen de lanen. Het lanenstelsel, dat omstreeks 1679 voltooid was, is tot heden toe bewaard gebleven. De ruim 1,5 km. lange oprijlaan staat loodrecht op de voorgevel van het huis en vormt met vier gegraven visvijvers, gelegen binnen het lanenstelsel, de middenas van het ontwerp. Het trapezium beslaat 135 hectare. De vorm van het voorplein dateert eveneens uit omstreeks 1675.

De Slangenburg Doetinchem , 1774. Trapeziumvormig lakenstelsel. Noorden rechts

Op twee achttiende-eeuwse bedrijfskaarten van het landgoed zijn binnen het lanenstelsel bouwland, weiland en bos getekend, terwijl binnen de gracht het huis en de moestuinen staan aangegeven. Het grondgebruik is tot op heden nagenoeg hetzelfde gebleven. Binnen de grachten ten noorden en ten westen van het huis lagen 16 tuinvakken voor moeskruiden, vruchtbomen en bloemen. De vier vakken achter het huis,  waarop men vanuit het huis uitzicht had waren bestemd voor sierplanten.

Kaart De Slangenburg Doetinchem 1796.Rondom trapeziumvormig lakenstelsel. Noorden rechts.
Slangenburg Doetinchem, 1752. Detail rondom het huis 16 tuinvakken. Noorden rechts

Deze siertuin werd omstreeks1799 veranderd in een kleine landschappelijke aanleg met slingerpaden, sierstruiken en een aantal exotische bomen. In het parkdeel achter het huis is nog steeds deze bijzondere aanplant te vinden, waaronder een oude tulpenboom en drie zeer oude bruine beuken.

Ontwerp Hugo Poortman 1894.

In 1894 ontwierp de tuinarchitect H.A.C. Poortman geometrische tuinen binnen de gracht. Het is duidelijk dat de indeling van de tuinvakken benoorden en westen van het huis veranderd zijn van moestuinvakken in siertuinvakken. Ten zuiden van het huis is door Poortman een ruime landschappelijke wandeling uitgezet. Ten noorden van het huis zijn tegenwoordig nog de contouren van een vroeg achttiende-eeuws sterrebos te vinden onder een zwaar beukenbos. 100 jaar later werkte bureau Copijn Utrecht hier i.v.m. reorganisatie-werkzaamheden.

Voor de wandelaars zijn gemarkeerde wandelroutes uitgezet en er zijn picknickplaatsen, een natuurkampeerterrein en een hertenkamp aan het terrein toegevoegd. Het landgoed wordt beheerd door Staatsbosbeheer. De voormalige paardenstal op het voorplein is ingericht als bezoekerscentrum van Staatsbosbeheer, met onder meer informatie over de historie en het beheer van het landgoed.”

Advies voor een goede voorbereiding op de geschiedenis van tuin en park De Slangenburg, zie Het Landgoed Slangenburg, een gaaf bewaarde Nederlandse barokaanleg uit 1679 / Drs Trudi W. Woerdeman. 

De kolom ter herinnering aan de slag bij Waterloo in het Amerongse Bos

Kolom in het Amerongse Bos, ter ere van Kroonprins Willem II en ter herinnering aan de slag bij Waterloo. Gemeentelijk Monument. Foto Carla Oldenburger

Op weg naar het Berghuis in het Amerongse Bos kom je langs een ‘zuil’ of ‘kolom’ met een bijzondere geschiedenis. Eens was deze kolom te vinden op de hoogste plaats van de Amerongse Berg, midden in het Amerongse Bos, met een vrij uitzicht op het dorp Amerongen. Nu (sinds 1963) staat hij ten zuiden van het huis dat vroeger bekend stond als Berghuis (pannekoekenhuis met speeltuin) en nu de deftige titel ‘Mas Montagne’ (zuid-frans voor huis in de bergen) heeft (restaurant).

