Categoriearchief: Tentoonstellingen

Rembrandt en zijn Spaanse tijdgenoten in het rijks. verassing: DE VILLA MEDICI IN ROME

Vanmiddag (11-10-2019) was ik in het Rijks om de schilderijen van Rembrandt (en zijn Spaanse tijdgenoten) te bekijken. De tentoonstelling is thematisch opgezet, d.w.z. de schilderijen worden in paren per thema (o.a. geloof, rijkdom, macht, liefde) gegroepeerd, meestal in groepjes van twee (soms drie) bij elkaar. Veel schilderijen zijn tamelijk onbekend voor ons Nederlanders. In het Rijksmuseum missen Spaanse schilderijen uit de tijd van de protestante Rembrandt (1606-1669) en in het Prado missen Nederlandse schilderijen uit de tijd van de katholieke Diego Velazquez (1599-1660). Hoe kan dat? Tijdens de 80-jarige oorlog kocht men natuurlijk geen kunst van zijn vijanden!

Francisco de Zurbaran. Agnus Dei. Coll. Madrid, Museo del Prado

Hoewel Rembrandt en Velazquez elkaar niet hebben gekend, misschien zelfs nooit van elkaar hebben gehoord, is men voor de tentoonstelling de uitdaging aangegaan schilderijen (ook van beroemde tijdgenoten als Zurbarán, Ribera, Murillo, Joh. Vermeer, Frans Hals) met hetzelfde thema naast elkaar te hangen zodat wij bezoekers telkens twee of drie werken met dezelfde intentie goed met elkaar kunnen vergelijken.

In dit bericht wil ik slechts twee schilderijen laten zien met één thema, en dat is: “De juiste maat aanhouden, het beeldvlak zo in horizontale en verticale lijnen indelen dat een harmonisch maar spannend evenwicht wordt bereikt, en daarbij het buitenlicht op een bewolkte dag in alle grijstinten vastleggen zodat er een heel natuurlijke atmosfeer ontstaat -dat kunnen alleen de allergrootste meesters. Dat zijn Velazquez en Vermeer, al waren zij niet gespecialiseerd in buitenaanzichten.” Dit is de begeleidende museum-tekst van het onderstaande paar schilderijen.

Diego Velazquez. De tuinen van Villa Medici in Rome. Ca. 1630 of ca. 1650. Madrid Museo del Prado
Johannes Vermeer (1632-1675). Het straatje. 1658. Coll. Rijksmuseum Amsterdam

Het schilderij van de tuin van de Villa Medici in Rome heeft me bijzonder getroffen; het geeft zo’n realistische onderkomen toestand weer, aan het eind van de 80-jarige oorlog. Nu in onze tijd is het zicht vanuit de tuin op de terrassen (rechts) heel wat “schoner” dan in 1630, maar het is toch een wonder dat die terrassen en de poort onder die terrassen (even voorbij de obelisk rechts te zien) nog bestaan getuige deze laatste foto.

Nogmaals De Nieuwe Ooster en een borstbeeld van LEONARD SPRINGER

Vorige week maakte ik een uitstapje naar De Nieuwe Ooster omdat ik daar een tentoonstelling wilde zien in het Uitvaart Museum en ook zin had daar weer eens te genieten van de rust en goede sfeer op deze begraafplaats en de bijzondere bomen die de tuinarchitect Leonard Springer daar aan het eind van de negentiende eeuw geplant had. Aangezien ik eerder die middag de oude hortus op de Plantage Middenlaan had bezocht, was ik nogal laat en besloot dan eerst maar de tentoonstelling in het Uitvaartmuseum “Tot Zover” te bekijken. Ik kwam speciaal voor de knekelberg van Herman de Vries, die daar echter niet ‘in natura’ was te bewonderen, maar ‘op foto’ hing in de tentoonstellingszaal, aangezien deze berg niet verplaatsbaar is en zich in Vlaanderen bevindt. Heel bijzonder was hij wel.

Herman de Vries. Knekelberg. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

In verband met de inzamelingsactie t.b.v. een borstbeeld van de tuinarchitect Leonard Springer (zie ook vorig bericht), wil ik hier nog eens nader ingaan op Springers betrekkingen met De Nieuwe Ooster. Leonard Antony Springer was een zoon van de bekende Amsterdamse historieschilder Cornelis Springer (1817-1891) en Geertrui ten Cate (1819-1902). Cornelis’ voorvaderen kwamen al generaties lang voort uit een Amsterdams geslacht van timmerlieden, aannemers en architecten. Zijn vader en ook zijn drie oudere broers Hendrik, Jan Cornelis en Willem (van 1858 tot 1890 opzichter Publieke Werken Amsterdam) waren allen architect en/of timmerman evenals Jan, de zoon van Willem. Cornelis was als kunstschilder dus het buitenbeentje van de familie, maar de onderwerpen die hij schilderde, hadden toch bijna altijd architectuur tot onderwerp. 

Cornelis kreeg van zijn oudste broer Hendrik les in bouwkundig tekenen en perspectiefleer en wist met die kennis zijn stads- en dorpsgezichten een realistisch aanzien te geven. Leonard kreeg op zijn beurt weer les van zijn vader en van zijn Oom Willem. 

In dit kunstzinnige milieu groeide Leonard op als kind in een gezin van zes kinderen, dat woonde op de Overtoom, vlakbij het Vondelpark, dat tijdens zijn jeugd werd aangelegd. Langs de Overtoom, waar in het verleden verschillende Amsterdammers zich een buitenplaats hadden laten bouwen, verliet men in die tijd de stad in de richting van Amstelveen en Sloten. Het gebied fungeerde als een schakel tussen de drukke stad en het aangename buitenleven. Ook Leonard wandelde samen met zijn vader en broers geregeld langs deze weg de stad uit en kwam dan thuis met planten en boomtwijgen in zijn botaniseertrommel. De financiën voor de aanleg van het park werden door de burgers zelf opgebracht en de familie Springer die zeer bij de ontwikkeling van de stad was betrokken, zal zeker aan dit initiatief hebben bijgedragen. 

