Alle berichten van Carla Oldenburger

Bloemen, bomen, landschappen in ‘Metamorphosen’ van Ovidius

Als eerste-klassertje op het stedelijk gymnasium in Utrecht (1953/1954) vond ik Griekse mythologie heel erg moeilijk. Ik kon die moeilijke vreemde namen van goden en godinnen maar niet onthouden, maar uiteindelijk wist ik gelukkig toch voldoende resultaat te behalen.

Catalogus van de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum

Nu word ik uitgedaagd door de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum (6 februari t/m 25 mei 2026). De tentoonstelling is uiteraard geïnspireerd op de gedichten van Ovidius. Als deskundige op het gebied van historische tuinen en bloemen en landschappen vraag ik me nu af, welke planten en bomen en tuinen komen er eigenlijk in de Metamorphosen voor en in welke Metamorphosen spelen zij een rol?

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste bloemen, planten, bomen en tuinen (met behulp van AI) :
BLOEMEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES
Narcis uit de hoogmoedige jongeling Narcissus die verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld en verandert in de wit-gele bloem die naar hem vernoemd is.

Hyacint uit de jongeling Hyacinthus geliefd door Apollo. Nadat hij per ongeluk door een discus wordt gedood, verandert Apollo zijn bloed in de hyacintbloem.

Apollo en Hyacinthus

Anemoon ontstaan uit het bloed van Adonis, de geliefde van Venus, nadat hij door een zwijn is gedood.

Saffraankrokus ontstaan uit de sterveling Crocus, die door Mercurius (Hermes) in een bloem werd veranderd na een tragisch ongeval.

Viooltjes en rozen: worden vaak genoemd in de context van bloemenkransen of als beschrijving van weiden

BOMEN EN STRUIKEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES

Laurier (Laurus nobilis): Daphne verandert in een laurierboom om te ontsnappen aan de amoureuze achtervolgingen van Apollo.

Moerbei (Morus): De vruchten van de moerbeiboom verkleuren van wit naar donkerrood (zwart) door het bloed van de tragische geliefden Pyramus en Thisbe.

Pyramus en Thisbe bij de moerbeiboom

Cipres (Cupressus): Kyparissos, die per ongeluk het hert van de nimfen doodde en ontroostbaar was, wordt door Apollo veranderd in een cipres.

Linde en Eik: Het gastvrije, oude echtpaar Philemon en Baucis verandert na hun dood in een linde en een eik, die met hun stammen in elkaar verstrengeld raken.

Mirre (Myrrha): Veranderde in een mirreboom nadat ze zwanger was geworden van haar eigen vader.

Zwarte den (Pitys): De nimf Pitys werd in een zwarte den veranderd om te ontkomen aan Pan.

Waterriet (Calamus): De nimf Syrinx veranderde in waterriet toen ze werd achtervolgd door Pan.

Heliotroop/Zonnebloem (Clytie): De nimf Clytie, verliefd op de zonnegod Sol, veranderde in een bloem die haar gezicht naar de zon draait.

TUINEN EN LANDSCHAPPEN

De Tuin van Pomona: Een centrale plaats in Boek XIV. Pomona is de nimf/godin van de boomgaarden en tuinen, die zich opsluit in haar tuin en bemind wordt door Vertumnus.

Vertumnus en Pomona in tuin door Peter Paul Rubens. Coll. Prado Madrid

De Tuin van de Hesperiden: Bekend van de gouden appels, bewaakt door een draak.

Wildernis en bossen: Ovidius beschrijft vaak de ‘wildernis’ (locus amoenus of juist angstaanjagend bos) als de plek waar nimfen worden opgejaagd of metamorphoses plaatsvinden.

