Categorie archief: Bloemen en Planten

De schrijfster Amy Geertruida de Leeuw en enige onbekende pennenvruchten over Tuinkunst

 
Amy Geertruida de Leeuw. Carte de visite. Fotograaf Ludwig Fröhlich. Coll. N-H Archief.
De schrijfster Amy Geertruida de Leeuw (1843-1938) werd geboren in Haarlem in 1843 als oudste kind van Ir. J.C. de Leeuw  en Maria Cornelia Elisabeth Pennink Hoofd. Amy was een halfzus van de tuinarchitect Louis Paul Zocher en een (stief)kleindochter van de beroemde Jan David Zocher.
De Leeuw ontwikkelde al op vroege leeftijd een liefhebberij voor tuinieren. Als kind kreeg ze van grootvader een eigen stukje grond op de kwekerij Rozenhagen. Haar schuilnaam/schrijversnaam is Geertruida Carelsen.
In haar geschriften is liefde voor het buitenleven duidelijk waarneembaar.  Ik kende wel haar artikel ‘ Het werk van de Zochers’ in De Tijdspiegel (1917), maar na enig speurwerk blijkt zij toch als telg uit de Zocher-dynastie ook haar steentje te hebben bijgedragen aan de geschiedenis van de tuinkunst. Zie de titels hieronder, waarvan de meeste nu totaal onbekend zijn.
G. Carelsen. ‘Bloemen en tuinen’. Volks-almanak van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen (1879), p. 42–49.
G. Carelsen. ‘In het park van Muskau’. De Gids. Jaargang 50 (1886).
G. Carelsen. ‘Onkruidpoëzie’ {over het werk van F.W. van Eeden]. De Gids. Jaargang 51 (1887).
G. Carelsen. ‘Eerbied voor het levend materiaal in de tuinkunst’. Haarlem, 1902.
G. Carelsen. ‘De liniaal-epidemie in de tuinkunst’. Onze Eeuw. Jaargang 10 (1910).
G. Carelsen. ‘Bouwkunst en Tuinkunst’. De Beweging. Jaargang 10 (1914).
G. Carelsen. ‘Het werk der Zochers’. De Tijdspiegel 74 (1917), p. 205–220.

Zochers OnLine Nieuwe editie April 2017

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Na ruim vijf jaar is de Zochers OnLine editie uit 2011 eindelijk herzien en vermeerderd. De structuur van deze Internet-publicatie is veranderd; persoonlijke gegevens zijn aangescherpt; enkele Zocherparken zijn uitgewerkt; nieuwe belangrijke illustraties zijn toegevoegd, o.a. het schilderij van Wybrand Hendriks ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’, uit 1799 en een belangrijke kaart van de locatie van de Bloemisterij op Rozenhagen uit 1882; vele aktes en contracten omtrent Rozenhagen, afkomstig uit een particulier familie-archief zijn toegevoegd; de projectenlijst is qua jaartallen en opdrachtgevers aangevuld en bijgesteld. Zonder fouten is het document beslist niet. Aanvullingen en commentaren zijn daarom uiterst welkom.

We zijn erg blij met alle belangstelling voor dit document. In talloze onderzoeksrapporten zien we zinnen uit dit geschrift terug (met of zonder bronvermelding, foei); in Haarlem/Bloemendaal  werd het na overleg gehanteerd als uitgangsdocument voor lezingen en fietsroutes;  in Zuid-Holland werd het in overleg gebruikt als onderlegger voor hun ‘Handreiking bij beheer en herstel’ van Zocherparken .  Ook vele Zocher-onderzoekers en instituten namen onze biografische en geografische Zocher-gegevens graag over.

We hopen dat ook andere provincies met veel Zocherparken (Noord-Holland, Gelderland, Utrecht) in overleg met ons bureau onze studie gaan gebruiken.

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Nieuwsgierig naar de plannen voor Soestdijk?

Consortium Soestdijk Buitenplaats van Nederland heeft gisteravond woensdag 12 april een informatie-avond gehouden over het toekomstplan Buitenplaats Soestdijk.  Als Zocher-specialisten werden we begin 2016 uitverkoren mee te denken en te adviseren met deze groep, op het gebied van de historie van het park en de karakteristieke kenmerken van Zocherparken. Dat zullen we graag doen natuurlijk.

Het park is geanalyseerd op te behouden Zocher-kenmerken en aangepast voor een groot 21-ste eeuws bezoekerspubliek in de geest van de vroegere bewoners. Zie hier het parkontwerp in plattegrond. Op de website http://www.buitenplaatssoestdijk.nl, kunt u alles lezen over de plannen. Veel plezier met de ontdekking van dit prachtige parkplan. Maar naast de aanpassing van het park, gaat er nog veel meer gebeuren. Zie dus de website.

 

 

Vincent van Gogh en ingepakte rozen? Wie helpt?

Ingepakte rozen of wat tekende Vincent van Goch hier?   Wie helpt?

Wintertuin, 1884. achter de pastorie te Nuenen. Vincent van Gogh, potlood, pen in inkt, op papier. Van Gogh Museum, Amsterdam

Alweer bereikte ons een spannende vraag, die we gaarne uitwerken in een ‘Bericht’, voor een Amerikaanse onderzoeker. Van Gogh heeft op boven afgebeelde tekening  de achtertuin getekend van het pastoriehuis in Nuenen, met een uitzicht op de kerk aldaar. Heel duidelijk zien we een afgeperkte tuin met in het achterste deel drie grote kale moestuin- of bloemenbedden en voorin een deel met 2 vruchtbomen (peren?) en een bosje ingepakte planten. Het Van Gogh Museum zegt in haar informatie over deze tekening dat de planten met stro zijn ingepakt tegen de kou en de onderzoeker suggereert mij dat het misschien om planten gaat die gewikkeld zijn in jute.  Om welke planten het gaat wordt niet duidelijk.