Berghuis in het Amerongse Bos. Prentbriefkaart. Tegenwoordig heeft het huis de naam ‘Mas Montagne’

Deze kolom werd opgericht door gravin Anna Elisabeth Christina (Annabetje) van Tuyl van Serooskerke (1745-1819), douarière van Frederik Christiaan Reinhardt, Rijksgraaf van Reede, vijfde graaf van Athlone (1743-1808). Zij was een bewonderaarster van het Huis van Oranje en dus ook van de held van Waterloo, Kroonprins Willem van Oranje, vanaf 1840 Koning Willem II der Nederlanden. Na de overwinning op Napoleon Bonaparte liet gravin Anna Elisabeth een gedenkzuil oprichten ter meerdere glorie van kroonprins Willem II in het Amerongse Bos. De schilder Jan van Ravenswaay (1789-1869) heeft hier een tekening van gemaakt die zich in Teylers Museum bevindt.

Tekst: Deze colom is opgericht door Gravinne Douarière van Athlone ter gedachtenis van de overwinning Behaald over Bonaparte en de Fransche Armée door Den Kroonprins van Oranje en de gecombineerde Arméen onder bevel van den hartogvan Wellington & prins Blücher te Quatre Bras en in de velden van Waterloo den 18 juni 1815. Foto Carla Oldenburger

In 1844 werden de kastelen Amerongen en Zuylestein door de twee dochters van de vijfde graaf van Athlone geërfd. Zij waren even Oranjegezind als hun moeder en lieten de kolom en het hekwerk dat er omheen stond in 1846 restaureren. (Zie gedenkplaat hieronder).

Tekst: Deze colom is hernieuwd ter vereering van onze dierbare moeder A.E.C.gravinne douarière van Athlone door hare laatst overgeblevene kinderen M.W. & C.R. Gravinne van Reede Ginkel. Amerongen 1846 Foto Carla Oldenburger

In 1879  erfde graaf G.J.G.C. van Aldenburg Bentick (1857-1940) Kasteel Amerongen en de bijbehorende bezittingen van zijn tante Elisabeth Mary Rijksgravin van Reede; later werd Kasteel Zuylestein ook nog bij zijn bezittingen gevoegd. Onder zijn beheer is de kolom altijd op zijn plaats blijven staan, maar in de crisistijd (jaren dertig) werd een groot deel van de bossen aan een beleggingsmaatschappij verkocht. De kolom werd toen afgebroken en samen met de gedenkplaten begraven. Het zelfde lot trof het theehuisje en de koepel, maar hiervan zijn tot heden geen sporen teruggevonden.

Na het overlijden van graaf van Aldenburg Bentinck ontfermde zijn dochter Elisabeth Mary zich over de verloren gewaande kolom. Er waren in Amerongen kennelijk toch wel mensen die wisten waar deze begraven lag, want na de Tweede Wereldoorlog werden de kolom en de gedenkplaten gevonden, weer opgegraven en voorlopig opgeslagen op Kasteel Amerongen waar Elisabeth Bentinck woonde met haar man Sigurd von Ilsemann, de vleugeladjudant van de Duitse Keizer Wilhelm II. In  1962 werd burgemeester Jhr. Oscar R. van den Bosch tot burgemeester van Amerongen benoemd en ook hij trok zich het lot van de kolom aan.

Tekst: In dit herdenkings jaar is door samenwerking der inwoners van Amerongen deze kolom heropgericht en door de Erven Graaf G.J.G.C. van Aldenburg Bentinck aan de gemeente overgedragen 3 augustus 1963. Foto Carla Oldenburger

Het gevolg was dat de inwoners van Amerongen in 1963 een actie op touw hebben gezet om geld te verzamelen voor het opnieuw oprichten van de kolom. Men koos voor een andere plaats, langs de weg naar het voormalige Berghuis en met veel ruimte en zicht rondom. Er is zelfs een bankje naast de kolom geplaatst om even uit te rusten en te genieten van de kolom en het landschap.

De kolom in het Amerongse Bos is een gemeentelijk Monument en 5 jaar ouder dan de Naald van Waterloo bij Soestdijk, die tot rijksmonument is aangewezen. Verdient de Amerongse kolom dan ook niet een rijksmonumenten-status?

De Naald van Waterloo in Baarn/Soestijk heeft eenzelfde geschiedenis, het is een eerbetoon aan bevelhebber Kroonprins Willem II en een herinnering aan de overwinning op Napoleon Bonaparte bij Waterloo (1815). De Baarnse Naald  staat in de zichtlijn van Paleis Soestdijk, precies 1 km. van de trappen van het paleis verwijderd. De kolom is ontworpen door architect Abraham van der Hart en geplaatst in 1820.

