Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren
Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht
Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.
Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
–open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.
De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen, tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij.
Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum
In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.
Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois
(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly. De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.
Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.
Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.
Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.
Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.
Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.
Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’.Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/
Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.
Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025. Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums. Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.
Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.
Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.
Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven, was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland. Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’. Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.
Jac. (Co) P. Thijsse
Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.
In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie, naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.
Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.
En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.
Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.
Boekbespreking Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.
Als vanouds bomen op de werven van de Oude Gracht in Utrecht. Foto DUIC.
Het duurt even voor je door hebt hoe dit boek in elkaar zit. Het begint met drie maal twee (de eerste zwart-wit uit de vorige eeuw; de tweede in kleur uit deze eeuw) grijzige matte foto’s, over de hele opengeslagen breedte van het boek, van Tuindorp ’t Lansink Hengelo, villapark Wilhelminapark Utrecht en Het Park Rotterdam. Dan volgt de inhoudsopgave, die bestaat uit een introductie en zes hoofdstukken, Wonen, Eten, Ontmoeten, Zorgen, Reizen, Leren, op het eerste gezicht niet direct onderwerpen die gelinkt zijn aan groen erfgoed. Elk van deze hoofdstukken bestaat uit drie delen, een uitgebreide inleiding (auteurs Joosje van Geest, Anne Wolff, Gerrit van Oosterom, Leon Bok, Lotte Dijkstra en Renske Ek) over de geschiedenis en de waarde van het groen binnen het thema, gevolgd door een korte tekst over hoe men vandaag de dag tegen het thema van dit hoofdstuk aankijkt (6 x Steffen Nijhuis) en een kort interview (Lenneke Berkhout).
Grote thema’s die vandaag de dag de aandacht vragen zijn woningbouw en klimaatadaptatie. Keuzes maken voor de toekomst wordt belangrijk. Moet monumentaal groen wijken voor woningbouw en gaan we oude wijken vergroenen? We hebben zo langzamerhand wel geleerd historische gezichten te behouden uit respect voor de geschiedenis, maar kunnen we eeuwenoude gezichten ook veranderen door te vergroenen? Denk eens aan een met bomen beplante Dam bijvoorbeeld.
Stof genoeg om over na te denken lijkt mij zo en dat is nu juist de bedoeling van dit boek
Achterin het boek zijn vier registers opgenomen: Noten, Literatuur, Plaatsregister en Illustratieverantwoording. Helaas geen Personenregister. Zou wel handig geweest zijn in een boek dat gaat over Groen Erfgoed en waarin bijbehorende namen van (tuin)architecten, botanici, kwekers, etc. ook figureren.
Het boek sluit af zoals het begonnen is, met drie maal twee grijzige matte foto’s, dit maal van Het Malieveld, de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam en de Catharijnesingel te Utrecht, ter hoogte van de Oud-Katholieke Kerk, anno 1973 (gedempt) en anno 2025 (hersteld).
Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto
In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.
Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van ‘Mooi Noord-Holland’. We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.
Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.
📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis
Kasteel Asten. Andries Schoemaker, ca. 1732. Naar een gravure van H. Cause. Coll. KU Brabant
Dr. Calogero Dell’Aira beschreef onlangs op Linkedin “Kasteel Asten als een plaats van romantiek, een plek van geschiedenis en bekend vanwege de wrede heksenprocessen tijdens het bewind van kasteelheer Bernard van Merode in de zestiende eeuw. Dit kasteelcomplex wordt bewoond door een aantal huishoudens en beheerd door een onafhankelijke stichting. Een prachtig voorbeeld van hoe romantiek en erfgoed mooi samengaan en uitstekend in stand worden gehouden op een wijze die meer navolging verdient.”
Deze korte beschrijving sluit geheel aan op de detaillistische beschrijving in de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (deel 4, Rotterdam, 2000):
“Het kasteel van Asten, dat vanaf de zestiende eeuw werd gebouwd op de plaats van een versterkt huis uit de eerste helft van de vijftiende eeuw, kent een lange bouwgeschiedenis, waarbij het niet alleen steeds verder werd verfraaid en uitgebreid, maar ook tot twee maal toe tot ruïne verviel. Oorspronkelijk was het kasteel de zetel van de heren van Asten. De eerste periode van verval brak aan, nadat de laatste bewoner het gebouw in 1892 verlaten had. In 1935 werd begonnen met een restauratieplan voor het huis, gemaakt door architect L. de Vries uit Helmond. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, nadat de grote vleugel weer geheel herbouwd was, werd het kasteel in puin geschoten door de Duitsers, waarna opnieuw een periode van verval aanbrak.
