MIJN MOEDER DE VROUW en MIJN MOEDER DE MOEDER

DE MOEDER DE VROUW

(Thema Boekenweek 2019, 23 maart t/m 31 maart)

Mijn moeder de vrouw

Waar denk ik aan als het over dit onderwerp gaat? Wil ik boeken lezen over dit thema, of wil ik serieus nadenken over mijn eigen moeder en me afvragen wat ik dan zo waardeerde in haar. 

Mijn moeder was Maria Catharina Jeanette Amse, na haar huwelijk met mijn vader Ebbers-Amse genaamd. Zij was geboren in Amsterdam in 1908. Zij kwam uit een warm ouderwets gezin, vader huisschilder, moeder huisvrouw, een oudere en een jongere broer, die beiden na hun middelbare school kozen voor het verzekeringsvak. Mijn moeder werd boekhouder, werkte voor haar huwelijk bij het bekende bedrijf Lucas Bols, sinds eind 17de eeuw op de Rozengracht gevestigd. 

Maar na haar huwelijk (1932) werd mijn moeder, zoals alle gehuwde vrouwen, de dag na haar huwelijk ontslagen en handelingsonbekwaam verklaard (Burgerlijk Wetboek, 1838). 

Deze wet bleef van kracht tot 1 januari 1957. En uitgerekend in dat jaar kwam mijn grootvader, moeders vader,  bij ons inwonen omdat hij zelfstandig zijn leven niet meer op de rails kon houden. Hij overleed bij ons thuis in 1959.

Maar wat deed je dan zoal in die tijd als moeder overdag, zonder werk, zonder computer, maar ook zonder wasmachine en zonder ijskast?

Naast het huishouden en de zorg voor mijn vader en mij werkte mijn moeder vóór 1957 als vrijwilliger bij de UVV (Unie Vrouwelijke Vrijwilligers), opgericht in 1938 in Amsterdam. Mijn ouders verhuisden in december 1945 van Amsterdam naar Utrecht en kenden daar letterlijk niemand. Dus was lid worden van de UVV een manier om mensen te leren kennen en tegelijk bevredigend werk te doen. Moeder kwam terecht  in het Stadsarmenhuis in de Doelenstraat, dat qua naam overigens in 1931 was gewijzigd in Gemeentelijk Tehuis voor Ouden van Dagen. De locatie aan de Doelenstraat bleef bestaan tot 1958. Uit school komend ging ik mijn moeder wel eens opzoeken in dit hofje, dat in de Middeleeuwen een Begijnenhof was geweest. Oude dames (met witte mutsjes) zaten onder leiding van mijn moeder en andere dames te naaien, te breien en te handwerken. Wel komisch, want mijn moeder was in die tijd bepaald niet een ster in deze zaken. In de eerste klas van het gymnasium (1953/’54) deed ik mee aan een toneelstukje ‘Het Roverslied’ (Multatuli, Woutertje Pieterse) en toen bleek die functie van mijn moeder in dat Bejaardenhuis toch zeer handig. Voor de aankleding van het toneelstukje leende ik allerlei zwarte rokken en blouses en kousen en schoenen van de oude dames. En zij vonden het zeer interessant om op die wijze hun medewerking te verlenen.

In 1959 kon mijn moeder eindelijk 27 jaar na haar huwelijk haar beroep weer uitoefenen. Ze werd boekhouder bij Modemagazijn Gebr. Gerzon, gevestigd op de Oude Gracht te Utrecht. En ik heb het geweten. Een echte ‘uitzet’ (in mijn ‘verlovingstijd’ echt al uit de mode) zou ik krijgen, keuken-, kamer- en slaapkamer-linnen in overvloed en ik moest mijn hele schooltijd lang, wanneer er nieuwe kleren nodig waren, eerst kijken bij Gerzon. 

Bols en de UVV en Gerzon hebben haar geholpen een zelfstandige vrouw te worden, die zonder mijn vader, met haar nicht of een van haar vriendinnen ’s winters op wintersport ging en daarnaast altijd een fantastische huisvrouw en moeder is geweest. 

