Categoriearchief: 19de eeuw

De gardenesque stijl en de tuin van het Bartholomeï-Gasthuis

Plattegrond van Bartholomeï Gasthuis, gemeeten en geteekend 1863, door S.A. van Lunteren. Noorden beneden. Coll. HUA

Vlak na de Tweede Wereldoorlog verhuisde ik als kleuter van Amsterdam naar Utrecht. Ik kwam toen tegenover het Bartholomeïgasthuis (en de Geertekerk) te wonen. Mijn kamer keek uit over de Catharijnesingel en op het gasthuis. Iedere dag huppelde ik door de Smeestraat naar school en wuifde ik naar de bejaarden die achter de ramen genoten van de bedrijvigheid in de straat.

Toen besefte ik niet dat er ook nog een tuin achter het gasthuis was gelegen. Het gaat om een tuin die in 1863 werd ontworpen door de Utrechtse (tuin)architect Samuel A. van Lunteren (1813-1877).

Wat direct opvalt aan  het ontwerp is de indeling van de tuin in zeven lobvormige grasperken die gevormd worden door een min of meer gebogen padenstelsel en die zijn opgesierd met bloemrijke heesterpartijen. Via twee ingangen vanuit de achtergevel aan de zuidkant van het gebouw is de tuin te bereiken. Er bevinden zich in de tuin verscheidene welputten en regenbakken (tegen buitengevels). De tuin is duidelijk bedoeld als binnentuin, om een klein wandelingetje in te maken en een frisse neus te halen. De tuin biedt geen uitzichten naar buiten. De kleurrijke heesterpartijtjes langs de paden nodigen uit tot kleine rondwandelingetjes. Van Lunteren heeft in zijn ontwerp  geen zitbanken getekend. Misschien vond hij de plaats aanwijzen van bankjes niet zijn werk?.  Een tuin verdeeld in dergelijke perken met fleurige bloem- en heesterpartijen noemen we een tuinaanleg in gardeneske (gardenesque) stijl.

De term en het verschijnsel gardenesque tuinstijl komen uit Engeland en werden geïntroduceerd door John Loudon (1832). Hij gebruikte de termen ‘picturesque’ en ‘gardenesque’ tuinen. Omdat hij bang was dat het principe van ‘picturesque planting’ (natuurlijk lijkende beplanting) niet voldoende herkend zou worden als kunst, wilde hij die herkenning als kunst wel bereiken met de ‘gardenesque planting’.  Bij gardenesque beplantingen ligt de nadruk meer op uitheemse planten  (denk aan rododendrons) en op gekweekte planten en ook op de manier van aanplant. Hier gaat het om een landschapsstijl verrijkt met tuinplanten, vaak in geometrische bedden en niet in lossere natuurlijke vormen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd deze manier van beplanten ook  in Nederland veelvuldig toegepast, vooral in de nabijheid van het huis, om van de schoonheid van de bloemen met volle teugen  te kunnen genieten. Dat was dus het geval in de tuin van het Bartholomeus gasthuis, genieten van uitheemse en gekweekte kleurige planten, dichtbij  de wandelaar, langs de paden, die zelf wel in een natuurlijk patroon (gebogen paden) waren aangelegd.

Jan de Beijer, 1744. Bartholomeus Gasthuis. Rechts gezicht op de stadsmuur en de Geertekerk

J. H. Verheijen. Stadswal langs de westgevel van het Bartholomeï Gasthuis tot de Geertekerk. Ca. 1850 (want muur al geslecht)

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

Dit is Bericht (weblog) nr. 500 van Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven. Altijd de moeite waard om te lezen.

(overgenomen van Historisch Museum De Scheper, Eibergen)

 

C.H.Hein. (1815-1879). De Wildeborch Lochem. Tekening tweede helft 19de eeuw? Coll. Museum De Scheper Eibergen

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

De familie Staring heeft een stevig stempel gedrukt op de geschiedenis van de streek met invloed tot over de landsgrenzen. Nog tot en met 19 september 2026 is er in museum de Scheper te Eibergen een expositie over vier leden van deze familie: Anthonie de bekende dichter, zijn zoons Willem en Winand en diens zoon Johan Alexander. 