DIEREN

Op de dieren in de Metamorphosen ben  ik in eerste instantie niet ingegaan. Misschien wijd ik daar nog een tweede Bericht aan? Ik vroeg daarom AI mij te helpen met het samenstellen van een kort overzichtslijstje.  Hieronder volgen enkele van de belangrijkste dieren en transformaties in het werk van Ovidius:

  • Koe/Vaars: De nimf Io wordt door Jupiter in een witte koe veranderd om haar te verbergen voor Juno.
  • Herten: Actaeon wordt door Diana in een hert veranderd nadat hij haar naakt heeft gezien, waarna hij door zijn eigen jachthonden wordt verscheurd.
  • Ijsvogels (Halcyonen): Alcyone en Ceyx veranderen in ijsvogels na een tragische verdrinking.
  • Olifant, Leeuw, Aap, Hond, Koe: Deze dieren worden genoemd als voorbeelden in de context van de mythologische verhalen en de illustraties daarvan.
  • Slang/Draak: Cadmus doodt een draak en later veranderen hij en zijn vrouw in slangen.
  • Vogels (diverse):
    • Koekoek: Jupiter vermomt zich als koekoek om Juno te verleiden.
    • Adelaar: Jupiter neemt vaak de gedaante van een adelaar aan.
    • Zwaan: Jupiter vermomt zich als zwaan (bij Leda).
    • Raven/Kraaien: Worden in verschillende verhalen genoemd (o.a. in het verhaal van Apollo en Coronis).
  • Spinnen: Arachne wordt door Minerva in een spin veranderd na een weefwedstrijd.
  • Dolfijnen: Mensen die in dolfijnen veranderen (o.a. de zeerovers in het verhaal van Bacchus).
  • Mieren: De Myrmidonen (mensen ontstaan uit mieren).
  • Wolf: Lycaon wordt door Jupiter in een wolf veranderd.

Bezoek aan de tentoonstelling warm aanbevolen: Sculpturen van Cellini, Bernini, Rodin en Bourgeois staan naast schilderijen van Titiaan, Correggio, Caravaggio, Arcimboldo en Rubens.

Klooster Ter Apel: gezien van de 19de eeuw tot 21ste eeuw

Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door  Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum

Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk.     Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste  eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude)  eenentwintigste  eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.

Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:

“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.

Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw. 

De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. 1995. Zie verder:Tijdschrift Buiten 1910, p. 496-498; 508-512. Cultuurhistorische verkenning, RDMZ, 1995.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.

Kasteel Oud- Poelgeest en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave

Zaterdag 31 januari zal op initiatief van de Stichting Erfgoed Oud-Poelgeest de kapel op de buitenplaats Oud-Poelgeest te Oegstgeest na restauratie worden heropend. Vanaf mei 2026 is het dan mogelijk het gebouwtje te huren. De kapel is een rijksmonument,  gebouwd in 1857, gelegen aan de Haarlemmertrekvaart en een bijzonder voorbeeld van 19e-eeuwse neogotische architectuur.

Kasteel Oud-Poelgeest. Litho naar tekening van G. J. Bos, 1859. Coll. Oud-Poelgeest.

De buitenplaats en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave  werden al eerder kort door mij beschreven in de ‘Gids voor de tuin- en landschapsarchitectuur’ (1998):

Het huis Oud-Poelgeest ligt aan het eind van een oprijlaan, omringd door een parkbos met uitzicht op de aangrenzende polder. Hoewel de geschiedenis teruggaat tot in de veertiende eeuw, toen het omringende land in cultuur werd gebracht en hier een versterkte hof werd gebouwd, zijn de torens, die het huis het kasteelachtig uiterlijk geven, ontsproten aan de negentiende- eeuwse fantasie.

In de zeventiende eeuw was Oud-Poelgeest een sober classicistisch huis, gebouwd in opdracht van Maria Catherina Sohier de Vermandois door de architect Erasmus den Otter. Het stond toen nog, zoals een verdedigbaar riddergoed betaamt, vrij in het water.

Professor Herman Boerhaave (1668-1738) kocht in 1724  dit kasteel.

Tulpenboom uit de tijd van H. Boerhaave.