Naast haar werk (tot de verhuizing naar Cothen in 1971) en het huishouden had ze ook nog haar hobbies. Dat waren in Utrecht haar lidmaatschap van de Dr. Aletta Jacobs Rebekkahloge (Odd Fellows), piano spelen (Ans Witting, bekend van het Ans Witting Stipendium, was haar en mijn pianolerares) en declamatie (lerares?,  die op de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht woonde) en in Cothen handwerken en waardevolle postzegels verzamelen, omdat ze hiervoor het huis niet hoefde te verlaten en in de buurt van mijn zieke vader kon blijven. Daar was goed over nagedacht. 

Mijn moeder was een vrouw die veel in haar mars had, maar zich daar niet op liet voorstaan, die wachtte tot haar tijd zou aanbreken en absoluut niet op de voorgrond wilde treden. Haar vader (mijn grootvader) die via zijn moeder (Maria Catharina van Alkemade Munk) stamde uit een burgemeestersgeslacht (Van Lith, burgemeesters van Uitgeest, Heemstede/Bennebroek) had haar – streng als hij was- altijd bescheidenheid bijgebracht. Mijn vader beschikte gelukkig ook over die eigenschap.

Mijn moeder de moeder

Mijn moeder was een liefhebbende warme moeder. Ik was haar enige kind en dat feit heeft haar wel zorgen gebaard. Ze was niet bang dat ik de eenzaamheid niet aan kon, maar ze was wel bevreesd dat ik te beschermd zou worden opgevoed en te alleen in het leven zou komen te staan.

Om die reden werd ik van jongs af aan aangemoedigd om met andere kinderen om te gaan en veel vrienden te maken. 

Zo ging ik alle grote vakanties alleen een paar weken naar een boerderij in de Achterhoek. Met het boerenleven had ik al kennis gemaakt in de oorlog, toen mijn moeder mij in de hongerwinter op haar fiets met houten banden had weggebracht naar Dirkshorn bij Schagen. Daar kwamen we toevallig terecht bij een wildvreemde familie Duinkerken, waar ik tot na de bevrijding mocht wonen. Ik had het daar kennelijk erg naar mijn zin gehad want volgende jaren (mijn hele lagere schooltijd) werd ik weken lang uitbesteed op een boerderij, nu in Sinderen bij Varsseveld, van de familie Colenbrander. Het gezin bestond uit vader, moeder en vijf (?) kinderen, van wie ik veel geleerd heb: groenten en bessen plukken en schoonmaken, karnen, mennen, hooi opsteken, van de nokbalken in de hooiberg springen, op de deel wonen, honden en katten verzorgen etc. De mooiste ervaring was misschien wel zondags met de hele familie in de koets naar de kerk.  

Moeder en dochter Amsterdam, ca. 1944

Als de school weer begon in september, miste ik de kinderen en het heerlijke spannende boerenleven. Maar mijn moeder wist daar wel raad op. Op een keer (ik was net zeven) gingen we samen een tentoonstelling bezoeken in de Galeries Modernes. En daar was ook een heel groepje kabouters (de kleintjes van het Nederlands Padvindsters Gilde) aan het rondkijken onder leiding van Oehoe Moll van Charente. We hadden meteen goed contact en de volgende week mocht ik in het Vogelenbos (op de Weg naar Rhijnauwen) komen kijken. Het spelen in de natuur met andere kinderen trok me enorm en sindsdien stond ik iedere zaterdagmiddag met mijn fietsje op de hoek van de Prins Hendriklaan te wachten tot we naar dat bos zouden gaan. Na een tijdje kreeg onze hele groep onderdak in de kazematten op Fort Rhijnauwen, nog mooier en avontuurlijker natuurlijk dan het Vogelenbos; weer enige jaren later huisden we op Fort Lunetten III. Wat een voorrecht hier jaren te hebben mogen spelen, zeg ik nu.