In ieder geval is bekend dat de jonge Leonard sinds de aanleg van het park geïnteresseerd was geraakt in de totstandkoming ervan. Aangenomen wordt dat hij hierdoor enthousiast geworden is voor tuinarchitectuur, tuinbouw en bosbouw.
Op 15 juni 1865, toen Leonard 10 jaar oud was, werd het eerste deel van het toen genoemde ‘Nieuwe Park’ (ontwerp J.D. en L.P. Zocher) opengesteld. Jammer genoeg zijn er uit deze jaren geen catalogi van de kwekerij van de Firma Zocher en Co. bewaard gebleven, zodat we ons geen exact beeld kunnen vormen van de toegepaste soorten. Er zullen echter niet veel exoten zijn geplant, daar de ondergrond van laagveen hier niet geschikt voor was. Na zijn lagere en middelbare schoolopleiding koos Springer voor de nieuw opgerichte tuinbouwschool ‘Linnaeus’ aan de Middenweg in de Watergraafsmeer, die hij van 1871-1874 heeft bezocht. ‘Linnaeus’ was gevestigd op de buitenplaats Frankendael en was eigenlijk een handelskwekerij met een opleiding voor boomkwekers. Onderwijs in tuinarchitectuur en evenmin in bosbouw bestond toen nog nergens in Nederland. Wilde men zich bekwamen in deze vakken, dan was zelfstudie de enige weg. Door het meedoen aan prijsvragen en het geven van ongevraagde adviezen heeft Springer langzaamaan een plaats in de wereld van de tuinarchitectuur en bosbouw verworven. 

Ontwerp De Nieuwe Oosterbegraafplaats / Leonard Springer, 1889. Coll. Bibliotheek Wageningen UR, Afd. Speciale Collectie. Links boven op de plaats waar geschreven staat “Oud Roosenburch”, is nu het Uitvaartmuseum “Tot Zover”

 Zijn eerste prijsvraag-ontwerpen (uitgeschreven door de gemeente Amsterdam in 1888 en 1890) betroffen ‘De Nieuwe Oosterbegraafplaats’ en het ‘Oosterpark’, beide gepland in de Watergraafsmeer. Voor de Nieuwe Oosterbegraafplaats werden door de gemeente naast Springer ook H. Copijn, L.J. Ritter en de firma J.D. en L.P. Zocher uitgenodigd. De Zochers zagen af van deelname. De locatie in de Watergraafsmeer was een voordeel voor Springer omdat hij al in deze polder had gewerkt. Hij had immers op ‘Linnaeus’ ervaring in het boomkwekersvak opgedaan en wist precies welke bomen en andere houtige gewassen hier goed zouden kunnen aanslaan.
Springer deed aan beide prijsvragen mee en heeft ook beide gewonnen. De ‘parken’ werden door Springer ontworpen in de ‘gemengde’ of ‘late’ landschapsstijl. Gebogen paden, harmonieus gecombineerd met boom- en heestergroepen en solitaire bomen op karakteristieke zorgvuldig uitgezochte plaatsen bepalen de grote lijnen in deze stijl. Enkele kleinere rechtlijnige parkdelen worden met deze natuurlijke lijnvorming samengevoegd. 

 We gaan ervan uit dat de jury Springer’s beide ontwerpen heeft uitverkoren vanwege zijn stijlopvattingen, zijn aanpassingen aan de vlakke polder-omgeving en zijn deskundige beplantingsadviezen. Toch had hij nog een streepje voor. Oom Willem Springer was in die jaren assistent-stadsarchitect Publieke Werken van de gemeente en zal zeker zijn invloed hebben doen gelden. 

In Amsterdam heeft Springer door de aanleg van (het eerste deel van) de Nieuwe Ooster en het Oosterpark bekendheid gekregen. In vakkringen rees zijn ster doordat hij mede-oprichter was van de Bond van Nederlandsche Tuinarchitecten (1922) en de Nederlandsche Dendrologische Vereniging (1924). 

Tegenwoordig wordt de Nieuwe Ooster een arboretum genoemd, dat wil zeggen dat hier op deze plek veel verschillende soorten bomen groeien, zowel loofbomen als naaldbomen. De wandelaar wordt telkens weer verrast door zonbelichte en/of donkerbladige bomen, door solitaire naaldbomen en door stammen, bladeren, bloemen en vruchten in alle vormen en kleuren. De oorsprong van deze verscheidenheid is te danken aan de tuinarchitect en dendroloog Leonard Antony Springer, die zijn grote dendrologische kennis ter beschikking stelde aan deze prachtige bomentuin met vreedzame rustplaatsen voor velen. 

Informatie en schenkingen: denieuweoosterbomenpark.nl

sponsoring borstbeeld leonard springer

Springer Sponsor Roadtrip

In het kader van de inzamelingsactie ten behoeve van het plaatsen van een bronzen beeld van de heer Leonard Anthony Springer op De Nieuwe Ooster kunt u zich inschrijven voor een unieke Springer Roadtrip.

L.A. Springer ontwierp in Amsterdam-Oost twee bekende groenprojecten, namelijk De Nieuwe Ooster (Begraafplaats) en het Oosterpark. Ook de buitenplaats Frankendael was voor hem vertrouwd terrein, omdat hij daar op de bekende tuinbouwschool ‘Linnaeus’ had gezeten, van 1871-1874. In 1873 maakte hij een gedetailleerde plattegrond van die buitenplaats. Lees meer….

Op 2 november (en eventuele volgende nog bekend te maken data) wordt u per (9-pers) bus vervoerd vanaf De Nieuwe Ooster naar diverse locaties in Noord Holland, die naar tuinen, parken of begraafplaatsen leiden die Springer heeft ontworpen en aangelegd. In ieder geval bezoeken we ook de begraafplaats in Bloemendaal.. Behalve dat hij deze begraafplaats heeft ontworpen heeft hij hier ook zijn laatste rustplaats.
Onderweg krijgt u informatie en wordt u koffie/thee met wat lekkers en een lunch aangeboden. Aan het eind van de middag wordt u weer keurig naar De Nieuwe Ooster gebracht.

