Categoriearchief: Begraafplaatsen

Schiedam: Van buitenplaats (Bokkenburg) tot R.K. begraafplaats

Hoofdas van de begraafplaats
De R.K. begraafplaats aan de Vlaardingerdijk in Schiedam is van oorsprong een kleine buitenplaats, genaamd Bokkenburg.
Ons bureau deed in 2016 onderzoek naar de geschiedenis en ontwikkeling van deze begraafplaats, gevolgd door een restauratieplan in 2017 (nu grotendeels uitgevoerd) en een beheerplan waar op dit moment aan wordt gewerkt. 
Graag verwijzen we de lezers allereerst via een link naar het rapport  en naar het ontwerp.
* Carla en Juliet Oldenburger/Binnenstad en Buitenleven, Van buitenplaats Bokkenburg in de Nieuwlandse Polder tot RK begraafplaats, Amsterdam, 2016.
* Ontwerp Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam, 2017 hieronder:
Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam (Juliet Oldenburger, 2017)
We troffen de begraafplaats in grote verwaarlozing aan.  De eerste opgave was op zoek te gaan naar het oorspronkelijk ontwerp van de plaats, zowel op papier als in het veld: hoofdstructuur van de paden,  verharding van de paden, boombeplanting langs het water, functie van de bouwwerken (de kapel, het doodgravershuis, de sacristie en het lijkenhuisje staan op de monumentenlijst), leeftijd van de bomen, ontwerpers en kunstenaars van kapel, hekwerken en beelden (o.a. van de H. Filomena). 
Tenslotte was een belangrijke vraag in verband met het beheerplan, welke bomen (‘opschot’) wel of niet van de graven te verwijderen en hoever in te grijpen in de natuurlijke begroeiing langs het water.
Opschot van bomen op graven deels verwijderen
Achter de kapel liggen de graven ‘1ste klasse’

KLEUR IN DE KERK

De Oude Kerk Amsterdam in rood licht

Doopkapel Oude kerk in rood licht (foto: CSOE 11 sept. 2018)

Zoals op deze website te lezen is houdt ons bureau zich sinds enige tijd bezig met kleur in de architectuur (zie de pagina KLEUR). Alhoewel deze specialisatie  voornamelijk op het kleuren van gevels slaat, werd ons afgelopen tijd duidelijk dat je ook op andere manieren met ‘kleur en architectuur’ kunt omgaan.

De ramen van de Oude Kerk (de oudste kerk van Amsterdam) kleuren de gehele kerk thans rood en donker, een zo vervreemdend effect dat ik na vijf minuten al over een drempel struikelde en languit in de kerk lag. Dit kunstwerk is te danken aan de kunstenaar Giorgio Andreotta Calo. Volgens hem staat dit lichtkunstwerk voor de transformatie van een Rooms Katholieke kerk (periode 1306-1578) naar een Protestantse kerk (1578-heden), ofwel vertaald in kleurensymboliek van Calo, van rood naar blauw-grijs. Het zou refereren  naar de afwezigheid van beelden en is een directe verwijzing naar de Beeldenstorm die hier plaats vond.

Als herinnering aan de huidige tentoonstelling wil Stichting de Oude Kerk de ruimte waar onder het gotische baldakijn ooit een Heilig graf stond blijvend rood kleuren, door in het venster rood glas te plaatsen, met de bedoeling deze grafkapel op eigentijdse wijze de betekenis terug te geven die door de beeldenstorm verloren is gegaan.

Maar klopt dit wel? Wat was dit nu voor graf? En past het rode licht daar eigenlijk wel bij? Juliet bestudeerde de geschiedenis van deze kapel en de kleuren die daarbij van belang zijn. Het onderzoek wordt binnenkort gepubliceerd in Binnenstad 287-288 (gebeurd).

Noordzijde van de Oude Kerk Amsterdam. De buitenzijde van de ‘Heilig Grafkapel’ in de steiger, ter voorbereiding van de plaatsing van het rode raam (foto: CSOE 11 sept. 2018).