Over de tuingeschiedenis van Asten is weinig bekend. Het kasteel lag binnen een dubbele omgrachting en had rond 1760 een ruime voorhof met koetshuis, paardenstal, schuur, bakhuis, een boerenhoeve en een ‘hof’ met een boomgaard omgeven door een beukenhaag. Via een laan, beplant met eiken, naderde men een poortgebouw dat toegang gaf tot de voorhof. In 1811 was de situatie nog ongeveer hetzelfde. Wind- en watermolens, hooi-, akker- en weilanden, beuken- en dennenbos behoorden bij het bezit. De bossen waren waarschijnlijk eerder jacht- en hakhoutbossen dan parkbossen, aangezien de oude omgrachting tot op heden bewaard is gebleven, hetgeen er op duidt dat er nooit een ingrijpende verandering in landschapsstijl heeft plaatsgevonden. In de omgeving is de oude landgoedstructuur met cultuurgronden, doorsneden door enkele oude lanen en een beekdal nog goed te herkennen. Op de voorhof staat nog altijd het poortgebouw met in de vleugels twee boerderijen. In 1998 is gestart met de restauratie van de kasteelruïne, dat wil zeggen dat men consolideren hoog in het vaandel had staan en niet, zoals eerder het plan was, met nieuwe materialen een reconstructie probeert te maken van het oude kasteel.
Behalve voor het culturele aspect, is in deze benadering ook een grote rol weggelegd voor de natuur. Enerzijds is er respect voor de natuur als kracht die het verval mede heeft veroorzaakt. Anderzijds zijn het oude gebouw en de jonge beplanting, die er onbedoeld tegenaan is gegroeid, een wonderlijke symbiose aangegaan, die men niet wil verstoren. Zo wordt een deel van de ruïne omstrengeld door een reusachtige klimop, die het geheel de zo typerende romantische aanblik geeft en in het restauratieplan zodanig begeleid wordt, dat gebouw en plant zoveel mogelijk intact blijven. Ook aan andere klimplanten die zich spontaan tegen de muur hebben gevestigd, zoals een bruidssluier, wordt de nodige aandacht besteed. De oostvleugel, met restanten uit de vijftiende en zestiende eeuw, is met opzet bedekt met grasplaggen, waaruit eerst grassen en later ook andere wilde planten zullen groeien, die de contouren van de ruïne verzachten en de schilderachtige aanblik nog zullen versterken. In de toekomst hoopt men in de directe omgeving van het kasteel met minimale aanplant het idyllische kader te versterken. Dat staat geschreven in de Gids van 2000 en is wonderwel gelukt kunnen we nu in 2025 constateren.
De restauratie van de ruïne van kasteel Asten is een van de voorbeeldprojecten van consoliderende restauratie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en mag baanbrekend genoemd worden omdat ze afrekent met de schoolse restauratie van historische gebouwen en de bijbehorende trend van reconstructie van stijve, zogenaamde historische tuintjes.”
Landgoed Baest in de Gemeente Oirschot bestaat 800 jaar. Het wordt gerekend tot een van de mooiste en oudste landgoederen van Brabant. Om landschap Baest ook voor de toekomst te behouden, hebben de provincie, gemeente, waterschap en betrokken organisaties hun samenwerking rond landgoed Baest bevestigd, zodat ook de komende 800 jaar generaties kunnen genieten van al het moois dat Baest te bieden heeft.
Foto Het Klaverblad, gemeente Vught
In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur,(Rotterdam, 2000, deel 4 Brabant, Zeeland en Limburg) is over Baest te lezen:
“Landgoed Baest, dat in het dal van de Grote Beerze ligt, heeft een geschiedenis die in ieder geval teruggaat tot aan het begin van de dertiende eeuw. In stukken uit 1225 wordt het bos van Baest vermeld als een bezit van de abdij van Berne. Samen met een aantal hoeves, de watermolen op de Kleine Beerze en de windmolen van Baest komt het in de loop van de veertiende eeuw in bezit van de abdij Tongerlo. Vanaf die tijd wordt het gebied langzaam in ontginning gebracht. Het huis Baest wordt in de zestiende eeuw door Maarten van Rossum geplunderd en uitgebrand, waarna het in 1548 wordt herbouwd. Korte tijd later, in 1560, wordt Baest aangewezen voor het persoonlijk onderhoud van de bisschop van het nieuw gestichte bisdom ‘s-Hertogenbosch en zal het vermoedelijk als uithof en buitenplaats voor deze bisschop zijn gaan dienen.
In 1648 werd het bisdom opgeheven en kwamen de onroerende goederen van deze kerkprovincie voor korte tijd in eigendom van de Staten-Generaal. Door verkoop werd Baest in 1659 particulier eigendom. Twee jaar later werd een kaart gemaakt waarop het omgrachte huis als centrum van het landgoed is afgebeeld. Een rechte laan, onder een hoek op het huis gericht, zorgde voor de ontsluiting. De gracht stond in directe verbinding met het riviertje de Grote Beerze. Vanuit de twee tot het goed behorende boerderijen zal het complex van akkers op de iets hogere gronden ten zuidwesten van het huis zijn bewerkt. Het noordelijk gedeelte van het bezit is aangeduid als beemden, natte wei- of hooilanden. De omringende heidevelden waren in het traditionele akkerbouwsysteem ongetwijfeld betrokken als terrein voor het weiden van schapen en het leveren van plaggen voor de potstal. Opgaande bomen kwamen alleen langs de Grote Beerze voor, mogelijk in ontginning van het gebied in de daaropvolgende eeuw voortgezet, aangezien het geheel aan het eind van de achttiende eeuw bestond uit een klein, omgracht herenhuis temidden van een uitgestrekt lanenstelsel met bossen en heidevelden.