Het fenomeen komt bij van Gogh meer malen voor. Ook de volgende schilderijen vertonen dezelfde ingepakte planten.‘Pastorietuin in de sneeuw’ uit 1885 (The Norton Simon Museum Pasadena California). Ingepakte planten links

De pastorie te Nuenen: Tuin in de sneeuw. Verblijfplaats schilderij onbekend. Ingepakte planten rechts

Het zullen toch niet al te exotische planten zijn, in zo’n ‘boerentuin’ in Nuenen, maar welke planten we ons nu precies moeten voorstellen? Stamrozen misschien? Hoge planten komen het meest in aanmerking. Welke plantenkenner, plantenkweker of tuinbouwkundige heeft een goed idee en helpt onze Amerikaanse onderzoeker verder?

Mien van de Geijn, Mien Ruys en de natuurhistorie in Maastricht

In augustus 2016 brachten wij een bezoek aan het historisch groen van Maastricht.  Zie onze weblog van 20 augustus 2016. Servé Minis, adviseur Cultuurhistorie van de gemeente Maastricht, leidde ons rond. We leerden veel, o.a. over de ‘Twee Mienen’. We bezochten o.a. de tuin van het Natuurhistorisch Museum en achteraf begrepen we pas dat de moeder van Servé daar zo’n belangrijke rol bij had gespeeld. Onze zoektocht naar moeder Mien, die Mien Ruys uitnodigde om de tuin van het Natuurhistorisch Museum te renoveren, leverde een artikel op van Eric Wetzels in de Heimans en Thijsse Nieuwsbrief december 2016, p.4-5. Genoemde auteur en de Heimans en Thijsse Stichting waren zo vriendelijk ons toestemming te geven dit artikel op onze website over te nemen. Voor de Heimans en Thijsse stichting, zie http://www.heimansenthijssestichting.nl

Wilhelmina (Minis-) van de Geijn, conservator van het
Natuurhistorisch Museum Maastricht van 1939 tot 1948

Links Rector Jos. Cremers (1873-1951), eerste conservator (directeur) van het Natuurhstorisch Museum van Maastricht van 1912 tot 1939; rechts dr. Wilhelmina van de Geijn, zijn opvolger

Eli Heimans en Jac P. Thijsse hebben zeer veel voor de natuurbeleving en natuurhistorie in Nederland betekend. Maar zij waren niet de laatsten. Velen traden in hun voetsporen: bekenden en minder bekenden. In dit bericht aandacht voor een vrouw in het Maastrichtse in de eerste helft van de twintigste eeuw: Wilhelmina (Minis-)van de Geijn.