Deze geheel verzorgde dag wordt u aangeboden voor het sponsorbedrag van € 100,-
De eerst tripdatum is gesteld op zaterdag 2 november. We vertrekken om 9.30 uur vanaf de parkeerplaats van De Nieuwe Ooster aan de Rozenburglaan en hopen rond 16.00 uur weer terug te zijn. Aan de hand van de hoeveelheid aanmeldingen kunnen meerdere trips ingeroosterd worden. 
U kunt uw sponsorbedrag overmaken op rekening NL76 INGB 0003 6991 05 t.n.v. stichting Arboretum De Nieuwe Ooster.

U kunt zich voor deze trip inschrijven via een formulier, dat u kunt vinden op denieuweoosterbomenpark.nl/springer-sponsortrip/

Verder is op woensdag 9 oktober in de aula van De Nieuwe Ooster een bijeenkomst vanwege het 125 jaar bestaan van het park. Op die middag wordt een boekje uitgereikt met interviews over de mensen van D(e) N(nieuwe) O(oster). Het kleibeeld van Springer wordt dan ook tentoongesteld met een verwijzing naar onze geldinzamelings-acties.

picturalisme in de fotografie

FOTOGRAFIE WORDT KUNST is de titel van een nieuwe tentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag (Stadhouderskade 43, naast het Gemeentemuseum). Duur t/m 8 december.

Voorbeeld van een ‘picturalistische’ kunstfoto: Achtergrond Vredespaleis. Coll. Fotomuseum Den Haag

De tekst die het museum op Internet erbij levert legt uit wat Picturalisme in de fotografie betekent en waar het vandaan komt: “Al snel na de uitvinding van de fotografie in de 19e eeuw ontstaat bij de fotografen de drang om niet slechts de werkelijkheid vast te leggen, maar de concurrentie aan te gaan met de beeldende kunst. In Nederland nemen de zogenaamde picturalisten de thematiek en composities over van de schilderkunst. Zij keken zowel naar de zeventiende-eeuwse genrekunst als naar de landschappen van de Haagse School. Het is dit picturalisme waartegen Piet Zwart zich later met zijn Nieuwe Fotografie afzet. Maar de scheidslijn tussen de beide stromingen in Nederland is niet zo scherp als lang wordt gedacht. De typische kenmerken van de Nieuwe Fotografie, zoals verrassende uitsnedes, geometrische composities en bewegingsonscherpte werden al eerder door kunstfotografen toegepast. De tentoonstelling Fotografie wordt Kunst. Photo-Secession in Holland vertelt het verhaal van deze vroege Nederlandse kunstfotografie en laat zien dat het onderscheid tussen picturalisme en Nieuwe Fotografie geen harde grens is, maar een graduele overgang.”

De aankondiging van deze tentoonstelling maakte bij mij een gevoel van vertrouwdheid wakker. Het geval wil dat een van de hobbies van mijn vader (Jan Ebbers jr. 1906-1977) was fotograferen, liefst geen kiekjes, ook al werd hij door de familie daar juist toe aangespoord, maar kunstfoto’s. Hij heeft er niet veel gemaakt, want hij werd al gauw te veel in beslag genomen door zijn andere hobbies, zoals botanie en ornithologie, oftewel planten verzamelen (in zijn botaniseer-trommel) en vogels spotten, vaak in een bootje op een van de plassen rond Amsterdam (Loosdrechtse Plassen, Maarsseveense Plassen, Vinkeveen, Kortenhoef, Naardermeer, Nieuwe Meer).

Jan op de fiets op weg naar Loosdrecht/Maarsseveen. Fotograaf onbekend, Ca. 1930
Blikken Botaniseertrommel om verzamelde planten mee naar huis te nemen voor onderzoek

Een foto-album (aangeschaft bij zijn fotozaak DE AMATEUR, P.C. Hooftstraat 66, Amsterdam) bevat naast de familie-kiekjes 10 geselecteerde kunstfoto’s, waar hij bijzonder trots op moet zijn geweest. Waarom? Omdat, als je goed kijkt, al deze foto’s op de hoeken punaise-gaatjes vertonen en hij ze dus waarschijnlijk thuis aanvankelijk ergens had tentoongesteld.

Hieronder volgen eerst de 10 geselecteerde landschapsfoto’s. Ik heb ze niet bewerkt en ik houd de volgorde aan zoals ze in het album zijn ingeplakt. Schrik niet, het lijkt soms of ze een beetje bewogen zijn, maar het beeld moet juist een beetje impressionistisch lijken.

1. Plassen-landschap met boerderij, 2 hooimijten en bruggetje. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
2. Paard in weiland. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Jan Ebbers werkte later (vqnqf 1945) bij een Paarden- en Rundvee-Verzekeringsmaatschappij. Was dit een voorbode, liefde voor paarden en koeien? Zie ook volgende foto. Bovenaan foto de punaise-gaatjes
3. Zondagochtend bij Maarsseveen. Dit is de enige foto met ondertiteling. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie opmerking bij vorige foto
4. Vondelpark Amsterdam? Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie op de vier hoeken de punaise-gaatjes
5. Melkbussen op een steiger. Kortenhoef? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
6. Steigertje aan grote plas. Loosdrecht? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
7. Waterkant aan grote plas. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie ook hier de punaise-gaatjes
8. Koeien weiden aan een plas. Molen op de achtergrond. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
9. Gezicht over riet en waterlelies. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
10. Waterranonkel of Ranunculus aquatilis. Foto Jan Ebbers, ca. 1930

Welke foto vind ik nu de mooiste? Moeilijk kiezen. De meest impressionistische is misschien nr. 8, Koeien weiden aan een plas. Ook nr. 3 Zondagochtend bij Maarsseveen geeft door de afdruk in chamois een impressionistisch dromerig beeld. Ik moet bij deze koeienfoto’s ook direct aan Willem Maris denken, een oudoom van mijn vader.

