Categoriearchief: Bloemen en Planten

Sterrebosdag 26 mei 2018 te Frederiksoord

Zaterdag 26 mei wordt in Frederiksoord een sterrebosdag gehouden.

Het programma ziet er als volgt uit (zie ook actieve festiviteiten aangekondigd op de poster hieronder):

14.30 uur Inloop en ontvangst
15.00 uur Aanvang programma
– Welkom Lotte Diephuis
– Boekpresentatie door Marijke van der Maarel en aanbieden eerste exemplaar.
– Muzikale intermezzo door Elisabeth de Charon de St. Germain (zang) en Eddy van der Maarel (piano)
Gastspreker Carla Oldenburger-Ebbers “Wie weet nog wat een Sterrebos is?”

16.00 uur Informeel samenzijn en mogelijkheid boek te kopen.

Wanneer u aanwezig wilt zijn vragen wij u dit voor 16 mei kenbaar te maken door een email te sturen naar sterrebosdag@rondevanhet sterrenos.nl. Wilt u hierbij uw naam en het aantal personen aangeven? Dit in verband met de capaciteit van de zaal.
Indien u met de auto komt, deze graag parkeren bij het Huis van Weldadigheid, Majoor van Swietenlaan 1a.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

 Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

Feddo Oldenburger, 2007

Feddo Hans Frits Oldenburger (*Sanga Sanga Dalam / Borneo, Ned. Indië, 1 juli 1937 – +Rhenen, 22 november 2017) was een Nederlandse bioloog, die zijn leven heeft gewijd aan botanisch wetenschappelijk onderzoek in de tropen (Suriname, Brazilië, Indonesië) en aan natuurbehoud in Nederland.

Kinderjaren en studietijd
Feddo Oldenburger is geboren op de evenaar, in het dorp Sanga Sanga Dalam, bij een boorterrein van de B.P.M. (Oost-Borneo), in de delta van de rivier de Mahakam. Zijn ouders, Frederik Oldenburger (1899-1975) en Ronesca Elisabeth Groustra (1901-1969), waren van Groningse afkomst. Vanaf 1928 woonden zij op Borneo (Kalimantan).
In januari 1942 viel Japan het eiland Tarakan voor de kust van Noord-Borneo aan; het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger) capituleerde begin maart 1942. De vierjarige Feddo kwam met zijn moeder en zusje in het interneringskamp Tjihapit in Bandung terecht; zijn vader in een krijgsgevangenkamp langs de Birma-Siamspoorweg. De laatste oorlogsmaanden verbleef Oldenburger wegens ziekte alleen in kamp St. Vincentius en werd later weer verenigd met het gezin in kamp Kampong Makassar, beide in Batavia.
Tijdens de oorlogsjaren heeft hij geen onderwijs genoten totdat hij begin 1946 in Nederland arriveerde. Daar volgde hij op verschillende scholen (op Texel en in Hilversum) lager onderwijs tot de familie eind 1947 naar hun oude woonplaats in Indonesia terugkeerde en hij op de school in Sanga Sanga Dalam zijn laatste lagere-schooljaren doorbracht. Voordeel voor zijn latere leven was dat hij met Indonesische kinderen in de klas heeft gezeten en ongemerkt de beginselen van Bahasa Indonesia zich heeft eigen kunnen maken.
In 1949 keerde Oldenburger alleen naar Nederland terug om daar zijn middelbare schoolopleiding te beginnen (Instituut Hommes in Hoogezand). In 1957 behaalde hij zijn diploma gymnasium β aan het Montessori Lyceum Herman Jordan in Zeist.
Hij koos voor een studie biologie aan de RU (Rijksuniversiteit Utrecht, nu UU) en het was al gauw duidelijk dat hij na het behalen van zijn doctoraal examen (in 1967) in de tropen zou gaan werken.

Werkverbanden
Oldenburgers toekomstdromen speelden zich altijd in de tropen af. Zijn afstudeeronderwerpen werden met dat doel geselecteerd:
– phytogeografie (vegetatiekartering van de duinen van Voorne), bij prof. J. Lanjouw; –  bodemkunde (bodemonderzoek in het Argonne-gebied / Lorraine), bij prof. F.A. van Baaren; ethologie (onderzoek naar het gedrag van twee groepen Java-apen / Macaca irus, onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden), bij (de latere prof.) J.A.R.A.M. van Hooff.

Z-sleeping. Tekening Feddo Oldenburger

De opgedane kennis werd later met certificaten voor Luchtfotografie-interpretatie, bij prof. I.S. Zonneveld (ITC in Enschede), en met cursussen Braziliaans-Portugees en Bahasa Indonesia uitgebreid.
In 1968 trad Oldenburger in dienst bij ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) met de opdracht de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname nader te bestuderen, planten te verzamelen voor het Herbarium in Utrecht, uitmondend in de verslaglegging van het onderzoek en later in de website www.sipaliwinisavanna.com.