Wilhelmina Anna Eleonora van de Geijn werd op 21 februari 1910 geboren in Puiflijk (Druten), in het land van Maas en Waal. Na het gymnasium in Venray ging ze eind jaren 1920 in Leiden studeren. “Verliefd worden, dat deed je niet. Dat mocht pas als je afgestudeerd was”, sprak Mien Minis-van de Geijn uit in een interview over haar studententijd voor de nieuwsbrief van de Leidse Universiteit in 2007. Al op 27-jarige leeftijd promoveerde zij op 2 december 1937 aldaar tot doctor in de paleontologie op het onderwerp: ’Das Tertiär der Niederlande mit besonderer Berücksichtigung der Selachierfauna’, waarin zij onder andere over de haaientanden van Elsloo publiceerde. Fossielen die tevoorschijn waren gekomen bij het graven van het Julianakanaal en die in 1932 door de beroemde huisarts en onderzoeker Dr. Beckers uit Beek waren verzameld. Een bètavrouw die promoveerde in 1937 was een zeldzaamheid. Haar datering van de zgn. Elsloo-lagen uit het onderzochte sediment is nog steeds gekend.
Twee jaar later in 1939 volgde – toen nog – mejuffrouw van de Geijn, Rector Cremers op als conservator van het museum. Cremers was een van de stichters van het Natuurhistorisch Genootschap (opgericht in 1910) en eerste conservator van het museum (opgericht in 1912) en oorspronkelijk kapelaan en leraar in Rolduc. De stad Maastricht stelde in 1912 aan het Natuurhistorisch Genootschap het voormalige Grauwzustersklooster beschikbaar, dat bestond uit een kapel, enige kloosterruimtes, een tuin en een huis voor moeder-overste (het ’Huis op den Jeker’), om daarin het ’Provinciaal Museum der Natuurlijke Historie’ onder te brengen. Het Huis op de Jeker was de dienstwoning ten tijde van het klooster en fungeerde daarna als woning van de conservator van het museum.
De benoeming van Mien van de Geijn was nog ‘een dingetje’: genootschap en gemeenteraad wilden haar graag als conservator (toen: conservatrix!), maar het Maastrichtse college van B&W had een andere voordracht. Dit leidde tot onenigheid, met het einde van de personele unie tussen gemeente en genootschap tot gevolg. Hierna werd een commissie van toezicht ingesteld, waarin raads- én genootschapsleden zitting hadden. Helemaal goed kwam het hierna nooit meer tussen gemeente en genootschap. Maar Wilhelmina van de Geijn werd benoemd per 16 mei 1939!
Mien van de Geijn betekende veel voor het museum,  in de negen jaar dat zij leiding gaf aan de kleine museumstaf. In een rede bij het 50-jarig bestaan van het museum in 1962, roemde Genootschapsvoorzitter Eugène Kruytzer veel van haar inspanningen: zij was jarenlang bestuurslid van het genootschap, was van 1945 tot 1953 (en daarna van 1967 tot 1973) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad, initiator van de reeks Publicaties van het Genootschap (een reeks naast het maandblad). Zij had de bibliotheek opnieuw opgezet, het museum gemoderniseerd en de tuin heringericht. Het genootschap besloot daarom om haar (tevens het moment van haar zilveren promotie-jubileum) tot ’lid van verdienste’ te benoemen. Haar museale inzet richtte zich met name op het vertalen van wetenschap ten behoeve van een groot publiek, door bijvoorbeeld reconstructietekeningen van landschappen aan de opstelling toe te voegen, waarmee de educatieve waarde groeide. Normaal voor nu, maar bijzonder voor toen. Bovendien heeft zij delen van de collectie wetenschappelijk geordend en beschreven, stimuleerde anderen om dat te doen en het maandblad won aan wetenschappelijke waarde door haar inzet.
Gedurende de oorlog gebeurde er veel in het museum: er waren verschillende onderduikers, de nazi’s ‘vereerden’ het museum meermaals met een bezoek ter inspectie van de collecties en in 1943 werd zo de belangrijke entomologische Wasmann-collectie ‘veilig gesteld’ in Berlijn, vanwege zijn grote importantie. Het was de Amerikaanse legerofficier en professioneel entomoloog (insectendeskundige) John Bailey, die de Wasmann-collectie hoogstpersoonlijk, en buiten alle protocollen om, naar het museum terug bracht, waar deze op 29 september 1945 door een gelukvolle conservatrix in ontvangst werd genomen.
Meteen na de oorlog werd de museumtuin, al sinds 1913 onderdeel van de museumcollectie, opnieuw onder handen genomen. Wilhelmina van de Geijn betrok de bekende tuinarchitect Mien Ruys om hier vorm en inhoud aan te geven. De essentie van het plan was een tuin in terrassen en van grote eenvoud en helderheid en voorzien van inheemse, vooral lokale planten. De tuin moest een goed beeld geven van de biologische omgeving van het krijtlandschap. Uit de tuin van huisarts en botanist August de Wever haalde Mien van de Geijn een jonge kastanjeboom op, die zij achterop de fiets van Nuth naar de museumtuin bracht. Tegenwoordig staat deze jonge scheut er nog steeds, maar nu als majestueuze en monumentale boom, met wijd gespreide takken.
Enige jaren later, op 15 augustus 1948, kreeg zij ontslag toen (omdat) zij in het huwelijk trad met Toine Minis, de latere gemeentesecretaris van Maastricht. Zij moest haar formele werk beëindigen, maar het betekende niet het einde van haar inzet voor de natuurhistorie. Bij het genootschapsjubileum in 1960 schreef zij een eerste wordingsgeschiedenis van het genootschap en jaren later werd zij (voor de tweede keer) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad (1967-1973).
In feite was mw. Minis directeur van het museum, maar pas sinds 1953 werd de functie ook als zodanig benoemd. Geboren in het oprichtingsjaar van het genootschap, heeft zij een heel groot deel van de geschiedenis van genootschap en museum meegemaakt. Bewust meegemaakt, want tot op hoge leeftijd volgde zij ’s lands politiek en de mondiale ontwikkelingen. Zij las de kranten en wist mee te praten over vele onderwerpen. Ver in de negentig, bezocht zij nog culturele bijeenkomsten en bleef zij helder en geïnteresseerd. Tot op hoge leeftijd woonde ze zelfstandig in het Huis op de Jeker te Maastricht, het huis waarin zij sinds de jaren veertig van de twintigste eeuw woonde, met een kleine privé-tuin, die grensde aan de museumtuin. Het was in dit huis – waarin zij ook na haar dienstjaren kon blijven wonen – waar zij uiteindelijk ten val kwam, waarna zij op 19 november 2009 op 99-jarige leeftijd overleed. De jubilea van het genootschap (2010) en museum (2012) heeft zij helaas niet meer mee mogen maken.
Het Natuurhistorisch Museum Maastricht beschouwt haar als een kundig expert, die het museum en de collectie door de oorlogsjaren heen heeft getrokken en daarbij in de museale taken heeft volhard en de collectie weer bijeen wist te brengen en deze wist te behouden. Ook heeft ze het museum in de jaren daarna in het goede spoor gekregen. In die geest probeert het Natuurhistorisch Museum Maastricht haar inzet levend te houden.

Drs. Eric P.G. Wetzels
eric.wetzels@maastricht.nl
Oud-directeur Natuurhistorisch Museum Maastricht, Centre Céramique en Kumulus (2006-2015)

L. Minis et al., 2012. Natuurhistorisch Museum Maastricht, Silhouetreeks nr. 80, Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht, pp. 24-25 (uitgegeven bij gelegenheid van het 100 jarig jubileum van het museum).

M. Pluijmen, 2012. ”Verliefd worden, dat deed je niet”. Nieuwsbrief 071127 Universiteit Leiden, zie internet: http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/1949.html.

E. Wetzels, 2010. In Memoriam Mevr. Dr. W. Minis-van de Geijn, in: Natuurhistorisch Maandblad januari 2010, p. 18.

Met dank aan Eric Wetzels en Eddy van der Maarel.

Wie is de prinses van de Prinsessetuin in Wassenaar?

Wie is de prinses van de Prinsessetuin en waar is zij gebleven? We bestudeerden onlangs voor een onderzoekje en een lezing de geschiedenis van de Prinsessentuin in Wassenaar op landgoed De Paauw (terzijde van het Raadhuis van Wassenaar).  In het tempeltje stond tot voor kort een beeld van Victoria (of moet zij een engel voorstellen?), maar dit is niet het originele beeld wat daar halverwege de 19de eeuw werd geplaatst.