BewarenBewaren

BewarenBewaren

John Bergmans (1892-1980). Biografie

JOHN BERGMANS (1892-1980)

Het doet ons veel genoegen gelezen te hebben dat in december 2018 een boek zal verschijnen bij Uitgeverij Verloren, over de plantenkenner en tuinarchitect  John Bergmans. De auteurs zijn Johanna Karssen-Schürmann en Marianne van Lidth de Jeude.

Eerder werd zijn werk belicht in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 4 (2000):

Johannes Baptiste (John) Bergmans werd op 6 juni 1892 in Antwerpen geboren. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog in dienst van het Belgische leger, maar vertrok naar het neutrale Nederland, waar hij tot zijn dood in 1980 bleef wonen (vanaf ca. 1924 in Oisterwijk). Hij was hovenier bij de firma Van Empelen en Van Dijk, een kwekerij in Aerdenhout; later had hij ook verbintenissen met andere kwekerijen. Dat blijkt ook uit zijn ondertekening van diverse artikelen die hij schreef in het tijdschrift Floralia. In 1921 staat onder zijn naam de vermelding ‘Koninklijke Kweekerij Tottenham, Dedemsvaart’ vermeld,  waar hij in ieder geval tot 1926 als  ‘Chef de Cultures’ in dienst was. Verder werkte hij voor Turkenburg te Bodegraven en voor J.H. Faassen-Hekkens’ boomkwekerijen te Tegelen. Bij deze laatst genoemde kwekerij was hij omstreeks 1939 in dienst als hoofd van de afdeling tuinarchitectuur.

Hij trouwde met J.M.W. Visser (geboren 5 april 1900 in Amsterdam) die de Middelbare Tuinbouwschool voor meisjes, ‘Huis te Lande’, te Rijswijk had doorlopen.

De tot heden vroegst bekende tuinontwerpen van Bergmans zijn gemaakt voor zijn schoonvader, de heer J. Visser, directeur van het bedrijf N.V. Arendshoven te Oisterwijk. Dit bedrijf gaf Bergmans deze opdracht in 1924.

Bergmans schreef vanaf 1920 talrijke artikelen (ca. 1000!) over planten en beplantingsmogelijkheden; daarnaast schreef hij tussen 1923 en 1940 tien boeken waaruit zijn grote liefde voor groen blijkt, naast zijn bijzonder goede en grote plantenkennis, waarvoor hij verschillende keren werd onderscheiden. Vanaf de eerste uitgave van het tijdschrift Dendron (een uitgave van de International Dendrology Union) in 1954, werkte hij mee als redacteur. Zijn artikelen verschenen in de beginjaren vooral in het tijdschrift Floralia (1920-1934); later schreef hij ook voor de Revue Horticole (l92l), voor het Weekblad Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw- en Plantkunde (1927-1936), voor het Orgaan van Huis te Lande (1931), voor Buiten (1933-1935), voor Cultuur en Handel (1949-1956) en voor het hierboven vermeldde Dendron. Boeken van zijn hand zijn: Rotsplanten in kleine tuinen, Amsterdam 1923, 2e druk 1930; Vaste planten en rotsheesters, Haarlem 1924, 2e druk Tegelen 1939; De rotstuin, praktisch handboek . . . , Amsterdam 1928; Rots- en muurtuinen, 2e druk van De rotstuin, Amsterdam 1934; Schoon Oisterwijk, z. p l . , 1930; Zomersche bloemenweelde, Amsterdam 1934, 2e druk 1936; De tuin bij het huis, Amsterdam 1936, 2e druk 1962; Sierheesters en parkbomen, Amersfoort 1939 Bomen en Struiken, Naarden 1940  Alles over kamerplanten, Amsterdam 1967, 2e druk 1968.

Bergmans werkte zowel in de architectonische als in landschappelijke stijl. Zijn ontwerpen overspannen het interbellum en de wederopbouw.

ISBN 978-90-8704-750-4 ingenaaid, geïllustreerd. NUR 648/941. ±288 blz.,  Prijs ±€ 29,–

AMSTERDAM MUSEUM WERD GESTICHT ALS LUCIA-KLOOSTER.