Impressie van de Sipaliwini savanne. Tekening Feddo Oldenburger

Tussen 1970 en 1972 werden nog aanvullende expedities ondernomen. Hierna startte een dienstverband aan de Rijksuniversiteit Utrecht (nu UU) met het doel een afdeling Landschapsecologie op te starten, en in 1975 werd hij medewerker van prof. George Eiten aan de Universidade de Brasilia. Daar werd gewerkt aan het project Cerrado Vegetation of Brasil. Helaas is dit werkverband eerder gestopt dan de bedoeling was omdat een nieuwe regel aan de universiteit werd ingesteld die inhield dat buitenlanders niet meer in dienst mochten worden genomen.
Vanaf 1980 werkte Feddo zelfstandig vanuit huis aan verschillende projecten in de regio.

Maatschappelijke en politieke activiteiten
Na enkele jaren in het historisch centrum van Utrecht gewoond te hebben verhuisde Oldenburger in 1970 met zijn echtgenote Carla Ebbers (*1939), eveneens bioloog, en twee dochters naar Heukelum, Dit stadje, gelegen tussen Gorinchem en Leerdam aan de rivier de Linge, was volgens hem het oudste stadje van Holland. Hier maakte hij  kennis met de middeleeuwse structuur van een kleine historische stad, met het Lingelandschap en met het boeren- en dorpse leven. In 1973 verhuisde het gezin opnieuw,  naar een boerderij in het dijkdorp Spijk (ook gemeente Heukelum), waar zij ruim 20 jaar bleven wonen.
Van meet af aan heeft hij zich voor de omgeving en de plaatselijke gemeenschap ingezet, o.a. voor het behoud van de historische kern van Heukelum i.v.m. een bestemmingsplan (sloopplan) ‘Kern Heukelum’ (1972). Samen met Han Denninger was hij oprichter, auteur en redacteur van de Heukelomse Kroniek, later Heukelumse Kroniek / De Spijker. Ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Heukelum (1980) deed hij onderzoek  in het Nationaal Archief ten behoeve van het schrijven van een historiestuk over Hendrik Sar, die tot de doodstraf was veroordeeld omdat hij Heukelum in 1772 grotendeels in de as had gelegd.

Feddo Oldenburger in ‘Middeleeuwse kledij’ tijdens het 750-jarig bestaan van de stad Heukelum in 1980

Daarnaast was Oldenburger redacteur van de D66-Krant voor de toekomstige ‘kwartetgemeente’ (nr. 1 verscheen in 1982) en organiseerde hij een referendum over de op handen zijnde gemeentelijke herindeling voor de gemeenten Asperen, Heukelum, Vuren, Herwijnen (in 1986 gerealiseerd).
Bij het natuur- en landschapsbehoud is hij zijn hele leven betrokken gebleven. Langdurige projecten betroffen het behoud van het landschappelijke en culturele erfgoed in de Vijfheerenlanden; het behoud van het natuurgebied De Koornwaard (gem. Heukelum); het Landschapsplan Tielerwaard-West; het behoud van de Vurense Uiterwaardennatuur (terrein van de voormalige steenfabriek van de firma Heuff).

Privé
Naast natuur hadden ook geschiedenis, kunst en filosofie Oldenburgers  grote interesse. Hij reisde de hele wereld rond om conferenties, natuur(parken) en tentoonstellingen te bezoeken, altijd op zoek naar ‘Hollandse’ architectuur en andere ‘Hollandse’ connecties uit het verleden.

Oldenburger was een oorspronkelijk en idealistisch denker. Zonder dat hij zich daarvan bewust was streefde hij vergelijkbare idealen na als zijn grootvader Harmannus Groustra (1861-1944), die in Noord-Groningen een bekend multatuliaan was, aanhanger van de utopische Vrijlandbeweging [noot 1] en voorzitter van de SDAP-federatie Slochteren. Door de oorlog hebben beide elkaar niet of nauwelijks gekend, maar de utopische idealen van grootvader lijken op kleinzoon Feddo te zijn overgedragen.

Noot 1.  Harmannus Groustra vertaalde en bewerkte het boekje Freiland ein sociales Zukunftsbild geschreven door Theodor Hertzka (Leipzig, 1889) in het Nederlands tot ‘Vrijland en de Vrijlandbeweging’ (Amsterdam, 1893). De tekst van dit boekje heeft hij rijkelijk van noten en citaten voorzien.

Oldenburgers interesses blijken ook uit zijn jarenlange lidmaatschappen van o.a.:
– UBV (Utrechtse Biologen Vereniging). In dit verband richtte hij samen met anderen het Kiemblad voor Biologen op en organiseerde hij als lid van de UBV-kampcommissie het biologenkamp op Ameland; – NIBI (Nederlands Instituut voor Biologie/Bionieuws); – D66, bijna vanaf de oprichting tot aan zijn dood; – Ver. Natuurmonumenten; – Ver. Lingelandschap; – NWG (Natuurwetenschappelijk Gezelschap Wageningen); – Tong Tong (Indische culturele organisatie) / KJBB (Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap); tenslotte was hij ‘adviseur’ van de Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen.

Trivia
Op zoek naar de hem onbekende vulkaanflora beklom Oldenburger twee onmogelijke ‘bergen’:
– de Gunung Api op Banda (Indonesië), vulkaantop 666 m. Door het bedwingen van deze lava-berg werd hij tot  ‘Ereburger van Banda / Molukken’ benoemd (zie bijgevoegd certificaat).

