Categoriearchief: Familie

Jan Ebbers: 1912 vijftig jaar apotheker in Heemstede en 1915 vijftig jaar getrouwd

(267) Naar aanleiding van het vinden van de diner-menu-kaart van het vijftigjarig bruiloftsfeest van onze (bet)overgrootouders kwamen de volgende feiten boven water.

Onze (bet)overgrootvader Jan Ebbers (1842 -1923), 20 september 1865 getrouwd met Maria Wilkes (1841-1929) was in zijn tijd een bekende persoonlijkheid in Heemstede. In 1912 vierde hij volgens een bericht in het Haarlemsch Dagblad dat hij vijftig jaar apotheker was in Heemstede en korte krantenberichten en de bewuste menukaart (1890, 1905 en 1915) onthullen dat hij vijfentwintig, veertig en vijftig jaar gehuwd was met Maria Wilkes. Zie onderstaand artikeltje en advertenties en foto’s van de menukaart.

Bericht 50 jarig dienstverband als apotheker. Haarlemsch Dagblad 3 april 1912
Bericht over de ophanden zijnde 25 jarige bruiloft. Oprechte Haarlemsche Courant 6 sept. 1890
Dankbetuiging 40-jarig huwelijk. Haarlem’s Dagblad 25 september 1905

Volgens gegevens gevonden in het Noord-Hollands Archief was Jan op zijn huwelijksdag 23 jaar oud, geboren in Ede en apothecarsleerling (sic). Sinds 1862 was hij in opleiding op de apothekersschool in Haarlem. Maria was 24 jaar en geboren in Haarlem. De ouders van de bruidegom resp. bruid waren Frans Willem Ebbers (kleermaker) getrouwd met Aaltje Roelofs en Johannes Wilkes (koopman, geboren 1799 te Breukelen) getrouwd met Anna Catharina Kools.

Jan Ebbers en Maria Wilkes 50 jaar getrouwd (1865-1915). Menukaart. Part. Collectie
Achterzijde Menukaart 50 jarige bruiloft Jan Ebbers en Maria Wilkes 1915

Helaas staat de locatie van het bruiloftsdiner op bovenstaande menukaart niet vermeld, maar naar wij mogen aannemen is dat in Heemstede geweest. De meest voor de hand liggende adressen zijn Hotel Restaurant ‘Het wapen van Amsterdam’ (tegenwoordig adres Fonteinlaan 11 Haarlem) of ‘Het Wapen van Heemstede’ (adres Wilhelminaplein Heemstede, sinds 2013 in eigendom van de Mij. Stadsherstel Amsterdam en verbouwd tot 9 woningen).

Hotel Café Restaurant ‘Het Wapen van Amsterdam’, ca. 1900. Fonteinlaan nabij de Meester Lottelaan
Rechts Restaurant ‘Het Wapen van Heemstede’, ca. 1900. Sinds 2013 eigenaar Mij. Stadsherstel Amsterdam

Jan en Maria hebben deels op de Binnenweg (nr.11) in het dokters-en apothekershuis en deels in het winkelpand Raadhuisstraat (nr.92) gewoond. Het pand in de Raadhuisstraat (bij de IJzeren brug) stond bekend als het oudst bekende adres voor levensmiddelen, op naam van Jan Ebbers, maar de winkel werd gedreven door drie van zijn dochters, Wilhelmina, Maria en Jeanette, samen met hun jongste broer Gustaaf Adolf. Het was meer dan een kruidenierswinkel, zoals ook duidelijk omschreven in de hieronder geplaatste advertentie uit 1934 , waarin ook de verkoop van Delicatessen, Boter, Kaas en Comestibles (tegenwoordig zouden we zeggen een Deli-winkel of traiteur) werd aangeprezen.

Advertentie uit Ons Blad’, 1934. Raadhuisstraat 92, Heemstede.

Tenslotte nu een overzicht van het gezin van apotheker Jan Ebbers, omdat de kinderen ook worden vermeld als ‘Hunne dankbare kinderen’. Onze (over)grootvader Jan Ebbers, de eerste zoon en het vierde kind van de apotheker, heeft in 1899 Heemstede verlaten en is vertrokken naar Amsterdam om daar een zelfde winkel te beginnen met Kruidenierswaren, Comestibles en Delicatessen. Deze was gevestigd in de splinternieuwe Kinkerbuurt, in de Da Costastraat (35) / hoek Potgieterstraat.

Gezin van Jan Ebbers en Maria Wilkes:

Jan Ebbers (apotheker), *31-05-1842 te Ede

X Maria Wilkes, *21-09-1841 te Haarlem

Kinderen (cursief de kinderen die de winkel in de Raadhuisstraat beheerden):

  1. Wilhelmina Alida Ebbers (1861-1953), *16-11-1867 te Heemstede, tante Mina.
  2. Anna Wilhelmina Ebbers (1866-Utrecht 1924), *05-01-1866 te Heemstede X (1910) Hendrikus ten Raa (Kampen 1860 – Driebergen-Rijsenburg 1946).
  3. Maria Jeanette Ebbers (1873-1952), *11-01-1873 te Heemstede, tante Marie.
  4. Jan Ebbers (1874-1954), *14-03-1874 te Heemstede X Carolina Sophia Vogelesang (1872-1954), (over)grootouders van Juliet Oldenburger en Carla Oldenburger-Ebbers.
  5. Johan Wilhelm Ebbers (1876-1946), *18-05-1876 te Heemstede, oom Willem X Hilligje de Boer (Avereest 1867- Heemstede 1957), tante Hilda.
  6. Jeanette Everdina Ebbers (1879-1962), *07-07-1879 te Heemstede, tante Net.
  7. Gustaaf Adolf Ebbers (1881-1943), *12-04-1881 te Heemstede, oom Dolf X Johanna Granneman (1884-1949).
  8. Everdina Ebbers (1883-1938), *04-01-1883 te Heemstede, tante Eef X Gerlof Hendrik Hospes (1887-1927).

Bleeklust (later Bleekrust of Gliphoeve) te Heemstede

Joseph Charles. De Lijnwaadbleekerij Bleeklust (later Bleekrust, tegenwoordig Huis De Gliphoeve) van de wed. Louis Gunst, 1797. Litho naar tekening van J. Charles. Coll. N-H Archief

(264) Als we op de website van Oneindig Noord-Holland naar Gliphoeve in Heemstede zoeken, vinden we allerleerst de orienterende tekst:

“In de lommerijke strook tussen de Herenweg en de Glipperdreef, ten zuiden van de Prinsenlaan, ligt de kleine buitenplaats Gliphoeve. Vanaf de Glipperdreef kan men over de oprijlaan het huis zien liggen. Het terrein waar nu de appartementengebouwen Hagenduin staan hoort er niet (meer) bij, maar het landgoed strekt zich daaromheen uit tot en met het hoge duin aan de zuidwestzijde”.