Anthonie Christiaan Winand (1767–1840) was een veelzijdig man. Hij woonde op de Wildenborch en is vooral bekend om zijn gedichten. Toen zijn vader Damiaan overleed, stopte hij zo’n twintig jaar met dichten en richtte zich volledig op de inrichting, het beheer en de uitbreiding van het landgoed de Wildenborch. Anthonie bekommerde zich om de waterproblemen in het stroomgebied van de Berkel en het onderwijs in de omgeving. Hij was ook lokaal en provinciaal politicus. Naar Anthonie werd het Staringinstituut genoemd, centrum voor de Achterhoekse cultuur en taal.

Winand Carel Hugo (1808-1877) was naast rentmeester vooral bodemkundige en de eerste geoloog van Nederland. Zijn proefschrift “De bodem van Nederland” werd het standaardwerk voor Nederlandse geologen. Hij maakte ook de eerste geologische kaart van Nederland, deed uitgebreid geologisch onderzoek en schreef daar veel over. Naar hem zijn Het Staring Centrum in Wageningen, de Staringgroeve in Losser en de Staringputjes in Winterswijk genoemd.

Willem Constantijn Arnold (1812-1895) was militair en de man achter de oprichting van het Waterschap van de Berkel. Hij tekende gedetailleerde kaarten van de Berkel, van Billerbeck tot de monding in de IJssel bij Zutphen.

Johan Alexander (1850-1932) was de eerste secretaris van Waterschap de Berkel en bleef dat zo’n 45 jaar lang. Ook hij was beroepsmatig en maatschappelijk zeer actief.

Zie ook vorige weblog 1 augustus 2026.

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

De Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, 1996; Tengbergen, A. & E.J. Tengbergen, 1988 (3e druk). De acht kastelen van Vorden. De Walburg Pers, Zutphen

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Figuratief kaartje  uit 1828, getekend door W. Staring (hoogstwaarschijnlijk Winand C.H.)

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

Terugblik op de buitenplaats De Lathmer in Wilp

Ik las onlangs over zorglandgoed (een voormalige buitenplaats) De Lathmer in Wilp (Zorginstelling Zozijn). Op de website vond ik niets over de historie van deze buitenplaats. Misschien dat  een korte groene historie van De Lathmer daarom hier wel op zijn plaats is.

Voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur‘ schreef ik in 1996 het volgende:

Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is te zien dat De Lathmer toentertijd te bereiken was middels een lange oprijlaan vanuit de richting van Voorst. Ten westen van het kasteelterrein lag een driehoekig perceel met sterrebossen. Ten oosten en ten westen van het huis lagen moestuinen en achter het huis, aan de overzijde van de gracht, was een groot rechthoekig weiland. Ook op De Lathmer had de aanleg in 1783 dus nog een regelmatige vormgeving, zoals op zovele andere buitenplaatsen, terwijl de landschapsstijl zijn intrede toch al had gedaan. Het terrein ten oosten van het huis was op dat moment waarschijnlijk nog niet ontgonnen. In dit gedeelte zijn op de kaart van landmeter De Man (1812) slingerende paden afgebeeld. Dit deel is dus tussen 1783 en 1812 in landschappelijke stijl uitgevoerd, waarbij een vierkant bouwland was uitgespaard. Vervolgens werd ook de verdere terreinaanleg in landschapsstijl veranderd, zoals blijkt uit de topografische kaart die verkend werd in 1865 (herzien in 1908). Het huis is dan omgeven door een min of meer slingerend grachtenstelsel. Achter het huis lagen moestuinen en een vijver en ten oosten van het huis is een klein landschappelijk park afgebeeld. In 1913 werd er een nieuw huis gebouwd door het architecten-bureau van de gebroeders Van Nieukerken.

Ontwerp tuinen en rosarium De Lathmer, L.A. Springer, 1913

De tuinen daaromheen werden ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer, die vaker met het bureau van Van Nieukerken samenwerkte. De tuinen liggen op het huisterrein, dat door een rechthoekig grachtenstelsel is omgeven. Ten oosten van het huis ontwierp Springer vier moderne geometrische bloementuinen en ten zuidwesten van het huis een rosarium. Uit de kasboeken van de firma Copijn te Groenekan blijkt dat zij in 1917 en 1918 bomen en heesters voor De Lathmer leverden. Hoewel de invulling van de verschillende tuinen is veranderd, is de structuur van de oude aanleg nog aanwezig. Het is ook bekend dat in 1954 het Tuinarchitectenbureau Buys-Meyers-Warnau  op De Lathmer heeft gewerkt.

