Alle berichten van Carla Oldenburger

Het bosch van Engelsteen op het eiland texel

Vandaag kregen we via Bureau Noordpeil een vraag binnen of het patroon van het Bosch van Engelsteen nog zichtbaar is op de Hoogtekaart van Nederland. Dit bos staat tegenwoordig bekend onder de naam Het Doolhof op de Hoge Berg bij Oude Schild (Texel) of ’t Bossie. De oude kaart van dit doolhof (getekend na 1794) en een gecombineerde kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland / AHN en genoemde oude kaart werden meegestuurd.

Ik kan me voorstellen dat de beheerder van dit Bossie wil weten of het slingerpad en het diagonale kruis binnen de rechte omgevende lanen nog waarneembaar zijn op de AHN-kaart. Daarom zijn hieronder eerst de kaarten waar het hierom gaat afgebeeld: 1) de kaart van het doolhof uit het eind van de 18de eeuw; 2) de AHN-kaart van de huidige situatie met daarin gemonteerd de kaart van het doolhof uit de 18de eeuw; en tenslotte de AHN-kaart zonder montage van de oude kaart.

Kaart van het ‘Bosch genaamd Engelsteen op het eiland Texel behorende aan mijnheer G.W. Reinbach’. Ongesigneerd, ongedateerd (na 1794). Aanleg van vóór 1784. Part. Coll.
Het bos is gelegen tegen de zuidhelling van de Hoge Berg, met uitzichten over het hele eiland en tot aan de haven van Oudeschild. Ten oosten van het bos ligt de zandkuil. Het bos of doolhof bestaat uit twee delen, gescheiden door een scheidingslaan, een westelijk deel met een spiraalvormig doolhof of labyrint en een oostelijk deel met wandeldreven die elkaar diagonaalsgewijs kruisen in de vorm van een Andreaskruis. Aan de noordzijde van de scheidingslaan stond waarschijnlijk een naald of obelisk op een ‘bergje’. Vanaf het bergje had men zicht door de laan
Rondom het bos lopen rechte brede wandellanen waarvan die aan de noordzijde van het doolhof doodloopt. De twee diagonale lanen eindigen aan de noordzijde in kabinetten waarin waarschijnlijk beelden stonden, die de wandelaar naar het einde van de lanen moesten lokken. Hoge beukenhagen schermden de lanen af van de omringende hakhoutbossen.
AHN-kaart huidige situatie, gecombineerd met eind-18de eeuwse kaart. Montage Bureau Noordpeil Landschap & Erfgoed.
AHN-kaart huidige situatie zonder combinatie met eind-18de eeuwse kaart. De slingerpaden aan de noord-en zuidrand van het voormalige doolhof bestonden niet in de 18de eeuw. De scheidingslaan, één diagonale laan van het Andreaskruis (nb. niet doorgetrokken tot het bergje) en de zuidelijke rechte laan ten zuiden van het Andreaskruis bestonden wel al aan het eind van de 18de eeuw. Zijn langs deze lanen nog bomen uit die tijd te onderscheiden? Beuken en eiken?

Deze drie kaarten bijeengeplaatst voor een korte kartografische analyse, kunnen de start vormen voor een tuinarchitectonisch vervolg-onderzoek en de basis voor een herbezinning t.a.v. beheer en behoud van dit bos. De vraag die direct n.a.v. deze analyse naar voren komt luidt: Welke lanen en paden gaan we nu handhaven? De rechte wandelwegen uit de 18de eeuw of de slingerpaden uit de 20ste eeuw? En willen we het doolhof met het spiraalvormige padenpatroon en het Andreaskruis met de kabinetten weer terugbrengen? Opvallend is dat er in dit bos aan het eind van de 18de eeuw nog sprake is van rechte lanen en dreven en dat deze waarschijnlijk in de 20ste eeuw juist kronkelpaden zijn geworden. Je zou eerder denken andersom.

Zie verder: Vibeke Roeper. Dolen is het doel. Weblog op website Buitenplaats Brakestein. http://www.brakestein-texel.nl/2020/08/20/dolen-is-het-doel/

Oldenburgers Binnenstad & Buitenleven. Waardestelling Buitenplaats Brakestein Texel. https://www.oldenburgers.nl/wp-content/uploads/2019/12/BB-COJO-Brakenstein7-2-1.pdf

Jan Holwerda. Toenmalige tuinen op Texel. Tuingeschiedenis in Nederland II. 2016.

Henk van der Eijk. A late 18th century Sanssouci-Texel connection? Weblog op Website Historical Gardens. https://www.historicalgardensblog.com/2008/03/15/a-late-18th-century- sanssouci-texel-connection/

Damplantsoen geopend in 1926. Amsterdam

Vandaag las ik op LinkedIn over een nieuwe aanwinst van Kunsthandel Bijl-Van Urk B.V., namelijk een schilderij van Cornelis Vreedenburgh, gedateerd 1927. Op LinkedIn werd de vraag gesteld: “wat zien we voor soort ‘tuin’ of ‘volkstuin’ op de voorgrond?”

Mijn antwoord was dat het hier een tuin in zogenaamde “Oud-Hollandse” stijl betrof, passend / aansluitend bij het gebouw, voorheen het stadhuis van Amsterdam, gebouwd/ontworpen door Jacob van Campen vanaf 1648 en gereed in 1665.

Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis van Amsterdam), 1927. Kunsthandel Bijl-Van Urk, Alkmaar

We zien op het schilderij op de voorgrond een verdiepte tuin, opgebouwd uit grasvlakken en rechtlijnige bloemenborders. De tuin is verdiept en ontworpen langs een as van symmetrie, die aansluit op de middenas van het paleis. De tuin wordt ontsloten door een trappartijtje, gelegen in het midden van de dwarsas (voor de tram) en ook zijn dergelijke trapjes te vinden in het midden van de lengte-assen rond het middenperk. Op de hoeken van de lange perken en in het centrum van kleine vierkante perken staan taxussen geplant. De lange perken zullen nog met bloemen gevuld moeten worden, net zoals de perken aan beide zijden van de eerste trappartij. Het grote centrale rechthoekige grasvlak ligt binnen een wandelpad van flagstones en wordt daarbuiten afgesloten door (waarschijnlijk) buxusranden. Het beplantingsontwerp is volgens de rubriek Chronologie van het Stadsarchief Amsterdam (Onderwerp De Dam als plaats van herinnering) gemaakt door de gemeentelijke tuinarchitect Ir. J.R. Koning jr. .

De stijl van ontwerpen doet erg denken aan de stijl van Leonard Springer. Hij is in 1925 (toen de werkzaamheden begonnen) 70 jaar, en alhoewel is gebleken dat hij nog lang niet aan stoppen dacht in dat jaar, is de opdracht hem toch niet gegund. In de Springer Collectie Wageningen Library is wel enige summiere documentatie te vinden, namelijk een rijmpje uit het Haarlems Dagblad van T. de Rijmer, een krantenartikel uit De Telegraaf (1930-04-09) en een krantenfoto van het Damplantsoen.

Ik zal eens verder zoeken op naam van J.R. Koning, om er achter te komen bij welke projecten hij nog meer betrokken was in Amsterdam.

Aanleg Damplantsoen, Bouwput 1925, vlak voor de aanleg van het plantsoen.. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Op bovenstaande foto zien we de omschutte bouwput van het toekomstige plantsoen, maar eigenlijk was het een ruimte die vrijgekomen was door de afbraak (1912) van het voormalige Commandantshuis ( D’Ailly’s Historische Gids van Amsterdam. Bewerking H. F. Wijnman. 1968) en de sloop van de westzijde van de Warmoesstraat. Er was een plan om hier een hotel te bouwen, maar dat is niet doorgegaan. Het Damplantsoen was bedoeld als tijdelijke tussen-oplossing. Zie  https://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/277/middendam-kromhout.html

12 september 1926 Officiële opening van het Damplantsoen 1926. Zicht over het Damplantsoen van Hotel Krasnapolsky naar Het Paleis. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Damplantsoen gereed. Ca. 1927. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Hier is goed te zien dat de paden aan de voet van de borders en rondom het centrale grasperk uit flagstones bestaan. NB de tram die hier te zien is, staat ook op het schilderij afgebeeld. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Met dank aan Walther Schoonenberg en Hans Krol

TEGELTABLEAU: TUIN IN NEDERLANDS INDIË

Tuin in Ned.Indië met Waringinboom. Coll. Princessehof Leeuwarden. Foto R. Dessing

Op Facebook kwam ik deze prachtige tuin tegen, die is afgebeeld op een tegeltableau, aanwezig in Museum Het Princessehof te Leeuwarden.

Drs. Karin Gaillard, conservator Keramiek Europa in dat museum, berichtte me het volgende: ‘Het tegeltableau behoort inderdaad tot onze collectie en hangt in de vaste opstelling. Het is gemaakt door Plateelbakkerij De Distel in Amsterdam omstreeks 1910, de naam van de fabriek is rechtsonder op het tableau te zien. De voostelling is een Indische tuin, maar de precieze locatie is niet bekend en ook weten we niet wie de tekening heeft gemaakt. Zou de voorstelling in sepiakleuren getekend zijn naar een foto? In 1977 is het tableau door de Ottema-Kingma Stichting gekocht bij de firma Focke & Meltzer in de Amsterdamse Kalverstraat en in bruikleen gegeven aan het Princessehof.’ Helaas is er niet meer over de afbeelding en over de kunstenaar bekend.

In de tuin zijn enige ronde perken met palmen en bloemen te onderscheiden. In het midden van de tuin, op het tableau helemaal rechts staat een grote Waringin boom (een treurvijg of Ficus Benjamin), een typische parkboom in Indonesia.

Verder zoekend op tegeltableau en Princessehof kwam er nog een tuin boven water. De afbeelding ziet er uit als fantasie-tuin ergens in Europa. . 9 (breed) x 6 (hoog) tegels bevattende.

Met dank aan René Dessing

Hollandse tuin. Coll. Princessehof Leeuwarden. Foto R. Dessing

Park van Kasteel Keppel in de tijd van Zocher jr.

TOEGEPASTE BLOEMHEESTERS IN 1835

Het Huis Keppel is gelegen ten oosten van het dorp Laag-Keppel, op een bebost ‘eiland’ tussen twee takken van de Oude IJssel. Het huis is omstreeks 1300 gesticht in de vorm van een donjon en vele malen verbouwd en uitgebreid. In 1582 is het kasteel totaal afgebrand en in 1672 had Lodewijk XIV er zijn hoofdkwartier gevestigd. In hetzelfde jaar werd het huis door de Franse en Munsterse troepen zwaar beschadigd.