Joseph Charles. Bleeklust op de Glip Heemstede [thans Gliphoeve] door Joseph Charles. Litho naar tekening van J. Charles. Coll. N-H Archief

Joseph Charles tekende dit huis en de bleekerij met droogberg, bleekvelden en tuinen in 1797, zoals op de eerste afbeeldingen is te zien. Op de droogberg staat een koepel die uitzicht bood op het Haarlemmermeer. De plaats was van 1782 tot 1811 in handen van Louis Gunst en zijn weduwe Catharina Vleck. In 1811 kocht de Amsterdammer Carel Hendrik Aschen, koopman in garen, sajet en breigaren, Bleeklust. Hij veranderde de naam in Bleekrust en investeerde in de buitenplaats met een belvédère, een oranjerie en een chinese tent. Bleeklust was dus uitgegroeid van een blekerij tot een rijke buitenplaats. Tot 1820 bleef hij eigenaar, opgevolgd door Gerrit Munk. Deze Gerrit Munk, gehuwd met Geertrui van Loon, was de grootvader van Gerrit Munk (1854-1903), de broer van onze (bet)overgrootmoeder Maria Catharina Van Alkemade Munk.

Verkoop Bleekrust de Glip Heemstede, uit: Opregte Haerlemsche Courant, 11 april 1820


Gerrit Munk (1764-1829), was eigenaar van Bleekrust 1820-1822 en werd geboren te Heemstede als zoon van Gerrit Munk en Elizabeth van Dijk. Hij was van beroep meestertimmerman en vervulde tevens het ambt van plaatsvervangend vrederechter in Heemstede (soort kantonrechter). In 1813 trouwde hij met Geertruy van Loon. Gerrit kocht en verkocht (speculatie) regelmatig huizen en grond in Heemstede. Hij bezat een huis en timmermans-winkel met werkplaats aan de dorpsvaart. Daar woonde en werkte ook zijn broer Albertus (17??-1846). In zijn testament van 1829 bepaalde Gerrit Munk, dat zijn broer Albertus het huis en de timmermanswinkel, voorheen in bezit van vader Gerrit Munk senior, kon kopen voor 4000 gulden. Gerrit Munk overleed o p 5 november 1829. Hij was toen 65 jaar oud. Bij zijn overlijden liet hij geen kinderen na. Naast het huis met de timmermanswinkel liet Gerrit nog een aantal huizen na. Hij bezat twee huizen ‘aan het einde van het dorp, een huis met stalling op de hoek van de Camplaan en huisjes aan de Camplaan. De totale nalatenschap bedroeg f 41.333-. Zijn echtgenote overleed op 16 oktober 1842.

Gerrit Munk verkocht Gliphoeve aan de 64-jarige Haarlemse notaris Johannes Petrus Kuenen (1757-1831). Volgende eigenaren waren Petrus Jacobus Nicols (1784-1840), eigenaar van de Gliphoeve 1832-1840 en de Amsterdamse advocaat Hendrik Jacobus Koenen (1809-1874) en zijn weduwe.

Literatuur:

  • Meddens-van Borselen, A. ‘Bewoners en eigenaren van de Gliphoeve in Heemstede, 1782-1840’. Nieuwsbrief Vereniging] Oud-Heemstede – Bennebroek 25 (1998): 120-129.
  • Zie ook: website Librariana.

Algemene Begraafplaats Heemstede – het oudste deel van J.D. Zocher jr.

(257) In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (4 delen, 1995-2000) staat een korte tekst over deze begraafplaats. Deze heb ik aangevuld met graf-beschrijvingen van onze familie-leden.

Op de plaats van de menagerie van de voormalige buitenplaats Westermeer, waarvan het huis in 1829 werd gesloopt, ontwierp J.D. Zocher jr. vanaf 1829 de Algemene Begraafplaats Groenendaal. Deze werd door de Van Merlen Vaart gescheiden van het complex Groenendaal/Meerenberg/Bosbeek.

Wanneer men het oudste deel van de begraafplaats betreedt, wordt men eerst gewezen op het volgende:

Entree van het oudste gedeelte van de begraafplaats. Foto Carla Oldenburger

Het door Zocher aangelegde deel wordt gekenmerkt door flauw gebogen lanen rondom druppelvormige grafvelden. De hoofdopzet van het oude deel is ook enigszins symmetrisch. De hand van Zocher jr. is duidelijk herkenbaar. Helaas is er geen ontwerp bewaard gebleven.

Het graf van meester-timmerman Gerrit Munk (geen foto), de broer van onze (bet)overgrootmoeder Maria Catharina van Alkemade Munk (1851-1881), is een van de oudste graven uit de eerste periode van deze begraafplaats. Even voorbij de grafkelder van de familie Enschedé (op de kaart het vierkantje links van AFDI) gaat een gebogen laantje naar rechts, naar een open plek waar vele lanen bij elkaar komen. Langs dit laantje zijn aan de rechterkant vele graven verdwenen, maar het nummerpaaltje (I-056-E) van het jong gestorven broertje van mijn grootvader (broertje’s naam Willem Frederik Amse, genoemd naar zijn grootvader; geboren / overleden 1880) staat nog achter de grafsteen van Catharina Wilhelmina Elisabeth van Deventer-Munk (geboren in Heemstede 1859; overleden in Den Haag 1923); waarschijnlijk is zij de jongste zuster van onze (bet)overgrootmoeder).

Heemstede Algemene begraafplaats. Oudste deel ontworpen door J.D. Zocher jr. 1829. Foto Carla Oldenburger

Van de familie Ebbers zijn nog twee grafzerken over. Het betreft een oudoom en een oudtante en hun beider echtgenoten, broer en zuster van onze (over)grootvader Jan Ebbers, resp. Gustaaf Adolf Ebbers (1881-1943) , getrouwd met Johanna Granneman (1884-1949) én Everdina Ebbers (1883-1938), getrouwd met Gerlof Hendrik Hospes (1887-1927). Voor Gustaaf Adolf loopt men naar de driesprong boven de letter E en volgt dan heel even het pad richting B.