Rapport van H.R. van Diessen, 1980; H. v.d. Wijck, 1983, p. 125; Kasboeken Copijn, 1917 en 1918 (levering aan de heer Crommelin).

L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Berthe Hoola van Nooten, geboren 1817 in Utrecht in een bijgebouw van de Latijnse school

(ged. overgenomen van tekst van het Universiteitsmuseum)

In 2024 kreeg ik op mijn verjaardag van mijn jongste dochter en haar man een bijzonder boek cadeau, getiteld Berthe Hoola van Nooten 1817-1892, en geschreven door David Apollonius Coppoolse. Het boek bevat een biografie van Berthe, gecombineerd met een onderzoek over de betekenis van haar werk. Zij wisten niet dat ik het oorspronkelijke boekwerk Fleurs, fruits et feuillages choisis : de la flore et de la pomone de l’île de Java (1863) van Berthe wel kende, omdat ik dit als conservator van de Bibliotheek WUR van 1980 tot 2000 heb beheerd. Maar over het leven van Berthe wist ik niets, ik had alleen het 19de eeuwse boek en de latere edities (ook aanwezig in de Bibliotheek WUR) wat doorgeglansd en geconstateerd dat de tekeningen (ook van Berthe) veel deden denken aan die van Maria Sibylla Merian, alleen 150 jaar later gedateerd.

Dit Pinksterweekend (2026) is het werk van Hoola van Nooten opnieuw tot leven gebracht in de Botanische Biografie van Utrecht, een tentoonstelling in de Oude Hortus van de Universiteit Utrecht. Gezamenlijk gaven lokale kunstenaars een eigentijdse interpretatie aan het originele werk, en deze tekeningen zijn nu tentoongesteld.

Utrecht is de eerste provicie die een bijdrage leverde aan de De Botanische Biografie van Nederland. Uiteindelijk zullen alle 12 biografieën een online en offline expositie vormen, waarin lokale kunstenaars het verhaal van een voormalige botanische kunstenaar vertellen.

Het nieuwe boek (uit 2024) begint met een korte biografie van Berthe Hoola van Nooten en wat blijkt, zij is geboren in Utrecht (12 october 1817) en wel in een van de bijgebouwen van de Latijnse School aan de Kromme Nieuwe Gracht, de voorloper van mijn gymnasium. Zie voor een herinnering aan het Utrechts Stedelijk Gymnasium het Bericht Terugblik op mijn klassieke opleiding. Ik begrijp nu ook waarom men spreekt van de Botanische Biografie van Utrecht, echter de tekeningen op zichzelf hebben niets met Utrecht te maken. Het is een mooi gebaar om de schitterende botanische tekeningen van Berthe Hoola van Nooten op deze manier aan Utrecht te koppelen, hoewel een koppeling aan Wageningen Universiteit en Research misschien logischer zou zijn geweest.

Amsterdam Bijna Gesloopt

Even reclame maken voor mijn schoonzoon. Walther Schoonenberg, secretaris van de Vereniging Vrienden Amsterdamse Binnenstad,  schreef een rijk geïllustreerd boek, titel ‘Amsterdam Bijna Gesloopt‘.

Zie hier: Inkijkexemplaar

(Overgenomen van de website van het Grachtenmuseum Amsterdam en bovenmate interessant voor monumentenliefhebbers, #Rijksdienst Cultureel Erfgoed, #Mooi Noord-Holland, leden van #Heemschut, #Hendrick de Keyser, en bovenal #GEMEENTERAAD  AMSΤΕRDAM):

“Waarom stonden de Amsterdamse grachten ooit op het punt om gesloopt te worden? Het boek en de tentoonstelling ‘Amsterdam bijna gesloopt‘ nemen je mee door verschillende plannen voor de stad, nooit eerder getoonde archieffoto’s en je leert hoe Amsterdammers hun stad redden.