De tegenwoordige interieurs van het huis zijn zeer fraai en bijzonder, zoals de muziekkamer met achttiende-eeuwse schilderingen van Arcadische landschappen en taferelen. Sedert vijf eeuwen is dit huis in bezit van de familie Van Pallandt van Keppel. 

Kasteel Keppel gelegen in Laag-Keppel, tussen de Oude Ijssel en een aftakking van deze rivier. Noorden boven

Vanaf omstreeks 1650 lag er ten noordwesten van het kasteel een complex van moestuinen, opgedeeld in zestien gelijke perken met in het midden een bassin. De middelste vier perken waren, zoals vaker gebeurde, uitgevoerd als parterres de broderie (sierperken), de andere perken bevatten waarschijnlijk groente, kruiden en lage vruchtbomen rond deze vierkante perken. Omstreeks 1780 veranderde de tuin rond de voorburcht, tegelijk met de verbouwing van de entree. Een eerste landschappelijke aanleg werd ten oosten van het huis gecreëerd, aan de overzijde van de IJssel, in de periode 1774-1776. Dit was het zogenaamde ‘Engelse Bos’. Enkele jaren later werd de geometrische aanleg rond de voorburcht opgenomen in een landschappelijke aanleg. Of bij deze verlandschappelijking de tuinarchitect J.G. Michael of zijn (latere) schoonzoon J.D. Zocher sr. betrokken is geweest is nog onduidelijk. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is nog te zien dat het huis op een eiland tussen twee strangen van de Oude IJssel lag, waarbij het huis zelf ook weer omgracht was en omgeven werd door een aantal kleinere sterrebossen. 

Kasteel Keppel. Ontwerp J.D. Zocher jr. voor het voorpark (1835)

In 1835 ontwierp de tuinarchitect J.D. Zocher jr. een nieuw plan voor het voorpark van het kasteel. Dit hield in dat het voorterrein in een aantal ovalen werd verdeeld en beplant, waaromheen wandelpaden werden geprojecteerd. De beplanting bestond uit enkele solitaire bomen en bloeiende heesters. 

Kasteel Keppel. Ontwerp D. Wattez, 1880. Noorden boven

In 1880 heeft D. Wattez het plan van Zocher vernieuwd. Zijn plan betrof een afwisselend wandelpark vóór het huis met grote open ruimten en wandelingen in het bos achter het kasteel, grotendeels afgeschermd van de IJsselstromen. Het Engelse Bos aan de overzijde van de IJssel, dat per boot bereikbaar was, veranderde hij in gemengde stijl. Wattez ontwierp hier een zuiver cirkelvormig centraal deel met een solitaire boom in het centrum van een dubbele bomencirkel; daarbuiten projecteerde hij open ruimten met solitairen en aan de randen van dit driehoekige bos wat dichtere bosschages. Zie het ontwerp hier boven.

Zowel het plan van Zocher als dat van Wattez blijkt niet of nauwelijks uitgevoerd te zijn, als we de ontwerpen met kadastrale kaart (1832) en topografische kaarten vergelijken.

Wel is de inhoud van een geleverde bestelling planten bekend, maar waar die planten precies in het park zijn gepoot blijft ongewis. Toch krijgen we een duidelijk beeld van de rijkdom aan kleur en soorten die werden aangeplant. Deze soorten kunnen heden te dage natuurlijk als ‘basismateriaal’ van de aanplant worden toegepast.

Het gaat om 40 Italiaanse populieren, 50 ‘differente’ sparren (achterop de bestellijst staat dan verder een onderverdeling in 15 zilversparren, 15 balsemsparren, 10 Wymouthspijnen en 10 fijnsparren). Verder 6 pakken lindenbomen; 20 ‘grote Castanje Quina’ – Castanea equina / paardenkastanje; 35 hortensia’s;  25 azalea’s; 28 pakken ‘groote heesters’; 85 ‘paken (sic) met groenblijvende heesters’; 75 ‘pakken met diverse plantsoen’; 100 ‘maandrozen in potten’. Onder de bloemen 150 dahlia’s in 50 soorten, en bloemheesters. Op de achterzijde van deze plantenlijst staat de beplanting ingedeeld in vijftien beplantingsvakken en ‘verder zonder nummers’ nog een aantal losse bomen waaronder ‘1 Groote Tulpenboom’.

Toegang tot Kasteel Keppel.


Parkaanleg rond Huis Landfort bij Megchelen

Onderstaande tekst zal in aangepaste vorm in Zochers OnLine worden opgenomen.

De buitenplaats Huis Landfort te Megchelen is altijd een beetje onbekend gebleven in de Nederlandse tuingeschiedenis. Waarschijnlijk is de ligging direct tegen de grens van Duitsland, daar debet aan. Nu huis, tuin en park worden gerestaureerd en het koetshuis herbouwd, wordt het zo langzamerhand tijd ook op deze plaats eens wat meer over het buitenplaatscomplex Huis Landfort te vertellen.