Ook kinderen uit mijn klas (kleuteronderwijs Bilderdijkpark, Amsterdam, zie foto,

Bilderdijkschool in Bilderdijkpark, Amsterdam Oud-West

en Agatha Snellenschool, Utrecht) en (lager onderwijs Dompleinschool en Puntenburgschool, Utrecht) en kinderen uit de buurt werden vaak door mijn moeder uitgenodigd om bij ons thuis te komen, allemaal in het kader van ‘sociaal opgroeien is belangrijk’. We hadden kippen en konijnen en een spannende tuin, een grote zolder met een ping-pong tafel en een enorme veranda waar thee en limonade drinken bij warm weer een feest was. Eenmaal op het gymnasium was de hele klas altijd welkom voor klasse-avonden of een fuifje. 

Mijn moeder had van 1920-1924 MULO (B) onderwijs gevolgd. De talen die leerlingen voor de oorlog gedoceerd kregen waren nederlands, frans en duits en van engels had zij dan ook geen kaas gegeten. Deze taal begon pas na de oorlog een vast programma-onderdeel van voortgezet onderwijs te worden. Mijn moeder vond talenonderwijs erg belangrijk en toen ik dan ook een vriendinnetje kreeg die op de zondagsschool van de Waalse gemeente (Pieterskerk Utrecht) zat, werd ik direct daar aangemeld. Heel vroeg kon ik dus al ‘Notre Père qui es aux cieux’ bidden, niet in het nederlands maar in het frans. Pasteur en Madame Le Cornu zullen me eeuwig in herinnering blijven. Zij waren heel oud ( maar of dat ook echt zo was?) en lief en aardig. En wat te denken van krijgertje en verstoppertje spelen in de (‘Franse’) Pieterskerk?

Naast goede spreekvaardigheid in vreemde talen, achtte mijn moeder gedichten citeren ook zeer belangrijk. Romans waren in onze boekenkast in de minderheid in tegenstelling tot gedichtenbundels. En dat kwam natuurlijk door die liefde voor declamatie. Haar liefde voor talen is overigens niet op mij overgegaan. Ik was er niet goed in en had er geen belangstelling voor.

Hoewel mijn lagere school zorgvuldig was uitgekozen door mijn ouders (meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting), was dit wel een lagere school met opleiding voor eigen vervolgschool (MULO), niet echt een opleiding voor HBS en gymnasium. Toen bleek dat ik goede cijfers haalde in de hogere klassen, was het de wens van mijn ouders mij toelatingsexamen te laten doen voor het gymnasium, dit keer het stedelijk en niet het christelijk. Dat werd een faliekante mislukking, mijn opleiding had tekort geschoten en ik kon niet meekomen in de proefklas. Wat was dat een grote teleurstelling voor mijn moeder. Ze heeft hemel en aarde bewogen me toch naar het gymnasium te krijgen maar dat liep op niets uit. Goede raad was duur, een dochter met een eindrapport waar alleen maar achten en negens op stonden en gezakt voor het toelatingsexamen. De rector van het gymnasium adviseerde mij nog een jaar naar een goeie opleidingsschool (Puntenburg) te sturen. Volgens mij heb ik daar niets geleerd, maar een jaar later slaagde ik gelukkig wel en is alles goed afgelopen.

Als je dit verhaal leest zou je kunnen denken dat ik een lastige puber ben geweest, maar niets is minder waar. Mijn moeder begreep alles, was lief, had het volste vertrouwen in mij en ik leerde heel langzaam aan van haar dat vrijheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en liefde geven belangrijk waren in het leven. 