St.Luciaklooster aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Kopie naar Le Long, Isaac. Historische beschryvinge van de Reformatie der stadt Amsterdam’. Amsterdam, 1729.  Afgebeelde situatie anno 1544. Tekening Jacobus Stellingwerff (1667-1727). Noorden rechts beneden.

 Het  ANP Nieuws dat ik vandaag (11 okt. 2017) las luidt als volgt:

Citaat: “Vijf architectenbureaus buigen zich over de vraag of een verbouwing van de historische panden van Amsterdam Museum haalbaar is. Het museum en de gemeente Amsterdam selecteerden de bureaus uit zestien aanmeldingen.

 De keuze is gevallen op de Neutelings Riedijk Architecten, Cruz y Ortiz Amsterdam, Felix Claus Dick van Wageningen Architecten en de combinaties Office Winhov/Inbo en AL_A/NEXT/1meter98.

Mocht een verbouwing inderdaad mogelijk zijn, dan gaat de opdracht ook naar een van de vijf gegadigden. In de loop van 2018 wordt duidelijk of de verbouwing doorgaat.

Weeskinderen

Doel van de eventuele verbouwing is Amsterdam Museum toegankelijker en inspirerend te maken, maar ook de rijke geschiedenis van het complex te belichten.

Het voormalige klooster aan de Kalverstraat kent een lange geschiedenis als Burgerweeshuis. Vanaf 1580 vingen regenten er weeskinderen van overleden Amsterdammers op.

Sinds 1975 is het Rijksmonument de thuisbasis van Amsterdam Museum, dat destijds nog het Amsterdam Historisch Museum heette”.

Einde citaat.

Het St. Luciaklooster

Het valt me op dat in de berichtgeving wel gesproken wordt over het voormalige weeshuis (sinds 1578), maar niet over haar voorganger in datzelfde gebouw, het Luciaklooster (sinds 1414). Hierover is in de tegenwoordige literatuur niet al te veel te vinden. Het werd voor het eerst genoemd in 1414. Het klooster was gewijd aan de Heilige Lucia, en werd aanvankelijk bewoond door ‘Zusters van het Gemeenen Leven”( Modrne Devotie), die zich in 1416 aansloten bij de Derde Orde der Franciscanen. Zij hadden een sterk verzorgende taak in de stad.

St. Lucia was ondermeer patroonheilige van de blinden en beschermheilige van zieke kinderen. Mogelijk hebben de kloosterzusters vanwege hun heilige taak zieke kinderen te beschermen bij de Alteratie in 1578 de stad gevraagd dit klooster tot weeshuis te bestemmen.

Sint Lucia door Francesco del Cossa, National Gallery of Art (Washington DC). Olieverf en bladgoud, iets na 1470. Beschemheilige van blinden en zieke kinderen.

Omdat deze weblog toch het liefst als hoofdthema het Groene Erfgoed wil behandelen, nog even iets over decentrale kloostertuin op de eerste hier afgebeelde prent. We zien hier dat de binnenhof of pandhof in twee delen is gedeeld en dat rondom de twee afzonderlijke tuindelen een pad loopt. Deze kruisgang of pandhof werd waarschijnlijk gebruikt als breviegang (waar de zusters tijdens gebed rond het centrale grasveld wandelden. Tegelijkertijd deden  de twee tuindelen waarschijnlijk dienst als bleekveld en kerkhof. Het kleinere bleekveld lag langs de zuidvleugel van het klooster; het grotere veld langs de kerkmuur ving de meeste zon.
Na de Alteratie werd het gebouw in gebruik genomen door het BurgerWeeshuis.

Wie wint de Carla Oldenburger-Ebbers Penning?

De Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2017 wordt  21 juni as. voor de tweede maal uitgereikt. Wie de winnaar is zal die middag op buitenplaats De Leemcule in Dalfsen bekend worden gemaakt.

In 2009 heeft de Stichting Tuinhistorisch Genootschap CASCADE de Carla Oldenburger-Ebbers Penning ingesteld. Cascade riep daarmee een prijs in het leven, genoemd naar haar oud-voorzitter en bedoeld om jong wetenschappelijk talent te stimuleren (jong is leeftijdsloos). De prijs gaat vergezeld van een bescheiden geldbedrag.