Heemstede Algemene Begraafplaats. Grafsteen van Gustaaf Adolf Ebbers, jongere broer van onze (over)grootvader Jan Ebbers.
Foto Carla Oldenburger

Direct links ligt het graf F-06-E. Everdina is te bereiken via het pad tegenover de zwarte ster tot de driesprong, en dan het eerste paadje rechts nemen. Op dat paadje vrij snel rechts is de grafsteen van het echtpaar Hospes te zien.

Heemstede, Algemene Begraafplaats. Grafsteen van Everdina Ebbers, jongste kind van apotheker (bet)overgrootvader Jan Ebbers en zuster van onze (over)grootvader Jan Ebbers. Foto Carla Oldenburger
Heemstede Alg. Begraafplaats. Grafsteen Catharina Wilhelmina Elisabeth van Deventer-Munk (1859-1923). Hierachter staat het nummerpaaltje dat het graf van baby Willem Frederik Amse (geboren en overl. 1880) aangeeft. Foto Carla Oldenburger

De eerste, tweede en derde uitbreiding zijn van de tuinarchitect Gerard Bleeker, die hier tussen 1928 en 1948 werkte. Deze delen zijn modern geometrisch van opzet en de graven liggen voornamelijk langs rechte paden.

De laatste toevoeging, uitgevoerd in 1993 naar ontwerp van tuinarchitect Victor van Boven, betreft de zogenaamde urnentuin en het columbarium. Rondom een breed pad, dat gericht is op een monumentale grafkelder, liggen groepsgewijs urnenvelden in grasbermen. Deze velden zijn omgeven door rozen en laurierhagen. De sfeervolle en kleurrijke urnentuin is een waardige gedenkplaats en vormt een soort loper vanaf de grafkelder naar het halfronde columbarium waarin nissen zijn voor het plaatsen van urnen. Halverwege de loper staat een fontein. Het idee van een ommuurde tuin met bomen en rozenperken heeft Van Boven mede ontleend aan oude Romeinse voorbeelden.

Al met al is de combinatie van tuinstijlen niet storend en straalt de begraafplaats als geheel rust en vrede uit.

Ook de vier (over)grootouders van Carla en Juliet Oldenburger, Jan Ebbers- Carolina S. Vogelesang en Johan C.W. Amse- Anna Vetter én de twee (groot)ouders Jan Ebbers-Maria C.J. Amse zijn allen op deze begraafplaats begraven, maar al deze graven zijn geruimd.

Bommen op Hiroshima en Nagasaki en de capitulatie van Japan

(252) Op 6 augustus 1945 viel de bom op de Japanse havenplaats Hiroshima; op 9 augustus de tweede bom op Nagasaki. Deze bommen met desastreuze gevolgen voor de inwoners van Japan, luidden het einde van de Tweede Wereldoorlog in ZO-Azië in. Voor mijn man en Juliets vader en voor schoonouders/grootouders was dat een keerpunt in hun leven. Begin jaren zeventig hing onderstaande foto (‘kunstwerk’ en tegelijkertijd ‘waarschuwing’) als behang in onze huiskamer in Heukelum.

Bom op Hiroshima 6 augustus 1945

Mijn schoonvader Frederik Oldenburger (1899-1975) werkte vóór de Tweede Wereldoorlog als ‘productie-voorman’ op een olieterrein van de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij) aan de oostkust van Borneo (boorterrein Louise, woonadres Hofje 8, Sanga Sanga Dalam, ten zuiden van Samarinda) en enige tijd op het eilandje Tarakan (1e Julianastraat 65). Vanaf 1942 diende hij voor het KNIL (sergeant voor Speciale Diensten der Militaire Luchtvaart, Algemeen Stamboeknummer 157999) op het vliegveld Andir bij Bandung. Begin 1943 kwam hij als krijgsgevange in Birma terecht om daar onder de knoet van de Japanners aan de beruchte spoorweg te werken.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 85A2D9F4-ED56-4D79-96A7-F64FBD7E877C_1_201_a-721x1024.jpeg
Frederik Oldenburger (1899-1975), voordat de kamptijd begon. Detail van onderstaande familiefoto, ca.1941
Het gezin van Frederik en Ronesca Oldenburger-Groustra, ca. 1941. V.l.n.r. Feddo Oldenburger (*1937), Frederik Oldenburger (*1899), Ledy Oldenburger (*1939), Ronesca E. Oldenburger-Groustra (*1901)

Frederik’s Japanse registratiekaart bevat een Romeinse IV (rechtsboven), hetgeen betekent dat hij in 1942 eerst als krijgsgevangene naar Singapore (Changi-kamp) werd gebracht en vervolgens per trein naar Ban Pong (Noordpunt Thailand, het eerste station aan de spoorbaan).

Registratiekaart Frederik Oldenburger, Algemeen Stamboeknummer KNIL 157999. In 1991 hebben we het huis op Baladewaweg 20 in Bandung, hier linksonder genoemd, bezocht (vlakbij Vliegveld Andir)

De eerste groepen Nederlanders kwamen in Birma aan in januari 1943 en gingen naar Tarsao en Kinsayok om daar de Birma-Siam spoorweg verder aan te leggen (het eerste stuk werd aangelegd door Engelsen, die in juni-december 1942 naar Thailand gingen). Hoe later men aankwam hoe verder noordwaarts men aan het werk moest. Waar hij precies terecht is gekomen in Birma is ons onbekend. Wel weten we dat hij zich op 17 april 1945 in ieder geval weer in Thailand bevond, in het Kamp Nakon Pathom. Deze datum staat namelijk genoteerd onder een portrettekening die hij daar heeft laten maken door H. Franz.

Frederik Oldenburger (1899-1975) in Kamp Nakon Pathom, getekend door H. Franz, 17 april 1945. Hij ziet er gezond en opgewekt uit, terwijl de oorlog toch nog niet is afgelopen. Dat was 4 maanden later.

De plaats Nakon Pathom ligt ongeveer 40 km ten westen van Bangkok. Het kamp Nakon Pathom was sinds februari 1944 een hospitaal-kamp, het grootste in de omgeving van de gehele Birma­spoorweg. Het bestond uiteindelijk uit 50 barakken voor elk 200 man. Gedurende een zekere periode was dit kamp een modelkamp ten behoeve van een inspectie van het Internatio­nale Rode Kruis. In die periode was er gelukkig geen sprake van geschreeuw, of slaag van de bewakers, of buigen voor de Japan­ners en de bewakers. Vader Frederik was kennelijk op zeker moment zo verzwakt dat hij in dit hospitaalkamp terecht is gekomen. Ook heeft hij ons verteld dat de cabaretier Wim Kan, bekend van zijn Burma dagboek 1942-1945, in datzelfde kamp gevangen zat en voor de kampbewoners heeft opgetreden. Het kampdagboek, gepubliceerd in 1986, staat in onze bibliotheek.