Moderne stad van glas en staal

Stel je voor: de grachtenpanden, smalle straatjes en pleinen van de Amsterdamse binnenstad vervangen door een moderne stad van glas en staal. Dit scenario leek in de 20ste eeuw écht te gaan gebeuren. En niet zomaar, want de binnenstad lag er toen vervallen bij. Het plan was er om oude buurten te vervangen door moderne wijken met brede autowegen en grote kantoorgebouwen. Het Grachtenmuseum op de Herengracht 386 was er bijvoorbeeld niet geweest als alle plannen voor verkeersdoorbraken door waren gegaan.

Actievoeren

Gelukkig liep het anders. Amsterdammers kwamen in actie; buurtbewoners, kunstenaars, monumentenliefhebbers vochten in de loop van de twintigste eeuw voor het behoud van hun stad. De tentoonstelling en bijbehorend boek nemen je mee in het verhaal van dreigende sloop, felle protesten en uiteindelijk een volledig herstel. Ontdek hoe Amsterdammers hun stad redden en hoe het komt dat wij daar nu nog elke dag van kunnen genieten. Daarnaast zijn er nooit eerder getoonde archieffoto’s, bijzondere tekeningen, plattegronden en actieposters te zien.

Verdiepend verhaal

De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. Het gelijknamige boek, geschreven door Walther Schoonenberg MA, verscheen 26 februari 2026 bij Uitgeverij Prometheus (Amsterdam) en vormt een uitbreiding op de verhalen uit de tentoonstelling.”

Vogels biohistorisch beschouwd (in relatie tot de tentoonstelling ‘Birds’ in het Mauritshuis)

Een paar Berichten geleden (zie website oldenburgers.nl) schreef ik n.a.v. de tentoonstelling ‘Metamorfosen’ in het Rijksmuseum, over bloemen, planten, bomen, tuinen en dieren in het werk van Ovidius. Dat was mijn specifieke benadering van het onderwerp.

Een week later werd de tentoonstelling ‘Vogels’ (‘Birds’) in het Mauritshuis geopend. Het onderwerp van deze tentoonstelling is de relatie tussen mens en vogels, een typisch biohistorisch onderwerp, want volgens de uitvinder van het biologisch vakgebied ‘biohistorie’, Prof. Frans Verdoorn (1906-1984), is de betekenis van het woord biohistorie: de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis.

Historicus  Simon Schama is gastconservator van de tentoonstelling en werkte voor deze tentoonstelling samen met kunsthistorica Adrienne Quarles van Ufford. Schama verkende al eerder de onderlinge verbondenheid tussen mens en natuur in zijn boeken Landscape and Memory (1995) en Foreign Bodies: Pandemics, Vaccines, and the Health of Nations (2023). Verdoorn en Schama hebben elkaar niet gekend en Schama zal zich geen biohistoricus noemen, maar ikzelf bekijk juist als biohistoricus en leerling van Verdoorn hier graag enkele voorbeelden van deze tentoonstelling.

Mijn eigen biohistorische kijk dus op dit onderwerp, geen recensie  op de tentoonstelling, maar een korte biohistorische blik op enkele wel en niet op de tentoonstelling aanwezige kunstvoorwerpen.

De tentoonstelling onderzoekt de relatie tussen mens en vogel door de eeuwen heen en is opgedeeld in zeven thema’s:
1) vogels als huisdier, 2) voedsel, 3) symbool van vrijheid, 4) schoonheid, 5) als symbool van liefde, 6) spiritualiteit en 7) hemelse boodschapper. Op het eerste gezicht mis ik de kijk op vogels als deel van de levende natuur. We zien voorwerpen op de tentoonstelling van de antieke Egyptische en Griekse oudheid, via Leonardo da Vinci  (tekening vogelvleugel, 1512) en Rembrandt en Fabritius tot moderne en hedendaagse kunst.
Net als in het Bericht over Ovidius’ Metamorphosen zal ik als biohistoricus in deze beschouwing zelf ook enige voorbeelden aandragen, die de betekenis van vogels nader belichten. We kennen allen de zwaan als symbool voor de eeuwige liefde, de duif als symbool voor vrede, de adelaar als symbool voor kracht en de uil als symbool voor wijsheid. Waar komen deze symbolen vandaan?
Voor mij is Ovidius’ verhaal over de verleiding van Leda, koningin van Sparta, door de Griekse god Zeus, vermomd als een zwaan, het startpunt. Het beeld van Michelangelo, in gravure gebracht door Cornelis Bos, is voor de tentoonstelling ook vergroot tot muurdecoratie. Men denkt dat zwanen monogaam leven (dat is niet altijd het geval overigens), en dat is de reden dat ze al heel vroeg als symbool van eeuwige liefde werden gezien, maar hebben zwanen in de kunst altijd deze betekenis? In de biohistorie gaat het veel om vergelijken in eenzelfde tijdsperiode.  En als we dat doen dan zien we dat de ‘Bedreigde Zwaan’ in het werk van Jan Asselijn (ca. 1650) volgens de kunsthistorie een heel andere betekenis heeft. De zwaan staat dan voor de Nederlandse staat (of Johan de Witt), die haar nest (Holland)  verdedigt. Ook wordt gedacht aan de eeuwige liefde tussen de raadpensionaris en Holland, en dan wordt het beeld van Ovidius weer duidelijk.
Cornelis Bos (gravure naar verdwenen schilderij van Michelangelo). Leda en de Zwaan. c. 1544 / 1545. Coll. Mauritshuis