Het moge duidelijk zijn, Jan Ebbers was meer een romanticus en een dromer dan een realist. Iedere keer een wonder dat iemands karakter zo in de kunst tot uiting kan komen.

Tot slot 2 foto’s uit 1929 waar hij met dezelfde uitgangspunten mijn moeder (Maria Catharina Jeanette Amse, 1908-1978) heeft gefotografeerd. Deze foto’s zitten in een ander album en horen duidelijk niet tot de voorgaande landschapsreeks.

Maria C. J. Amse (21 jaar) in jurkje van Hirsch & Cie., haar lievelingswinkel? Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929
Maria C.J. Amse (21 jaar). Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929

Al met al een mooie serie foto’s die ik ontdekte dankzij de zojuist geopende fototentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag.

weer en wind; VROUWENPORTRETTEN; THE WHITE BLOUSE

NIEUWE TENTOONSTELLINGEN IN SINGER MUSEUM.

Het weer was vandaag (5 sept.) zeer geschikt voor een bezoek aan Tentoonstelling ‘Weer en Wind’ in het Singer Museum Laren. Dreigende luchten die de kleur van bloemen opstookten en temperden en die de bezoeker naar buiten lokten naar de tuin van Piet Oudolf en ook weer naar binnen riepen om de tentoonstellingen bij dit wisselende licht te bekijken. Hoewel wij het tuinontwerp van 1910, gemaakt door Leonard Springer, maar al te goed kennen en misschien ook wel liefst dat plan aangepast en gereconstrueerd hadden willen zien, omdat de eenheid tussen huis en tuin dan misschien scherper tot uiting was gekomen, constateren wij toch dat de tuin van Piet Oudolf zeer geslaagd is.

Beeldentuin Singer Museum. Beplantingsplan en ontwerp Piet Oudolf. Foto Carla Oldenburger

Eenmaal binnen bezochten we eerst de tentoonstelling ‘Weer en Wind’. Omdat er direct om 11 uur al veel bezoekers waren liep ik direct door naar de laatste zaal met tekeningen en grafisch werk. En daar ontmoette ik direct werk van Charles Donker, zo geliefd in onze familie. Zie hieronder de ets op de tentoonstelling en onze eigen ets waarvan we al heel veel jaren genieten,

Charles Donker. Landschap bij Rhijnauwen. April 2015. Ets. Pat. collectie. Foto Carla Oldenburger
Charles Donker. ‘Rhijnauwen met vogelnamen’ (in het Rijks-prentenkabinet aanwezig onder de titel Kromme Rijnlandschap, 1972). Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De tentoonstelling ‘Weer en Wind’ is opgebouwd in weertypen. Stormen op zee en land, opkomend onweer, dijkdoorbraken, noodweer dat onrust baart, besneeuwde landschappen, avondrood en poëtische mistbanken, vastgelegd door kunstenaars als Hendrick Avercamp, Jan van Goyen, Piet Mondriaan, George Hendrik Breitner, Hendrik Johannes Weissenbruch, Jan Sluijters, Maurits Cornelis Escher en Carel Willink. Kortom schitterende kunst, samen met gedichten uit de publicatie Weer en wind – 100 gedichten en 100 gezichten, samengesteld door Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Beeldende kunst en poëzie, wat een unieke combinatie! Wat de mooiste schilderijen zijn, is voor iedereen anders. Enkele die mij troffen heb ik gefotografeerd en beeld ik hieronder af.

Jan van Kessel (1641-1680). Het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal in de winter. Ca. 1655-1675. Links op de hoek staat nu Boekhandel Athenaeum. Amsterdam Museum. Foto Carla Oldenburger.

Opvallend op schilderij van Jan van Kessel hierboven is de houten boombescherming (rechts). Het onderwerp 17de eeuwse boombescherming komt ook ter sprake op de Cascade-weblog.

Dirk Nijland (1881-1955). Wilgen, 1941. Groninger Museum, bruikleen van het J.B. Scholtenfonds. Foto Carla Oldenburger

Zelf hebben we ook een landschapschildering met een dreigende lucht, zo bijzonder, vinden wij zelf, dat het best ook op deze tentoonstelling had gepast. Een landschap met wilgen en dreigende lucht. Het is een olieverf op doek van de schilder Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943) uit 1915. Hij was lid van Ver. St. Lukas in Amsterdam en heeft een paar maal in het Stedelijk Museum geëxposeerd. Onze grootvader / overgootvader Ebbers heeft dit schilderij waarschijnlijk op een veiling in Amsterdam gekocht.

Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943). Landschap met wilgen en dreigende lucht. 1915. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger
Signatie kunstenaar Bartholomeus Bogaerdt ’t Hooft, 1915. Zie hierboven. Foto Carla Oldenburger

Na de tentoonstelling ‘Weer en Wind’ viel er nog heel veel meer te genieten, de tentoonstellingen ‘Vrouwenportretten’ en ‘The White Blouse’. De Vrouwenportretten die in deze tentoonstelling hangen zijn voor een deel verzameld door Anna Singer zelf. Alle portretten bevinden zich in de Singer Collectie, ze zijn gedateerd eind 19de eeuw tot eerste helft 20ste eeuw. U ontmoet karakteristieke vrouwen in felle kleuren, geschilderd door de “ultramodernen” Jan Sluijters, Leo Gestel en Kees van Dongen. Verder o.a. Isaac Israels, Albert Neuhuys, Carolus-Duran en Gustave Jean Jacquet.