Voor de Carla Oldenburger-Ebbers Penning
komen onderzoekers in aanmerking die aan het
begin van hun (nieuwe) loopbaan staan en die een opmerkelijke wetenschappelijke scriptie, artikel of andere publicatie hebben uitgebracht die betrekking heeft op de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur en die aansluit op de doelstellingen van Cascade. De kwaliteit wordt getoetst aan de voor de universiteiten en hogescholen gebruikelijke normen.

In september 2016 ging een oproep voor kandidaten uit en op 21 juni 2017, tijdens de Cascade MidZomerNacht bijeenkomst, wordt de winnaar bekend gemaakt. In het navolgende worden de zes genomineerden en hun onderzoeken in willekeurige volgorde aan u voorgesteld.

Anna van Gerve

Anna van Gerve (1986) studeerde Beeldende Kunst aan de Gerrit Rietveld Academie en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 behaalde zij aan dezelfde universiteit haar diploma van de research-master Art Studies met een scriptie over de openbaar groen projecten van Louis G. le Roy in de jaren zeventig.

Een nieuwe dialoog met de natuur.
De positie van Louis le Roy in de ontwikkeling van natuurlijker openbaar groen in de jaren zeventig. Artikel in Stadsgeschiedenis, 2014.

In de jaren 1970 werd Louis G. le Roy (1924-2012) bekend vanwege zijn ecologische experimenten in de openbare ruimte. Zijn autonome project de Eco-kathedraal, waar hij zich vanaf 1983 volledig aan wijdde, heeft echter veruit de meeste aandacht gegenereerd in de vakliteratuur. Dit brengt het gevaar met zich mee dat Le Roy als eenling en buitenstaander wordt neergezet en niet in de context van de tuin- en landschapsarchitectuur wordt bekeken. Het is zeer de vraag of deze karakterisering van Le Roy wel voldoende recht doet aan zijn werk en motivaties. Op basis van drie vergelijkende analyses (met heemparken, natuurparken en wijkgroen) laat deze studie zien hoe Le Roy’s theorie en praktijk zich verhielden tot het denken over en omgaan met natuur in de stedelijke omgeving in de jaren 1970. Op die manier kan een beter begrip verkregen worden van Le Roy’s plaats in de tuin- en landschapsarchitectuur en van de waarde van zijn gedachtengoed voor de hedendaagse samenleving.

Gerrit van Oosterom

Gerrit van Oosterom (1975) studeerde landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen waar hij in 2015 cum laude afstudeerde. Als PhD onderzoeker is hij sindsdien verbonden aan het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen voor zijn onderzoek naar de rol die boerderij en buitenplaats binnen de ontwikkeling van de buitenplaatscultuur in de driehoek Leiden-Amsterdam en Utrecht. Daarnaast is hij als landschapsarchitect werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

Gronden van vermaak. Een reconstructie van de ontwikkeling van buitenplaatscultuur en het buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht (1600-1900). Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

In de zeventiende en achttiende eeuw ontstaat er langs de oevers van de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht een buitenplaatslandschap van meer dan 125 buitenplaatsen. Twee eeuwen later zijn de meeste al weer gesloopt of omgevormd tot boerderijen. Dit reconstructieonderzoek levert voor het eerst een overzicht van de ruimtelijke opzet en de ontwikkeling van dit buitenplaatslandschap als totaal en de gebied specifieke factoren die de ontwikkelingsgeschiedenis bepaalden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de invloed van kleiwinning op zowel een versnelde afbraak als de opkomst van een nieuwe groep eigenaren. De sterke verwevenheid tussen boerderij en buitenplaats die tot in de negentiende eeuw hier als volwaardige buitenplaats blijkt te kunnen voortbestaan geeft eveneens het gebied een eigen signatuur. Het onderzoek laat daarmee zien dat er in de buitenplaatscultuur van de Republiek en het jonge Koninkrijk ook binnen West Nederland grote regionale verschillen waren waardoor de hegemonie van de Vechtstreek als nationaal referentiemodel voor andere gebieden mogelijk aan nuancering toe is.