Huis Landfort gelegen op een huis-eiland omgeven door een aftakking van de Oude IJssel. Links boven de visvijver. Links boven het huis de voortuin en rechts onder het huis de achtertuin op het zuiden. De vorm van de gracht heeft een karakteristieke Zocher-vorm. Buiten de (brede) gracht, boven in de foto stroomt de Oude IJssel. Bron: Google Earth

Huis Landfort is gelegen in een flauwe bocht van de Oude Ijssel nabij het dorp Megchelen. Het huis wordt voor het eerst in 1434 in een verkoopakte genoemd. Het terrein stond al bekend onder de naam ‘Lanckvoort’, wat zeer waarschijnlijk duidt op een ‘voorde’ (doorwaadbare plaats) in een rivier. Heden ten dage vormt het goed een fraaie combinatie van een huis (omstreeks 1825 verbouwd) met een park in landschapsstijl uit dezelfde tijd, voorzien van oude, bijzondere bomen. In 1996 waren hiervan nog aanwezig een moerascipres, tulpenboom, vederbeuk, ginkgo, weymouthden, dwergcipres en een Catalpa. Het goed heeft vele eigenaren gekend, maar naar hen is nog geen uitputtend onderzoek gedaan. De Amsterdamse medicus en botanicus Johann Albert Luyken (1785-1867) kocht met hulp van zijn 21 jaar oudere zuster Stiencke Christina Waltmann-Luyken in 1823 de oude buitenplaats op een veiling. Direct in datzelfde jaar gaf hij de architect-aannemer Johann Theodor Übbing (1786-1864) uit Anholt (aan de overkant van de Oude IJssel) de opdracht het oude huis en de omgeving rondom het huis te veranderen naar de smaak van de tijd.

Huis Landfort in 1720. Jan de Beijer? Bron Wikipedia

Maar hoe zagen huis en tuin er uit? Het huis had in de 18de eeuw een vierkant hoofdhuis met op iedere hoek een toren met helmdak. Aan het eind van de achttiende eeuw werden de hoektorens gesloopt. De houten kap uit de zestiende eeuw is in het huidige huis nog bewaard gebleven. Het omsingelde terrein en de percelen waren omstreeks 1816 nog rechthoekig van aard.

Situatiekaart met rechthoekig omsingeld terrein van Huis Landfort, schuin tegenover Anholt. Casparus Muller, 1816. De grens Nederland – Duitsland is met kruisjes weergegeven. Duidelijk is te zien dat de grond-indeling rechthoekig van karakter is. Noorden boven. Bron: TopoTijdreis

Volgens plan van Luyken en Übbing werden aan de zuidkant van het huis twee kwart-holronde vleugels aangebouwd (links een inpandige oranjerie). In dezelfde tijd werd een achthoekige ‘Moorse’ duiventoren met gotische ramen en een uivormige toren gebouwd, eveneens naar ontwerp van Übbing. Twee bruggen zijn ontworpen door Carl August Wilhelm Luyken. Zij dateren uit omstreeks 1870.

Opmetingskaart Huis Landfort J.Th. Übbing, 1823.
Huis op huiseiland, rechthoekig van vorm en binnen dubbel grachtenstelsel; moestuinen achter het huis verdeeld in vier kwadranten, ingesloten door deels rechte grachten en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein in rechthoekige nutstuinen, weiden en akkers verdeeld. Linksboven visvijver ten zuiden van de koetshuizen. Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort J.Th. Übbing, tussen 1823 en 1825
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland binnen dubbel grachtenstelsel; tuinen achter het huis in kleinschalige landschapsstijl, ingesloten door grachtenstelsel met lange rechte delen en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein verdeeld in rechthoekige of ruitvormige nutstuinen, weiden en akkers. Linksboven visvijver ten zuiden van koetshuis en stallen en omgeven door nutstuinen (?). Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl dat men volgens dit nieuwe ontwerp kon bereiken via een slingerpad vanaf het huiseiland. Noorden linksboven.
Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort. J.D. Zocher jr. toegeschreven, [1825]
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland met heesterpartijen, omgeven door een slingerend riviervormig grachtenstelsel. Akkers of in stroken gedeelde moestuinen (gestreepte ruimtes) ten zuiden van visvijver en huiseiland. Ruimte rond visvijver geheel omsloten door meesterpartijen. Hele terrein in afgeronde ellipsvormige, niervormige en ovaalvormige ruimtes (akkers en weides) verdeeld. Midden-onder waterpartij met (graf)eiland en sterrenbos. Sterrenbos en voormalige Schipbos via paden rondom open weide verbonden. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu

J.D. Zocher jr. heeft in 1825 Landfort bezocht en een nieuw ontwerp-voorstel gedaan aan de heer Luyken. Ook zijn broer Carel G. Zocher schijnt hieraan zijn medewerking te hebben verleend. Waarschijnlijk fungeerde hij als opzichter. Uit correspondentie tussen Jan Zocher en J. Bondt (een zaakwaarnemer van Johann Luyken) blijkt dat Zocher die zomer ‘in de buurt’ (op Biljoen te Velp) moest zijn en dat bezoek zou kunnen combineren met een bezoek aan Huis Landfort om een oculaire inspectie uit te voeren voordat hij zich zou wagen aan een plan voor een belangrijke beek (de omgrachting van het huiseiland en/of van het grafeiland, in Zocherstijl ). Verschillende tuinen, weiden en akkers werden nu door de Zochers tot één landschappelijk en samenhangend plan verenigd. De paden kregen een veel natuurlijker verloop met ruime bogen en het oude formele grachtenstelsel werd vergraven tot een karakteristieke Zocheriaanse slingerende waterpartij (‘beek’ in flauwe M- / W-vorm). Slechts vóór de bijgebouwen bleef een kleine omsloten rechtlijnige aanleg rondom de langwerpige visvijver gehandhaafd. Dat het ontwerp van de Zochers werkelijk is uitgevoerd, wordt bevestigd op de Topografische Kaart van 1843. In grote lijnen is de landschappelijke indeling van het terrein en het karakteristieke Zocheriaanse grachtenstelsel hier duidelijk op terug te vinden.

