Categoriearchief: Frans classicistische tuinarchitectuur

Marie de Rabutin-Chantal, Markiezin de Sévigné (1626-1696)

 

Binnentuin Musée Carnavalet Paris. Woonhuis van Mme de Sévigné sinds 1636. Neo-17de eeuwse tuin met gemengd gevulde randbeplanting

Onlangs een prachtige en interessante expositie bezocht in Musée Carnavalet in Parijs. ter gelegenheid van de geboortedag van Madame de Sévigné 400 jaar geleden.

Zij werd geboren in een van de karakteristieke 17de eeuwse huizen op de Place Royale (tegenwoordig Place de Vosges, Marais) in Parijs. Wie is daar niet geweest als toerist om een biertje of een koffie te drinken bij Café Ma Bourgogne in de galerij aan dit plein?

Mme de Sévigné werd hier geboren op de Place Royale (tgw. Palce de Vosges), Paris. Ze woonde hier tot haar 10de jaar, daarna Hotel Carnavalet.
Antoine-Julien Hénard (1812-1837). Woonhuis Mme de Sévigné / Binnenplaats Hotel Carnavalet, 1843. Met standbeeld Mme de Sévigné

In 1644 trouwde Marie met een Bretonse edelman, Henri de Sévigné en samen kregen ze twee kinderen, Françoise Marguerite and Charles. In 1651, op haar 25ste, werd ze weduwe toen Henri een duel niet overleefde. Sindsdien verdeelde ze haar tijd tussen Parijs en haar Chateau des Rochers in Vitré (ten oosten van Rennes). Ze verkeerde in de meest exclusieve literaire kringen en heeft met haar brieven (vnl. aan Francoise die met haar man, Comte de Grignan, verhuisd was naar de Provence) niet een steentje, maar een enorme groot stenen blok bijgedragen aan de Franse cultuur. Met haar brieven aan Francoise is het leven van een edelvrouw in 17de eeuws Parijs voor ons (latere generaties) gaan leven. Ik bewonder haar stijl, haar heerlijke flamboyante (in ons idee) rijke zinnen en het leven in literaire kringen van die tijd, dat zij weet op te roepen.

Emmanuel Dolivet (1854-1911). Model voor een beeld van Mme de Sévigné voor Parc Vitré/ Bretagne

Voor mensen die zich meer in het leven van Mme de Sévigné willen verdiepen, raad ik aan te lezen:

  • Ben Rekers (vertaald en bezorgd). Madame de Sévigné Brieven. Serie Privé-domein. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
  • Gerda Munk. Madame de Sévigné et madame de Grignan. Dans la correspondance et dans la critique. Utrecht, 1966. Gerda Munk (*1920- ?) was een achternicht van mijn moeder.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven

Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.

Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA. 

Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht  dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.

Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.

Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.

Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en  de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’  van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.

Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral  ‘Bomen van Pieter Saenredam’  en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.

Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg  langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).

Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.

Tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh

Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto

In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het  heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de  tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.

Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van  ‘Mooi Noord-Holland’.  We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden  is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.

Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.

📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis

Buitenplaats De Voorst

Ik las vandaag een berichtje op Linkedin van Geldersch Landschap en Kasteelen met heel kort een verwijzing met mooie foto’s naar de geschiedenis van Buitenplaats De Voorst (in Eefde bij Zutphen). Ik wil voor de geinteresseerde lezer hier graag wat uitgebreider bij de tuingeschiedenis stil staan. Al in de vroege middeleeuwen wordtDe Voorst genoemd. Het huidige huis werd van 1695 tot 1697 gebouwd voor Arnold Joost van Keppel, graaf van Albemarle en gunsteling van Willem III.
De hofarchitecten Jacob Roman en Daniel Marot waren bij de bouw betrokken. De verdeling van werk tussen beiden is waarschijnlijk dezelfde geweest als op Het Loo en Zeist. Jacob Roman zorgde voor de exterieurs en de uitleg van de tuinen en Daniel Marot voor de decoratie van interieurs en parterres in de tuin. Evenals op Het Loo werd ook hier het huis via colonnades verbonden met de zijpaviljoens. Deze werden overigens in 1847 gesloopt; in 1875 werden de oranjerie en 1909 het noordelijk paviljoen weer opgebouwd.
Op de serie prenten van Petrus Schenk uit ongeveer 1700 zien we dat de tuinen van De Voorst analoog aan die van Het Loo werden ontworpen. Achter het huis lag een verdiepte tuin langs een as van symmetrie, met aan het eind de halfcirkelvormige afsluiting die zo kenmerkend is voor de Frans-classicistische tuinaanleg. In de tuinen bevonden zich acht centrale parterres de broderie, vier zijtuinen, een rond en een achthoekig bassin, twee complexen moestuinen en een loofgangenstelsel met daarin twee paviljoens. Achter de zijpaviljoens lagen bloementuinen.
Omstreeks 1780 vond op De Voorst de eerste verandering in landschapsstijl plaats. Dit gebeurde in het overpark in de hof langs de Berkel. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is in dit gedeelte een rechthoekig park doorsneden door slingerlanen te zien. De formele aanleg rond het huis en de symmetrische bosketten met waterbassins in het overpark waren nog onaangeroerd gebleven. De auteur Van der Aa spreekt in 1848 over een zeer fraai park, binnen grachten gelegen en met gelegenheid tot vissen, jagen en wandelen. Topografische kaarten laten zien dat de tuin nog steeds binnen hetzelfde grachtenstelsel ligt.
De ovale kommen in het voorterrein waren tot landschappelijke vijvers veranderd en de regelmatige tuinvormen achter het huis tot landschappelijke bosschages. De rechte middenas achter het huis was veranderd in een zich afwisselend versmallende en verbredende zichtas. In 1908 werden naar ontwerp van de tuinarchitect L.A. Springer achter de oranjerie een bloementuin en achter het noordelijk zijpaviljoen een rosarium aangelegd, beide nu niet meer aanwezig. In 1912 deed Springer het voorstel de beplante zichtas in het voorterrein weer terug te brengen en het eerste deel van het terrein achter het huis in een golvend gazon te veranderen. Het gazon werd aangelegd, de zichtas niet. Van 1919 tot 1925 gaf de tuinarchitect H.A.C. Poortman verschillende beplantingsadviezen. Het huis is in 1943 afgebrand en de restanten kwamen in 1957 in eigendom van de Stichting Geldersche Kasteelen. Deze liet het huis aan de buitenzijde restaureren in de oorspronkelijke vorm van omstreeks 1700. Het landgoed werd in 1988 eigendom van Het Geldersch Landschap, dat in 1992 de ijskelder restaureerde. Op het landgoed bevinden zich verspreide boscomplexen van loof- en naaldhout te midden van bouw- en weiland.

“NAAR BUITEN” Thema Dag van het Kasteel 2025.

‘Naar Buiten!’ thema Dag van het Kasteel

De traditie is dat de Dag van het Kasteel gevierd wordt tijdens  het Pinksterweekend, in 2025 is dat  za. 7 en zo. 8 juni. De kastelen,  buitenplaatsen en landhuizen zullen dan hun tuinen en parken openstellen voor geïnteresseerden in deze vormen van tuinkunst.

Kasteel Staverden. Ontwerp tuin Juliet Oldenburger, 2008. Foto Geldersch Landschap en Kasteelen

Bezoekers zullen dan kennis kunnen maken met tuinen die ontstaan zijn in de 17-de, 18-de, 19-de en 20-ste eeuw en natuurlijk ook met nieuwe tuinen, wel of niet gebaseerd op de oude historische voorgangers.

Als u de komende herfst en winterperiode zich al wil verdiepen in deze vormen van tuinarchitectuur, raad ik iedereen aan de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (door Carla S. Oldenburger, Annemieke Backer en Eric Blok) weer eens open te slaan en te bekijken welke kasteeltuinen en -parken in zijn of haar omgeving te vinden zijn. De Gids bestaat uit 4 delen Noord (1995), Oost 1996), West(1998) en Zuid(2000) en deze delen zijn onafhankelijk nog wel te koop bij de bekende Internet-Boekwinkeltjes. Verder is misschien een aanrader, als u naar meer kennis snakt en doorverwijzingen zoekt, de Wikipedia-pagina Geschiedenis van de Nederlandse Tuinarchitectuur.

Veel plezier in de voorbereidingstijd en natuurlijk komende Pinkster, maar dat is nog heel ver weg.