Catharijnesingel 75, Utrecht

Ik verhuisde bij aanvang van de eerste klas gymnasium in het kader van vrijheid en zelfstandigheid binnenshuis van een kamer boven de entree op de eerste verdieping naar een kamer twee etages hoger in het torentje. Vrijheid blijheid, niemand die je op de vingers kwam kijken en altijd muziek die mij werd doorgegeven via de muziekinstallatie van een huisgenoot/vriendje (Andries Enklaar). Zelf had ik tijdens mijn schooltijd geen geld om platen te kopen, dus hadden we dit er op verzonnen. Wat hij draaide kon ik ook aanknippen als ik dat wenste. 

Naast het schoolleven (met ’s avonds bijeenkomsten van het Amor-Koor en de toneel- en debatteervereniging Lampomenè) en padvinderij vond mijn moeder toch dat ook sport en kunst bij de opvoeding hoorden. Zij had zelf jaren lang heel fanatiek aan korfbal gedaan (ROHDA) en mijn vader aan voetbal (AFC). En ze was er dan ook van overtuigd dat sporten voor de gezondheid onontbeerlijk was. Dus ging ik tennissen (ULTC vanaf de eerste klas gymnasium) en later ook nog roeien (VIKING vanaf de vijfde klas).

Kunst was in ons gezin en in de voor-ouderlijke gezinnen de gewoonste zaak van de wereld geweest. Passief of actief, wat je maar in je had. Mijn moeder speelde tamelijk goed piano, dat had ze van huis uit meegekregen. Haar broers speelden viool, haar grootmoeder volgens overlevering ook piano, en bovendien mijn grootmoeder van vaders kant speelde alles wat kinderen en kleinkinderen maar wensten te zingen of te horen, ook in haar Alzheimertijd. In de eetkamer stond een piano en in de salon een spinet. De piano werd ook mijn instrument en samen met moeder werd er vaak ‘quatre mains’ gespeeld. Vanaf die tijd heb ik ook altijd in koren gezongen. Mijn belangstelling voor beeldende kunst, die zich ook tijdens mijn middelbare schooltijd openbaarde, komt meer van vaders kant en valt daarom buiten dit bestek.

Mijn gedachten over mijn moeder als opvoedende moeder stoppen voorlopig hier omdat ze mij vanaf mijn laatste gymnasiumdag volledig de vrijheid heeft gegeven en er op vertrouwde dat ik mijn studie aan de universiteit verstandig zou aanpakken.

Ik ben niet iemand die over haar moeder te klagen heeft. Ik kan er ook niet jubelend boeken over vol schrijven. Mijn moeder was lief en eerlijk en vastberaden, iemand die altijd probeerde anderen gelukkig te maken. Ze cijferde zichzelf beslist niet weg, had haar eigen ideeën, en liet tegelijkertijd haar man en dochter altijd voorgaan. Ik hield van haar en heb haar altijd hooggeacht om wie ze was en om wat ze mij heeft geleerd over het leven.

Carla, voor mijn liefhebbende moeder

In Memoriam Thea Schoonhoven, mijn Lagere School-vriendinnetje van de Dompleinschool

Thea Schoonhoven (1940-2019)

Thea Schoonhoven in 1952 (Foto.L.H. Hofland, bewerkt door Carla Oldenburger-Ebbers). Coll. Het Utrechts Archief

Hedenmorgen 4 maart 2017 las ik in de TROUW/Naschrift een mooi artikel over mijn Lagere School-vriendinnetje Thea Schoonhoven, een warm en vredelievend mens, altijd voor anderen in de weer, voor kinderen, voor zieken en behoeftigen. Ik heb dit allemaal niet geweten helaas. Ik was haar geheel uit het oog verloren, we gingen na de Lagere School ieder onze eigen weg. Enige jaren geleden had zij mij opgespoord. We hadden een lang telefoongesprek en beloofden elkaar op te zoeken. Ik raakte haar adres weer kwijt en het is er nooit meer van gekomen helaas. TROUW heeft mij toestemming gegeven het begin van het  artikel hieronder te plaatsen met een link naar het hele artikel, getiteld Thea Schoonhoven had genoeg aan haar Mytylkinderen.