Topografische Kaart 1843

Huis, koetshuis, park en omliggende landerijen zijn in zwaar verwaarloosde toestand in 1970 aan St. Geldersch Landschap verkocht. Zichtlijnen werden open gekapt, nieuwe borders en waterpartijen werden aangelegd en de visvijver hersteld. Het huis werd alleen uitwendig gerestaureerd. In 2017 is het hele complex in eigendom overgegaan op Stichting Erfgoed Landfort. Deze stichting ziet restauratie van het huis, de herbouw van de bijgebouwen en de revitalisatie van het park als haar belangrijkste doel.

In 2020 wordt een nieuwe moestuin aangelegd en het park gerenoveerd. Het is de bedoeling dat In de toekomst huis en tuinen voor bezoekers worden opengesteld.

Literatuur: Heimerick Tromp, Landfort revisited: Nieuw licht op een oude buitenplaatsDe Woonstede door de eeuwen heen 121 (1999), pag. 16-25.

Website: erfgoedlandfort.nl

Archief: De archieven Familie Luyken op Landfort te Megchelen en Stichting Rhijngeest als eigenaar van Huize Landfort te Megchelen zijn respectievelijk in 2016 en 2013 ondergebracht bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (Doetinchem). De inventarissen van genoemde archieven en foto’s van Landfort zijn in te zien op www.ecal.nu


Neercanne terrassenkasteel

Op 14-07-2020 stond een bericht van Fons Habets op LinkeIn: “Onlangs heb ik in opdracht van MH1 Architecten en Van der Valk tuinhistorisch onderzoek gedaan naar de terrassentuin van Kasteel Bloemendaal in Vaals. Een leuke klus. De terrassentuin is een van de weinige terrassentuinen in Nederland, zo niet de enige terrassentuin met een formele aanleg en met 18e eeuwse tuinornamenten, die goed bewaard is gebleven. Bijzonder zijn een rij van tamme kastanjes (castanea savita) van ca 130 jaar oud en twee even oude zomereiken (quercus robur).”

Kasteel Neercanne. Ph. van Gulpen. 1836. Deze schildering accentueert meer de landschapsstijl, terwijl de barokke terrassenaanleg niet te zien is

Ik vroeg Fons Habets of Neercanne dan niet meetelde als terrassenkasteel. Zeker, was zijn antwoord.

Daarom, zie nogmaals het vorige Bericht, dat ik heel toevallig (?) net had geplaatst, echter zonder deze prachtige schildering van Ph. van Gulpen.

Neercanne kweeperentuin

n.a.v. de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg

Neercanne ca. 2020. Luchtfoto. Buiten de muren van het kasteel een boomgaard en een wijngaard

3 juli jl: “We staan met de voeten in de klei bij een van de nog onontdekte parels van Limburg”, sprak Iris Bakker van Visit Zuid-Limburg bij de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg. De bijeenkomst vond plaats in de Kweeperentuin (de Gaard) van Neercanne. Doel van de actie is vakantiegangers te verleiden naar onontdekte parels in de zuidelijke regio te gaan. De corporate pr functionaris doelde daarbij niet alleen op de gaard van het château, maar ook op de geleverde krachtsinspanning door de marketingorganisaties van Noord-Limburg, Midden-Limburg, Zuid-Limburg en Maastricht.

Ik wist helemaal niet dat er een Kweeperentuin was, behorend bij Neercanne. In 2000, voor de aanleg van deze tuin, maakte ik een beschrijving van de tuinen van Neercanne voor de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (Rotterdam, 2000). De Kweeperentuin is later toegevoegd. Mijn tekst luidde in 2000:

“Tegen de dalwand van de Jeker, op de oosthelling van de Cannerberg, ligt vlak voor de grens met België kasteel Neercanne. Het tegenwoordige kasteel dateert uit 1698. Het werd in classicistische stijl gebouwd in opdracht van generaal Daniel Wolff Baron den Dopff, gouverneur van Maastricht. Den Dopff liet midden voor het kasteel drie terrassen aanleggen.

Het laagste terras aan de kasteelzijde van de weg, bestond uit een rijke parterre de broderie met in het centrum een bassin. Aan de overzijde van de weg werden de tuinen voortgezet met een breed bassin, afgesloten met een halfronde ‘exedra’ en een zichtlaan. Rondom graasden koeien. Overblijfselen in de vorm van een poel zijn hier nog terug te vinden. De tuinen van Neercanne waren in 1717 zo beroemd, dat Tsaar Peter de Grote het bos en de hof kwam bezichtigen.