Victoria  met een lauwerkrans in de rechterhand en een palmtak in de andere, is pas na de renovatie van de tuin in de jaren vijftig (Hein Otto, 1951) op die plaats terecht gekomen. Momenteel is de tempel, wachtend op restauratie, dichtgetimmerd en de bijzonder gracieuse Victoria is door vandalen verruïneerd en zal waarschijnlijk niet meer in de tempel terugkeren. Het beeld is een zinken afgietsel van een oorspronkelijk marmeren beeld van Christian Daniel Rauch (ca. 1837), een zeer bekende Duitse beeldhouwer met een eigen museum in Arolsen. Het stond oorspronkelijk in het ‘Victoria-vak’, een deeltuin met oranjebomen en stamrozen, en later in de rododendrontuin.

Maar Victoria is niet de prinses naar wie de Prinsessetuin is genoemd. Oorspronkelijk hoort zij niet in het tempeltje thuis. Prins Frederik, de broer van de latere Koning Willem II, kocht in 1838 landgoed De Paauw en de aangrenzende buitenplaatsen Backershagen, Raaphorst, Ter Horst, en tenslotte Eikenhorst en Groot Hasenbroek. Hij was getrouwd met zijn nicht Prinses Louise van Pruisen en zelf opgevoed aan het Hof te Berlijn. Zij waren beiden erg gehecht aan de streek waar ze in hun jeugd verbleven, Berlin en Potsdam, met name Schloss Charlottenburg en Schloss Sanssouci. Aan de hoven van Berlin en Potsdam waren in hun tijd de architecten  K.F. Schinkel, L. Persius, F.A. Stüler en Hermann Wentzel zeer gezien en Frederik en Louise kozen voor de laatste om hun paradijs in Wassenaar aan te leggen. In 1851 lieten zij hem overkomen voor de inrichting van de tuin. Hij maakte schetsen voor de Paradiesgärtchen of Prinsessetuin, die in zijn Architectonisches Skizzenbuch van 1858 werden gepubliceerd. Dankzij deze ‘schetsen’ hebben we een goed idee van de sfeer van de tuin en welke tuinornamenten erin hebben gestaan. Behalve de tempel zijn ze alle verdwenen.

Een van deze schetsen (bovenstaand) stelt het tempeltje voor met een marmeren beeld van een  jonge vrouw. Het beeld,  weliswaar iets anders uitgevoerd dan op de schets van Wentzel (zie hieronder een foto uit Gemeentearchief Wassenaar ca. 1935), is niet behouden.

Bureau Wevers & Van Luipen deed nader onderzoek om de beeldhouwer en de betekenis van het beeld te achterhalen. Wie was deze vrouw in het tempeltje van De Paauw? Zij constateerden dat het beeld De Hoop (Spes) voorstelt, die meestal wordt afgebeeld met een bloem in haar hand, en dat het is gemaakt door de beeldhouwer Berthel Thorvaldsen, een Deens beeldhouwer die bevriend was met de architect Schinkel. Het werd oorspronkelijk vervaardigd voor het familiegraf van de Von Humboldts.

Beeld Spes van Berthel Thorvaldsen (Thorvaldsen Museum Kopenhagen)

Dit beeld, dat dus vanaf ca.1858 tot de Tweede Wereldoorlog in de Paradijstuin of Prinsessentuin heeft gestaan, roept de vraag op waarom het thema van De Hoop is gekozen. De tempel had een centrale plaats in de tuin en Frederik kon er vanuit zijn studeerkamer via het beukenlaantje van genieten. Stelde Spes soms in zijn gedachten Prinses Louise voor? Zijn hoop op het paradijs? Is ‘De Hoop’ de personificatie van Prinses Louise?

Nog heel even (t/m 8 januari), TENTOONSTELLING BUFFA EN ZONEN

Zojuist verschenen COLUMN in Tijdschrift KASTEEL & BUITENPLAATS van Nederl. Kastelenstichting, geschreven door Carla Oldenburger:

Kunsthandel ‘Buffa en Zonen’, uitgever van prenten rond Arnhem

3047V.l.n.r. Huis Sonsbeek, oranjerie, kas voor palm of Camelia

Het Singer museum heeft in samenwerking met het RKD / Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis de tentoonstelling Schoonheid te Koop samengesteld over de Amsterdamse Kunsthandel Buffa en Zonen. Halverwege de negentiende eeuw (1850-1854) gaven zij een album uit met 48 getinte (kleuren) lithografieën van kastelen en buitenplaatsen, voornamelijk in en rond Arnhem. dit werk, getiteld ‘Kasteelen en buitenplaatsen in het Koningrijk der Nederlanden’, is opgedragen aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Groot-vorstin van Rusland, Amsterdam, 1850-1854.

Helaas zijn veel van deze Gelderse kastelen en buitenplaatsen verdwenen. Het album zelf – de platen in versierde boekband – is nauwelijks in Nederlandse bibliotheken aanwezig. Wel wordt een volledige set van losse platen bewaard in het Gelders archief.

De titel van het album doet vermoeden dat kastelen en bui- tenplaatsen uit heel Nederland zijn opgenomen, maar dat is geenszins het geval. Het album bevat alleen afbeeldingen (alle anoniem) van kastelen en buitenplaatsen rond Arnhem. mogelijk was de bedoeling voor iedere provincie een album samen te stellen, maar dat is er nooit van gekomen. Naast de 48 platen van buitenplaatsen rond Arnhem zijn er enkele platen opgenomen van Huis ten Bosch, Soestdijk, Noordeinde en Paleis Het Loo.