– de Mount Scenery op Saba (Ned. Antillen), een slapende vulkaan, 887 m. Hoogste top van het Koninkrijk der Nederlanden.
– Feddo Oldenburger en de Groningse schilder Otto Eerelman (1839-1926), ook wel de ‘Rembrandt van het Noorden’ genoemd, waren verre familie van elkaar. Om die reden had hij speciale aandacht voor Eerelmans werk, o.a. voor diens familieportretten en voor diens kunstalbum Paardenrassen (waarin ook een afbeelding van het Oldenburger paard was opgenomen).

Publicaties in chronologische volgorde (zie ‘Library WUR’ en www.sipaliwinisavanna.com)
* Oldenburger, F.H.F., Een globale vegetatiekartering van de duinen van Voorne, rapport, 1963.
* Oldenburger, F.H.F., Een beschrijving van een onderzoek naar het gedrag van 2 groepen Java-apen (Macaca iris) onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden, rapport, 1965.
* Oldenburger, F.H.F., Biologics ’66-’67, eigen uitgave met biologische filosofische overpeinzingen.
Biologics (1966):
nr. 1 The ‘catch’ or ‘introducing New China’.
nr. 2 (Evolunatics I). ‘De wereld draait zoals wij dat willen’. (Galileo Galilei).
nr. 3 Critics.
nr. 4 Critics on Critics.
nr. 5 (Evolunatics II). Vervolg van E.1.
nr. 6 Biopolitics I.
nr. 7 Biopolitics II.
nr. 8 Evolunatics III.
nr. 9 Biopolitics III.
nr. 10 Cogistics.
nr. 11 Evolunatics IV.
Biologics (1967):
nr. 12 / 1967 UBV Kiemblad jrg. 1, nr. 1. ‘De jacht op het punt ‘nul’.
nr. 13 De Noordzee Confederatie.
nr. 14 Zero.
nr. 15 Zero—–Point.
De nummers 13, 14 en 15 zijn ook apart samengebonden.
* Tetsuo Koyama en Feddo H.F. Oldenburger, ‘Diplacrum africanum newly found in tropical America’ in: Rhodora 73, 1971, p. 159-160.
* Oldenburger, F.H.F; R. Norde en H.T. Riezebos, Ecological investigations on the vegetation of the Sipaliwini – savanna area (Southern Surinam), rapport, 1973.
* Oldenburger, F.H.F., ‘Het savanneprobleem en de Sipaliwini savanne in Suriname (Z-Am.) in het licht van de algemene Biostasie-Rhexistasie theorie’ in: Berichten Fysisch Geografische Afdeling, 1973, p. 2-11. (Ook vertaald in het Portugees en Engels onder de titels:
‘El problema de las sabanas y de la Sabana de Sipaliwini en al Surinam (America del Sul) a la luz de la teoria Universal Biostasia-Rhexistasia’ en ‘The savanna problem and the Sipaliwini-savanna in Surinam (S. America) in view of the general Biostasy-Rhexistasy Theory’).
* Oldenburger, F.H.F. en R. Norde, 200 Sipaliwini-savanne planten, uitgave in eigen beheer, 1973.
* Eiten, George et al. [F.H.F Oldenburger, R. Norde en H.T. Riezebos], ‘Delimitation of the cerrado concept’ in: Vegetatio, vol. 36, 1978 (3), p. 169-178.
* Oldenburger, F.H.F., Landschapsplan Tielerwaard-West, rapport, 1982.
* Oldenburger, F.H.F., Dit vinden wij ervan: reacties van insprekers op de evaluatie van het Streekplan Zuid-Holland Oost, 1983.
* Oldenburger, F.H.F., J.G.W.J. Eilerts de Haan, Marga C.M. Werkhoven en C.C. Käyser, Algemene inleiding op de Toemak-Hoemak-, Suriname- en Corantijn-expeditie van resp. 1907, 1908, en 1910-1911; gevolgd door een samenvatting van de Suriname expeditie van 1908; ‘In Memoriam Baas Schmidt van Gansee (1898-1992)’; een samenvatting van de Corantijn-expeditie van 1910-1911 (2 delen); ‘Korte biografie van Luitenant C.C. Käyser’, uitgave in eigen beheer, 2014.
* Oldenburger, F.H.F en R. Norde, website Sipaliwini Savanna (zie screenshot hieronder).

Screenshot van de website www.sipaliwinisavanna.com, opgesteld door Feddo Oldenburger en Reinoud Norde

Feddo Hans Frits Oldenburger is 22 november 2017 overleden. Zijn nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center in Leiden.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Claude Monet, tuinhuisjes, bollenvelden

Vorige week (24 oktober 2017) keek ik met veelgenoegen naar de TV-aflevering van ‘Het geheim van de Meester”, die dit maal het geheim achter het schilderij ‘Het Kamperhoofd en de Oude Waal’ (1874) van Claude Monet behandelde.