G. de Bruyn. Neercanne. Gravure 1715

Aan het eind van de zeventiende eeuw was Neercanne in de eerste plaats een ‘villa rustica’: een economisch landbouwbedrijf waar bovendien het plezier van het buitenleven gecombineerd werd met dat van de kunsten. De economische functie werd door klassieke tuinbeelden gesymboliseerd, zoals die van Mercurius, het symbool van welvaart en voorspoed; Diana, symbool van de jacht en Ceres, symbool van de landbouw. In het heldendicht van Francois Halma uit 1715, getiteld ‘Het Kasteel van Aigermont…‘ kunnen we lezen dat de economie van Neercanne was gebaseerd op landbouw (korenvelden), fruitcultuur (boomgaarden en fruit tegen de hoge warme mergelmuren op het tweede terras), houtcultuur (sterrebossen), wijncultuur (ook tegen de muren), bijenteelt en veeteelt (in de overtuin en ook in de omliggende velden graasden koeien). Deze landbouwactiviteiten spelen ook een belangrijke rol in Vergilius’ ‘Georgica’ waarin het leven op het land wordt verheerlijkt. Het is dan ook niet toevallig dat Vergilius in het gedicht van Halma een rol speelt in de persoon van ‘de Mantuaan’, de man uit Mantua. Deze combinatie van landbouwbedrijf en buitenplaats doet ook denken aan de landbouwbedrijven in de Veneto, waarvan sommige gebouwd werden door de bekende bouwmeester Palladio.

Halma noemt Neercanne ook een ‘lusthof van vermaak’. Sierelementen die hij beschrijft zijn parterres de broderie, geknipte taxusbomen, planten in potten, tuinbeelden, waterkommen en fonteinen, een obelisk, een belvédère en twee paviljoens. Deze zijn ook te vinden op de gravure van G. de Bruyn die Halma als illustratie opnam.

Uit de negentiende eeuw zijn twee tekeningen bekend, een van J. Lefebure uit circa 1840 en een anonieme uit 1848, waarop heel duidelijk de bomen en vaste planten die toen op het tweede en derde terras groeiden zijn te onderscheiden. Enige jaren geleden is een deel van de tuinen van Neercanne gerenoveerd, naar de laat-zeventiendeeeuwse situatie. Dit was niet eenvoudig, omdat over de originele tuinen weinig gegevens beschikbaar waren. Bij de renovatie is men uitgegaan van het behoud van de hoofdstructuren van de tuinen. Ook de oude begroeiing van de hoge warme mergelmuren met druiven, abrikozen, perziken, witte en rode rozen, achtte men naast de wilde begroeiing van gele helmbloem, belangrijk.

Voor het benedenterras langs de weg heeft de tuinarchitect W.J.A. Snelder een nieuw, modern ontwerp gemaakt, gebaseerd op de zeventiende-eeuwse parterre de broderie. De centrale parterres rond het bassin werden in strakke, moderne vormen uitgevoerd. De middenas van Neercanne, die doorloopt in de overtuin, was waarschijnlijk gericht op Huis Lichtenberg aan de Maas. Deze overtuin is eigendom van de Stichting Het Limburgs Landschap en is niet in de renovatie meegenomen.

Boven het kasteel ligt het Cannerbos. Een dergelijk hellingbos is een typisch Zuid-Limburgs verschijnsel. Het bos volgt in een smalle strook de steile dalwanden van de Jeker en is botanisch zeer interessant. Omstreeks 1700 lag hier een sterrebos met aan de rand een tuinkoepel.

Kasteel Neercanne en het Cannerbos zijn nu een geliefd recreatief doel voor de inwoners van Maastricht. In het Cannerbos groeien veel voorjaarsbloemen en er is een rijke vogelstand. Ondergronds bevinden zich uitgestrekte mergelgroeven waar vleermuizen huizen. Heden ten dage is nog steeds de combinatie van economie en vermaak de reden van Neercanne’s bestaan. Het huis doet dienst als hotel en vergadercentrum, terwijl de gerestaureerde tuinen zijn opengesteld voor het publiek.”

Huis Anton de Kom restauratie noodzakelijk

(overgemnomen artikel van Armand Zunder in STAR NIEUWS, 22-02-2015; afbeeldingen ingelast):

Huis nationale held Anton de Kom vervallen tot krot.

Het huis in Paramaribo waar Anton de Kom in 1898 is geboren

Wie langs de hoek Hofstraat / Anton de Komstraat in Paramaribo rijdt, fietst of loopt komt het zeker tegen. Het is één van de talrijke krotten die onze hoofdstad nog ontsieren.

Voor het huis staat een zuil waarop ter gelegenheid van 22 februari 1985 de volgende inspirerende tekst gegraveerd staat:

‘SRANANG | MIJN VADERLAND | EENMAAL HOOP IK | U WEER TE ZIEN | OP DE DAG WAAROP | ALLE ELLENDE | UIT U | WEGGEWIST ZAL ZIJN’

Een groot deel van de passanten kennen de achtergrond van dit vervallen huisje niet. Een deel kent het wel en misschien laat het hen koud. 

Op 22 februari is het vanuit de optiek van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (NRCS) wel van belang om even bij de achtergrond van dit al jaren vervallen gebouw in onze binnenstad stil te staan. In dit gebouw is namelijk 117 [122] jaar geleden [in 1898] op deze datum de activist, vakbondsleider, auteur van o.a. de klassieker ‘Wij slaven van Suriname’, dichter en verzetsstrijder Anton de Kom geboren. Op deze plek hield hij in 1933 zijn spreekuren om de belangen van de talrijke ‘mofinawans’ uit alle etnische groepen die hem bezochten te behartigen. Anton de Kom is inmiddels in Suriname in ieder geval na zijn dood uitgegroeid tot een nationale held, die op bankbiljetten prijkt. In het geschiedenisonderwijs vanaf de lagere school is zijn verhaal prominent aanwezig. Op het Universiteitscomplex heeft hij een borstbeeld staan en bij Staatsolie ligt er al een aantal jaren een standbeeld van hem in een loods. 