Een kampvriend uit die tijd heeft ons in 1991 de plaats van het nu verdwenen Kamp Nakon Pathom aangewezen, vlakbij Tempel Phra Pathom Chedi in de stad Nakon Pathom. Deze tempel is de hoogste van Thailand en de hoogste Boeddhistische tempel in de wereld. Een schitterend bouwwerk, glanzend in de zon. We hebben jaren geleden al een foto van deze tempel in een familie-fotoboek teruggevonden en hebben de plaats van het kamp met Feddo’s Thaise nicht en haar man, een van de bouwers van het kamp, in 1991 bezocht.

Nakon Pathom. Thailand. Phra Pathom Chedi

Deze dagen denken we terug aan de verschrikkingen die onze familie in de mannenkampen in Singapore, Birma en Thailand en in de vrouwenkampen op Java (drie verschillende vrouwenkampen: Kamp Tjihapit / Bandung; Kamp Makassar / Batavia en Kamp St. Vincentius / Batavia) heeft moeten doorstaan. Zoals in zoveel families, er werd nauwelijks over gesproken. Gelukkig hebben zij het wel overleefd. Bijna alle eigendommen gingen verloren. Als aandenken aan de verschrikkingen die Frederik heeft moeten doorstaan, resten nog twee KNIL-ordetekenen uit die tijd, die mijn schoonvader na de oorlog heeft ontvangen. Het Herinneringskruis (rechts) werd uitgereikt (opgezonden naar Borneo?) op 24 december 1949, 3 dagen voordat de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië in Den Haag werd uitgeroepen.

Hier zijn afgebeeld het Ereteken voor Orde en Vrede (links, met draaggesp), uitgereikt 12 febr. 1949; het Oorlogsherinneringskruis (rechts, met draaggesp), uitgereikt 24 december 1949. Het bijbehorend insigne van het laatste kruis is zoek geraakt terwijl we nog wel beschikken over het certificaat van het insigne). We weten dus zeker dat deze eretekens van Frederik Oldenburger zijn, omdat ook de certificaten bewaard zijn gebleven.

In 1947, na een langdurig verblijf in Nederland, is het gezin Oldenburger weer naar Borneo teruggekeerd. Feddo verliet in de zomer van 1950 zijn geliefde geboorteland, om naar de middelbare school in Nederland te gaan. Vader en moeder en Ledy volgden een jaar later.

Nieuw Portret van jong meisje, geschilderd door Simon Willem Maris

(235) Op 23 februari jl. schreef ik een Bericht over de afbeelding op een affiche voor de Slavernij-tentoonstelling in het Rijksmuseum. De afbeelding was een portret van Isabella, een schilderij van Simon Maris (1873-1935).

N.a.v. dit Bericht ontvingen wij een reactie van de schoonmoeder van Juliet, die ook over een portret van een ‘donker’ meisje van Simon Maris beschikte (uit 1933), hieronder afgebeeld.

Simon Maris. Jongedame met kettinkje. Olieverf op paneel. Gesigneerd en gedateerd (1933). Particuliere Collectie

Dus nog maar eens verder op zoek naar portretten van Simon Maris. Wie is dit model? En waar komt het schilderij vandaan? Het moet geschilderd zijn in de tijd dat Simon in Amsterdam woonde op de Keizersgracht 498. Bekend is dat het tot eind jaren tachtig heeft gehangen in Café – Bodega “Le Jardin”, op de hoek van de Vijzelstraat en de Reguliersdwarsstraat. Het verhaal gaat dat de baas van dit café dit schilderij voor de Tweede Wereldoorlog al heeft ontvangen, waarschijnlijk als ruilmiddel (tegen wijn of andere spiritualia), misschien van Simon Maris zelf, die tamelijk dichtbij woonde, of van een eerdere koper van het schilderij?

Op Internet zocht ik naar vergelijkbare portretten in de hoop de naam van deze jongedame te vinden.

Simon Maris. Negroïde dame met sieraden. Olieverf op paneel. Geveild bij Twents Veilinghuis, 2020

Simon Maris. Jonge vrouw met boek. Olieverf op doek op schilderboard. Gesigneerd, 1926. Voorheen Collectie Simonis & Buunk

Bovenstaande twee portretten lijken wel iets op het portret uit 1933. Ook hebben de meisjes steeds hetzelfde kettinkje om. Of de eerste twee dezelfde vrouw voorstellen zou kunnen, maar valt moeilijk te zeggen. In het vorige Bericht over Isabella werd gesuggereerd dat zij mogelijk een Creoolse of Hindoestaanse was. Bij het tweede portret spreekt het Twents Veilinghuis van een negroïde meisje.

Verbouwingstekening door A.C.Swets. 1901. Stadsarchief Amsterdam. De tweede en derde verdieping werden tot één hoge lichte ruimte verbouwd.

Naast deze portretten heeft Simon Maris ook vele andere dames geschilderd, vaak zijn vrouw en kinderen. Hij wordt terecht portretschilder genoemd. Hij ontving zijn modellen, als hij In Amsterdam was, in zijn atelier op de Keizersgracht 498. Dit huis dat hij in 1901 had gekocht heeft hij ten gunste van een ruim en licht atelier eerst laten verbouwen. De verbouwingstekening bevindt zich in het Stadsarchief Amsterdam. Op de bijgevoegde foto zien we ook het nieuwe interieur (i.p.v. het atelier van Simon, dat al in het vorige Bericht werd afgebeeld) en het grote raam op het NO, dat voor schilders het ideale licht laat binnenkomen.

Het interieur van het atelier van Co-op 2, het reclamebureau van fotograaf Guermonprez (1908-1944). Ca, 1935. Stadsarchief Amsterdam

CREOOLSE (?) geschilderd in Atelier door Simon W. Maris, Keizersgracht 498, A’dam

(231) De bekende Amsterdamse portretschilder Simon W. Maris (1873-1935) was een zoon van de beroemde landschapsschilder Willem Maris (1844-1910) en een achterneef van onze (over)grootmoeder Carolina Sophia Vogelesang. Sinds 1901 was hij de gelukkige eigenaar van pand Keizersgracht nr. 498 te Amsterdam. Zie de archieffoto hier beneden afgebeeld.