Hij was arts in Leiden en werd in 1701 lector in de geneeskunde en in 1709 zowel hoogleraar in de geneeskunde als in de botanie. Door zijn vele internationale contacten wist Boerhaave de Leidse Hortus Botanicus aanzienlijk te verrijken, zodat het een belangrijk centrum voor botanische studie werd. In 1710 werden er nog 3700 verschillende plantvormen in de Leidse Hortus waargenomen; in 1720 kwamen er al 5846 in de index van de Leidse Hortus voor en in 1728 sprak men van 7500 plantvormen, alles door toedoen van Herman Boerhaave. Boerhaave woonde zestien jaar op Oud- Poelgeest en richtte daar het eerste arboretum van Nederland in. In 1855 vermeldde W.J. Hofdijk in zijn ‘Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leyden’, dat van de vele uitheemse gewassen die Boerhaave op Oud-Poelgeest had aangeplant er nog slechts ‘één ouden, wegmolmenden tulpenboom’ restte.

Boerhaave’s kleindochter huwde met H.W. baron van Leyden. Via hem kwam het goed aan mr. Alexander baron van Rhemen van Rhemershuizen. Hij liet de gracht aan de zijde van de oprijlaan dempen en de ophaalbrug kwam toen te vervallen.

In begin jaren zestig van de vorige eeuw kwam Gerrit Willink, Ambachtsheer van Bennebroek op Oud- Poelgeest wonen. Hij had in Bennebroek vanaf 1861 ervaring opgedaan met de tuinarchitecten J.D. en L.P. Zocher en al vóór hij eigenaar werd van Oud-Poelgeest gaf hij in 1862 wederom J.D. en L.P. Zocher de opdracht een vernieuwingsplan voor het park te maken. Hij liet ook aan de vaart achter het huis, als romantisch tuinsieraad een kleine kapel in neogotische trant bouwen. In deze kapel hield hij voor zijn personeel diensten van de ‘Vergadering van Gelovigen’. Het ontwerp van de Zochers is helaas nooit teruggevonden, zodat het ook niet duidelijk is of het is uitgevoerd. De neogotische kapel zal waarschijnlijk ook van de hand van J.D. Zocher jr. geweest zijn, daar zijn architectuurontwerpen vaak in neogotische stijl werden uitgevoerd. Willink liet Oud-Poelgeest na aan zijn dochter, die in 1866 met een neef trouwde. Dit jonge echtpaar Willink-Willink liet het huis verbouwen tot het huidige imitatie-kasteel en verlegde de oprijlaan, die tijdens de veranderingen in landschapsstijl (in een bocht) was gelegd, weer op de as van het huis. De Firma J.D. en L.P. Zocher werd gevraagd hiervoor een ontwerp te maken. Aan de weg werd een monumentaal inrijhek geplaatst.

Op Oud-Poelgeest staan enkele fraaie oude bomen, zoals de solitairen op de weide achter het huis. Het parkbos heeft rechte en slingerende lanen met oude bomen en een ondergroei van hulst.

Genomineerden voor de Gouden Terebinth (o.a. de buiten-begraafplaats Hilversum)

Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.

Logo Stichting Terebinth in het goud

De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).

We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .

Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.

Dit is mijn tekst, die ik in 1998 schreef voor onze Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 3, 1998:
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay  en Albertus Perk, notaris,  wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”

Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen

De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat  het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen,  tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij. 

Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie  afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly.     De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.

Mirafiori Italiaans restaurant van weleer (jaren vijftig tot 2001)

 

Visitekaartje Restaurant Mirafiori. tekst in wapen: ‘cum necessitate iustitia’ / ‘met de noodzaak van rechtvaardigheid’. Part. Coll.

Binnenkant visitekaartje  Restaurant Mirafiori. Chianti Bucalossi aanbeveling. Part. Coll.

