Categoriearchief: Kastelen

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

‘Getekend, de natuur’. Tentoonstelling over de relatie tussen mens en natuur.

GETEKEND, DE NATUUR.

In het Centraal Museum Utrecht is een tentoonstelling te zien  (t/m 29 maart 2026) over de relatie tussen mens en natuur, aan de hand van de particuliere collectie Munnicks van Cleeff. Deze bestaat uit ongeveer 1.500 landschapstekeningen en -prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarvan zo’n honderd werken in de tentoonstelling te zien zijn. De collectie bevat gedetailleerde afbeeldingen van de provincie Utrecht en vormt een waardevol document voor de regionale geschiedenis.

Dirk Verrijk. gezicht op de Biltstraat buiten Utrecht. 18de eeuw. Part. Collectie Munnicks van Cleeff

Zo zijn er prenten te zien die bekende plekken als de Biltstraat in Utrecht afbeelden (van Dirk Verrijk), al zijn ze niet meer te herkennen: waar in de zeventiende eeuw nog akkers waren, is het nu volgebouwd. Naast tekeningen en prenten uit de Atlas zijn ook modernere tekeningen en prenten te zien, o.a. van onze voorvader Willem Maris (1844-1910, bekend van zijn koeien-schilderingen natuurlijk) en van de bekende Utrechter Peter Vos (1935-2010). Hier wordt een tekening van Peter Vos uit ons eigen bezit afgebeeld, die veel overeenkomst vertoont met een tekening van hem op de tentoonstelling.

Peter Vos, 1973. Part. Coll. Foto Carla Oldenburger

Opvallend voor mij is dat het onderwerp van deze tentoonstelling wordt gedefinieerd als “de relatie tussen mens en natuur, een levende geschiedenis”,  terwijl mijn leermeester prof. Frans Verdoorn het begrip ‘biohistorie’ altijd uiteenzette met de woorden “relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis”. Het verschil is dat het begrip natuur veel omvattender is dan alleen plant en dier. De beelden in de tentoonstelling zullen dit hopelijk laten zien.

Tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh

Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto

In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het  heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de  tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.

Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van  ‘Mooi Noord-Holland’.  We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden  is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.

Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.

📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis

Kasteel Asten, erfgoed en romantiek

Kasteel Asten. Andries Schoemaker, ca. 1732. Naar een gravure van H. Cause. Coll. KU Brabant
Dr. Calogero Dell’Aira beschreef onlangs op Linkedin “Kasteel Asten als een plaats van romantiek, een plek van geschiedenis en bekend vanwege de wrede heksenprocessen tijdens het bewind van kasteelheer Bernard van Merode in de zestiende eeuw. Dit kasteelcomplex wordt bewoond door een aantal huishoudens en beheerd door een onafhankelijke stichting. Een prachtig voorbeeld van hoe romantiek en erfgoed mooi samengaan en uitstekend in stand worden gehouden op een wijze die meer navolging verdient.”

Deze korte beschrijving sluit geheel aan op de detaillistische beschrijving in de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (deel 4, Rotterdam, 2000):