Ik beeld hieronder een portret af van Isaac israels’ Vrouw op Parijs balkon’, vervaardigd tussen 1903-1934, gevolgd door een schilderij van Jacob Maris, dat ook een vrouw op balkon in Montmartre / Parijs voorstelt, namelijk onze eigen (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris (1852-1924), nicht van Jacob, die volgens de verhalen van mijn grootmoeder (dochter van Johanna Hendrika) hiervoor model heeft gestaan.

Isaac Israels. Vrouw op Parijs balkon, begin 20ste eeuw. Singer Collectie Laren. Foto Carla Oldenburger
Jacob Maris. Het Breistertje, of Vrouw op balkon in Parijs. 1869. Zijn nicht Johanna Hendrika Maris heeft hiervoor model gestaan. Collectie Kunstmuseum Den Haag. Foto Kunstmuseum Den Haag.

Ik eindig met een vrouwenportret uit onze eigen verzameling, dat ik heel graag nog eens nader onderzocht zou willen hebben, een vrouwenportret uit ca. 1870, schat ik. Ik vind dit zo mooi en verfijnd dat ik het graag aan onze lezers laat zien. Tot heden is de schilder onbekend, zo ook de geportretteerde vrouw. Ik denk dat ook dit schilderij, dat misschien al bijna 100 jaar in onze familie is, afkomstig is van een veiling in Amsterdam.

Schilder onbekend. Vrouwenportret van onbekende dame. Ca. 1870. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De derde tentoonstelling die ik bezocht en die op zeer bijzondere wijze gekoppeld was aan de “Vrouwenportretten’, was ‘The White Blouse’. Bij het bewonderen van de ‘Vrouwenportretten’ zag ik al vanuit mijn ooghoeken het schilderij ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870) in de volgende zaal hangen. Dit schilderij van James McNeil Whistler (1834-1903) was in 1956 aan Singer Laren geschonken door Anna Singer-Brugh. Het was lang in het depot bewaard totdat enkele jaren geleden het ‘opnieuw ontdekt’ werd als een echte Whistler. Nu heeft dit schilderij uit ca, 1870 een centrale plaats gekregen temidden van 26 gefotografeerde dames en heren, alle kunstwerken van de fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier.

James McNeil Whistler. ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870). Singer Museum, Laren. Foto Carla Oldenburger

Zij fotografeerde sinds ca. 2010 dames (en later ook enkele heren en kinderen, o.a. Jenny Arean, Alexandra Radius en Toer van Schayk en onze eigen Juliet Oldenburger) in de witte kanten blouse (uit ca. 1920) van haar oudtante. De directeur van het Singer Museum selecteerde 26 foto’s uit een serie van 75, alle dames en heren in deze blouse. Het zijn zeer fijnzinnige portretten, die op onnavolgbare wijze eenvoud, rust en geluk uitstralen. Wilt u meer weten over deze gepassioneerde fotografe? Zie Agenda van Singer Laren en onze eigen aankondiging van tentoonstelling en bijbehorend boek met tekst van Titus M. Eliëns en foto’s van Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, fotografe met een schildersziel (ook engelse tekst).

REMBRANDT TEKENT RHENEN

EN EEN NIEUWE TUIN NA DE BUXUSMOT!!!

In dit Rembrandtjaar 2019 zijn ook in Rhenen de schijnwerpers gericht op Rembrandt. Het splinternieuwe Stadsmuseum kon daar niet omheen. Maar hoe Rembrandt te eren? Er zijn zes tekeningen van Rembrandt hand van Rhenen bekend, maar die zijn geen eigendom van dit museum en musea in het algemeen staan nu niet in de rij om Rembrandt tekeningen uit te lenen. Eerst maar eens kijken om welke tekeningen het dan gaat.

Rhenen. Rembrandt. Gezicht op Rhenen. 1649? Museum Bredius Den Haag
Rhenen. Rembrandt. Westpport vanuit de stad gezien. Ca. 1649. Coll. Teylers Museum Haarlem
Rhenen, De voorpoort van de Middeleeuwse Wespoort van Rhenen. Ca. 1649. Coll. Musée Bonnat, Bayonne, France.
Rhenen, Rembrandt. Rijn- of Westpoort, ca. 1652/1653. Coll. Musée Louvre, Paris.
Rhenen, Rembrandt Rijn- of Westpoort, 1652-1654. Coll. British Museum
Rhenen. Rembrandt. Rijnpport. 1652-53. Coll. Chatsworth / Devonshire Collection.

Alle boven afgebeelde tekeningen bevinden zich in collecties van vooraanstaande musea. Zij stelden hun tekeningen begrijpelijk niet beschikbaar aan het nieuwe Stadsmuseum Rhenen omdat dit nog niet beschikt over de juiste klimaatvoorzieningen. Wel stelden zij hun digitale bestanden ter beschikking. Rembrandts werk wordt nu in print getoond, vaak op groot formaat.

De tentoonstelling is te bezoeken elke di.wo.do.vr.za. 10.00 – 16.00 uur en elke zondag t/m 15 sept. 10.00-16.00 uur. Adres Markt 20 (ingang Kerkstraat), 3011 LJ Rhenen.

Rhenen. Oude raadhuis. Tuin aangetast door buxusmot. 2019. Foto Carla Oldenburger
Rhenen. Oude Raadhuis. Nieuwe invulling museumtuin, 2019. De fontein in het midden moet nog worden geïnstalleerd. Foto Carla Oldenburger

Dan nog een groen bericht over de museumtuin. Na de droge zomer van 2018 en de schade die de buxusmot had aangericht in de tuin van het stadsmuseum (oorspronkelijk oude middeleeuwse raadhuis, met nog aanwezige vierschaar, gelegen achter de Cunerakerk) heeft men er snel een nieuwe tuin gerealiseerd. Het tuintje (of plaatsje) bestond waarschijnlijk al in de tijd van Frederik van de Palts. De museumstaf heeft besloten, voorzover ik begrijp, de tuin niet weer het slachtoffer te laten worden van de buxusmot, en een eigentijdse oplossing verzonnen. De klinkerrandjes die de buxus begeleidden, zijn onaangetast gebleven, en daarbinnen heeft men de perkjes opgevuld met bloemenrandjes, zoals dat ook wel in de tijd van Frederik van de Palts gebeurde. Misschien moet de keuze van de bloemensoorten nog wat worden aangepast naar soorten die gebruikt werden in de 17de of 18de eeuw, maar de tuin ziet er nu in ieder geval weer fleurig en verantwoord uit. Een kunstwerk van Henk van de Vis zal er blijvend worden opgesteld.