Het Italiaanse Restaurant Mirafiori is waarschijnlijk al voor de oorlog gevestigd in Amsterdam;  in ieder geval is het sinds de jaren vijftig bekend op adres Hobbemastraat nr. 2. Directeur was Giorgio Hadley.  Het woningencomplex waartoe Hobbemastraat 2 behoort,  is een ontwerp van de ingenieur-architect Isaak Gosschalk (1838-1907) en is gebouwd in 1879, nu rijksmonument. In 2001 is Restaurant Mirafiori gesloten wegens faillissement.

De aanleiding van dit Bericht is dat ik op Kerstavond (2025) van mijn nichtjes een nostalgisch cadeautje kreeg, een visitekaartje van Restaurant Mirafiori (met mooie interieur-foto), met de naam en datum van ons bezoek met potlood erop geschreven, nl. 26-12-1957, dat is dus nu precies 68 jaar geleden.

Hobbemastraat 2, hoek Vossiusstraat. Amsterdam. Ingang naar belétage Mirafiori links (in Hobbemastraat), in derde travee van de hoek. Rechts de bomen van het Vondelpark. Foto Stadsarchief 1988

In mijn beleving was dit etablissement het  eerste Italiaanse restaurant in Amsterdam. Ik kwam er geregeld als ik bij mijn oom en tante en mijn twee nichtjes logeerde. Tijdens deze logeerpartijen werden wij kinderen altijd verschrikkelijk verwend; elke dag trokken we er op uit, naar de bibliotheek (we lazen elke dag de hele ochtend in bed), naar een taartjeswinkel of naar een film in Tuschinski en daarna direct oversteken naar de Cineac waar je net zo lang kon blijven zitten als je zin had want de film begon gewoon weer opnieuw. In ons geval werden we aan het eind van de middag opgehaald. In kerstvakanties bezochten we het Kerstcircus in Carré. Ook de poffertjeskraam in het Leidse Bosje stond steevast op het programma.

Interieur Restaurant Mirafiori. Foto op achterkant bovenstaand visitekaartje. Part. Coll.

Maar nu even terug naar Mirafiori. In mijn herinnering leidde een trap vanaf het straatniveau naar de belétage en hoger, waar het restaurant zich bevond. Langs de muren hingen allemaal grote foto’s van filmsterren (Sophia Loren als Aida?) en andere bekende personen. Niet dat die allemaal daar gegeten hadden, denk ik niet, maar het was een spannende muurdecoratie. Het interieur zei me niet zoveel, want daar had ik toen nog geen verstand van, maar het was er gezellig (zie foto interieur) en er waren aardige obers (o.a. Ober Giovanni Raggio, foto van hem in Stadsarchief) in keurige pakken met vlinderdas die ons altijd elegant in het Italiaans  bedienden en ons hielpen met het kiezen van de toen onbekende Italiaanse gerechten. In wijnen waren wij kinderen natuurlijk niet geïnteresseerd, maar aangezien de naam Chianti Bucalossi (uit Certaldo, Firenze) op het visitekaartje wordt aanbevolen zal het toen wel een goeie wijn geweest zijn. Later werd deze wijn in mandflessen van mindere kwaliteit geacht.

Mirafiori was een bekend en chic restaurant in de jaren vijftig. De decennia erna werd het minder chic, maar bleef wel goed aangeschreven als echt Italiaans en gezellig. Ik vond op Internet drie  bekende Nederlanders die er ook voetstappen hebben liggen, Jan Wolkers, Mensje van Keulen en Johannes van Dam (de culinair journalist).

Jan Wolkers (*1925)

illustratieHuwelijksdiner in restaurant Mirafiori te Amsterdam, 1981.  Het echtpaar Wolkers-Gnirrep geflankeerd door Remco Campert (rechts) en diens vriendin Deborah Wolf (links). Foto Steye Raviez

Mensje van Keulen (*1946) wordt door Van Dam geciteerd in ‘Ons Amsterdam’, 2004: Hoewel Van Keulen het woord ‘gezellig’ niet graag gebruikt, moet dat er nu toch even uit. Want hier zat voorheen, op nummer 2, het Italiaanse restaurant Mirafiori. “Het hing vol met foto’s van operazangers en andere ‘sterren’ en de obers waren zéér aandoenlijk. Ze begroetten je altijd in het Italiaans en wisten het meest eenvoudige voedsel aan te prijzen alsof het viersterren-gerechten waren.”