Met anderen bezig zijn stemde haar gelukkig. Ontvangen vond ze lastiger. Dat merkten haar vrouw, vrienden en familie vooral de laatste maanden. Vanaf het moment dat ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, liet ze alles uit haar handen vallen. Ze sloot zich af en sprak er niet over: haar angst en verdriet kon ze moeilijk delen. Nu ze niet wist waar ze aan toe was, verloor ze haar standvastigheid en daadkracht.

Ze had dat op kleine schaal al eens eerder meegemaakt, toen ze als twintiger naar haar favoriete eiland Ibiza vloog en er flinke turbulentie ontstond onderweg. Ze kon niemand vasthouden en werd zo angstig dat ze in zichzelf begon te zingen. Ze besloot nooit meer te vliegen.

Theodora Everdina Schoonhoven werd in 1940 geboren als oudste dochter van Aart Schoonhoven en Riek Harselaar. Na haar kwamen nog twee zussen en twee broers. Met haar moeder, die hoedenmaakster en naaister was, kon ze lezen en schrijven. Beiden waren erg creatief, empatisch en sociaal. Hun huis stond open voor alles en iedereen. De relatie met haar vader was minder hecht, hij had vooral gehoopt op een zoon, iets dat zij liever niet had geweten. Thea trok veel op met de volwassen vrouwen in haar omgeving: haar moeder en haar twee oma’s, vooral met oma ‘boven’, die bij hen in huis woonde, had ze een klik. Zij nam haar kleindochter graag mee naar de Hema voor een kindercomplet: een bordje vol lekkernijen. Thea snapte volledig dat oma de helft van de snoepjes in haar zak liet glijden voor de kleintjes thuis….e.v. zie dus de link.

Ik was natuurlijk wel geschokt door het lezen van haar overlijden, en mijn gedachten gingen terug naar onze Lagere Schooltijd:

We zaten op dezelfde school, op de meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting, kortweg de Dompleinschool in Utrecht. Of Thea ook in de eerste klas bij Juffrouw  Nieuwenhuizen heeft gezeten weet ik niet. Ik kan haar op onderstaande foto niet herkennen.

Met wie ik verder in de klas zat (meer dan zeventig jaar geleden) weet ik echt niet meer. Ik herken de juffrouw, rechts daarvan Joke Hansen, en uiterst rechts Meta van de fietsenwinkel op de Oude Gracht; tweede rij van boven, tweede links ben ik (meisjesnaam Carla Ebbers), rechts daarvan Engelien?, uiterst rechts Ilse; derde rij middelste Willy?; en onderste rij links Willemien Wieringa (ook een goed vriendinnetje), Elly? en een meisje Hagenau?

Carla (in trui gebreid door mama of oma?) in de derde klas van de Dompleinschool. Traditionele setting voor een schoolfoto. Met pen en schrift in schoolbank en op de achtergrond een geranium.

Op Internet heb ik verder nagezocht of ik meer kon vinden over onze school. In het gebouw zit tegenwoordig het Utrechts Centrum voor de Kunsten.

Hier volgt een deel van het artikel: Jeugdherinneringen, door Maroesja Brits-Oversteegen in ‘Steengoed’, nr. 36, okt. 2003 (Utrechts Monumentenfonds).

De school op het Domplein.

“Al meteen, toen we in Utrecht kwamen wonen, moest er een lagere school voor mij worden gezocht. De dichtstbijzijnde school was de Nederlands Hervormde Burgerschool op het Domplein. En alhoewel mijn ouders niet christelijk waren, moest ik daar toch naar toe. In de vierde klas bleef ik zitten en daarna mocht ik naar de openbare Regentesseschool in de Hamburgerstraat, waar ik ‘beter op mijn plaats’ was. Dit even ter illustratie van de denkwijze in die tijd. Nu zou dit geen enkel probleem meer zijn.