Het Kamperhoofd en de Oude Waal (Amsterdam). Coll. Van Gogh Museum

Bekend is dat Monet een aantal maanden van het jaar 1871 in de Zaanstreek schilderde. Als tuinhistoricus denk ik dan meteen aan de karakteristieke tuinhuisjes langs de Zaan en inderdaad ook Monet was daarvan onder de indruk getuige zijn schilderijen ‘Tuinhuizen aan de Achterzaan’ (Coll. Metropolitan Museum of Art); ‘Huizen aan de Achterzaan’; Tuinhuis aan de Zaan.

Tuinhuizen aan de Achterzaan. Coll. M.M.A. New York

Na zijn verblijf in Zaandam en omgeving, bracht Monet nog twee maal een bezoek aan Nederland. In 1874 verbleef hij in Amsterdam en in 1886 verbleef hij in Den Haag en schilderde bollenvelden nabij Rijnsburg en Sassenheim.

Bloembollenvelden bij Sassenheim. Coll. Clark Art Institute Williamstown (Mass.)

Dat Claude Monet de eerste impressionist wordt genoemd moge uit deze Nederlandse voorbeelden duidelijk zijn. Hij schilderde in Nederland ruim veertig schilderijen. Ik zou ze wel eens in een tentoonstelling allemaal willen zien.

Is dit een idee voor het Van Gogh Museum?

Boombeplanting in Amsterdam

Boombeplanting

In alle beschrijvingen uit de 17e eeuw wordt Amsterdam geroemd om zijn bomen. Als één van de eerste Europese steden werd vanaf het einde van de 16e eeuw op grootschalige en systematische wijze de boomaanplant ter hand genomen. Om een dergelijke operatie in goede banen te leiden werden vanuit stadswege houtvesters en stadsgaardeniers in dienst genomen om erop toe te zien dat alles goed verliep.

Voordat men overging op de systematische beplanting stonden er her en der in de stad losse bomen. Daarnaast stonden er bomen in de talloze kloostertuinen. Deze gang van zaken veranderde met de eerste grote stadsuitbreiding aan het einde van de 16e eeuw. De buitenkade van de stadssingel (het tegenwoordige Singel) werd toen met ‘blaeuwe arduyn-steen beleydt, en de straten met loof-rijcke linde-boomen beplant’. Vanaf die tijd werden op de kades van nieuw aangelegde grachten steevast bomen geplant. Harman Barentsz werd in het begin van 1600 benoemd tot opzichter van de stadswallen. Zijn hoofdtaak was toezicht houden op het hout dat op de stadswallen was opgeslagen. Zo moest hij de ‘walhuur’ innen en erop toezien dat verkocht hout binnen 24 uur van de wallen was gehaald. In het laatste punt van zijn instructie werd hij ook geordonneerd om ‘goede opsicht te hebben op alle geplante boomen deser stede, aengaende dat se niet gequest ofte geschoffiert en werden, zoveel hem doenlijk is’.

In de kloostertuinen stonden bomen, in tegenstelling tot de rest van de stad (1544).

In de kloostertuinen stonden bomen, in tegenstelling tot de rest van de stad (1544).

Systematische boomaanplant tijdens de eerste uitleg. De toren linksonder is de Jan Rodenpoorttoren (1597).

Systematische boomaanplant tijdens de eerste uitleg. De toren linksonder is de Jan Rodenpoorttoren (1597).

Uit de stadsrekeningen valt op te maken dat de aanplant van bomen in het begin van de 17e eeuw in hoog tempo toenam. In 1610 werd 1817 gulden betaald voor de aanschaf van bomen en de kosten voor het planten. Het jaar daarop werd hier 573 gulden aan uitgegeven. Daarnaast werd in 1611 aan IJbrant Ben 300 gulden betaald voor de ‘coop ende tplanten van seckere boomen die montelbaensburchwall’ (Oude Schans). Gardenier Willem Jansz. kreeg ruim 42 gulden arbeidsloon voor het planten vande boomen op diversche plaetsen. Albert Lucasz. ontving 357 gulden voor het planten van bomen langs de ‘burchwallen dezer stede’. Bomen stonden niet als aparte rubriek in het stedelijk kasboek: de campagne om de stad te beplanten viel onder de ‘extraordinaris zaecken’. Pontanus beschreef in 1614 de bomen op de burgwallen als een betrekkelijk nieuw verschijnsel. De aanplant was nog jong: aan de grachten stonden ‘hier ende daer […] lustighe boomkens aen den cant van ’t water in bequame orden’, hetgeen leidde tot ‘groote vermakinge van den genen die daer voor by passeren’.

1625

De Nieuwmarkt en de Kloveniersburgwal waarbij de systematische boombeplanting goed te zien is (1625).

Tijdens de derde uitleg, waarbij de grachtengordel en Jordaan werden aangelegd, vond de aanplant van bomen op grote schaal plaats. Niet alleen de luxe woongrachten werden van bomen voorzien maar ook de Jordaan. Daar werden alle grachten beplant behalve de Passeerder- en de Looiersgracht. Men zal op deze grachten af hebben gezien van beplanting gezien de beperkte levensvatbaarheid van de bomen door de verontreinigde industrie die aan beide grachten was gehuisvest. Ook de Goudsbloemgracht bleef boomloos door de zeer smalle kades die aan weerszijden van de gracht gelegen waren. Er was simpelweg niet genoeg ruimte om bomen te plaatsten. Niet alleen de nieuw gegraven grachten werden voorzien van bomen. Ook in de oude stad werd een inhaalslag gemaakt. Op de plattegrond van Balthazar Florisz van Berckenrode uit 1625 waren niet alleen de oude burgwallen beplant, ook de grachten in de Lastage en een deel van de kades op Uilenburg, Valkenburg en Rapenburg waren van bomen voorzien. Een opvallend verschijnsel is de beplanting op de Nieuwmarkt. De bomenrij markeert het oude tracé van de Sint-Anthonisbreestraat.