De Naald van Waterloo bij Paleis Soestdijk. Opgerocht in 1820. Rijksmonument. Foto Wikipedia
Ik wens allen een mooie en interessante wandeling.

Nogmaals de vogelvlucht van Sparrendaal Driebergen, om nauwkeurig te bestuderen

Prachtige vogelvlucht van SPER-EN-DAAL te Driebergen, 1758,  vier jaar na de aanleg. Zie voor een korte beschrijving het vorige Bericht.

In dit tweede bericht wordt de vogelvlucht in hogere resolutie weergegeven. Nu geschikt om de kleine taferelen te bestuderen.   Zie de toegangslaan die achter het huis doorloopt als zichtlaan, de vele andere lanen, boomgaarden, moestuinen, akkers en sterrenbos ver achter het huis.

Dank aan de Ver. Hendrick de Keijser!

Buitenplaats Sper-en-daal Driebergen, 1758. Pentekening. Coll. Ver. Hendrick de Keijser

Sparrendaal te Driebergen in 1754. Vogelvlucht gerestaureerd

Buitenplaats Sparrendaal (Sperendaal) kwam in 2000 in eigendom van de Ver. Hendrick de Keyser. In 2001 raakte ons bureau betrokken bij een eerste adviesaanvraag van tuin en park. We maakten toen een quickscan, waarbij we ons licht lieten schijnen over de eerst gewenste aanpak wat betreft tuin en park en een herstel-plan voor het voorplein.

Vogelvlucht en 18 prenten rondom, getekend door Abraham Dirksz Verrijk en Dirk Abrahamsz Verrijk in 1758, in opdracht van Jacob van Berck en Susanna de Leu de Wilhelm. Collectie Ver. Hendrick de Keijser.

De Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 2, 1996, tekst Carla Oldenburger) zegt het volgende over deze plaats (tekst waar nodig veranderd en aangevuld): “In 1754 werd het huidige huis Sparrendaal in opdracht van de burgemeester van Utrecht Jacob van Berck, gebouwd in Lodewijk XV-stijl.  De slangemuur zal uit deze tijd dateren.  In de holtes van slangemuren, meestal gelegen op het zuiden, kweekte men leifruit dat extra warmte nodig had. Déze slangemuur is beplant met leiperen, moerbei, perziken, vijgen en oude klimrozen. In die tijd was Sparrendaal een zeer uitgestrekt landgoed met bos- en heidegronden, zoals op de vogelvluchtkaart hierboven is te zien. Een doorgaande zichtas, gevormd door lindelanen vóór en achter het huis en een dwarsas voor langs het voorplein gelegen, kenmerken de aanleg rond 1750. In de zeventiende eeuw had het terrein tot de jachtgebieden van stadhouder Willem III behoord.

Detail van de vogelvluchtkaart boven.

In het begin van de negentiende eeuw waren er op Sparrendaal een hermitage en een koepel op een bergje aanwezig. Thans zijn er aan tuinsieraden nog een Zwitserse brug en een houten koepel. In 1848 kwam het goed in bezit van het latere aartsbisdom van Utrecht. Op het terrein werd nu het Groot-Seminarium van Rijsenburg gebouwd. Huis Sparrendaal werd het verblijf van de aartsbisschop van Utrecht, Mgr J. Zwijsen. In de as van het Groot- Seminarium werd in 1909 een neogotisch gedenkteken opgericht ter nagedachtenis aan de priester-staatsman Mgr dr H.J.A.M. Schaepman, hoogleraar aan het seminarie. Het monument is geïnspireerd op de Scaligergraven te Verona, die omstreeks 1900 zeer in de belangstelling stonden.

In 1954 kwam Sparrendaal in bezit van de gemeente Driebergen-Rijsenburg en kreeg als bestemming gemeentehuis. Onder leiding van ir. J.B. baron van Asbeck werden het huis, de tuin en het omringende parkbos aangepast gerestaureerd. In de tuin achter het rechter bouwhuis vindt men nu een loofgang en kunstig gesnoeide loofwerken van buxus. In 1985 is de tuin van Sparrendaal gerenoveerd. Er zijn toen een heemtuin, een boomgaard en een kleine kruidentuin aangelegd. In het najaar van 1989 is ook een rozentuin ingericht.