Hoe belangrijk zijn deze prenten van kastelen en buitenplaatsen nu nog? Wordt er iets op afgebeeld dat we niet op andere prenten zijn tegen gekomen? Alle huizen uit deze serie bevinden zich in ‘Groot-Arnhem’. Qua locatie vallen ze in drie regio’s uiteen, de stadshuizen in Arnhem (Angerenstein Arnhem, Klein Bellevue Arnhem, Bronbeek Arnhem, Hulkestein Arnhem, Klarenbeek Arnhem, Klingelbeek Arnhem, Lichtenbeek Arnhem, Marienberg Arnhem, Molenbeek Arnhem, Groot en Klein Presikhaaf Arnhem, Rheinstein Arnhem (later St. Elisabeth’s gasthuis), Rennen’enck Arnhem, Roz(s)orum Arnhem, Schoonheuvel Arnhem, Sonsbeek Arnhem, Sterrenberg Arnhem, Warnsborn Arnhem, Zypendaal Arnhem, Lustoord Arnhem (?), inclusief een Rijngezicht (door F. Koster);  de huizen ten oosten van Arnhem, richting Rozendaal en Velp (Roosendaal Rozendaal, Biljoen Velp, Larenstein Velp, Overbeek Velp, Paviljoen Velp, Villa Nova Velp, de Kruisgast (bedoeld Kruishorst Rheden?), Rhederoord De Steeg, Valkenberg De Steeg, Engelenburg Brummen, Kasteel Keppel Keppel), en verder de huizen ten westen van Arnhem Hemelschen Berg Oosterbeek, de Oorsprong Oosterbeek (2x), Pietersberg Oosterbeek, Valkenburg Oosterbeek, Kasteel Doorwerth Doorwerth, Keyenberg Renkum, Kortenburg Renkum (?), Belmonte Wageningen, Hoekelum Bennekom, Groot en Klein Hartenstein, Oosterbeek), langs de Utrechtseweg tot na Wageningen. Twee prenten vallen buiten deze ‘Arnhemse’ reeks, het neogotische Slot Rossum en het onbekende Gotisch Gebouw, dat waarschijnlijk een ontwerp is gebleven. Arnhem is bekend als een lommerrijke stad, gelegen aan de zuidrand van de Veluwe en doorsneden door zeven sprengbeken, alle geliefde en geschikte plaatsen voor de stichting van een buitenplaats. Arnhem was altijd een groene stad met een belangrijke rol voor landgoederen, ook voor de burgers die al in de negentiende eeuw graag een wandeling maakten vanuit de stad naar een buitenplaats of uitspanning. Op vele prenten komen wandelaars, ruiters of jagers voor, die genieten van de frisse lucht en de natuur.

De uitvalswegen van de stad naar het westen en naar het oosten volgden min of meer de loop van de Rijn respectievelijk de iJssel, zodat een wandeling of rijtuigtochtje met zicht op deze rivieren extra voldoening en plezier verschafte. De Amsterdamseweg, eerder bekend als de Postweg richting Ede, was vooral een handelsweg over de Veluwe, langs de huizen Rosorum en Warnsborn. Veel aspecten zijn afgebeeld: hooien en verplanten van een boom, beken, wandelpaden, dierenweides met koeien, rijtuigen en Rijnverkeer. Ook krijgen we een indruk van de tuinaanleg met heesterperken, kuipplanten en bomenaanplant rond de huizen. Het meest bijzonder is de kleine hoge kas achter de oranjerie op Sonsbeek (voor palm of Camelia-boom) en de raderstoomboot ter hoogte van de buitenplaats Schoonheuvel die toeristen waarschijnlijk naar de uitspanning op de Oorsprong moest brengen.

Flower market Amsterdam

Bloemenmarkt op het Singel ten tijde van de eerste elektrische trams (zie de afgebeelde tram op de brug).
20161202-5-2Bloemenmarkt op het Singel. Onleesbaar gesigneerd. Ca. 1910-1920?

Dit schilderij is van een onbekende schilder; zijn signatie in de rechter benedenhoek bleef althans voor ons onleesbaar. Toch werd ik geroerd door de kleuren van de geraniums en andere planten, de ouderwetse tram, het zicht op het water en de omgeving dat niet meer bestaat en de tuinders gestoken in hun boerenkielen onder hun boerenpetten.

De Bloemenmarkt op het Singel in Amsterdam, ooit bekend als de bloemen- en plantenmarkt,  is wereldwijd bekend, maar helaas tegenwoordig meer op toeristen gericht dan op Amsterdamse bloemen- en plantenliefhebbers. Toeristen kopen hier zaden en bloembollen en houten tulpen, omdat zij toch een bloemetje uit Nederland mee naar huis willen nemen. De originele handel in bomen, heesters en vaste planten  is bijna verdwenen.

De markt bestaat al eeuwen, maar was vroeger op een andere plaats, namelijk tot 1862 op de de Sint-Luciënwal. Toen de Nieuwezijds Voorburgwal in 1883 werd gedempt, moest de bloemenmarkt verhuizen naar de tegenwoordige plaats aan het Singel.

800px-gerrit_adriaensz-_berckheyde_-_the_nieuwezijds_voorburgswal_amsterdam_-_wga1930G. A. Berckheyde, 1686.Bloemenmarkt op Nieuwezijds Voorburgwal. Rechts stadhuis. Coll. Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid

Verschillende schilderijen uit de eerste helft van de 20ste eeuw laten nog zien dat de bloemen en planten dagelijks werden aangevoerd met boten, o.a. vanuit Aalsmeer; nu zijn de marktkramen zelf gevestigd op boten, liggend in de gracht, en wordt de handel per vrachtauto aangevoerd.

Een enkele keer worden nog wel eens schilderijen geveild waarop deze oude taferelen te zien zijn. O.a. van Jan Knikker (1911-1990) en Eduard Stoffels (1877-1958). We zien dan boten in het singel liggen met bloemen en planten die uitgestald worden op de kade. Het uitzicht op het water en de overkant was nog vrij in die tijd omdat de drijvende winkels het uitzicht nog niet verstoorden.