In 1621 werd Gerrit Gerritsz als nieuwe opzichter van de stadswallen aangesteld. Zijn instructie is exact dezelfde als de werkbeschrijving in 1600 voor Harman Barentsz., inclusief zijn naam. De schrijver was blijkbaar niet helemaal bij de les. In een keur van 1624 wordt gesproken over ‘twee commissarissen op ’t planten van bomen’. Onder het toezicht van deze commissarissen, ook wel houtvester genoemd, stond de stadsgaardenier. Op 16 januari 1627 werd een instructie opgesteld voor de stadsgardenier, Geurt Arentsz. genaamd. Hij had de zorg voor het planten, de instandhouding en verbetering van de stadsbomen, bijgestaan door zijn arbeiders. Daarnaast diende hij ervoor te zorgen dat de stadsstratenmaker op de hoogte werd gesteld als de gardenier ergens bomen zou gaan planten. De stratenmaker kon daarna ervoor zorgen dat ‘de straten terstont wederom aengevult ende gemaeckt worden’.

Het planten van bomen, Jan Luyken, 1660 - 1712

De stedelijke boomkwekerij bevond zich aan de Overtoom bij de Pestsloot. In het begin van de 17e eeuw werden voornamelijk linden geplant maar het aandeel van iepen werd in de loop van de 17e eeuw steeds groter. Iepen waren sterker, brachten meer schaduw teweeg en hadden een langere levensduur. Jonge bomen werden altijd voorzien van boomkokers of palen die de aanplant moest beschermen. Dit gold ook voor sommige volwassen bomen om ze te beschermen tegen aanrijdingen of vandalisme. Al die bomen diende niet alleen als sieraad voor de stad, er lagen ook praktische zaken aan ten grondslag. De boomwortels zorgden voor een stabiliserend effect op de kades. De grond tussen de wortels werd bijeen gehouden wat ervoor zorgde dat er minder materiaal wegspoelde. Dit verklaart tevens dat ook de Jordaan, waar esthetische overwegingen nimmer een rol hebben gespeeld in de stedelijke besluitvorming, van bomen werd voorzien. Daarnaast zorgden de bomen voor een aangenamer klimaat in de zomer. De bomen op het Singel waren geplant tot ciraat van de stad ende het schutten van de son. Op alle marktpleinen werden bomen geplant, niet alleen ten behoeve van het vee dat niet te lang in de zon kon staan, maar ook om bederfelijke producten uit de zon te houden. De marktmeester van de Reguliersmarkt (nu het Rembrandtplein) moest blijkens een keur van 24 juli 1669 erop toezien dat de marktkramers niet ‘de boomen aldaer staende te behangen, te besette of andersints […] te mishandelen’.

asdf

De kokers rondom de jonge bomen zijn duidelijk zichtbaar. In de gracht zwemmen twee stadszwanen, links is de hondenslager aan het werk.

Dat de overheid van Amsterdam van oudsher zeer gesteld was op haar bomen blijkt uit de lange lijst van keuren die opgesteld werden ter bescherming van de bomen. Op 12 april 1454 werd eenieder die ‘bomen opte vesten quest, scillet of scoffiert’ door het gerecht gevonnist met het verlies van de rechterhand of 20 pond boete. Op 11 april 1525 werd degene die ‘bomen ande veste oft anderssins binnen deser stede oft buyten inden vrijheyt staende queste, schilde off schoffierde’ openbaar gegeseld of moest een boete van zes pond betalen. Daarnaast klommen kwajongens in de bomen en smeerden de takken met vogellijm in om uilen en vogels te vangen. De kokers die om de jonge bomen werden geplaatst waren ook niet veilig voor enkele onverlaten in de stad. In een keur van 1631 werd de straf op het beschadigen of wegnemen van deze kokers verhoogd. Daarnaast werd de gardenier gemachtigd om boetes uit te delen. Blijkbaar hielp dit keur niet aangezien op 7 maart 1679 de straf opnieuw werd verhoogd. De heren van de Gerechte besloten dat ‘niemand sig hebben te vervorderen […] de kokers vande boomen af te rucken en weg te dragen op pene, […] sonder eenige verschooninge opentlick met geesselinge aenden lijve sullen werden gestraft’. Een geseling was geen pretje, toch werd op 2 juni 1684 een nieuwe keur uitgevaardigd om de bomenschenders aan te pakken:
‘Alsoo mijne heeren van den Gerechte der stad Amsterdam in ervaringe komen, dat, niet tegenstaende bij verscheide willekeuren, voor desen expresselijk ten dien eijnde gemaekt, verboden is eenige boomen te scheuren, ofte schenden, eger nog dagelijx veel menschen sig niet en ontsien de boomen soo in de nieuwe plantagie, als op andere plaetsen binnen deze stad ende de vrijheid van dien, te beschadigen ofte te verderven, t welk is streckende niet alleen tot vilipendie van de voorseide keuren, maer ook tot merkelijke ontcieringe ende nadeel vande stad’.