Berkenbosch een buitenplaats op Walcheren met 18de eeuwse lanen en visvijvers

Op Linkedin kwam ik de buitenplaats Berkenbosch tegen. En omdat deze plaats toch nog altijd tamelijk onbekend is, terwijl er juist ’s zomers zoveel toeristen graag in het bos van Berkenbosch wandelen, wil ik hier toch eens op de geschiedenis dieper ingaan en laten zien wat de waardevolle elementen zijn van dit bos.
In 1644 wordt Berkenbosch vermeld als hofstede met bos, land en plantage, in eigendom van Jacob Boreel.
In een verkoopakte uit 1717 is sprake van twee huizen, schuren, bossen, dreven, hoven en vijvers, hetgeen erop duidt dat er in de tussenliggende tijd een aanzienlijke uitbreiding van de aanleg had plaatsgevonden.

 

Oostkapelle, Berkenbosch  en Duinbeek. Kaart Gebr. Hattinga, 1753

In het midden van de achttiende eeuw wordt Berkenbosch op de kaart van de gebroeders Hattinga afgebeeld met het huis op de hoofdas van de aanleg, omgeven door een rechtlijnig lanenstelsel en sterrebossen (kunstmatig aangeplante bossen waarin de paden in een kruis bij elkaar komen). Hoewel de lanen ogenschijnlijk loodrecht op elkaar zijn geprojecteerd, zijn er in werkelijkheid forse afwijkingen, zoals ook op de plattegrond te zien is. Aan de voorzijde van het huis lag een ruim plein, aan de achterzijde een symmetrische tuin met op enige afstand van het huis, op een snijpunt van een dwarslaan met de hoofdas, een ronde waterkom, de zogenaamde goudvissenkom. Ook zijn er achter het huis vier kanaalvormige (vis)vijvers te onderscheiden. In 1777 komt Berkenbosch in handen van mr. G.F. Meijners, die ook het naastgelegen Duinbeek bezat. Vanaf die tijd hebben de beide buitenplaatsen altijd dezelfde eigenaar gekend.

Hoewel aan het eind van de achttiende eeuw een aantal rechte lanen werd vervangen door slingerpaden volgens de mode van de landschapsstijl, bleven delen van de oude hoofdopzet, waaronder de twee achttiende-eeuwse kanaalvormige vijvers en een centraal gelegen ronde kom, tot op de dag van vandaag bijna volledig intact. Dit maakt het park van Berkenbosch tot een bijzonderheid op Walcheren. De situatie is ingetekend op een laat achttiende- eeuwse kaart, waarop duidelijk te zien is dat het assenstelsel dateert uit het begin van de achttiende eeuw met romantisch slingerende paden en dat deze modernisering alleen is toegepast buiten het intact gelaten assenstelsel.

Het oude huis werd in 1862 gesloopt en vervangen door een nieuw, dat iets oostelijker op het kruispunt van de hoofdas met een dwarslaan werd gesitueerd. Door het uitgroeien van de beplanting en een verminderd onderhoud is deze unieke ligging thans niet erg duidelijk meer te herkennen. Toen Berkenbosch en Duinbeek in 1895 op afbraak geveild dreigden te worden, werd door ‘eene combinatie van belangstellende dames en heeren’ de N.V. Duinbeek opgericht, waardoor de buitenplaats behouden bleef.

Na de Tweede Wereldoorlog werd een groot deel van de bijbehorende parkbossen, evenals op andere buitenplaatsen in de Manteling van Walcheren, aan Staatsbosbeheer verkocht en werden de huizen met directe omgeving in erfpacht uitgegeven. Door deze situatie hebben er vanaf het eind van de negentiende eeuw geen ingrijpende wijzigingen in het terrein plaatsgevonden. Een bezienswaardig element op Berkenbosch is een laan die aan weerszijden is omgeven door grillig uitgegroeide beuken. Deze beuken vormden vroeger een haag, maar zijn al vele jaren niet gesnoeid en daardoor op curieuze wijze uitgegroeid.

Vanaf 1993 wordt door Staatsbosbeheer gewerkt aan het herstel van de bos- en parkstructuur, volgens een plan van het bureau Bosch en Slabbers tuin- en landschapsarchitecten.