Zijn portret Isabella zien we deze maanden veel afgebeeld in verband met de tentoonstelling Slavernij, te bewonderen vanaf het moment dat de deuren van het Rijksmuseum na de lockdown weer open gaan. De voormalige titel van het schilderij is ‘Indisch type, Oostersch meisje zittend in een fauteuil’, later ook aangeduid als ‘Indisch type’ of ‘Negerinnetje’.

De keuze van dit schilderij op de affiche van de tentoonstelling heeft te maken met het feit dat het museum de nadrukkelijke wens koestert ‘inclusief’ te werken, dwz. voor IEDEREEN. Ook bij de presentatie van schilderijen streeft men er naar voor allen, ongeacht ras, stand of afkomst, toegankelijk, interessant en aantrekkelijk te zijn.

Simon Maris. Isabella (voormalige titel: ‘Indisch type; Oostersch meisje zittend in een fauteuil’). Ca. 1906. Olieverf op doek. 41 × 29 cm. Amsterdam, Rijksmuseum

Foto’s van Isbella (ca. 1906), genomen door Simon Maris in zijn atelier.. Coll. RKD Den Haag

Zoals gezegd voorheen werd dit meisje aangeduid als ‘Indisch type’ of ‘Negerinnetje’. Nu zouden we zeggen een nakomelinge van een tot slaaf gemaakte voorouder. Uit recent (2020) onderzoek is gebleken dat haar voornaam Isabella was. De identificatie kwam tot stand door teruggevonden foto’s en verwijzingen in het archief van de schilder. Haar leeftijd wordt geschat op ongeveer twaalf jaar, -volgens schatting van het Rijksmuseum- toen zij in Maris’ atelier op de Keizersgracht 498 poseerde voor haar portret.

Is Isabella werkelijk een Indisch / Oostersch type of Negerinnetje? Dat is moeilijk af te lezen van dit portret. Mogelijk een Hindoestaans meisje of een Creoolse. Een mix was niet gebruikelijk aan het begin van de twintigste eeuw. Had Simon mogelijk een voorliefde voor getinte vrouwen uit andere landen omdat zijn eigen voorgeslacht ook uit een ander land (Tsjechië / Praag) afkomstig was? Zijn overgrootvader Wenzel Maresch had immers zijn vaderland verlaten om deel te nemen aan de oorlog tussen Oostenrijk en Frankrijk en was uiteindelijk (ca. 1806) in Amsterdam terecht gekomen. Daar vestigde hij zich eerst als steenhouder, later werd hij boekdrukker in Den Haag. Het is bekend dat Simon tijdens WO I ook een serie portretten maakte waar een Roma-familie model voor stond. Deze familie was gestrand met een Duits schip voor de haven van IJmuiden en Simon zorgde -als lid van een liefdadigheiscomité- er voor dat deze familie in Amsterdam onderdak kreeg.

Keizersgracht 498 (dichtbij de Leidsestraat), middelste huis, in 1901 gekocht en verbouwd door Simon Willem Maris. Hij liet de 3de en 4 de verdieping verbouwen tot een groot schildersatelier, met een groot raam op het noordoosten
Sigmund Löw (toegeschreven aan), 1905. Simon Maris in zijn atelier op Keizersgracht 498, Amsterdam. Collectie RKD Den Haag.

Een portret van een donkere man, passend bij de komende tentoonstelling in het Rijksmuseum, wil ik in dit verband ook hier afbeelden. Het is een portret dat Juliet tijdens haar opleiding aan de Koninklijke Academie Den Haag heeft gemaakt. De naam van deze jongeman die model heeft gezeten is helaas ons onbekend.

Juliet Oldenburger. Man zit model op de Koninklijke Academie Den Haag. Ca. 1990. Part. Collectie Arnhem

VIA LEENDERT VAN HAESTAR (1604-1675) ALLEN EEN GELUKKIG EN GEZOND 2021 GEWENST

Leendert Maertensz. van Haestar (1604-1675). ‘Aanbidding der Koningen’. Olieverf op paneel. Coll. Kunsthandel Jean Moust Brugge

(222) Het schilderij ‘Aanbidding van de Koningen’ of  ‘Drie wijzen uit het Oosten’ (Arabië) vertelt het verhaal uit de Bijbel (Matt. 2:11-18) van de drie Koningen of ‘Wijzen’ uit het oosten Caspar, Melchior en Balthasar. Zij zagen een opgaande ster (conjunctie tussen Jupiter en Saturnus?) die hen  naar de pasgeboren koning der Joden zou leiden.

Drie Koningen 6 januari

Op deze dag wordt herdacht dat de drie Koningen in de stal in Bethlehem aankwamen en Jezus geschenken offerden: goud, wierook (uit hars van de plant Boswellia sacra) en mirre (uit hars van de plant Commiphora myrrha).

Boswellia sacra (hierboven) en Commiphora myrrha (hieronder)

Waarom zijn wij zo geïntrigeerd door dit schilderij?

Omdat Juliet dit jaar door genealogisch onderzoek heeft ontdekt dat Leendert van Haestar, de schilder van het hierboven ruim 380 jaar geleden vervaardigde schilderij een voorvader van ons is. We zullen hem op Driekoningen-avond 6 januari in kleine kring gedenken.

Leendert van Haestar (Haester, Haestert, Haastrecht), 1604- 1675. Schilder, behangselschilder en tekenaar:

Naar Leendert van Haestar (Haastert). Gravure door Jonas Suyderhoef. Portret Prins Willem III (Willem Hendrik van Oranje, 1650-1702). Ca. 1672. Coll. Rijksmuseum

Leendert van Haestar (Haastert / Haastrecht) werd geboren in Den Haag en is daar  in de Kloosterkerk begraven. Van Haestar is lid geweest van het Haagse schildersgilde en schilderde o.m. ‘Aanbidding der Koningen’, 1640; ‘De woede van Aharverus’, coll. Bredius; en een portret (uit 1672) van Willem III, stadhouder en later koning van Engeland, hierboven als gravure afgebeeld). Hij huwde met  Lucia Peneels / Paneel. 