Iemand die het toch waagde om de stadsbomen ’t sij met schillen, snijden, afhouden, schudden, uittrecken, afbreken van de kokers ofte andersins moetwilliglijk te schenden ofte beschadigen’ liep het risico om zijn rechterhand kwijt te raken, openbaar gegeseld te worden of uit de stad verbannen te worden. Daarnaast werd in de keur een probleem aangehaald dat tegenwoordig ook nog steeds veel overlast veroorzaakt. ‘Ende dewijl de experientie leert, dat door de scherpheit van het water ofte pissen, de boomen seer beschadigt werden, en eijndelijk komen te versterven en uijt te gaen. Soo werd een iegelijk verboden sijn water tegen ofte aen eenige boomen te maken, op een boete van dertig stuijvers’.

Jan Wijnants 1660

In Amsterdam staan tegenwoordig ruim 75.000 iepen. Nergens anders in een andere Europese stad staan zoveel iepen als in Amsterdam. Hoewel de iepenziekte op de loer ligt, is de stad er alles aan gelegen om deze monumentale boom te behouden voor de stad. Het kan niet anders dat de grote waardering voor deze boomsoort ontsproten is uit de grootschalige boomaanplant in de 17e eeuw.

Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:

5023.2.205 (1600)

5023.2.205 (1600)

5023.2.206 (1600)

5023.2.206 (1600)

5023.3.51 (16-1-1627)

5023.3.51 (16-1-1627)

5023.3.52 (16-1-1627)

5023.3.52 (16-1-1627)

5020.18.69 (2-6-1684)

5020.18.69 (2-6-1684)

5020.18.70 (2-6-1684)

5020.18.70 (2-6-1684)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur:

  • J.E. Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam, 2010.
  • L. van Nierop, ‘De houtvesterij’ in: Amstelodamum jrg. 48 (1961).(overgenomen van en met dank aan amsterdamsverleden.nl – Ilja Mostert).
  • Zie ook het bericht Gekokerde bomen, geplaatst op de Cascade weblog (cascade1987.nl/weblog) 

Boombeschermers of boomkokers in de 17de eeuw

Op dit schilderij van Jan van der Heyden (ca. 1660, National Gallery London) van de Westerkerk aan de Keizersgracht te Amsterdam, zien we bomen met boombeschermers rond de stammen.

Is dit zo of lijkt het zo? Zijn die zogenaamde boombeschermers geen meerpalen?  Op kantoor hadden we daar discussie over. Na onderzoek (voor hoge resolutie zie link hierboven) lijkt het in eerste instantie om meerpalen te gaan, die aan deze kant van het water staan, terwijl de bomen zich aan de overkant van de gracht bevinden. Maar bij uitvergroting (zie detail schilderij) zijn er toch hele dunne  stammetjes te zien, waaromheen zich de houten bescherming sluit. Wat een finesses op zo’n schilderij.

Detail schilderij van Jan van der Heyden. Westerkerk Amsterdam. Coll. National Gallery.

Walther Schoonenberg merkte bovendien op dat op de kaart van Amsterdam uit 1625 van Balthasar Florisz. van Berckenrode(na de totstandkoming van de derde stadsuitleg), deze boom-bescherming in honderdtallen is afgebeeld, en hij heeft gelijk. We zien honderden bomen op deze kaart afgebeeld (zie detail van deze kaart hieronder) op de kades langs de grachten, en de stammen zijn niet in zwart als stam aangegeven, maar zo getekend dat het duidelijk is dat die stammen door een “kistje” zijn beschermd. De bomen zijn geplant in verband met genoemde derde uitleg, allemaal nog heel jong mogen we aannemen.

Detail kaart B.F. van Berckenrode, 1625.

De aanleiding van deze discussie was een Cascade-weblog , dd.27 september 2017, met de volgende tekst (overgenomen):

U kent ze wel, die bomen met boombescherming op bouwplaatsen of daar waar wegwerkzaamheden zijn. Met een houten ‘jasje’ om de stam en vaak niet meer dan dat. Boombescherming heet dat dan. Terwijl we allemaal weten dat een boom breder is dan z’n stam en ook verstoring van de bodemstructuur en schade aan boomwortels moet worden voorkomen. De boomposter Werken rond bomen geeft in een oogopslag een beeld (zie ook Norminstituur bomen).

Maar nu even een ietwat ander beeld, van ik noem het ‘gekokerde bomen’.  Zie gravure hieronder: De zeevischmarkt van Rotterdam (1816) / J.A. Langedijk. Ook een mooie gravure van J. van Geel, Blaak – Beursplein Rotterdam (1696) is het bekijken waard (beide (Stadsarchief Rotterdam). De laatste kan ik hier niet afbeelden omdat de Rotterdamse beeldbank gesloten is.