Bij een verkoop in 1772 werden de ‘Baaster Goederen’ omschreven als ‘…gelegen onder den Dorpe van Oostelbeers, bestaande in de Huysingen, Hoeven en Landerijen, te weeten De Heere Huysinge genaamd den Spijcker, met zijn Hoven en Gronden van Erven daar bij en aan geleegen onder den Dorpe van Oostelbeers met de Twee Considerablee groote daarbij gehorende Hoeven Lands, van Ouds genaamd de Baaster of Bisschops Hoeven, zijnde Leen- en Tiend-vrij, met de Huysingen, Stallingen, Schuuren, Schoppen kar en Backhuysen, verdere Getimertens ap- en dependentien van dien, mitsgaders alle de daar bij behorende acker, Teul, Hooij, wey, Groes, beemden Heylanden en gronden van Erven, als meede de Beverdoncken op de Logt waarin Moer geleegen is; Voorts met zijn opgaande Boomen en Houtgewassen, Plantagien en verdere toebehoren, regt en geregtigheeden van dien …’.
In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het landgoed door aankopen uitgebreid tot in totaal meer dan 370 hectare. Zoals gebruikelijk bij een landgoed van een dergelijke omvang behoorden diverse boerderijen in die tijd tot het bezit, van waaruit de landbouwgronden bewerkt werden. Deze boerderijen droegen de namen ‘Beukehoef’, ‘Eikehoef’, ‘Lindehoef’ en ‘Mastehoef’. Een goede indruk van het landgoed geeft de in 1818 gemaakte kaart van ‘Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, boschen en landeryen’ (hier afgebeeld). Het landgoed strekt zich daarop aan beide zijden van de Grote Beerze uit en omvat diverse complexen van landbouwgronden en bosgebieden. De bossen zijn ieder apart volgens een rechtlijnig patroon van lanen ingedeeld, maar vertonen, evenals de rechte ontsluitingslanen over het landgoed, niet de onderlinge samenhang die bijvoorbeeld in de Frans classicistische tuinstijl werd toegepast. Wel zijn enkele kenmerkende tuinelementen te onderscheiden, zoals een zogenaamde ‘patte d’oie’, een ganzenvoetstructuur, waarbij drie lanen in een punt bij elkaar komen. Deze ganzenvoet is hersteld.
Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, bosschen en landerijen, 1818. Coll. Huis Baest Middelbeers
Een klein deel van het terrein vertoont in 1818 een patroon van slingerlanen, passend in de vroege landschapsstijl. Het landhuis zelf werd in 1854 ingrijpend verbouwd en vergroot en kreeg daarbij zijn huidige omvang en aanzien. Het wordt omgeven door een boerderij, een koetshuis, een klein poortgebouw en een bakhuis, die evenals het landhuis alle wit geschilderde muren bezitten. Gedurende de tweede helft van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werden nog meer omliggende heidegebieden tot ontginning gebracht. De kern van de aanleg veranderde echter niet wezenlijk, zodat er ook nu nog vele achttiende- en negentiende- eeuwse elementen in het terrein zijn terug te vinden. Wel zorgde de aanleg van het Wilhelminakanaal, in het midden van de twintigste eeuw, voor een doorsnijding van het gebied. Aan het eind van de jaren tachtig van detwintigste eeuw werden de tuinen direct bij het huis gerenoveerd en uitgebreid in een formele stijl. Op het terrein bevindt zich nog een negentiende-eeuws tuinhuis en voor het landhuis staat een tuinbeeld van Venus, gemaakt door de beeldhouwer J.B. Xavery in 1725.
In het noordoosten van landgoed Baest ligt verscholen in het bos het processiepark Heilige Eik. De Mariakapel dateert uit 1853 en past goed in de sfeer van een park in landschapsstijl zoals dat in de negentiende eeuw op Baest tot stand kwam. Ook de naast de kapel gelegen slingerende waterpartij past in dit beeld. Achter de Mariakapel ligt nog een kunstgrotje en een kapelletje gewijd aan Sint Anthonius. Baest wordt beschermd als rijksmonument”.
Landgoed de Wielewaal van de familie Philips is openbaar park geworden. Vandaag berichtte Het Parool hierover en vanaf as zaterdag (29-09-2025) is iedereen welkom. Drie jaar geleden al weer deed ik een vluchtig onderzoekje naar de historie van het park. Dat is hier te lezen: https://lnkd.in/ehad5MwX
Het park is deels aangelegd door de bekende tuinarchitect Dirk Frederik Tersteeg. De gemeente wil allereerst zorg besteden aan het verhogen van de biodiversiteit, die nogal laag schijnt te zijn. Hier op de foto een ‘barokke’ kom, passend in het ontwerp van Tersteeg. Ook een pinetum (verzameling coniferen) maakt deel uit van het landgoed (foto hieronder).