De school werd in 1859 gevestigd op het Domplein in een huis op de plaats van het middeleeuws claustrale huis ‘De rode poort’. Ook na de grote verbouwing in 1925, toen het zijn huidige uiterlijk kreeg zijn nog veel resten van dat huis bewaard gebleven. Bij de verbouwing van de school tot Gemeentelijke Muziekschool, is er een grondig archeologisch onderzoek gedaan. De kelders werden onderzocht en in de Marnixzaal, de aula van de school, werd de beschilderde piscina weer zichtbaar gemaakt.

page9image7245264De school op het Domplein in 1940. (Adres Domplein 4). Links de meisjesschool, rechts de jongensschool

Marnixzaal. In plaats van deze stoelen stonden er volgens mij in de jaren veertig nog lange houten banken in de zaal. Foto Het Utrechts Archief.

In 1984 is er nog een laatste reünie geweest. Dat was een plezierig weerzien. Dan voel je toch weer iets vertrouwds met de oude school op het Domplein. Hier had ik toch vier jaar van mijn jeugd doorgebracht.
Tijdens die reünie hoorde ik nog een aardig verhaal over de kelders. De jongens van de jongensschool, we waren toen nog strikt gescheiden, hadden ergens een gat ontdekt, waarachter zich een ruimte bevond. En wat doen jongens van een jaar of tien, die gaan op onderzoek uit. Stiekem kropen ze door dat gat naar binnen en zo ontdekten ze een grote kelder onder de school. Een mooi avontuur en ze hielden wijselijk hun mond over deze heimelijke ontdekking. Maar er kwamen klachten van de ouders. Hun kinderen kwamen soms zo ‘smerig’ thuis. Het hoofd van de jongensschool, de heer G.J. van Kamp, nam die klachten serieus en ging zelf op onderzoek uit. Toen kwam de aap uit de mouw. Na een verbouwing van de school waren de kelders dichtgemetseld en helemaal in de vergetelheid geraakt. Niemand wist meer van het bestaan, totdat die jongetjes de kelders herontdekten”. Einde citaat Maroesja  Brits -Oversteegen.

Wat betreft de piscina in de Marnixzaal, ik herinner me deze nog zeer goed. Altijd als er wat te doen was in deze zaal, liepen we eerst als in een soort pelgrimstocht langs deze piscina, die dienst had gedaan in het kanunnikenhuis dat vóór de bouw van de school, halverwege de 19de eeuw, hier op deze plaats had gestaan.  Het was een wonder uit de 14de eeuw, voorstellende een misdienaar die de handen wast van een priester tijdens de mis. De piscine is tot rijksmonument verklaard. Zie de volgende monumenten-beschrijving met foto:

Foto: detail schildering in piscine – utrecht – 20235572 – rce | Door: Schollen, A.H.C. (Fotograaf) – August 1975 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

“PISCINA met wandschildering. Uit de eerste helft der 14e eeuw daterende piscina met wandschildering, zich bevindend in een nis in de rechterwand van de z.g. Marnixzaal van de Ned.Herv. MAVO, overblijfsel uit claustraalhuis op dezelfde plaats, genaamd “de Rode Poort”. De piscina bevat een natuurstenen tweelicht met driepassen waarboven uit een stuk gehouwen traceerwerk; beneden twee bekkens en in de rechterzijde van de nis nog een natuurstenen tablet. De wandschildering geeft de voorstelling weer van de handwassing tijdens de mis waarbij de rechterfiguur een acolyth gekleed in een rood onder – en geelbovenkleed en een opgerolde doek in de linkerhand – water uitgiet uit een kan over de handen van de linkerfiguur, een priester welke is gekleed in een lichtgekleurd, met rood afgezet onderkleed en een blauw bovenkleed; op de achtergrond links een met een doek overdekt altaar waarop een opengeslagen boek, een hostiekelk en een kandelaar zijn afgebeeld”. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Een ander voorval in de Marnixzaal heeft mijzelf een trauma bezorgd. Ik was een goede leerling. Aan het eind van de 6de klas (o.l.v. juffrouw van Dijk) prijkten er alleen maar achten en negens en één 6,5 voor handwerken op mijn rapport. Maar ik zakte voor het toelatingsexamen Stedelijk Gymnasium, een domper op de leuke en fijne schooltijd die ik op het Domplein had doorgebracht. Wat was de oorzaak? Naast mijn zeker niet briljante resultaten in de proefklas, bleek ook dat het Stedelijk Gymnasium bijna nooit leerlingen aannam van een christelijke Lagere School (zonder aparte opleidingsklas). Ik moest het laatste jaar dus overdoen op een openbare school waar men leerlingen structureel opleidde voor HBS en gymnasium, en niet alleen tijdens een uurtje op zaterdag. Ik ging dus wel van school af net als mijn mede-klasgenoten. Het afscheid werd niet gevierd met de uitvoering van een musical zoals op de meeste scholen nu, maar met de uitreiking van een klein bijbeltje, namelijk het Nieuwe Testament. Dit festijn werd gevierd op een avond met de ouders in de Marnixzaal. Omdat ik naar een Openbare School ging (Puntenburg) kreeg ik geen bijbeltje uitgereikt. Net als Mevr. Maroesja Brits kan ik beamen dat “de denkwijze in die tijd” toch anders was.