Rhenen, augustus 2019. Tuinbeeld van Henk van de Vis, ter definitieve plaatsing in de museumtuin.

the white blouse in 1870, 1920 en 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier wordt in aankondigingen van haar tentoonstellingen vaak een fotografe met een schildersziel genoemd. Haar verstilde portretten, mysterieuze interieurfoto’s, bijzondere stillevens en Amsterdamse wintergezichten (je denkt gauw aan Jacob Olie) trekken de aandacht van musea en galerieën. Haar analoge Hasselblad camera speelt de hoofdrol. Kunstlicht is uit den boze.

“Net als de zeventiende-eeuwse portretschilders speelt Marie-Jeanne met het zonlicht, dat door een raam op de geportretteerde neervalt. De pure eenvoud en eerlijkheid van de foto’s van Marie-Jeanne zijn een verademing binnen de wereld van de ‘kunstfotografie’. Gelijk haar leermeester Koos Breukel beheerst zij de kunst om het wezen van de geportretteerde bloot te leggen.” Jan Rudolph de Lorm, museumdirecteur.

Tentoonstelling The White Blouse in het Singer Museum Laren, 3 september 2019 t/m 5 januari 2020
Marie-Jeanne maakte de afgelopen jaren een serie van 75 portretten van vrouwen en mannen, volwassenen en kinderen, bekenden en onbekenden, allen gekleed in of met de ruim honderd jaar oude kanten blouse van haar oudtante. Voor de tentoonstelling in Singer heeft Jan-Rudolph de Lorm, directeur van het Singer Museum, 26 portretten van deze serie uitgekozen. Zij gaan een dialoog aan met het in 2015 hergewaardeerde schilderij van de Amerikaanse kunstschilder James McNeill Whistler Symphony in White. The Girl in the muslin Dress, uit ca. 1870. Natuurlijk, de techniek verschilt, de blouse uit 1870 is niet de blouse uit ca. 1920, natuurlijk is iedere uitdrukking op elk gezicht anders, maar het gevoel dat de foto’s bij u oproepen is misschien wel hetzelfde gevoel dat het schilderij bij u doet of juist helemaal niet?

Boek: The White Blouse
Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Waanders & de Kunst het rijk geïllustreerde boek The White Blouse, met teksten van T.M. Eliëns. Selectie van portretten door Jan-Rudolph de Lorm. Dit prachtige fotoboek is vanaf 15 september verkrijgbaar in de boekwinkel en in de Singer Shop (ISBN 978 94 6262 247 0). 

Hoewel ik het boek nog niet heb gezien, scheppen de foto’s op Internet hoge verwachtingen. En waarom een aankondiging op onze website? Omdat ik so wie so een fan ben van (bijna) alle tentoonstellingen die Singer maakt en bovendien omdat Juliet een van de 75 in het boek opgenomen geportretteerden is.

Naast deze tentoonstelling van The White Blouse-foto’s van Marie-Jeanne zijn er nog twee andere tentoonstellingen vanaf 3 september in het Singer Museum te bewonderen:

  • Weer en Wind. Avercamp tot Willink, over vier eeuwen extreem weer. Met publicatie Weer & Wind: 100 gedichten en 100 gezichten / Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Hilversum, 2019.
  • Vrouwenportretten. Geen verdere details tot heden bekend, maar het onderwerp past natuurlijk wonderwel bij The White Blouse Portretten. Nadere gegevens volgen.

DEFTIGE DIEREN OP KASTEEL AMERONGEN

Kasteel Amerongen. Zwaan en fazant op tafel l in eetzaal Kasteel Amerongen. Foto Carla Oldenburger

Vandaag (11 juli 2019) heb ik een bezoek gebracht aan de tentoonstelling ‘Deftige Dieren’ op Kasteel Amerongen. Ook wilde ik even de buxus-figuren en buxus-randen in de tuin inspecteren, omdat de buxus zoals bekend op vele plaatsen in Nederland is aangetast door de Buxusmot. De tentoonstelling biedt een zicht op vele adellijke dieren zoals paarden, (jacht)honden, poezen, wild, herten, vogels, gevogelte op tafel, konijnen, etc. etc. en dit alles op schilderijen, pastels, tekeningen en gravures, wandtapijten, in stucwerk, houtsnijwerk, zilverwerk, ingelegde kasten, en nog veel meer.

Het bezoek aan de tentoonstelling is alleen mogelijk met een rondleiding, misschien wat minder vrij, maar aan de andere kant hoor en zie je bij rondleidingen misschien toch weer dingen die je nog niet wist. Dat was inderdaad het geval voor mij wat betreft de wandtapijten. In de ‘gobelin’-kamer, die volgens de gids niet zo mag heten want de wandtapijten in deze kamer zijn geen echte gobelins, d.w.z. niet gemaakt in de ‘Manufacture des Gobelins’ in Parijs. Deze kamer is in opdracht van Godard Graaf van Aldenburg Bentinck door architect Pierre Cuypers heringericht en misschien zijn de wandtapijten ook wel door hem naar Amerongen gehaald, maar ze dateren niet uit de tijd van Cuypers, maar volgens de gids vermoedelijk uit het eind van de 17de eeuw. Opmerkelijk is dat de kleuren voor 17de eeuwse tapijten heel erg helder zijn gebleven. De ‘Engelen’ van Kasteel Amerongen hebben met hun bekende ‘engelengeduld’ hier heel lang met heel veel zorg en toewijding aan gewerkt. Dat verdient alle lof!