De houten omlijstingen dienen ter  bescherming, dat is duidelijk, maar gezien de vormgeving vast ook met esthetische motivering. Deze ‘boomaankleding’ was me niet eerder opgevallen, maar het is vast weer zo’n voorbeeld van als je het een keer hebt gezien, dan zie je het overal of in ieder geval vaker. Wie kent er meer?
Jan Holwerda

De zeevischmarkt van Rotterdam (1816) / J.A. Langedijk. Stadsarchief Rotterdam. Met “boomkolom”

Dank aan Joost, Jan, Walther en Juliet. Mooie samenwerking.

 

Gereconstrueerde tuin van Kasteel Assumburg gemeentelijk monument

Reconstructie-ontwerp (Nico Brantjes) van Tuin Kasteel Assumburg te Heemskerk

Naar aanleiding van de plaatsing van de tuin van Kasteel Assumburg (Heemskerk) op de gemeentelijke monumentenlijst, vraagt het Erfgoedteam van ‘Mooi Noord-Holland’ zich komende week af of een reconstructie van een verdwenen tuin een monumentale status verdient en welke redenen daarvoor dan zijn aan te geven?

Hieronder volgen twee van de weinige ‘archiefstukken’.  “Zicht op het kasteel vanuit de tuin” en “Zicht op de tuin vanuit het kasteel”, uit Het Zegepralend Kennemerland vertoond in 100 heerlijke gezichten / H. de Leth, en M. Brouërius van Nidek. [1729-1732].

Het lijkt me goed dat in het algemeen eerst de volgende vragen worden gesteld:
* Welke definitie voor “monument” wordt aangehouden door een gemeente? Gaat het alleen om “van groot belang voor de gemeente” of ook om “grote cultuurhistorische waarde”?

De volgende vragen doemen op als de gemeente ook cultuurhistorische waarde meeweegt.
* Wat rest er nog ondergronds uit de aanlegperiode van de tuin? Is er sprake van archeologische tuinresten in de vorm van planten- zaden (meestal alleen boomzaden en boomresten uit een latere periode), historische parterres-steenslag, ceramiek-resten, historische waterleidingen, vloeren van bassins, delen/scherven van tuinbeelden etc.
* Is het grondoppervlak dat in het verleden ingenomen werd gelijk aan het huidige grondoppervlak binnen dezelfde grenzen? En is dit altijd onbebouwd gebleven of ook (misschien gedeeltelijk) in een landschappelijk park omgevormd, eventueel tijdelijk?
* Zijn alle tuinbeelden en tuinvazen die nu in de tuin staan nieuw en zijn de beelden en vazen die we van de gravures kennen alle vervangen door kopieën of moderne beelden of slechts de belangrijkste?
* Zijn de parterres bij de reconstructie in vereenvoudigde vorm gereconstrueerd of (bijna) precies en volledig gereconstrueerd?
* Is Buxus sempervirens door Ilex crenata of door Lonicera nitida vervangen en wat heeft dat voor effect?
* In geval van Assumburg omsluiten de boomgaarden nu de tuin heel mooi, maar dat was niet oorspronkelijk zo. Wat is het effect en het verschil?
* Een rozentuin en een kruidentuin liggen in de tuin van Assumburg op de plaats van de voormalige groentetuinen. Maar een rozentuin als verzameling rozen in bedden werd rond 1730  niet zo toegepast. Dergelijke rozentuinen in Nederland worden pas aangelegd vanaf ca. 1850.

Ik heb de tuin van Assumburg eenmaal bezocht en vond het een geslaagde aanleg, geïnspireerd door de aanleg uit 1730, maar “vlakker”, “minder levendig, minder frivool” dan de oorspronkelijke barokke/rococo tuin.

Het is een geslaagde reconstructie  als je het hebt over een nieuwe aanleg “in de trant van”, een tuin met herinneringen aan het verleden, maar wel een nieuwe tuin met nieuwe materialen en nieuwe beelden, nieuwe hedendaagse ideeën. Om respectvol en zuinig mee om te gaan, dat zeker.  Maar een monumentenstatus?
Mijn advies zou zijn: als de gemeente oordeelt dat de tuinaanleg voor de hele gemeente  van grote cultuurhistorische waarde is of uniek is voor de provincie waarin de tuin is gelegen, dan geen bezwaar, maar wel met een voorwaarde hieraan gekoppeld.

En die voorwaarde is dat de gemeente een onafhankelijke waardestelling laat opmaken waarin ook een vergelijkend onderzoek wordt opgenomen, want een reconstructie als monument waarderen is niet alledaags. Tuinen als die van Paleis Het Loo, Kasteel Staverden, Huis Bergh, Tuinen van Marxveld etc. zijn overeenkomstige gevallen. Hebben die ook een monumentenstatus of is die gewenst en om welke reden? Als daar helderheid over is verkregen,  wordt een beslissing nemen over de vraag van plaatsing helderder en gemakkelijker.

Het werk der Zochers / Geertruida Carelsen, 1917. Honderd jaar nadien.

Portret van Amy G.de Leeuw (schrijfster Geertruida Carelsen) 1843-1938,  door Louis Hartz.