“Het kasteel van Asten, dat vanaf de zestiende eeuw werd gebouwd op de plaats van een versterkt huis uit de eerste helft van de vijftiende eeuw, kent een lange bouwgeschiedenis, waarbij het niet alleen steeds verder werd verfraaid en uitgebreid, maar ook tot twee maal toe tot ruïne verviel. Oorspronkelijk was het kasteel de zetel van de heren van Asten. De eerste periode van verval brak aan, nadat de laatste bewoner het gebouw in 1892 verlaten had. In 1935 werd begonnen met een restauratieplan voor het huis, gemaakt door architect L. de Vries uit Helmond. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, nadat de grote vleugel weer geheel herbouwd was, werd het kasteel in puin geschoten door de Duitsers, waarna opnieuw een periode van verval aanbrak.
Over de tuingeschiedenis van Asten is weinig bekend. Het kasteel lag binnen een dubbele omgrachting en had rond 1760 een ruime voorhof met koetshuis, paardenstal, schuur, bakhuis, een boerenhoeve en een ‘hof’ met een boomgaard omgeven door een beukenhaag. Via een laan, beplant met eiken, naderde men een poortgebouw dat toegang gaf tot de voorhof. In 1811 was de situatie nog ongeveer hetzelfde. Wind- en watermolens, hooi-, akker- en weilanden, beuken- en dennenbos behoorden bij het bezit. De bossen waren waarschijnlijk eerder jacht- en hakhoutbossen dan parkbossen, aangezien de oude omgrachting tot op heden bewaard is gebleven, hetgeen er op duidt dat er nooit een ingrijpende verandering in landschapsstijl heeft plaatsgevonden. In de omgeving is de oude landgoedstructuur met cultuurgronden, doorsneden door enkele oude lanen en een beekdal nog goed te herkennen. Op de voorhof staat nog altijd het poortgebouw met in de vleugels twee boerderijen. In 1998 is gestart met de restauratie van de kasteelruïne, dat wil zeggen dat men consolideren hoog in het vaandel had staan en niet, zoals eerder het plan was, met nieuwe materialen een reconstructie probeert te maken van het oude kasteel.
Behalve voor het culturele aspect, is in deze benadering ook een grote rol weggelegd voor de natuur. Enerzijds is er respect voor de natuur als kracht die het verval mede heeft veroorzaakt. Anderzijds zijn het oude gebouw en de jonge beplanting, die er onbedoeld tegenaan is gegroeid, een wonderlijke symbiose aangegaan, die men niet wil verstoren. Zo wordt een deel van de ruïne omstrengeld door een reusachtige klimop, die het geheel de zo typerende romantische aanblik geeft en in het restauratieplan zodanig begeleid wordt, dat gebouw en plant zoveel mogelijk intact blijven. Ook aan andere klimplanten die zich spontaan tegen de muur hebben gevestigd, zoals een bruidssluier, wordt de nodige aandacht besteed. De oostvleugel, met restanten uit de vijftiende en zestiende eeuw, is met opzet bedekt met grasplaggen, waaruit eerst grassen en later ook andere wilde planten zullen groeien, die de contouren van de ruïne verzachten en de schilderachtige aanblik nog zullen versterken. In de toekomst hoopt men in de directe omgeving van het kasteel met minimale aanplant het idyllische kader te versterken. Dat staat geschreven in de Gids van 2000 en is wonderwel gelukt kunnen we nu in 2025 constateren.
De restauratie van de ruïne van kasteel Asten is een van de voorbeeldprojecten van consoliderende restauratie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en mag baanbrekend genoemd worden omdat ze afrekent met de schoolse restauratie van historische gebouwen en de bijbehorende trend van reconstructie van stijve, zogenaamde historische tuintjes.”

Landgoed Baest 800 jaar

Landgoed Baest in de Gemeente Oirschot bestaat 800 jaar. Het wordt gerekend tot een van de mooiste en oudste landgoederen van Brabant. Om landschap Baest ook voor de toekomst te behouden, hebben de provincie, gemeente, waterschap en betrokken organisaties hun samenwerking rond landgoed Baest bevestigd, zodat ook de komende 800 jaar generaties kunnen genieten van al het moois dat Baest te bieden heeft.