 

In 1654 schilderde Carel Fabritius een puttertje (Carduelis carduelis), die aan een kettinkje gevangen zit op zijn voedselbak. Het vogeltje wordt al heel vroeg door Plinius de Oude (23 na Chr. – 79) in zijn boekwerk Naturalis historia (77 na Christus) beschreven als slim vogeltje dat zijn eigen waterbakje kan ophalen en zaden uit distels kan peuteren. Albertus Magnus citeert Plinius in zijn  werk Animalibus Libri XXVI (1250 – 1260). Deze beschrijvingen maakten dat het puttertje het symbool werd van vindingrijkheid en vernuft.

Fabritius laat door het kettinkje heel duidelijk zien dat de vogel gevangen zit en de 17de eeuwse aanschouwer van het schilderij zal dan ook direct aan de betekenis vrijheid en gevangenschap denken. Maar een geletterde  aanschouwer was zich in de nadagen van de Renaissance ook bewust van klassieke en christelijke waarden. Zij kenden de beschrijving van de putter uit Plinius’ werk en  hoewel de putter niet in de bijbel voorkomt, wordt hij toch door Christenen in die tijd gezien als vooraankondiging van het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon) omdat hij gemakkelijk zaadjes uit distel-bloemen weet op te pikken en de prikkende bladeren van deze plant doen denken aan de doornenkroon.

Carel Fabritius (1622-1654). Het puttertje of distelvink, 1654. Coll. Mauritshuis

Naast het schilderij van Fabritius, zijn er al eerder 16e eeuwse schilderijen met een putter of distelvink geschilderd, als vooraankondiging van het naderende lijden van Christus. Een daarvan is het beroemde schilderij in het Uffizi met het kindje Jezus, die een puttertje in de hand houdt, Madonna del cardellino, geschilderd door Raphael (1483-1520). Jammergenoeg niet op de tentoonstelling. Het stelt Maria voor en twee jongetjes, Jezus (l.) met een putter in zijn hand en Johannes de Doper (r.).

Raphael (1483-1520). Madonna del cardellino, 1505-1506. Coll. Uffizi

Als derde schilderij met een putter en als bewijs dat de putter toch echt een bijzondere betekenis had in de 16e eeuw, wil ik wijzen op een Madonna en kind met puttertje van Tisi Benvenuto, ook bekend als Garofalo (1476-1559). Het schilderij dateert uit ca. 1517, en is niet op de tentoonstelling in Den Haag aanwezig.

Als het om puttertjes gaat, zien we voornamelijk schilderijen van Vlaamse Primitieven en Italiaanse Renaissance schilders, die dit onderwerp behandelen. Waarschijnlijk omdat deze schilders op de hoogte waren van de beschrijvingen van Plinius d. O. en de monnik, theoloog en filosoof Albertus Magnus.