Borstbeeld Anton de Kom Paramaribo
Anton de Komplein Amsterdam

Welnu elke Surinamer heeft wel op de één of andere manier van Anton de Kom, of van zijn werk gehoord. Is het dan normaal dat het huis waarin deze geweldige Surinamer geboren is en ook deels gewerkt heeft tot een krot moest vervallen? Is er in deze geen sprake van een nationale schande?

Wat denkt o.m de Stichting Stadsherstel Paramaribo over de restauratie van dit monument?

Logo Stadsherstel Paramaribo

Uit goed geïnformeerde bronnen heeft de NRCS vernomen dat er enkele jaren geleden een gedachte door de Gemeente Amsterdam is gelanceerd om dit pand te restaureren en er iets moois van te maken. Dit project is toen niet doorgegaan omdat de Gemeente zich o.a. niet kon terugvinden in de samenstelling van de beheersorganisatie die na de bouw het project zou beheren. De NRCS vindt dit een geluk bij een ongeluk, omdat historische gebouwen in eerste instantie in de onafhankelijke Republiek Suriname door de regering van Suriname en/of door bedrijven en burgers van Suriname in principe zelf moeten worden gerestaureerd en verder goed moeten worden onderhouden.

De NRCS is bereid om samen met anderen het voortouw te nemen om het gebouw waar Papa De Kom is geboren in het kader van het decennium van mensen van Afrikaanse afkomst als project aan te pakken. Wie doet mee? Inmiddels heeft een bekend ingenieurs-bureau al te kennen gegeven dat het kantoor bereid is om het projectdossier voor de restauratie op te stellen en ook mee wil denken over de exploitatie en het beheer.

Wie wenst er meer mee te doen, om als Surinamers in Suriname en in de diaspora aan een gezamenlijke inspanning mee te werken om binnen afzienbare tijd dit pandtje in hartje Paramaribo om te toveren in een prachtig educatief ontmoetingscentrum ter nagedachtenis aan één van onze meest bekende nationale helden, Anton de Kom. Hierna zullen wij verder kijken om de regering voor te stellen om 22 februari in het kader van het proces van natievorming in ons land aan te stellen als Dag van Anton de Kom. Wij willen voor de goede orde à priori stellen dat het in deze niet gaat om een extra vrije dag, want die hebben wij al meer dan genoeg voor een land met zo een kleine economie en met zo een kleine bevolking”.

Naar aanleiding van deze oproep uit 2015 uit STAR NIEUWS, vragen wij ons af of er inderdaad een restauratie van het huis van Anton de Kom op gang is gekomen. Wij willen ons graag inzetten om mee te denken over het stukje cultuurgrond achter het huis. Daar is vast en zeker een waardig echt Surinaams kostgrondje / moestuintje van te maken, zodat men zich ook in de tuin in de tijd van Anton de Kom zal kunnen wanen.

Zie ook het uitstekende artikel op Nieuwsbrief Dodenakkers: https://www.dodenakkers.nl/artikelen-overzicht/beroemd/politiek/kom-anton-de.html?utm_source=Laposta&utm_campaign=Nieuwsbrief+juli+2020+&utm_medium=email

Onze band met Suriname bestaat al meer dan vijftig jaar, zie het onderzoek van Feddo Oldenburger en Reinoud Norde 1968.

Snipper Zocher-geschiedenis toegevoegd

Onlangs vertelde Mw. Joan Patijn mij dat er in Bloemendaal (rondom de oude Dorpskerk ) een oud kerkhof ligt en dat een zekere mevrouw C.J. Louisse in de jaren 1986-1990 een inventarislijst had samengesteld van grafstenen, die daar nog steeds aanwezig zijn.

Jan David Zocher geschilderd door Woutherus Mol, ca. 1830. Coll. Frans Hals Museum

Eerst iets over de kerk en de begraafplaats (overgenomen en aangevuld van de website van Vrienden van de Dorpskerk / dorpskerkbloemedaal.nl):

“De Bloemendaalse Dorpskerk kent een lange geschiedenis. In 1632 besloten bezitters van buitenplaatsen een kerk in het dorp te bouwen, speciaal voor de protestantse erediensten. Ook de dorpelingen zelf wensten een ‘Predikhuys’. Op 25 maart 1636 werd de eerste eredienst gehouden. Vanaf die tijd werden de leden van de kerk begraven in de kerk en op het kerkhof dat rondom de kerk is gelegen. … … Bijzonder in het interieur zijn de 17e-eeuwse gebrandschilderde ramen van de Haarlemse ‘glasschrijver’ Pieter Holsteyn I, schenkingen van de kerkstichters en de Heer van Brederode, de Staten van Holland en de steden Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Dordrecht, Beverwijk en Leiden. Andere historische elementen zijn de preekstoel met daarvoor het doophek, de herenbanken en enkele graf- en gedenkstenen. Ook de luidklok uit 1637 is nog in de toren aanwezig. Als monument in een monument prijkt het orgel van de 18e-eeuwse Leidse orgelbouwer Pieter Assendelft, dat voorheen in Groningen in de kerk van Baflo stond. Het onderhoud van de kerktuin is in handen van een team enthousiaste vrijwilligers.”