Johannes van Dam (*1946) schreef in ‘Ons Amsterdam’, 2005: over De smaak van nostalgie. Ook aan Italiaans restaurant Mirafiori bij het Vondelpark heb ik heel oude herinneringen. Dat kwam vooral omdat mijn lagere school om de hoek stond en een van mijn speelkameraadjes de zoon van de directeur van het Parkhotel was. We speelden soms ook wel in de gangen daar, want je betrad de woonkamer van de familie via een hotelgang. Mirafiori lag daar pal tegenover. Niet dat ik toen de treetjes op ging, langs het idyllische schilderingetje van een Italiaans landschap. Verre van dat. Maar de keuken bevond zich in het souterrain in de Hobbemastraat en de enige afzuiging was toen een ventilator in het souterrainraam, die de geuren van die keuken de Hobbemastraat in dreef. Ik herinner me dat ik het vond stinken, maar wel zo dat de geur me iedere keer weer opnieuw aantrok.                                                                                                       Later, veel later, kwam ik er ook eten en ik verbaasde me over de zwierige obers die in groten getale rond je tafel draaiden en je veel te dure slechte wijn aanbevolen. In de keuken stonden nog steeds een veel kleiner aantal bezwete slaafjes de gerechten in elkaar te flansen; de kwaliteit van het eten was duidelijk niet waar Mirafiori op draaide. Met de komst van kwalitatief veel betere Italianen legde Mirafiori dan ook het loodje.

# ons amsterdam, #vondelpark, #stadsarchief Amsterdam

‘Getekend, de natuur’. Tentoonstelling over de relatie tussen mens en natuur.

GETEKEND, DE NATUUR.

In het Centraal Museum Utrecht is een tentoonstelling te zien  (t/m 29 maart 2026) over de relatie tussen mens en natuur, aan de hand van de particuliere collectie Munnicks van Cleeff. Deze bestaat uit ongeveer 1.500 landschapstekeningen en -prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarvan zo’n honderd werken in de tentoonstelling te zien zijn. De collectie bevat gedetailleerde afbeeldingen van de provincie Utrecht en vormt een waardevol document voor de regionale geschiedenis.

Dirk Verrijk. gezicht op de Biltstraat buiten Utrecht. 18de eeuw. Part. Collectie Munnicks van Cleeff

Zo zijn er prenten te zien die bekende plekken als de Biltstraat in Utrecht afbeelden (van Dirk Verrijk), al zijn ze niet meer te herkennen: waar in de zeventiende eeuw nog akkers waren, is het nu volgebouwd. Naast tekeningen en prenten uit de Atlas zijn ook modernere tekeningen en prenten te zien, o.a. van onze voorvader Willem Maris (1844-1910, bekend van zijn koeien-schilderingen natuurlijk) en van de bekende Utrechter Peter Vos (1935-2010). Hier wordt een tekening van Peter Vos uit ons eigen bezit afgebeeld, die veel overeenkomst vertoont met een tekening van hem op de tentoonstelling.

Peter Vos, 1973. Part. Coll. Foto Carla Oldenburger

Opvallend voor mij is dat het onderwerp van deze tentoonstelling wordt gedefinieerd als “de relatie tussen mens en natuur, een levende geschiedenis”,  terwijl mijn leermeester prof. Frans Verdoorn het begrip ‘biohistorie’ altijd uiteenzette met de woorden “relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis”. Het verschil is dat het begrip natuur veel omvattender is dan alleen plant en dier. De beelden in de tentoonstelling zullen dit hopelijk laten zien.

“Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot”. Jaarboek 2023 van Cuypersgenootschap verschenen.

 

Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.

Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.

Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.

Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.

Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.

Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’. Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/