Landgoed Baest in de Gemeente Oirschot bestaat 800 jaar. Het wordt gerekend tot een van de mooiste en oudste landgoederen van Brabant. Om landschap Baest ook voor de toekomst te behouden, hebben de provincie, gemeente, waterschap en betrokken organisaties hun samenwerking rond landgoed Baest bevestigd, zodat ook de komende 800 jaar generaties kunnen genieten van al het moois dat Baest te bieden heeft.
Foto Het Klaverblad, gemeente Vught
In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, (Rotterdam, 2000, deel 4 Brabant, Zeeland en Limburg) is over Baest te lezen:
“Landgoed Baest, dat in het dal van de Grote Beerze ligt, heeft een geschiedenis die in ieder geval teruggaat tot aan het begin van de dertiende eeuw. In stukken uit 1225 wordt het bos van Baest vermeld als een bezit van de abdij van Berne. Samen met een aantal hoeves, de watermolen op de Kleine Beerze en de windmolen van Baest komt het in de loop van de veertiende eeuw in bezit van de abdij Tongerlo. Vanaf die tijd wordt het gebied langzaam in ontginning gebracht. Het huis Baest wordt in de zestiende eeuw door Maarten van Rossum geplunderd en uitgebrand, waarna het in 1548 wordt herbouwd. Korte tijd later, in 1560, wordt Baest aangewezen voor het persoonlijk onderhoud van de bisschop van het nieuw gestichte bisdom ‘s-Hertogenbosch en zal het vermoedelijk als uithof en buitenplaats voor deze bisschop zijn gaan dienen.
In 1648 werd het bisdom opgeheven en kwamen de onroerende goederen van deze kerkprovincie voor korte tijd in eigendom van de Staten-Generaal. Door verkoop werd Baest in 1659 particulier eigendom. Twee jaar later werd een kaart gemaakt waarop het omgrachte huis als centrum van het landgoed is afgebeeld. Een rechte laan, onder een hoek op het huis gericht, zorgde voor de ontsluiting. De gracht stond in directe verbinding met het riviertje de Grote Beerze. Vanuit de twee tot het goed behorende boerderijen zal het complex van akkers op de iets hogere gronden ten zuidwesten van het huis zijn bewerkt. Het noordelijk gedeelte van het bezit is aangeduid als beemden, natte wei- of hooilanden. De omringende heidevelden waren in het traditionele akkerbouwsysteem ongetwijfeld betrokken als terrein voor het weiden van schapen en het leveren van plaggen voor de potstal. Opgaande bomen kwamen alleen langs de Grote Beerze voor, mogelijk in ontginning van het gebied in de daaropvolgende eeuw voortgezet, aangezien het geheel aan het eind van de achttiende eeuw bestond uit een klein, omgracht herenhuis temidden van een uitgestrekt lanenstelsel met bossen en heidevelden.
Bij een verkoop in 1772 werden de ‘Baaster Goederen’ omschreven als ‘…gelegen onder den Dorpe van Oostelbeers, bestaande in de Huysingen, Hoeven en Landerijen, te weeten De Heere Huysinge genaamd den Spijcker, met zijn Hoven en Gronden van Erven daar bij en aan geleegen onder den Dorpe van Oostelbeers met de Twee Considerablee groote daarbij gehorende Hoeven Lands, van Ouds genaamd de Baaster of Bisschops Hoeven, zijnde Leen- en Tiend-vrij, met de Huysingen, Stallingen, Schuuren, Schoppen kar en Backhuysen, verdere Getimertens ap- en dependentien van dien, mitsgaders alle de daar bij behorende acker, Teul, Hooij, wey, Groes, beemden Heylanden en gronden van Erven, als meede de Beverdoncken op de Logt waarin Moer geleegen is; Voorts met zijn opgaande Boomen en Houtgewassen, Plantagien en verdere toebehoren, regt en geregtigheeden van dien …’.
In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het landgoed door aankopen uitgebreid tot in totaal meer dan 370 hectare. Zoals gebruikelijk bij een landgoed van een dergelijke omvang behoorden diverse boerderijen in die tijd tot het bezit, van waaruit de landbouwgronden bewerkt werden. Deze boerderijen droegen de namen ‘Beukehoef’, ‘Eikehoef’, ‘Lindehoef’ en ‘Mastehoef’. Een goede indruk van het landgoed geeft de in 1818 gemaakte kaart van ‘Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, boschen en landeryen’ (hier afgebeeld). Het landgoed strekt zich daarop aan beide zijden van de Grote Beerze uit en omvat diverse complexen van landbouwgronden en bosgebieden. De bossen zijn ieder apart volgens een rechtlijnig patroon van lanen ingedeeld, maar vertonen, evenals de rechte ontsluitingslanen over het landgoed, niet de onderlinge samenhang die bijvoorbeeld in de Frans classicistische tuinstijl werd toegepast. Wel zijn enkele kenmerkende tuinelementen te onderscheiden, zoals een zogenaamde ‘patte d’oie’, een ganzenvoetstructuur, waarbij drie lanen in een punt bij elkaar komen. Deze ganzenvoet is hersteld.

Een klein deel van het terrein vertoont in 1818 een patroon van slingerlanen, passend in de vroege landschapsstijl. Het landhuis zelf werd in 1854 ingrijpend verbouwd en vergroot en kreeg daarbij zijn huidige omvang en aanzien. Het wordt omgeven door een boerderij, een koetshuis, een klein poortgebouw en een bakhuis, die evenals het landhuis alle wit geschilderde muren bezitten. Gedurende de tweede helft van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werden nog meer omliggende heidegebieden tot ontginning gebracht. De kern van de aanleg veranderde echter niet wezenlijk, zodat er ook nu nog vele achttiende- en negentiende- eeuwse elementen in het terrein zijn terug te vinden. Wel zorgde de aanleg van het Wilhelminakanaal, in het midden van de twintigste eeuw, voor een doorsnijding van het gebied. Aan het eind van de jaren tachtig van detwintigste eeuw werden de tuinen direct bij het huis gerenoveerd en uitgebreid in een formele stijl. Op het terrein bevindt zich nog een negentiende-eeuws tuinhuis en voor het landhuis staat een tuinbeeld van Venus, gemaakt door de beeldhouwer J.B. Xavery in 1725.
In het noordoosten van landgoed Baest ligt verscholen in het bos het processiepark Heilige Eik. De Mariakapel dateert uit 1853 en past goed in de sfeer van een park in landschapsstijl zoals dat in de negentiende eeuw op Baest tot stand kwam. Ook de naast de kapel gelegen slingerende waterpartij past in dit beeld. Achter de Mariakapel ligt nog een kunstgrotje en een kapelletje gewijd aan Sint Anthonius. Baest wordt beschermd als rijksmonument”.





















Half augustus maakte ik een tourtje naar Midden-Frankrijk Dept. Cher-et-Loir. Ons doel was in deze streek enige Romaanse kerkjes en onbekende kasteeltuinen te bezoeken. Tot onze grote verrassing waren in deze kerkjes langs de rivier Le Loir (NB. niet La Loire, dat is de grote rivier die we allemaal kennen) prachtige muurschilderingen te bewonderen. . De oudste waren uit de 11-de en 12-de eeuw. Om enige namen van de kerken en de plaatsen te noemen: de Eglise abbatiale in Vendôme (de wonderbaarlijke visvangst); de Eglise St. Genest in Lavardin; de St. Jacques des Guérets; de Chapelle St. Gilles in Montoire.