Willem Weiland

Willem Weiland (1940) behaalde zijn doctoraal economie in 1964 en deed de master culturele wetenschappen in 2015. Werkzaam was hij als reserve officier Koninklijke Luchtmacht, senior organisatieadviseur bij Bakkenist, Spits en Co. en algemeen directeur van de papiergroothandel Proost en Brandt. Hiernaast vervulde hij diverse nevenfuncties op nationaal- en Europees niveau in de papierbranche. In zijn vrije tijd tennist, wandelt en fietst hij, en speelt hij trompet.

Groen erfgoed: het Volkspark De Leidse Hout in Leiden Functies en gebruik van het park 1931 – 2014. Masterscriptie Open Universiteit, 2015

In de negentiende eeuw waren de leefomstandigheden van de lagere klassen slecht. Gaandeweg werden er initiatieven ontplooid ter verheffing van het volk.
In Leiden kwam rond 1900 de wens naar een volkspark naar voren waarbij de bevordering van de volksgezondheid een belangrijke reden was. Het eerste Volkspark werd in 1921 in gebruik genomen en omgedoopt tot Kooipark. Dit park was 1,8 ha groot, maar al in 1919 werd een plan ingediend voor een groter park van 20 ha. Passend in het uitbreidingsplan van Pieter Verhagen ontwierp landschapsarchitect Klaas van Nes een park voor sport en spel: De Leidse Hout. In 1931 werd het wandelpark geopend, het sportpark volgde negen jaar later. Een bospark met openluchttheater werd in 1958 toegevoegd aan het oorspronkelijke ontwerp. Decennialang werd het begrip “volkspark” niet voor De Leidse Hout gebruikt. Pas met het verlenen van de gemeentelijke monumentenstatus in 2009 werd het park omschreven als het “Volkspark De Leidse Hout”.

Dit volkspark vervulde maatschappelijke en biologische functies. Bij de maatschappelijke functies kwamen aan de orde: de recreatieve-, de educatieve-, de sociale -, de decoratieve-, de rituele- en de commerciële functies. De functies veranderden niet in de loop van de tijd maar het gebruik binnen een bepaalde functie wel. Het lijkt alsof er geen grenzen zijn aan wat mensen bedenken voor de besteding van hun vrije tijd. De biologische functies waren altijd al aanwezig maar zijn relevant geworden door de toegenomen aandacht voor het leefmilieu en de klimaatverandering.

Fenny Ramp

Fenny Ramp (1990) studeerde in 2016 af als architectuurhistorica aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens haar stage bij de afdeling Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam groeide haar fascinatie voor stedenbouw en landschapsarchitectuur van de twintigste eeuw, door haar onderzoek naar het Sloterpark. Tegenwoordig werkt ze bij Architectenbureau Office Winhov en doet ze onderzoek naar L.S.P. Scheffer, hoofd Stadsontwikkeling 1928-1952, voor een toekomstige publicatie van Paul Scheffer.

‘Ten gerieve des volks’. Een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van een uniek volkspark: het Sloterpark. Masterscriptie Universiteit van Amsterdam, 2016

Groen werd binnen het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (AUP) uit 1934, voor het eerst in de Amsterdamse geschiedenis als een voorziening voor het volk gezien. Het Sloterpark lag, als het groene hart, centraal in de westelijke uitbreiding van het AUP. Het park werd door Cornelis Van Eesteren en Jakoba Mulder ontworpen als een groot volkspark met een breed scala aan recreatievoorzieningen, zodat alle standen van de samenleving hier vrij konden recreëren. Er is naar gestreefd alle parkstroken, die wijken doorsneden, te verbinden met het Sloterpark. Dit zorgde voor een groene dooradering van de Westelijke Tuinsteden.