Toch heb ik mooie herinneringen aan mijn lagere schooltijd overgehouden. En nu kom ik weer terug op mijn vriendinnetje Thea Schoonhoven en andere klasgenootjes. Het spelen bij Thea Schoonhoven thuis en in de stallen van de stalhouderij van haar vader, bij de paarden in de Keukenstraat, samen met Thea en haar broertjes ritjes maken met koetsier Kobus in de koetsen van de stalhouderij, spelen op het stille Domplein, in de Kloostergang en onder de Dom. Ook vond ik de opgravingen op het Domplein eind jaren veertig heel spannend net als het op onderzoek uitgaan (samen met klasgenootje Joke Hansen) in de puinhopen van de Geertekerk (tegenover mijn huis), die na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk was beschadigd.

Ode aan het landschap en het Museumtijdschrift

Op de cover van het zojuist verschenen Museumtijdschrift (2019/2, maart 2019) staat de tentoonstelling over Vincent van Gogh en David Hockney aangekondigd met een detail van een van zijn landschapsschilderijen. De covertekst luidt ‘David Hockney: Ode aan het landschap’.

Aankondiging Museumtijdschrift Maart 2019.

Op Wikipedia staat een mooie foto van een kijkje in de overzichtstentoonstelling (2012-2013) in de Royal Academy of Arts, ‘A Bigger Picture’.  Op deze tentoonstelling presenteerde Hockney zich als Engels landschapsschilder “nieuwe stijl”. Zie hieronder.

De ondertitel ‘Ode aan het landschap’ zou deze maand op veel meer tentoonstellingen kunnen slaan en is dan ook zeer treffend voor deze maart-cover.

We denken dan aan tentoonstellingen, die in hetzelfde Museumtijdschrift worden aangekondigd:

  • Rijksmuseum Boerhaave, Herman Boerhaave en de Gouden Eeuw van de wetenschap (t/m 1 sept.); met ‘Een landschap met bloemstilleven’, van Laurens van der Vinne, ca. 1740. Coll. Rijksmuseum Boerhaave

  • Museum Gouda, Naar Buiten (t/m 2 februari 2020); met een landschap van P.J. Gabriël, ‘Een wetering in Abcoude’, 1878. Coll. Rijksmuseum Amsterdam

  • Museum Belvedère, 100 jaar schilderkunst in Friesland (t/m 14 april); met o.a. een prachtig landschap van Jan Mankes uit eigen collectie.
  • Verder ga ik niet met suggeties. Bij het tijdschrift zit tenslotte altijd een zeer uitgebreide tentoonstellingsagenda die alle exposities in Nederland en de belangrijkste in België, Duitsland,  Frankrijk, Groot-Brittanië, Luxemburg, Oostenrijk en Zwitserland belicht.