“Gobelinkamer’ van Kasteel Amerongen. Foto Carla Oldenburger

Tenslotte nog een paar plaatjes van het prachtige 17de eeuwse stucwerk in de Grote zaal (Tuinzaal) en van het bruggen-restauratie-project.

Stucwerk in de Grote Zaal van Kasteel Amerongen. Foto Carla Oldenburger
Man op vlot bezig aan onderhoud van een van de bruggen over de kasteelgracht van kasteel Amerongen. Foto Carla Oldenburger

Ik kan iedereen aanraden de tentoonstelling en het kasteel te bezoeken. En misschien na afloop ook nog een kijkje in de stallen te nemen, waar de paarden werden verzorgd en hun eigen plekje hadden. Nu is het hier heerlijk om een glaasje of iets anders te nuttigen. Als u ook in de tuinen geïnteresseerd bent, dan is het aan te raden dit bezoek te combineren met de paarden- en hondengraven (aangegeven op de plattegrond).

Zie ook de website van Kasteel Amerongen.

Peter Vos via via

T/m 16 juni, nog een maand genieten van de vroege tekeningen van Peter Vos in het Centraal Museum Utrecht. Rondom de heruitgave van het Scheppingsverhaal, zestig jaar na dato, van tekenaar, illustrator en graficus Peter Vos (1935-2010) toont het Centraal Museum Utrecht een presentatie van zijn vroege in Utrecht getekende werk. Het Scheppingsverhaal uit 1959 [later als boek gepubliceerd in 1966 CO] is te zien naast getekende albums als ABC-voor Kors en De 100 Reigers uit 1962 [later als boek gepubliceerd in 1969 CO], alsmede een ruime selectie uit zijn tekeningen.

Peter Vos (1935 – 2010) was een bekende Utrechtse / Nederlandse kunstenaar. Weliswaar een schoolgeneratie ouder dan ik (Carla Oldenburger), maar ik heb hem toch even gekend via zijn zoon Sander en mijn dochter Juliet, alhoewel de kinderen zelf dat allang niet meer zullen weten. Beide peuters (* 1967) zagen elkaar een bepaalde periode (1968 /’69) namelijk elke morgen op een uiterst wonderbaarlijke anti-autoritaire speelgroep bij de familie Hoekstra aan het eind van de Oudegracht in Utrecht. Ik denk dat het was in het huis ‘De Vergulde Doodskist’, eertijds het huis van een doodskistenmaker en doodgraver. De kinderen speelden samen met het jongste dochtertje van de familie in de kamer en de keuken, temidden van veel oude rommel, gezelligheid, antiek, lekkere hapjes, kinderspeelgoed, en wat dies meer zij. Verstoppen in de ijskast was iets wat mijn dochter het allermooiste vond. Anti-autoritaire opvoeding vierde hoogtij en de moeder des huizes kon dat allemaal uitstekend aan, zodra de grotere vier kinderen naar school waren. Bij het halen en brengen van de kindertjes kwam ik Peter Vos of zijn Anneke dus wel eens tegen. Ons geliefde gespreks-onderwerp was vogels (hij) en planten (ik).

Ik was net afgestudeerd als bioloog en werkte op het Biohistorisch Instituut op de Nieuwegracht waar Peter graag een keer wilde komen kijken. En dat is ook gebeurd. Ik liet hem o.a. originele 16de eeuwse kruidenboeken zien, ‘te mooi om waar te zijn, niet te geloven’. Later kwam hij nog een keer in gezelschap van de plantkundige kunstenaar herman de vries (sic), die ik via biologenvrienden toevallig ook kende.

Kruidenboek van Rembert Dodoens, 1644

Maar er waren meer ‘Utrechtse wegen’ die naar Peter Vos leidden. Utrecht is groot, maar in de jaren veertig en vijftig en zelfs nog in zestig heel provinciaals en klein. Vos’ ouderlijk huis stond op de Oudegracht, terwijl ik op de Catharijnesingel (de singel rondom de binnenstad) woonde, nb. naast het ouderlijk huis van Theo Sontrop (1931-2017), redacteur van het Amsterdams studentenweekblad Propria Cures, dichter en later directeur van de Arbeiderspers (1972-1991).

Theo Sontrop (1931-2017) met eeuwige sigaret

Theo was al op kamers toen ik als scholier bijles Frans van hem kreeg (in mijn laatste gymnasiumjaren 1959/’60). Tijdens die lessen zaten Peter en vaak ook de kunstenaar William Kuik in Theo’s studeerkamer op de Kromme Nieuwe Gracht hun dagelijkse borrel te nuttigen. Zij hadden het over Propria Cures waar Sontrop en Peter en de broer van mijn vriendin (Hugo Brandt Corstius, voor wie Peter drie boeken illustreerde, o.a. Ik sta op mijn hoofd) tegelijkertijd deel van uitmaakten. Behalve Frans kreeg ik van de jonge heren dus ook nog wat Amsterdamse levenslessen mee, en het resultaat was dat ik aan het eind van mijn schooltijd perse in mijn geboortestad Amsterdam wilde gaan studeren. Maar mijn vader besliste anders; volgens zijn informatie was de beste hoogleraar botanie Prof. V. Koningsberger en die was aan de Civitas Trajectina verbonden.

Vanaf mijn eerste studiejaar 1960 bezocht ik tentoonstellingen bij het Genootschap Kunstliefde en maakte ik kennis met het Grafisch Gezelschap De Luis. Ik raakte daar geïnteresseerd in het werk van Peter Vos en William Kuik. In 1962 vertrokken Vos en Theo Sontrop naar Jagtlust in Blaricum om samen met Fritzi ten Harmsen van der Beek en anderen de bloemetjes buiten te zetten. Annejet van der Zijl beschreef hun leven daar in haar roman Jagtlust (2005). Na een paar jaar Amsterdam keert Vos in 1966 met vriendin Anneke Bakkum terug naar Utrecht en gaat op de Springweg wonen, tegenover het voormalig Militair Hospitaal (nu Hotel Karel V). Ik trouwde in hetzelfde jaar en ging op de Oudegracht wonen, in het huis ’t Wittebrootskint, weer tamelijk dicht bij elkaar in de buurt.