De kunstschilder Leendert Maertensz. van Haestar (ook bekend onder de namen Haester, Haestert, Haastrecht) was een tijdgenoot van Rembrandt (1606-1669). Aan het werk van beiden is te zien dat ze door Caravaggio beïnvloed zijn, hoewel beiden waarschijnlijk nooit in Italië zijn geweest. Op hun schilderijen wordt met licht en donker gespeeld, zodanig dat het oog van de toeschouwer naar het hoofdthema van het schilderij wordt geleid, in dit geval Jezus in de kribbe.

Leendert Maertensz. van Haestar staat twaalf generaties terug in onze stamboom via onze Haagse tak. Carla’s naamgeefster Carolina Sophia Ebbers-Vogelesang is de laatste die in de hofstad geboren werd. Leendert  is een zoon van Maerten Florisz. van Groenewegt (ca. 1574-1636) en Nyesgen Cornelisdr. Schrap. Zijn jongere broer Floris was goudsmid. Leendert had 2 zonen (Willem en Maerten, beiden ook goudsmid) en 2 dochters waarvan Swaentje trouwde met de kunstschilder Arnold Verbuys. 

In Leendert’s tijd is er duidelijk sprake van kunstzinnig talent in de familie, zoals ook later in de 19de eeuw, wanneer overgrootvader Vogelesang trouwt met Johanna Hendrika Maris uit de bekende schildersfamilie. In 2021 zullen we het onderzoek naar de werken van Leendert van Haestar voortzetten.

Planten van de Sipaliwini Savanna (het grensgebied van Suriname en Brazilie)

(220) Tussen 1968 en 1972 deed mijn man Feddo H.F. Oldenburger (1937-2017) in opdracht van ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) onderzoek naar de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname. Hiertoe verzamelde hij tijdens een expeditie planten voor het ‘Botanisch Museum en Herbarium’ van de Universiteit Utrecht. In 2008 werd het Utrechts Herbarium gesloten en overgedragen aan Naturalis, vanaf 2010 Naturalis Biodiversity Center.

Naturalis Biodiversity Center, Leiden, 2019

In 2010 ontving Naturalis Biodiversity Center 13 miljoen euro om de collectie te digitaliseren. Hiermee is in 2011 begonnen. Het project is medio 2015 succesvol afgerond. Zeven miljoen objecten (waaronder het Nationaal Herbarium Nederland) zijn gedigitaliseerd en opgeslagen in een database die voor iedereen online beschikbaar is, zodat onderzoek op afstand mogelijk is. Digitalisering van oude collecties vindt naar behoefte plaats.

Na deze gigantische operatie wil ik wel eens weten hoe het met Feddo’s planten staat in Leiden. De herbarium-collectie van Naturalis is te raadplegen via bioportal.naturalis.nl. Ik zoek eerst maar eens heel eenvoudig (niet het uitgebreide formulier). Ik vul alleen een plantennaam in, namelijk Oxandra krukoffii, omdat ik weet dat deze soort een paar jaar geleden is gereviseerd door een jaargenoot-bioloog van mijn man, Prof. Paul Maas e.a. Zie: L. Junikka, P.J.M. Maas, H. Maas-van de Kamer en L.Y.Th. Westra. Revision of Oxandra (Annonaceae). Blumea 61 (2016), p. 215-266 (Oxandra krukoffii p. 229-233).

Oxandra krukoffii R. E. Fr. Dit exemplaar werd verzameld door F.H.F. Oldenburger, R.Norde en J.P. Schulz, dd. 29-11-1968 . Coll. Naturalis Biodiversity Center

Dit is niet een erg zeldzame soort, maar de collectie ON (Oldenburger / Norde) is wel de enige collectie van die soort uit de 3 Guiana’s en dat is dus best weer wel bijzonder. Ik kom uit bij een stuk of twintig Oxandra krukoffii-exemplaren, maar slechts één uit het zuiden van Suriname, nl. registratienummer U.1610309. Dit exemplaar werd verzameld tijdens een expeditie waar F.H.F. Oldenburger, R. Norde en J.P. Schulz aan deelnamen. De verzameldatum staat op 29-11-1968. Daarnaast is de locatie precies aangegeven op het etiket (zoom uit) met  “N. of ‘4-Gebroeders’ Mts., in ‘Sea-horse’ forest”.

Sipaliwini Savanna is groene vlekje op kaart, op de Zuid-grens van Suriname en Brazilië

Ook is het mogelijk uitgebreid te zoeken, bijvoorbeeld door de naam van de plant in te tikken en dan te combineren met de naam van verzamelaar Oldenburger. Het resultaat voor Oxandra krukoffii is dan dat inderdaad 1 ex. is gevonden door Oldenburger e.a. En dan volgt de vraag, hoeveel plantensoorten zijn in Zuid-Suriname verzameld door Oldenburger? Typ dan alleen achter Verzamelaar Oldenburger in, en het blijken er 1277 te zijn, die alle met naam en toenaam en locatie worden beschreven. De meeste van deze vondsten zijn niet alleen door Oldenburger verzameld, maar in gezelschap van R.Norde en J.P. Schulz. In 1975 werd ook in de buurt van de stad Brasilia (Brazil) door Oldenburger verzameld, maar dit gebeurde in opdracht van de Universiteit van Brasilia en deze planten zijn dus niet als herbarium-exemplaren voor Naturalis B.C. bewaard.

Feddo’s nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 deels overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center Leiden en deels aan Universiteit van Utrecht / Copernicus Instituut.

Een korte biografie over Feddo Oldenburger is elders op deze website te vinden. Zoeken binnen de website op Biografie Feddo…

Turfschip van Opa

(219) Een aantal jaren geleden dwaalden mijn man en ik als toeristen met belangstelling voor de schilderes Paula Modersohn-Becker rond in het bekende kunstenaarsdorp Worpswede (Nedersaksen). Het dorp is schilderachtig gelegen, aan het riviertje de Hamme, een zijtak van de Wezer, aan de voet van de 54 meter hoge Weyerberg en omgeven door heide en veenland, bekend als het zogenaamde Teufelsmoor.

Bekende kunstenaars die daar woonden en werkten en deel uitmaakten van de kunstenaarskolonie Worpswede, waren architect en schilder Heinrich Vogeler en de schilders Fritz Mackensen, Otto Modersohn en zijn vrouw Paula Becker.