Het Groot Seminarie is afgebroken en op de as van dit complex is een modern appartementencomplex verrezen in de vorm van een een halfcirkelvormig gebouw. Dergelijke complexen worden ook wel aangeduid met de klassieke naam ‘villa suburbana’, naar Romeins voorbeeld van een villawoning in de nabijheid van een stad.

Juliet Oldenburger. Tekening gericht op vernieuwing van het voorplein: Nieuwe bomen-aanplant vóór en opzij van het huis en Bassin in centrum van voorplein. 2004

Ons bureau droeg ideeën aan om het groen een meer rococo-karakter te geven, in de stijl van Sparrendaal in 1758, zoals aangegeven op de vogelvluchtkaart. Deze zijn tot heden niet gerealiseerd. De vogelvlucht is nu na restauratie weer leesbaar, zodat een waardestelling en een visie op basis van de gerestaureerde kaart met ‘gezichten’ rondom, tot een meer verantwoord advies wat betreft de 18de eeuwse tuinonderdelen kunnen leiden.

Het voorplein is tijdens de laatste restauratie van het huis (voltooid in 2002) opnieuw in ogenschouw genomen. In de rij lindes rond het voorplein zijn wat gaten gevallen. Het dilemma was òf de toestand zo behouden òf bomen inboeten òf rigoureus bomen kappen en vernieuwen, altijd  een zeer gecompliceerd probleem. Wij gaven een advies, dat door de tekening van het voorplein hierboven wordt ondersteund.  Helaas is er sindsdien geen uitvoeringsbesluit genomen.

NB. Indien een hogere resolutie van de kaart wordt verkregen, zullen we de bovenstaande vervangen.

Cascade Ronde Tafel Conferentie: interessante lezingen en gezelligheid

De Cascade Ronde Tafel Conferentie (jaarlijks  op PalmPaasZaterdag) was weer een groot succes. De zaal was geheel gevuld met vrolijke mensen, allemaal geinteresseerd in tuin- en landschapshistorie. Het vaste programma luiddet: Lunch, Welkom, ca. 5-6  voordrachten, borrel. De vaste plaats van bijeenkomst is tegenwoordig Huis Sonsbeek, maar wegens een verbouwing was het dit jaar in het Water Museum vlakbij.

Henk Barkhof vertelt over de plannen van Wijk De Maten in Apeldoorn-Oost. Cascade RTC 2024.

De eerste lezing ging over het uitbreidingsplan De Maten in Apeldoorn- Oost, dat speelde in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De voormalige gemeente-tuinarchitect Henk Barkhof vertelde geheel in jaren-zeventig-stijl (mèt gekleurde lichtdrukken en zonder dia- of power point presentatie), hoe de plannen voor de nieuwe wijk waren ontstaan en gegroeid en vooral ook over de bomenlanen (welke soorten)  en dat er nu na 50 jaar al weer hele lanen waren vervangen of verdwenen. Hij voreg zich ook af hoe die bomenlanen in de toekomst er uit zouden gaan zien. Zelf denk ik dat het de toekomstige beplantingen veel meer rekening zal worden gehouden met soorten/variëteiten die tegen een droog of juist nat klimaat kunnen en met het planten van vooral inheems hout.

Voor vergelijking met de situatie van hetzelfde gebied in 1975 (links) en in 2024 (rechts) heb ik hieronder een vergelijkingskaart toegevoegd.

De volgende lezingen hadden als onderwerp: Doris Hattink over Daniel marot’s tuinontwerpen; Jan Holwerda over het landgoed  Moretusbos / Ravenhof (gem. Woensdrecht), ook wel Klein Versailles in Putte genoemd. Jan lichtte de hele geschiedenis toe met vooral prachtige hoogtekaarten; Martin van de Broeke over de Zeeuwse kweker / tuinarchitect Pieter Schuppens (1769-1850); en tenslotte Willem Zieleman (tuinbaas Paleis Het Loo) over de binnentuin van paleis Het Loo op basis van een schets van Pierre Cuypers.

Tuinprent van Laurens Scherm naar Daniel Marot. Bloeien hier lelies?

Een zeer geslaagde bijeenkomst. Tot het volgende evenement,  21 juni Midsummernight op een buitenplaats in Noord-Brabant.

Zie voor meer foto’s de Cascade website en het foto-album van Theo Kralt.