Dit schilderij lijkt uniek, omdat het tot nog toe het enige is waarop ook de elektrische tram te zien is. Mooi stukje Amsterdamse geschiedenis zou ik zeggen. Het kan heel goed een kopie zijn, ik weet het niet, maar ik geniet er van. amsterdam_marche_aux_fleurs_nb_001… …Toen er nog bomen en planten te koop waren…

1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis

acanthus_mollis_lAcanthus mollis. Tekening Alida Withoos. Coll. Bibl. Wageningen Speciale Collecties

Het boek  1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis is gekozen tot het beste geschiedenisboek aller tijden.  Els Kloek was de samensteller van dit lexicon. Niet alleen beroemde vrouwen worden ten tonele gevoerd, maar er zijn ook vele geliefde, gehate, bijzondere en  invloedrijke vrouwen opgenomen. Drie honderd schrijvers hebben in dit boek samengewerkt met korte biografieēn verwerkt in meer dan duizend lemmata.

primula_x_pubescens_jacqPrimula x pubescent. Tekening Alida Withoos. Coll. Bibl. Wageningen Speciale Collecties

Liesbeth Missel, conservator Speciale Collectie van de Bibliotheek Wageningen University & Research, leverde een korte biografie aan over de botanisch tekenaar Alida Withoos. Speciale Collecties bewaart een aantal tekeningen van haar hand.

Het boek 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis is via de boekwinkel te koop (derde druk), maar kan ook  online geraadpleegd worden op Digitaal vrouwenlexicon van Nederland. Dus naar de boekhandel of even surfen want het is de moeite waard.

Een aantal tekeningen van Alida Withoos zijn opgenomen in de Wageningen University & Research Image Collections. Je kunt ze gratis downloaden.

De tekst over Alida Withoos, geschreven door Liesbeth Missel en gepubliceerd in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis luidt als volgt:

Withoos, Alida (ca. 1661-1730)
© DVN, een project van Huygens ING en OGC (UU). Bronvermelding: Liesbeth Missel, Withoos, Alida, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/WithoosAlida [27/04/2016] Geadopteerd door: Thea de Hilster.

rosa_gallica_l_versicolorRosa gallica ‘Versicolor’. Tekening Alida Withoos. Coll. Bibl. Wageningen Speciale Collecties

WITHOOS, Alida (geb. Amersfoort ca. 1661 – begr. Amsterdam 5-12-1730), schilderes van bosstillevens en botanisch tekenares. Dochter van Matthias Withoos (1627-1703), schilder, en Wendelina van Hoorn (1618-ca.1680). Alida Withoos trouwde op 23-1-1701 in Amsterdam met Andries Cornelisz van Dalen (1672-?), schilder. Het huwelijk bleef kinderloos.

Alida Withoos werd als vierde kind (tweede meisje) geboren in een kunstenaarsgezin met acht kinderen in Amersfoort. Haar exacte geboortedatum is niet bekend, maar op basis van haar belijdenis (11-12-1680, Hoorn) en de leeftijdsvermelding bij haar huwelijk wordt verondersteld dat zij in 1661 is geboren. Vader Matthias Withoos was vanaf 1647 ingeschreven in het St. Lucasgilde van Amersfoort. Toen de Fransen in het ‘rampjaar’ 1672 die stad dreigden in te nemen, verhuisde het hele gezin naar Hoorn, de geboorteplaats van moeder Wendelina. In Hoorn waren in die tijd relatief veel tekenaars van bloemen en insecten werkzaam. Volgens Weyerman maakte Withoos zich vooral zorgen om zijn vier dochters, ‘op welke delicate gerechten de Franse sprinkhanen gaarne middag- en avondmalen’.

solanum_lycopersicum_l_tomaat Solanum lycopersicum. Tomaat. Tekening Alida Withoos. Coll. Bibl. Wageningen Speciale Collecties

Samen met de andere kinderen uit het gezin werd Alida Withoos door haar vader opgeleid. Haar jongere zus Maria en haar broers Johannes, Pieter en Frans, waren ook actief als tekenaars van bloemen, vogels, vlinders en andere insecten en schilders van bosstillevens. In de boedelinventarissen van Hoornse regenten kwamen geregeld zogenaamde ‘Withoosjes’ voor.

Als botanisch tekenares verkeerde Alida Withoos in een netwerk van gerenommeerde schilders en gefortuneerde plantenverzamelaars. Zo werkte zij in opdracht van Agnes Block en van de Amsterdamse Hortus; op buitenplaats de Vijverhof schilderde Alida Withoos in 1687 als eerste een door Agnes Block in Nederland gekweekte ananas. Ze werkte er ook samen met Maria Sybilla Merian aan een tekening met verschillende variëteiten van de akelei.

Deze tekeningen in opdracht van Agnes Block zijn niet bewaard gebleven. Wel bewaard zijn de twaalf bladen die Alida Withoos maakte voor de zogenaamde Moninckx-atlas (1686-1706) met 420 aquarellen naar planten in de Amsterdamse Hortus Medicus. De meeste afbeeldingen hierin zijn gemaakt door Jan Moninckx. Ook Maria Moninckx en Johanna Herolt-Graff (dochter van Merian) waren hierbij betrokken. De aquarellen werden deels gebruikt als voorbeeld voor de gedrukte platen in de tweedelige plantencatalogus van de Amsterdamse Hortus, de Horti Medici Amstelodamensis rariorum plantarum historia van Jan en Caspar Commelin. Een aantal aquarellen van Alida Withoos ligt ten grondslag aan prenten van het tweede deel. Ook dit waren nieuw geïntroduceerde planten, vooral aloë’s uit Zuidelijk Afrika. Ze werd hiervoor in 1694 betaald. De toenmalige hoogleraar botanie in de Amsterdamse Hortus was Frederik Ruysch, de vader van Rachel Ruysch, die ook ‘bosgrondjes’ schilderde.