Fritz Mackensen. Hamme-Hütte, 1897, © Landesmuseum Hannover, VG Bildkunst Bonn, 2016
Portret Fritz Mackensen. Foto Th. u. O. Hofmeister, ca. 1889 – 1899
F. Mackensen. Torfkähne auf der Hamme. Olieverf op doek. 1904. Coll. Grosze Kunstschau

Natuurlijk bezochten wij het museum de ‘Grosze Kunstschau’ en ik raakte daar zeer onder de indruk van het schilderij van Fritz Mackensen (1866-1953), getiteld Torfkähne auf der Hamme (zie hierboven).

Waarom was ik zo onder de indruk? Omdat de voorstelling mij direct deed denken aan de grootvader van mijn man, genaamd Feddo Oldenburger, naar wie mijn man is genoemd. Opa was geboren in Winschoten (08-01-1869) en overleed op tachtigjarige leeftijd in dezelfde plaats (03-07-1949). Uit diverse aktes is op te maken wat zijn beroep was. Zo staat in 1892 en 1893 vermeld dat hij het beroep van binnenschipper uitoefende, evenals zijn vader Frederik (geb. 17-03-1839 en overl. 16-11-1928). In 1917 staat genoemde Feddo als schipper ingeschreven en in 1927 als binnenschipper èn als brandstof-handelaar. De vader van genoemde Frederik, die volgens familie-traditie Feddo zou moeten heten maar deze keer op z’n Fries Fedde was genoemd (voluit Fedde Jans, de zoon van Jan Feddes), staat ook geregistreerd als praamschipper / turfschipper. Hun werk bestond dus – zoals wij kunnen concluderen uit deze summiere gegevens – uit goederen (turf) vervoeren per praam (kleine of grotere platbodem) en deze ook aan de man brengen. Opa Feddo staat in 1927 naast schipper ook als brandstofhandelaar ingeschreven. Hij vervoerde aanvankelijk turf en later heeft hij zich meer gericht op de kolenhandel (achter zijn huis). Ook de schipper op het schilderij van Mackensen (volgens de titel Torfkähne) handelde in turf en vandaar dat ik mogelijk zo door dit schilderij werd getroffen.

Uit een overlijdensakte uit 1833 van de dochter van Fedde Jans Oldenburger (Hillechien, 6 dagen oud) is op te maken dat Fedde’s gezin in die tijd woonde op hun praamschip met de naam de ‘Jonge Jan’, liggende alhier (Winschoten) aan de Binnen Venne. In 1880 werd de Binnenvenne gedempt. De Buitenvenne bleef nog in functie als binnenhaven voor turfschippers en snikkevaarders. Het schip de Jonge Jan (of een opvolger) zal tot eind van de 19de eeuw als woning dienst hebben gedaan. We kunnen ons een platbodem (praam) met kajuit voorstellen.

Opa Feddo woonde met zijn gezin aan de Garst te Winschoten. Het was een eind-19de eeuws (?) ruim huis met paardenstal en erf.

De hoger gelegen Garst bestond uit een rug van keileem, vaak gebruikt als gemeenschappelijke dorpsweide of akker. De Garst als weg was één van de betere wegen waarover sinds vroeger eeuwen gereisd kon worden of waar mensen zich konden vestigen. Geleidelijk aan was over de Garst een handelsroute ontstaan tussen de Duitse stad Münster en de stad Groningen. Op het kaartje hieronder zien we boven het woord WINSCHOTEN de Trekvaart lopen. Mogelijk zelfs dat de familie Oldenburger oorspronkelijk vanuit de omgeving van Worpswede of vanuit de omgeving van de stad Oldenburg naar Nederland is getrokken om daar te proberen een beter bestaan op te bouwen. De afstand Oldenburg – Groningen is tenslotte maar 130 km. Maar wanneer dit dan is gebeurd is nog onduidelijk omdat we nog niet van alle voorgeslachtleden de bijpassende geboorteplaats hebben gevonden. Het moet aan het begin van de 18de eeuw geweest zijn of zelfs al eerder.

Winschoten in 1868. Kuyper Atlas. De Garst ligt aan de zuidwest kant van Winschoten, ten noorden van het Zuider Veen.

Bekend in onze familie is dat het praamschip van opa Feddo getrokken werd door een trekpaard langs een jaagpad. De paardenstal stond achter het huis en het paard zal naar nu duidelijk is op De Garst hebben gelopen. De Garst ligt op het kaartje boven het woord Zuider Veen, niet al te ver weg van de Trekvaart (Winschoterdiep, gegraven in 1637) van waaruit westwaarts naar Groningen en oostwaarts naar de Groningse en Drentse veengebieden gevaren kon worden.

Het is na deze vluchtige oriëntatie dus zonneklaar dat de voorvaderen van mijn man als turfschipper door het leven gingen en hoogstwaarschijnlijk uit de omgeving van Oldenburg (of verder oostwaarts Worpswede) afkomstig waren. Na de laatste turfschipper (Opa Feddo) ging zijn zoon (mijn schoonvader, weer een Frederik) naar de zeevaartschool om op de grote vaart de wereld te verkennen.

Affiche KPM 1910

Het turfschip van opa werd ingeruild voor een koopvaardijschip van de KPM en de provincie Groningen werd ingeruild voor de havens van Nederlands Indië, Singapore, Australië en Penang (Maleisië).

.

Leendert van Haastert en Arnold Verbuys, kunstschilders in ons voorgeslacht

(218) Sinds het opstellen van Bericht 215 ‘Heemstede Familiegrond’ (10 oktober 2020) realiseerden wij ons dat onze (bet)betovergrootvader Willem Frederik Amse het ‘bloemschilderen’ beheerste – zie de twee vorige berichten over bloemschilderen en W.F. Amse’s Kamerbehang-Affaire. Wij waren altijd al trots op onze familierelatie met de gebroeders Maris en op de in ons bezit zijnde natuurdrukken van Jacob Maris, die ons via mijn grootmoeder Carolina Sophia Ebbers-Vogelesang waren overgeleverd, maar nadat ik twee berichten eerder de vraag gesteld had hoe dat bloemschilderen zich nu verhield tot de Kamerbehangerszaak van W.F. Amse, wees Juliet me erop dat er nog een andere ‘behangsel’schilder in onze familie was geweest, zij het in een andere tak en wat langer geleden. In de 17de eeuw komen we in onze stamboom aan de Vogelesangkant nog twee schilders tegen: kunstschilder Leendert van Haastert en de Dordtse kunst- en behangselschilder Arnold Verbuys, welke laatste de schoonzoon van de eerste was. Beiden zijn in hun tijd gewaardeerde kunstenaars geweest en daarom in dit bericht wat meer gegevens over hen en enige schilderijen toegevoegd. De laatste afbeelding betreft een behangsel.