Foto Het Klaverblad, gemeente Vught

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, (Rotterdam, 2000, deel 4 Brabant, Zeeland en Limburg) is over Baest te lezen:

“Landgoed Baest, dat in het dal van de Grote Beerze ligt, heeft een geschiedenis die in ieder geval teruggaat tot aan het begin van de dertiende eeuw. In stukken uit 1225 wordt het bos van Baest vermeld als een bezit van de abdij van Berne. Samen met een aantal hoeves, de watermolen op de Kleine Beerze en de windmolen van Baest komt het in de loop van de veertiende eeuw in bezit van de abdij Tongerlo. Vanaf die tijd wordt het gebied langzaam in ontginning gebracht. Het huis Baest wordt in de zestiende eeuw door Maarten van Rossum geplunderd en uitgebrand, waarna het in 1548 wordt herbouwd. Korte tijd later, in 1560, wordt Baest aangewezen voor het persoonlijk onderhoud van de bisschop van het nieuw gestichte bisdom ‘s-Hertogenbosch en zal het vermoedelijk als uithof en buitenplaats voor deze bisschop zijn gaan dienen.

In 1648 werd het bisdom opgeheven en kwamen de onroerende goederen van deze kerkprovincie voor korte tijd in eigendom van de Staten-Generaal. Door verkoop werd Baest in 1659 particulier eigendom. Twee jaar later werd een kaart gemaakt waarop het omgrachte huis als centrum van het landgoed is afgebeeld. Een rechte laan, onder een hoek op het huis gericht, zorgde voor de ontsluiting. De gracht stond in directe verbinding met het riviertje de Grote Beerze. Vanuit de twee tot het goed behorende boerderijen zal het complex van akkers op de iets hogere gronden ten zuidwesten van het huis zijn bewerkt. Het noordelijk gedeelte van het bezit is aangeduid als beemden, natte wei- of hooilanden. De omringende heidevelden waren in het traditionele akkerbouwsysteem ongetwijfeld betrokken als terrein voor het weiden van schapen en het leveren van plaggen voor de potstal. Opgaande bomen kwamen alleen langs de Grote Beerze voor, mogelijk in ontginning van het gebied in de daaropvolgende eeuw voortgezet, aangezien het geheel aan het eind van de achttiende eeuw bestond uit een klein, omgracht herenhuis temidden van een uitgestrekt lanenstelsel met bossen en heidevelden.

Bij een verkoop in 1772 werden de ‘Baaster Goederen’ omschreven als  ‘…gelegen onder den Dorpe van Oostelbeers, bestaande in de Huysingen, Hoeven en Landerijen, te weeten De Heere Huysinge genaamd den Spijcker, met zijn Hoven en Gronden van Erven daar bij en aan geleegen onder den Dorpe van Oostelbeers met de Twee Considerablee groote daarbij gehorende Hoeven Lands, van Ouds genaamd de Baaster of Bisschops Hoeven, zijnde Leen- en Tiend-vrij, met de Huysingen, Stallingen, Schuuren, Schoppen kar en Backhuysen, verdere Getimertens ap- en dependentien van dien, mitsgaders alle de daar bij behorende acker, Teul, Hooij, wey, Groes, beemden Heylanden en gronden van Erven, als meede de Beverdoncken op de Logt waarin Moer geleegen is; Voorts met zijn opgaande Boomen en Houtgewassen, Plantagien en verdere toebehoren, regt en geregtigheeden van dien …’.

In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het landgoed door aankopen uitgebreid tot in totaal meer dan 370 hectare. Zoals gebruikelijk bij een landgoed van een dergelijke omvang behoorden diverse boerderijen in die tijd tot het bezit, van waaruit de landbouwgronden bewerkt werden. Deze boerderijen droegen de namen ‘Beukehoef’, ‘Eikehoef’, ‘Lindehoef’ en ‘Mastehoef’. Een goede indruk van het landgoed geeft de in 1818 gemaakte kaart van ‘Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, boschen en landeryen’ (hier afgebeeld). Het landgoed strekt zich daarop aan beide zijden van de Grote Beerze uit en omvat diverse complexen van landbouwgronden en bosgebieden. De bossen zijn ieder apart volgens een rechtlijnig patroon van lanen ingedeeld, maar vertonen, evenals de rechte ontsluitingslanen over het landgoed, niet de onderlinge samenhang die bijvoorbeeld in de Frans classicistische tuinstijl werd toegepast. Wel zijn enkele kenmerkende tuinelementen te onderscheiden, zoals een zogenaamde ‘patte d’oie’, een ganzenvoetstructuur, waarbij drie lanen in een punt bij elkaar komen. Deze ganzenvoet is hersteld.

Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, bosschen en landerijen, 1818. Coll. Huis Baest Middelbeers

Een klein deel van het terrein vertoont in 1818 een patroon van slingerlanen, passend in de vroege landschapsstijl. Het landhuis zelf werd in 1854 ingrijpend verbouwd en vergroot en kreeg daarbij zijn huidige omvang en aanzien. Het wordt omgeven door een boerderij, een koetshuis, een klein poortgebouw en een bakhuis, die evenals het landhuis alle wit geschilderde muren bezitten. Gedurende de tweede helft van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werden nog meer omliggende heidegebieden tot ontginning gebracht. De kern van de aanleg veranderde echter niet wezenlijk, zodat er ook nu nog vele achttiende- en negentiende- eeuwse elementen in het terrein zijn terug te vinden. Wel zorgde de aanleg van het Wilhelminakanaal, in het midden van de twintigste eeuw, voor een doorsnijding van het gebied. Aan het eind van de jaren tachtig van detwintigste eeuw werden de tuinen direct bij het huis gerenoveerd en uitgebreid in een formele stijl. Op het terrein bevindt zich nog een negentiende-eeuws tuinhuis en voor het landhuis staat een tuinbeeld van Venus, gemaakt door de beeldhouwer J.B. Xavery in 1725.

In het noordoosten van landgoed Baest ligt verscholen in het bos het processiepark Heilige Eik. De Mariakapel dateert uit 1853 en past goed in de sfeer van een park in landschapsstijl zoals dat in de negentiende eeuw op Baest tot stand kwam. Ook de naast de kapel gelegen slingerende waterpartij past in dit beeld. Achter de Mariakapel ligt nog een kunstgrotje en een kapelletje gewijd aan Sint Anthonius. Baest wordt beschermd als rijksmonument”.

Het bezoeken waard: Jardin du Plessis Sasnières en La Possonnière

In Bericht dd. 3 september beloofde ik nog wat aandacht te schenken aan enige bijzondere tuinen, waar we toevallig langs reden tijdens een vakantiereisje naar Frankrijk / Dept. Loir-et-Cher.  Het landschap is er heuvelachtig, uitgestrekt, leeg en rustig. Al toerend kom je overal de rivier Le Loir (nb. ik bedoel niet La Loire!)  tegen, waarlangs in de Middeleeuwen kleine dorpjes zijn gebouwd. De kastelen Chaumont, Chambord en Blois (alle aan La Loire) zijn bekende bezienswaardigheden met tuinen, die we al kenden.

Nu bezochten we Jardin du Plessis Sasnières in Sasnières en La Possonnière in Couture-sur-Loir.

Van de eerste tuin is een uitgebreide beschrijving te vinden op Internet. Op de plattegrond is duidelijk te zien dat de tuin is aangelegd rondom een grote vijver en langs een beek (La Fontaine de Sasnières). De tuin is vanaf 1975 vorm gegeven in landschapsstijl door Mme Rosamée Henrion, die vanaf 1960 op La Possonnière kwam wonen. Zij was een groot liefhebster van bomen en struiken, zodat de tuin ook wel als een landschappelijk arboretum is te beschouwen. Ten zuidoosten van de vijver ligt een formele tuin met berceau, die grenst aan een uitgebreide moestuin. Ten (zuid)westen van het huis loopt een lange rechte laan, de Magnolia-laan, onderdeel uitmakend van een schaduwrijk lanenstelsel. Het restaurant ten zuiden van het huis (in de voormalige stallen en oranjerie?) is ons zeer goed bevallen.