Naast een bijzondere glazenier was Pieter Holsteyn (1585-1662) ook een bekend schilder en tekenaar. Vooral zijn tekeningen van insecten en vogels zijn bekend gebleven. De Bibliotheek Wageningen UR bewaart ook enkele van zijn tekeningen, waaronder deze verzameling vlinders.

Pieter Holsteyn I. Blad met verzameling vlinders. Coll. Bibliotheek WUR / Speciale Collecties

Joan Patijn en haar man zijn twee van die enthousiaste vrijwilligers. Zij nam contact met mij op omdat op de lijst van de grafstenen “Jan David Zocher, overleden 1827”, voorkomt. De grafsteen zelf hebben zij nog niet her-ontdekt, deze ligt nu nog onder het zand, maar iedere zaterdagmiddag worden grafstenen schoongemaakt en hoopt men deze steen te kunnen fotograferen en te vergelijken met de gegevens op de lijst. Een foto van de Jan David Zochersteen hoop ik ter zijner tijd te mogen ontvangen.

Oude Dorpskerk (PKN) Bloemendaal met rondom de tuin met kerkhof

Maar de verstrekte gegevens stellen mij toch voor een raadsel. De grafsteen van J.D. Zocher jr. is reeds bekend. Zie foto hieronder. Deze staat op de begraafplaats Kleverlaan (de oude buitenplaats Akendam) te Haarlem.

Joan Patijn legt een Cascade-kransje bij grafsteen van J.D. Zocher op begraafplaats Kleverlaan te Haarlem. Foto Niek Steenbergen, 2013

We nemen dus aan dat de grafsteen in Bloemendaal J.D. Zocher sr. zal betreffen. Hij overleed in 1817 (en niet in 1827) op Soestdijk. Heeft Mw. Louisse zich misschien vergist of is de Bloemendaalse steen mogelijk deels onleesbaar, zodat zij het jaartal 1827 gelezen heeft in plaats van 1817? Maar waarom zou Zocher sr. begraven liggen in Bloemendaal? In 1817 woonde J.D. Zocher sr. voorzover we weten buiten de Kennemerpoort, op de kwekerij Rozenhagen. Het gezin van J.D. Zocher jr. woonde in 1827 op de buitenplaats Akendam, gelegen in de gemeente Schooten, ten noorden van Haarlem en ten oosten van de gemeente Bloemendaal. Als het werkelijk zo is dat het jaartal 1817 niet goed leesbaar is en men om die reden 1827 heeft genoteerd, dan zou deze grafsteen de steen van J.D. Zocher sr. kunnen zijn, want zijn graf en steen zijn tot heden niet teruggevonden.

Te mooi om waar te zijn zou je bijna zeggen. Ik deed verder onderzoek naar het jaar 1827 en de geschiedenis van Bloemendaal. Waarom werd er een Jan David Zocher begraven in Bloemendaal in 1817 of 1827? De familie woonde toch helemaal niet in Bloemendaal. Het zou ook een her-begrafenis kunnen zijn van Jan David senior, die misschien eerder in Soestdijk was begraven?

Begraafplaats Kleverlaan, aangelegd en ontworpen door Jan David Zocher jr. Uitbreidingen van Louis Paul Zocher (ontwerp 1879) en Leonard A. Springer (ontwerp 1915)

Nader onderzoek wees uit dat Jan David Zocher jr. en zijn vrouw Amy May (weduwe van Arnoldus Martinus Penninck Hoofd en voor de tweede maal in 1819 gehuwd met Jan David Zocher jr.) geruime tijd na het overlijden van Penninck Hoofd (1818) op de buitenplaats van Pennink Hoofd hebben gewoond (L.P. Zocher werd in 1820 op Akendam geboren), totdat zij de plaats moesten verlaten omdat zij deze hadden verkocht aan de gemeente Haarlem, om er een buiten-begraafplaats te realiseren, naar ontwerp van Zocher jr. zelf. Waarschijnlijk is het gezin Zocher-May in 1827 vertrokken naar een huis op de kwekerij Rozenhagen te Haarlem (even buiten de Kennemerpoort). Als het jaartal 1827 wel correct is overgenomen, is het begrijpelijk dat er in 1827 niet begraven kon worden op Akendam, omdat Akendam vanaf die tijd op de schop ging.

Het nader onderzoek bracht ook nog een geheel andere kijk op de zaak naar voren, die mogelijk tot de meest logische oplossing leidt. Jan David en Amy May kregen in 1820 een zoon, de eveneens bekende tuinarchitect Louis Paul Zocher. Een paar jaar later kreeg Louis Paul een zusje, genaamd Amy Zocher (geboren 10-01-1825 en overleden 27-04-1827). Zou de grafsteen op de oude begraafplaats te Bloemendaal haar grafsteen kunnen zijn en zouden op die grafsteen ook de namen van haar vader en moeder zijn gehakt en zouden die nu bijna 200 jaar later grotendeels onleesbaar zijn geworden? Mogelijk zijn die namen dan maar half en half te lezen geweest en heeft Mw. Louisse alleen het jaartal van overlijden en de naam van de vader kunnen noteren? Het lijkt een logische oplossing; we wachten rustig af tot de vrijwilligers de steen vinden en fotograferen. Wordt vervolgd.