23 mei 2017 bracht ik al enige onbekende pennenvruchten van Geertruida Carelsen (stiefkleindochter van Jan David Zocher)  onder de aandacht.

Een ervan was ‘Het werk der Zochers’, gepubliceerd in De Tijdspiegel 74 (1917), 205-220. Dit werk is nu op Internet te lezen (tikken op de groene titel). Met dank aan Speciale Collectie, Library WUR.

Het is een prachtig tijdsbeeld dat laat zien hoe men in de tijd van Carelsen aankeek tegen de landschapsstijl van haar grootvader en de ‘degeneratie’ van die stijl erna. Bloemen en bloemperken werden door Zocher niet gewaardeerd. Zij betreurt het dat zijn stijl helemaal  een gevoelskwestie was en dat er geen theorie aan ten grondslag lag. Heel interessant allemaal om te lezen nu 100 jaar later.

Ik zal proberen ook de volgende twee artikelen op Internet te laten plaatsen. Als dat lukt hoort u het wel

  • Carelsen, G. (A.G.. de Leeuw, (stief)-kleindochter van Zocher jr.). L.P. Zocher. Eigen Haard 1915, p. 807-809.
  • Carelsen, G. (A.G. de Leeuw),(stief)-kleindochter van Zocher jr.) Herinneringen, eerste bundel. Haarlem, 1928.

Het allerlaatste schilderij van Vincent van Gogh: hakhout in een mergelgroeve

‘Kunstenaar in de natuur. Troost en inspiratie in de buitenlucht’.

Tentoonstelling Van Gogh Museum, t/m 10 september.

Bij nieuwe tentoonstellingen, vooral in grote en bekende musea, zijn er altijd mensen die meteen de eerste dag na de opening gaan kijken,  in de hoop dat nog niemand weet hoe geweldig de tentoonstelling is, en er is ook een groep die wacht tot de laatste week, in de hoop dat iedereen nu wel de tentoonstelling heeft gezien, zodat het wat rustiger is geworden.. Ik behoor tot de eerste groep, maar deze keer vanwege vakanties kom ik toch in de laatste groep terecht, als het gaat om de tentoonstelling ‘Kunstenaar in de natuur. Troost en inspiratie in de buitenlucht’.

Afgebeeld schilderij ‘Boomwortels’ is Van Gogh’s allerlaatste schilderij, voor zijn dood in 1890. Hij schilderde van dichtbij hakhout in een mergelgroeve. Voor mij is dit hakhout symbolisch van Het Leven.

Petersburg langs de Vecht; Kernhem op de Veluwe

Bij de Nederlandse Kastelenstichting zijn/zullen (9 september) de volgende boeken verschenen/verschijnen:

Petersburg, Roem der Hoven: de verdwenen lusthoven Peters de Grotes agent Christoffel Brants. Hilversum/Wijk bij Duurstede, 2017.

onder redactie van Fred Vogelzang. Auteurs  Claudette Baar-de Weerd, Harry Donga, Fred Vogelzang, Emmanuel Waegmans en Leo Wevers.

Kernhem: een adellijk slot aan de rand van de Veluwe

onder redactie van Fred Vogelzang. Auteurs Elisabeth Demesmaeker, Fred Vogelzang, Ben Olde Meierink m.m.v. Taco Hermans en Carla Oldenburger. Wijk bij Duurstede, 2017.

ANTONI VAN LANGELAER HOVENIER OP BUREN (1685)

ANTONI  VAN LANGELAER UIT BUREN (1685)

Afgelopen dagen correspondeerde ik met een collega over haar onlangs verschenen artikel in Bulletin KNOB. Helaas niet op Internet te lezen, maar ik geef hierbij de titelbeschrijving:

Lenneke Berkhout. Jan van der Groen, hovenier van de Prins van Oranje: nieuwe archiefgegevens over zijn leven. Bulletin KNOB 116 (2017), nr. 2.

Jan van der Groen is zou men kunnen zeggen tot heden de bekendste 17de eeuwse hovenier, en het is dan ook heel belangrijk in het kader van de geschiedenis van de Nederlandse tuinkunst dat meer gegevens over het leven van hoveniers en over de tuinkunst in het algemeen boven water komen.

Hierboven: Zou dat prachtige monogram (uit te voeren in buxus neem ik aan) bedoeld geweest zijn voor de tuin in Buren?

Het artikell van Berkhout noemt ook andere hoveniers die voor de prins van Oranje werkten, o.a. Anthoni van Langelaer. Ook hij schreef een boek, dat nooit is gedrukt maar wel als een boek is samengebonden. Het kreeg de titel mee (in later handschrift geschreven):

Verzameling, van afbeeldingen van bloem en grasperken, doolhoven, tuinhuizen, lustprieelen, latwerken, boomen, bloemen en planten. [Buren], 1685.

Omdat ik met vakantie ben en omdat het komkommertijd is, twee  mooie illustraties  uit dit manuscript. En ik kan het natuurlijk niet nalaten te zeggen, ga dit kunstwerk vooral eens bekijken in de Bibliotheek Wageningen UR.

Ook zal het hele manuscript binnenkort op Internet te bewonderen zijn. Houd het dus in de gaten.