Plattegrond van Jardin du Plessis Sasnières, zoals ontvangen aan de desk bij binnenkomst. Foto Carla Oldenburger

Een tweede tuin die we bezochten was de tuin achter Chateau  de la Possonnière. Dit is het geboortehuis van de beroemde Franse dichter en humanist Pierre de Ronsard (*1524-1585)), le prince des poètes.

Plattegrond van Jardin Ronsard bij Manoir de la Possonnière, zoals ontvangen aan de desk bij binnenkomst. Foto Carla Oldenburger

Deze tuin is in 2004 in Renaissance-stijl aangelegd, om bezoekers te laten zien hoe de tuin er mogelijk in de tijd van Pierre de Ronsard zou hebben uitgezien. De ontwerper is de rozenkweker André Eve (*1932-2015), die hier ondermeer een rozentuin  (nr. 14) heeft gerealiseerd met meer dan twee honderd variëteiten rozen (oude en nieuwe soorten).

In het kasteel is een interessante tentoonstelling te bezichtigen over het leven van Pierre de Ronsard. Wist u dat Franse schoolkinderen nog steeds zijn gedichten leren: “Mignonne, allons voir si la rose…” (Darling, let’s go see if the rose…) en zijn odes gewijd aan Cassandre, Marie, Hélène?

Frederikshof: van moestuin naar siertuin en van siertuin naar Festivalterrein

De tuin Frederikshof bij Kasteel Keukenhof twintig jaar geleden.
Foto’s (2006) van Walther Schoonenberg van de tuin van Frederikshof (ontwerp Oldenburgers Binnenstad & Buitenleven, op de voormalige moestuin van het kasteel).
– een vroeg-17de eeuwse tuin beplant met vruchtbomen en Fritillaria’s;
– een 18de eeuwse tuin met gebogen paden en een bergje;
– een kassentuin met planten in potten langs de paden;
– een 20ste eeuwse border rond een gazon.
Een heerlijke tuin om in te verdwalen. En nu? Google Earth geeft een kale grasvlakte in gebruik als festivalterrein voor kleinere festiviteiten.
Jammer, wij worden er verdrietig van, alhoewel we begrijpen dat de stichting ook deze buitenplaats draaiende moet houden.

20ste eeuwse bloemenborders

De parkaanleg rond Huis Scherpenzeel van Hendrik van Lunteren

In aansluiting op het Bericht ‘Huis Scherpenzeel op Kadasterkaart 1826’volgt nu een nieuw Bericht over de aanleg van het park rond Huis Scherpenzeel. Deze aanleg is getuige een brief van Petrus Johannes van Naamen, heer van Scherpenzeel (1774-1854) aan zijn neef Johannes Sebastiaan van Naamen, ambachtsheer van de beide Eemnessen (1795-1848). ontworpen door Hendrik van Lunteren, al wordt zijn naam niet genoemd. Zijn zoon Samuel van Lunteren (1813-1877) reorganiseerde het werk van zijn vader later in 1859.

Hendrik van Lunteren. Mminiatuur op ivoor.
Coll. Centraal Museum Utrecht

De brief is gedateerd Amsterdam 27 januari 1832. Wat stond er in de brief?  Eerste alinea; neef J.S. van Naamen had overhaast moeten vertrekken omdat zijn zwager zwaar ziek was geworden. P.J. van Naamen vervolgt:” Ter gemoetkoming van deze onverwachte teleurstelling hopen wij het genoegen te hebben Ued met uw vrouw en kind des Zoomers eens te Scherpenzeel te zien, en het zal mij alsdan aangenaam zijn uwe gedachten te vernemen, omtrent de plaats hebbende verandering voor het Huis onder directie van Van Lunteren, welke zich echter tot het terrein, hetgeen gij kent, heeft moeten bepalen.”

De verandering van het terrein vond dus plaats in 1832 en het ontwerp dateerde misschien van een jaar eerder. Aangezien zoon Samuel geboren is 17 mei 1813 was hij in 1832 nog maar 19 jaar oud; het ontwerp moet dus op naam van zijn vader worden geschreven, alhoewel hij zijn vader mogelijk wel heeft geassisteerd.