Op zondag 23 januari 1701 trouwde Alida Withoos, inmiddels 39 jaar oud, in Amsterdam met de tien jaar jongere Amsterdamse fijnschilder Andries Cornelisz van Dalen. Mogelijk was hij een zoon uit de Amsterdamse graveurs- en portretteursfamilie Van Dalen. Er is over hem nog minder bekend dan over zijn vrouw. Drie weken daarvoor waren ze in Hoorn én in Amsterdam in ondertrouw gegaan. Er werd voor haar drie gulden ‘impost op trouwen’ betaald, het verschuldigde bedrag voor de op een na laagste vermogensklasse. In Amsterdam was Withoos woonachtig in de Anjelierstraat. Pas op 2 februari 1703, na de dood van haar vader, liet ze zich uit de Hoornse kerkgemeenschap uitschrijven voor vertrek naar Amsterdam.

Na 1700 is er van Alida Withoos geen gedateerd werk bekend, en haar werk wordt ook nergens meer vermeld. Zij stierf op de ‘Princegracht’ te Amsterdam en werd op 5 december 1730 begraven in de Westerkerk. Het kan zijn dat de bijna veertigjarige Alida na haar huwelijk niet meer heeft gewerkt. Misschien was ze werkzaam in de werkplaats of de verkoop voor het familiebedrijf van de Van Dalens, zoals toentertijd gebruikelijk was. Maar haar reputatie was inmiddels wel gevestigd. In 1794 prees Kok ‘de voortbrengsels van haar teder behandeld kunstpenseel’, waarmee zij ‘een niet onaanzienlijke plaats verworf op de lijst der kunstenaressen, welke ons vaderland, in zo groot een getal, als enig gewest heeft geleverd’.

Naslagwerken

Van der Aa; Balkema; Elck zijn waerom; Kok; Immerzeel; Lexicon van Noord-Nederlandse kunstenaressen; Regt; Thieme; Verwoert; Weyerman.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: toegang 626 (Memoriael van de Hortus Medicus der Stad Amsteldam, beginnende de 3 Febr: Ao. 1684-1795/Commissie van Toezigt).
Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), Handschriftencollectie: II-A-18, Catalogus Valerius Röver, Ao. 1730.
Zie ook de bronnen, genoemd bij Liesbeth Missel (2000).

Werk

Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), Handschriftencollectie: VI G 1-9, Moninckx-Atlas.
Bibliotheek Wageningen, UR, spec. Coll.: R355A02, Konstboeck van Simon Schynvoet (Amsterdam 1690-1750?).
Van Alida Withoos zijn nog drie aquarellen (twee gedateerd 1686) bekend die mogelijk behoorden tot de Witsen-codex, een verzameling botanische tekeningen van de Kaap de Goede Hoop die toebehoorden aan Nicolaes Witsen, burgemeester van Amsterdam. In het Konst-boeck van verzamelaar Simon Schijnvoet komen zes tekeningen van Alida Withoos voor. Voor een overzicht van werken, zie Literatuur Liesbeth Missel (2000).

Literatuur

D. Onno Wijnands, The botany of the Commelins (Rotterdam/Wageningen 1983).
Jan de Belder, ‘Een rariteitenkabinet’, Bulletin van de Botanische Tuinen 13 (1984) 6-13 [over oude rozenrassen, o.a. getekend door Alida Withoos en Catharina Lintheimer].
A.W. Withoos, De 17e-eeuwse schildersfamilie Withoos van Amersfoort en Hoorn (Amsterdam 1984).
M. Schepper, Matthias Withoos, een veelzijdig talent (Nijmegen 1990) [ongepubliceerde scriptie].
Quentin Buvelot e.a., Tableaux flamands et hollandais du Musée Fabre de Montpellier (Parijs/Zwolle 1998) 304-305.
Liesbeth Missel, De wereld van Alida Withoos. Een webtentoonstelling (Wageningen 2000) [http://library.wur.nl/alida/].
M.W. Heijenga-Klomp, ‘Matthias Withoos (ca. 1672-1703) en zijn kinderen. Een Amersfoortse schildersfamilie’, Flehite. Historisch Jaarboek voor Amersfoort en Omstreken (2005) 108-131.
Annie Mieke Backer, Er stond een vrouw in de tuin. Over de rol van vrouwen in het Nederlandse landschap (Rotterdam 2016) [verschenen na publicatie van dit lemma].
Illustratie

Een portret van Alida Withoos is niet bekend.

Auteur: Liesbeth Missel

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 382

laatst gewijzigd: 27/04/2016

 

Verborgen Verleden: (bet)overgrootvader apotheker 1865-1917(?)

Het TV-Programma ‘Verborgen Verleden’ heeft mij aangemoedigd en  nieuwsgierig gemaakt naar mijn roots en eventuele overeenkomsten in interesses en aanleg. Interesse in historische (tuin)architectuur en beplanting, in kleurgebruik in de architectuur, in (historische) tuinplanten, in muziek… komen die eigenschappen soms al eerder bij mijn en onze voorouders voor?

Mijn grootouders van vader’s (Ebbers) en moeder’s ( Amse) kant komen beiden uit Heemstede. Ik volg nu eerst de familie Ebbers, later een keer de familie Amse.

img_2054-1Eén van de apothekersproducten  van J. Ebbers, Knobbelolie. Een middel tegen reuma? Haarlems Dagblad, 1899

Mijn overgrootvader Jan Ebbers I (1842-1923) werd geboren  in Ede als zoon van de kleermaker Frans Willem Ebbers en vertrok in 1862 naar Heemstede. In 1865 trouwde hij in Haarlem met Maria Wilkes. In zijn trouwakte stond  ‘apothecarsleerling’ als beroep genoteerd. Vanaf die tijd  bleef hij voor altijd gevestigd in Heemstede. In 1904,  in de huwelijksakte van zijn zoon Jan Ebbers II, is zijn beroep apotheker. Om enig idee te krijgen wat dit beroep voorstelde in die tijd, heb ik de volgende hoofdlijnen uit het ‘Ontwerp van Wet’ overgenomen uit het Ned. Tijdschr. Geneeskunde 1863; 7:675-80: De bevoegdheid van leerlingapotheker wordt verkregen na het afleggen van een examen. Dit examen betreft de beginselen der Nederlandsche en Latijnse talen en der rekenkunde en het bewijs, dat de kandidaat de kennis bezit van de enkelvoudige geneesmiddelen, noodig tot het gereed maken van recepten… …De bevoegdheid van hulpapotheker wordt niet verkregen dan na aflegging van een natuurkundig examen… …Apotheker zijn zij die 2 jaar als hulpapotheker hebben gewerkt… …