Mijn huwelijk en studie en de geboorte van onze eerste dochter eisten alle tijd en aandacht op. Mijn man vertrok in 1968 voor veldwerk naar Suriname, zodat ik een oppas nodig had. Toevallig kwamen wij toen bij de familie Hoekstra terecht evenals Peter Vos en Anneke met zoontje Sander. Hoe lang dat heeft geduurd weet ik niet precies, maar in 1970 zijn zowel Peter en zijn gezin als wij verhuisd, zij naar de Nic. Beetsstraat en wij naar het stadje Heukelum aan de Linge. We hebben de families Vos en Hoekstra niet meer gezien.

We bleven het werk van Peter Vos natuurlijk wel volgen. Zijn eerste gepubliceerde boek Scheppingsverhaal getekend voor een meisje (1966) kregen we als huwelijksgeschenk van de ouders van Liesbeth en Hugo Brandt Corstius; het tweede boek De 100 Reigers (1969) en het boek Studie in grijs: voorlopige balans van drie jaar vogeltekenen (1980) kochten we omdat we zijn vogelstudies bijzonder waardeerden. En dan natuurlijk de prachtige boeken Sprookjes van de Lage Landen en Nieuwe sprookjes van de Lage Landen, bijeen gebracht door Eelke de Jong en Hans Sleutelaar en met tekeningen van Peter Vos, bestsellers in 1972 resp. in 1974.

In de jaren zeventig volgden de aankoop van een tekeningetje van een ‘vogelmannetje’ bij Galerie Petit en een ets met 4 steenuiltjes bij Galerie Balans, beide in Amsterdam. Zie afbeeldingen hieronder. Ook ontmoetten we in Galerie Petit voor het eerst Charles Donker, die in dezelfde galeries als Peter exposeerde. We kochten in 1972 van Donker de ets ‘Rhijnauwen met vogelnamen’ (in het Rijks-prentenkabinet aanwezig onder de titel Kromme Rijnlandschap) en in diezelfde tijd een ets van een plevier.

Steenuiltjes. Ets Peter Vos, 1977 (coll. Oldenburger Rhenen)
Vogelmannetje. Tekening Peter Vos, 1973 (coll. Oldenburger Rhenen)

En wat is er nu terecht gekomen van die twee peuters? Van Sander weet ik alleen iets via de krant en Internet. Hij studeerde in 1991 af aan de Nederlands Film- en Televisie Academie, richting Regie-Drama en Montage. Twee van zijn films werden genomineerd voor een Oscar. Juliet studeerde in 1994 af aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten Den Haag (schilderkunst). Liefde voor de tekeningen en etsen van Peter Vos en Charles Donker heeft ze zeker meegekregen, getuige enige etsen van eigen hand van het Lingelandschap (1994) en een winterkoninkje (1996).

Lingelandschap. Ets Juliet Oldenburger, 1994, Opgedragen aan Feddo Oldenburger (coll. Oldenburger Rhenen)
‘winterkoninkje, gevonden 15 maart 1996’. Tekening Juliet Oldenburger (coll. Oldenburger Rhenen)

‘Fraeylemaborg: Verborgen schoonheid op Fraeylema’

Fototentoonstelling Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier

09 FEBRUARI 2019 T/M 19 MEI 2019
(overgenomen van https://fraeylemaborg.nl)

Wat zijn er door de jaren heen veel foto’s gemaakt van de Fraeylemaborg! Een hele kunst om daar wat nieuws en origineels aan toe te voegen. Dat is fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier gelukt.
Vanaf 9 februari 2019 is er een bijzondere tentoonstelling van haar werk te zien in het Koetshuis van de Fraeylemaborg. Deze Amsterdamse fotografe is onder meer bekend door haar tijdloze zwart-wit foto’s van interieurs van Amsterdamse grachtenpanden. In 2014 verscheen haar geprezen publicatie ‘Verborgen schoonheid’, met foto’s uit de eeuwenoude huizen Van Brienen, Van Loon en Willet-Holthuysen.
Reden voor de Fraeylemaborg om deze fotografe uit te nodigen in Slochteren. De afgelopen twee jaar fotografeerde Marie-Jeanne in alle seizoenen de Fraeylemaborg, zowel binnen als buiten.
Ook hier werkte ze in zwart-wit, maar met haar Hasselbladcamera maakte ze nu ook warme verstorven kleurenopnames.

De verstilde foto’s in Amsterdam en in Slochteren laten een wereld van schoonheid zien, soms vol grandeur en andere keren heel eenvoudig. Soms gaat het om een doorkijkje in een fraai vertrek, soms om een detail van een kristallen glas, dan weer de lichtpatronen op een oude plavuizenvloer.
Marie-Jeanne fotografeert zonder kunstlicht en maakt gebruik van het steeds veranderende invallende (zon)licht. Urenlang wacht ze in een kamer op de juiste lichtval voor het maximale resultaat.
Een mooi voorbeeld is het 18de eeuwse marmeren beeld van een tuinnimf in de Grote Zaal van de Fraeylemaborg. In de korte tijd dat het zonlicht dagelijks op dit beeld valt maakte de fotografe close-ups waarbij je de poriën op de arm kan zien als bij een levend model.
Marie-Jeanne is een perfectioniste met oog voor detail. Kernwoorden van haar geheel eigen stijl zijn: soberheid, licht, schoonheid, verstilling en afgestemde kleuren. In de tentoonstelling zijn naast veel interieurs ook tijdloze stillevens te zien, onder de noemer “Contemplation”.

Zie ook https://marie-jeannefotografie.nl/