Bron: gemeentearchief Nijkerk/Familiearchief Van Haersma de With.  nr. 3, in het bijzonder stukken betreffende de familie Van Naamen (zowel van de takken Van Eemnes als Van Scherpenzeel), benevens het gastenboek van de buitenplaats Zandhove bij Zwolle.

Met dank aan Joan Patijn, die deze brief tijdens een onderzoek tegenkwam.

Huis Adrichem in Beverwijk gelegen in de Wyker polder (1727)

Geometrische kaart van den Huyse Adrichem met eenige omliggende landerijen, opgemeten en gekaarteert in 1726 en aldus op kleinere schaal getekend in 1727 door B.Elshof. Achterzijde met bladwijzer.

CBE668FE-FF27-4531-8395-E8DE39384B84.jpegDetail van bovenstaande kaart van B. Elshof, 1727. Noorden boven

Deze kaart bevindt zich in Speciale Collecties WUR. Ik ken deze kaart al 45 jaar, maar het valt me nu pas op dat ik hem even uit het oog verloren was toen ik 11 ferbuari 2020 een Bericht opstelde op deze website over de kaart van Adrichem uit 1777 en me afvroeg of de tuinarchitect J.G. Michael op Adrichem had gewerkt. Op deze vraag wordt uitgebreid ingegaan, zoals in dat vorige Bericht valt te lezen.

Door deze kaart nu ook in dit onderzoekje te betrekken, kan duidelijk worden aangegeven hoe de ontwerper van de eerste landschappelijke aanleg op Adrichem te werk is gegaan. Deze kaart uit 1727 geeft duidelijk de uitgangspositie weer. Aan het einde van de lange oprijlaan zien we een ronde gracht waarbinnen het huis is gebouwd. Achter het huis loopt deze as nog even door tot hij eindigt in een kleiner symmetrisch bassin omsloten door gras. Aan de westkant van het huis liggen in 1727 een formele parterre en nuts-tuinen, waarschijnlijk moestuinen en een boomgaard. Het symmetrische bassin achter het huis is in 1777 in de breedte uitgerekt, zodat vanuit de uiterste einden de hele plaats overzien kan worden. Aan de oostzijde van de oprijlaan is een hele nieuwe landschappelijke ‘wandeling’ aangelegd op de plaats van akkers en weilanden in 1727.

Vandaag Kastelendag: My home is my castle

De Engelse zinsnede “My home is my castle” was ongeveer het eerste Engels wat ik leerde. Ik kreeg deze zin altijd thuis te horen, als ik ontevreden was en blij moest zijn met wat ik had. Dat voorgaande werkelijk de oorspronkelijke betekenis van deze woorden was is niet juist, maar ik heb het zinnetje altijd goed onthouden; de gevleugelde woorden zijn van een beroemde advocaat, Sir Edward Coke (1552-1634).

Kasteel Levendaal. Tekening van Louis Philip Serrurier, naar een tekening van Cornelis Pronk uit 1729. 

Vandaag (i.e. het Pinkster weekend) is het Kastelendag en denk ik aan het meest nabije kasteel dat dichtbij mijn ‘home’ heeft gestaan. Ik woon langs de Levendaalse weg en het gaat om Kasteel Laar of Kasteel Levendaal te Rhenen / Achterberg, dat heeft gestaan op de plaats van een tegenwoordige boerderij, op de overgang van de Levendaalse weg naar de Levendaalse laan,  ook herkenbaar aan de hele oude linde die daar al zo’n 600 jaar staat. Het kasteel zelf werd omstreeks 1820 afgebroken, maar de linde staat er nog, hoewel deze steeds meer uit elkaar begint te vallen. De Bomenstichting zorgt er goed en deskundig voor, maar hoe lang nog?

Zie ook een eerder bericht over deze linde en de familie Copijn.