Garofalo (1476 -1559). Madonna met kind en puttertje. Ca. 1517. Galleria Borghese
Putters, zwanen, pauwen, uilen, duiven en adelaars, we kennen ze nog steeds uit bijbelverhalen, van diverse schilderijen en tekeningen, uit de mode, menagerieën en dierentuinen, als lekker hapje en uit de natuur. Maar de oorsprong van de legenden en verhalen zijn we voor een groot deel kwijt geraakt. En dat is jammer en vraagt om onderzoek. Een duif bijvoorbeeld wordt nog steeds als boodschapper gezien maar waar komt dat vandaan? Plinius de Oude beschrijft het mozaïek van Sosus van Pergamon met een prachtige duif (Naturalis historia, boek XXXVI), maar hier wordt niet gesproken over de olijftak als vredessymbool in zijn bek.
Rembrandt van Rijn (1606/1607-1669). Stilleven met twee dode pauwen en een meisje, ca. 1639. Coll. Rijksmuseum

Het schilderij van Rembrandt Stilleven met twee dode pauwen en een meisje (rond 1639) toont twee dode pauwen in een voorraadkamer. In de 17e eeuw waren pauwen een delicatesse, ze werden opgehangen om uit te bloeden. De voorstelling is een jachtstilleven dat de weelde van de veren-kleuren (blauw, groen, geel) en de fijnproeverscultuur van die tijd benadrukt. Plinius schetst het prachtige verenkleed van de pauw, naast de vogel die zich ‘in schaamte en verdriet’ verbergt wanneer hij jaarlijks zijn staartveren verliest, tot ze in de lente weer aangroeien. In de Christelijke cultuur krijgt de pauw misschien hierdoor de betekenis van onsterfelijkheid.

Tronie van een man met gevederde baret (ook bekend als man met een gepluimde muts). Coll. Mauritshuis.

 

Deze tronie uit circa 1635-1640 past in het thema van de tentoonstelling vanwege de vogelveren in de baret van de afgebeelde persoon. Ik heb het schilderij nog niet gezien, maar zou het ook mogelijk zijn aan de veren de vogelsoort te herkennen en dan via de vogelnaam deze vogel terug te vinden in een brontekst of op een ander schilderij? Het is geen argusfazant, maar wat wel? Veren van een struisvogel of pauw? Veren kunnen in de 17de eeuw een bewijs van rijkdom, van sociale status en exotisme uitstralen.

John James Audubon. Birds of America (1827-1838). Coll. Teylers Museum

Vanaf de 18e eeuw (de eeuw van de Verlichting) zien we de eerste encyclopedische vogelboeken verschijnen. Het boek Birds of America (1827-1838) van de natuuronderzoeker en schilder John James Audubon, spant de kroon wat de illustraties betreft. Audubon heeft de vogels goed bestudeerd en de afbeeldingen zijn dan ook zeer realistisch en op ware grootte. Eerder al (1770 -1829) verscheen het boek van onderzoeker Cornelis Nozeman (1720-1786) en tekenaar en graveur  Christiaan Sepp (1739-1811 en zijn zoon J. C. Sepp, . 5 delen), onder de titel Nederlandsche Vogelen. Het is een min of meer compleet werk over Nederlandse vogels, waarin Nozeman zijn eigen waarnemingen met historische bronnen combineerde. Die bronnen laten weer typisch 18de eeuwse  opvattingen over vogels in Nederland zien. Helaas niet op de tentoonstelling.

Realistische Afbeelding van de putter in het boek Nederlandsche Vogelen van C. Nozeman en C. Sepp (1770-1829)

Als we wat meer naar onze tijden opschuiven, denken we natuurlijk heel snel aan de duiven van Picasso als boodschapper van vrede. Picasso tekent vaak duiven met olijftak, maar voor het WereldVredeCongres in 1949 koos Picasso nu net voor een zo realistisch mogelijke duif, zonder olijftak. Waardeerde hij het bekende klassieke mozaïek van Sosus van Pergamon met duiven op een waterbak (zonder olijftak) misschien meer dan de zwarte Vredesduif van Matisse (1948) en de beschrijving van de duif uit de Bijbel, die komt aanvliegen bij de ark van Noach, met een olijftak als bewijs van het zakkende water en de stilzwijgende boodschap dat de zondvloed voorbij is? Hier ben ik nog niet uit. Of moeten we concluderen dat de symboliek niet meer begrepen wordt in de twintigste eeuw?

l. Matisse. Duif met olijftak, 1948.

r. Picasso. Duif op litho voor Wereld Vredes Congres. 1949.

Na deze beschouwing heb ik de tentoonstelling later echt bezocht en 25 maart jl. nog een nader Bericht geschreven.