Naar Leendert van Haestar (Haastert). Gravure door Jonas Suyderhoef. Portret Prins Willem III (Willem Hendrik van Oranje), 1650-1702, ca. 1672.. Coll. Rijksmuseum

Leendert Maertensz. van HAASTERT / HAESTRECHT / HAASTER / HAESTAR (ook onder de naam N. van Haeften en Jacob Hogers aangetroffen), geboren ca. 1604; ondertrouw ‘s-Gravenhage 16-5-1638; overleden 2 okt. 1675 en begraven in de Kloosterkerk te ’s-Gravenhage. Kunstschilder (portretten en religieuze voorstellingen) en sinds 1641 lid van het Haagse schildersgilde (o.m. Aanbidding der Koningen, 1640; De woede van Aharverus, coll. Bredius, z.d.; portret van Willem III, 1672). Eigenaar van verschillende huizen in Den Haag, hetgeen een welgesteld man doet vermoeden. Echtgenote: Lucia PENEELS / PANEEL. Kinderen: 1. Angniesia; 2. Guillaume / Willem (goudsmid); 3. Maerten (goudsmid); 4. Swaentje, geb. Den Haag, 1657 x Arnold Verbuys (kunstschilder).

Literatuur:

B. J. A. Renckens. Leendert Martensz. van Haestar. Oud-Holland 65 (1950), p. 199-203.

Edwin Buijsen. Haagse Schulders in de Gouden eeuw. Zwolle (Waanders), 1998.

Leendert van Haestar. De aanbidding der Koningen (Matteus 2:11).1640. Gesign. “L. VHaestar fecit 1640“. Coll. Kunsthandel Jean Moust, Brugge.
Leendert Maertensz. van Haestar. Haman smeekt Ester om zijn leven (O.T. Ester 7:7-9)
Gesigneerd Van Haestar. Ongedateerd (Hampel Fine Art Auctions Munich)
Jacob Hogers (toegeschreven). Eerder Leendert Haestar, De Verzoening van Jacob en Esau, 1655., gesigneerd (coll. Rijksmuseum)

Arnold(us) VERBUYS / VERBIUS, geb. Dordrecht 10-07-1651; ondertrouw Dordrecht 10-3-1680; overl. ’s-Gravenhage (Delft?) na 1717 (1729?). Kunstschilder, behangselschilder en meester van het St-Lucasgilde te Antwerpen tussen 18 September 1673 and 18 September 1674 (bron: Rombouts en Van Lerius, 1872; 1961). Verder werkzaam in Dordrecht 1673-1680, Rotterdam / Den Haag 1680-1686, Leeuwarden 1686-1688 (gewerkt aan het Friese Hof), Rotterdam 1690, Middelburg 1695 en Den Haag 1706-1717.
Echtgenote: Swaentje / Swania VAN HAASTERT / HAESTAR, geb. ’s-Gravenhage, 10-03-1657. Kinderen: volgens Van der Aa, 1876 drie dochters en een zoon: 1. Hendrina; 2. Johannes

In het derde deel van zijn Levensbeschrijvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen wijdt Jacob Campo Weyerman tot twee keer toe een stuk aan de Dordtse schilder Arnold Verbuys (ca. 1645-ca. 1715). In het eerste stuk noemt hij de schilder in navolging van Houbraken ‘Verbius’. Uit het tweede stuk onder de kop ‘Arnold Verbuys’ blijkt dat Campo Weyerman de schilder persoonlijk heeft gekend. Hij stelt onder meer dat Verbuys geruime tijd werkte voor de Middelburgse burgemeester Alexander de Muinq ‘in wiens huys hy onder andere konsttafereelen [in?] een Kamer penceelde’. Onderzoek naar vermeldingen van zijn werk in archivalia en veilingcatalogi levert opvallend veel mythologische scènes op waarin naakte vrouwen de hoofdrol spelen (zie de Provenance Index van The Getty Research Institute, Los Angeles, USA op www.getty.edu/research). 

Lit. 1) Ph. Rombouts en Th. van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde […] 1453-1629, Antwerpen 1872 / 1961; 2) G.H. Veth, ‘Aantekeningen omtrent enige Dordrechtsche schilders’ in: Oud-Holland 12 (1894), pp. 107-122; 113-122; 3) Katie Heyning. ‘Een buitenplaats als liefdesnest?’ in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, jrg. 33 (2010), pp. 25-27; 4) A.J. van der AA, Biografisch Woordenboek: VERBIUS (Arnoldus), in 1646 te Dordrecht geboren en in 1704 in Friesland gestorven. Van der AA schrijft verder: ‘Hij schilderde portretten aan het Friese Hof en ook historien en tooneelen uit kroegen en bordelen’. In tegenstelling tot Van der Aa geeft ECARTICO 1651 als geboortejaar en na 1717 als jaar van overlijden. 5) Martin van den Broeke. Rond een tekening van de buitenplaats Niet altijd Zomer bij Middelburg. Nehalennia 207 (voorjaar 2020).

Arnoldus Verbuys, Portret van J.W. Sandra (1661-1712, Koopman-Reder-Kunstverzamelaar-Burgemeester van Middelburg. Eigenaar van de buitenplaats ‘Niet Altijd Winter’, 1692, Trouwzaal Stadhuis Middelburg (collectie KZGW, foto: Ivo Wennekes)
Arnoldus Verbuys. Portret van Anna Catharina Stipel (1662-1696), derde vrouw van J.W. Sandra. 1692, Trouwzaal Stadhuis Middelburg (collectie KZGW, foto: Ivo Wenneke)
Arnoldus Verbuys. Portrait of ‘A Lady and a Gentleman’, Three-Quarter Length, With A Negro Servant Beyond (in 2004 op de markt geweest)
Arnoldus Verbuys. Lady with garlands, a putto and Cupid, or Love’s
Offering (1994 / 1995 Sotheby’s)
Arnoldus Verbuys. Die Glücksspielen. Keulen (in 2004 op de markt)
Arnoldus Verbuys (toegeschreven), Paso de los Egípceos por el Mar Rojo

Artprice.com noemt nog meer schilderijen: Patient with maid in attendance, Ver. Koninkrijk, 2019.

WIE WEET MEER OVER DEZE KUNSTSCHILDERS TE VERTELLEN. OOK ZIJN WE GEINTERESSEERD IN MEER SCHILDERIJEN, PORTRETTEN ETC.