Na enige naspeuringen op Internet, vnl. op de website Librariana werd mij duidelijk dat mijn overgrootvader aan de oude apothekersschool te Haarlem zijn opleiding heeft genoten en als apotheker gewerkt heeft voor drie elkaar opeenvolgende huisartsen in Heemstede:jan-ebbers-i-ca-30-jaarJan Ebbers I, ca. 30 jaar oud. Het niet alledaagse jasje is mogelijk gemaakt door zijn vader kleermaker Frans Willem Ebbers

Gottlieb Hoffmann (1814-1886). Zijn woonhuis en praktijk waren gevestigd op Binnenweg 11 (een woonhuis en een apothekershuis). Zie het artikel van J. W. G. van Doorn in Tijdschrift Heerlijkheden, Jg.26, nr.99, febr. 1999. Hoffmann werkte als huisarts van 1837-1879 en in 1865 was Jan Ebbers I hier dus zijn (leerling-)apotheker.

Beide huizen werden na beëindiging van de praktijk gekocht door overgrootvader. Waarschijnlijk heeft het gezin met toen zes kinderen hier zijn intrek genomen en zal hier omstreeks 1900  onder de naam Fa. J. Ebbers, de eerste kruidenierswinkel in Heemstede zijn gestart.

IMG_0231De Eerste Heemsteedsche Courant | 28 december 1928 | pagina 4

Het pand Binnenweg 11 stond 1 januari 1926 (in Adresboeken Haarlem) op naam van Gustaaf Adolf Ebbers (*1881, getrouwd 1918), een jongere broer van mijn grootvader. Hij was in dat pand waarschijnlijk al omstreeks 1900 een bedrijf in kruideniers- en grutterswaren begonnen, terwijl drie van zijn zusters met hun ouders  naar Raadhuisstraat 92 vertrokken waren en daar eveneens een dergelijke winkel dreven. Dat vijf van de kinderen in het kruideniersvak terecht kwamen is niet echt verwonderlijk. In de 19de eeuw was er nog geen scherpe scheiding tussen de beroepen van kruidenier en apotheker.  In de eerste kruideniers-winkels werden aanvankelijk kruiden (extracten van wilde planten), specerijen, koffie en thee verkocht. Later specialiseerden dergelijke winkels in delicatessen (bijzondere lekkere eetwaren) en comestibles (fijne eetwaren). Zie de advertentie hierboven.

jan-ebbers-i-ca-45-jaarJan Ebbers I, ca. 45 jaar oud. Ook hier een niet-alledaags jasje

  • dr. Klaas Prins (1853 -1905). Hij nam de praktijk van Gottlieb Hoffmann over. Zijn woonhuis en praktijk waren gevestigd op Binnenweg 88. Prins werkte als huisarts van 1879-1897.
  • dr. Mattheus Colenbrander (1867-1939). Hij nam de praktijk van dr. Prins over.

jan-ebbers-i-ca-70-jaar-2Jan Ebbers I, tussen 60 en 70 jaar oud

Prins’  woonhuis en praktijk waren vanaf 1908 gevestigd in Huis Overlaan op het Raadhuisplein. Colenbrander werkte als huisarts van 1897-1932.

ebbersjanapothekeri-1858-1923Jan Ebbers I, ca. 75 jaar (ca. 1917), in zijn laatste apotheek op het Raadhuisplein

Waarom vertel ik dit nu allemaal? O ja, om eventuele overeenkomsten in interesses en aanleg te ontdekken tussen onze voorouders en onze eigen interesses, zoals interesse in historische tuinen en planten en architectuur, in kleurgebruik in de architectuur, in muziek… etc.

Onze flora Zutphen,W.J. Thieme,1900. http://biodiversitylibrary.org/item/39998

Wel, de eigenschap plantenkennis blijkt zich gedurende enige geslachten te continueren. Het oudste bewijs zijn twee oude boeken die van (bet)overgrootvader afkomstig zijn. Het gaat om Onze Flora: beschrijving van de familiën, voornaamste geslachten en soorten der in Nederland in het wild groeiende, verwilderde, verbouwde en aangeplante gewassen, alsmede van eenige fraaie en nuttige Midden-Europesche planten, naar de 2e uitgaven van Carl Hoffmann’s Botanischer Bilder-Atlas,  van dr. A.C.Oudemans, uitgegeven in Zutphen door W.J. Thieme in 1900; en het boek Nederlandsche Planten, met 55 losse lithografieën in kleuren, van Dr. J. Ritzema Bos. De litho’s zijn van Th. Nieuwenhuis en L. Klaver. Uitgave Amsterdam, S. L. van Looy, 1905. Deze boeken  zal onze (bet)overgrootvader in de periode van zijn laatste werkgever hebben bestudeerd. Hij heeft ze doorgegeven aan mijn vader, die zich ontwikkeld heeft als een groot amateur-botanicus. In zijn tuin was de hele flora van Nederland te vinden en dit is niet overdreven.

am1047-9-LR-1-1J. Ritzema Bos. Nederlandsche Planten. 1905

Onze (bet)overgrootvader en Heemsteeds apotheker en zeer bekende inwoner Jan Ebbers I is 24 maart 1923 op J.D. Zocher’s Algemene Begraafplaats te Heemstede begraven.