In deze masterscriptie wordt onderzocht hoe vroeg twintigste-eeuwse moderne opvattingen over stedelijke groenvoorzieningen het ontwerp voor het Sloterpark bepaald hebben. Twee thema’s in de ontwikkeling van de Amsterdamse groenvoorzieningen van de negentiende en twintigste eeuw blijven steeds terugkeren in dit onderzoek. Dat is enerzijds de toepassing van het concept ‘volkspark’, anderzijds is dat de ontwikkeling van stedelijk groen tot een fijnmazige groenstructuur dat als integraal onderdeel in stadsplanning werd opgenomen. Beïnvloed door de internationale kennisuitwisseling duiken beide thema’s voor het eerst in Amsterdam op in de negentiende eeuw en ontplooien zich begin twintigste eeuw tot geaccepteerde concepten in de Amsterdamse stedenbouw. Het ontwerp voor het Sloterpark belichaamt een uniek moment in de geschiedenis van de Amsterdamse groenvoorzieningen, omdat beide thema’s in het ontwerp voor dit park worden vertegenwoordigd. Er was nog nooit zo systematisch en grootschalig over aanleg van groen nagedacht.
De ontstaansgeschiedenis voor het Sloterpark wordt in deze scriptie in een brede historische en theoretische context geplaatst. Op deze manier wordt getracht de actuele discussie over herbestemming, behoud, beheer, restauratie en bescherming van het Sloterpark en volksparken uit de wederopbouwperiode in het algemeen, te bevorderen.

Ietse-Jan Stokroos

Ietse-Jan Stokroos studeerde in 2015 af als landschapshistoricus. Tijdens zijn studie richtte hij zich vooral op het doen van onderzoek naar kleinschalige groenelementen binnen de tuin- en landschapsarchitectuur, zoals tuinen, parken en begraafplaatsen. Op dit moment is hij werkzaam bij Landschapsbeheer Groningen. Hier houdt hij zich met name bezig met de inrichting van monumentale boerenerven en slingertuinen.

Graven in het Landschap. Vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum.  Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

‘Graven in het landschap’ is de titel van een onderzoek naar de vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum, de periode tussen beide wereldoorlogen. Dit was een periode van veranderingen op maatschappelijk en cultureel vlak en op het gebied van ontwerpstijlen binnen de tuin- en landschapsinrichting.

Het onderzoek geeft de geschiedenis van de lijkbezorging door de eeuwen heen weer. Naast begraven is het cremeren aan de orde gesteld. De periode waarnaar onderzoek is verricht, het interbellum, is beschreven aan de hand van verschillende belangrijke thema’s voor die periode. Tussen 1918-1940 zijn 271 begraafplaatsen van verschillende signaturen aangelegd. De inrichting en vormgeving van deze begraafplaatsen is geanalyseerd. Dit heeft tot een indeling in typen geleid. Verschillen zijn te vinden in inrichting, bouwwerken, beplanting en symboliek. Per begraafplaats is een tekening gemaakt waar in een grove schets de situatie is weergegeven.

In Kerk-Avezaath is een, voor het interbellum, bijzondere begraafplaats aangelegd. Door zijn diagonale lijnenspel valt deze dodenakker op. In een detailstudie wordt uit de doeken gedaan hoe het proces van planvorming en uitvoering tussen 1935-1938 tot stand is gekomen.

Jorinde Nijhuis

In 2009 begon Jorinde Nijhuis haar opleiding kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Haar interesses liggen op het gebied van tuinen, landschap en funeraire architectuur. Naast andere werkzaamheden schrijft ze artikelen over deze onderwerpen. Meest recent verscheen een artikel over de Lijnbaanhoven van Rotterdam in het tijdschrift Puntkomma.

De tuinen van Beeckestijn, een onderzoek naar feit en fictie in de geschiedenis van het ontwerp. Masterscriptie Vrije Universiteit Amsterdam, 2014.

De tuinen van Beeckestijn worden vaak beschreven als een uniek stuk erfgoed waarin twee bijzondere stijlen naast elkaar zijn te zien: een geometrische tuin naar Frans voorbeeld en een meer natuurlijk Engels landschapspark. In de twintigste eeuw werd besloten om deze tuinen te herstellen naar voorbeeld van een opmeting van architect J.G. Michael (1738-1800), overgeleverd in een kopergravure uit 1772. In twee restauratiefases, begonnen in respectievelijk 1959 en 1996, werden de tuinen gerestaureerd dan wel gereconstrueerd naar voorbeeld van deze gravure. Doel was het ontwerp van Michael in zijn glorie te herstellen. Ook in de literatuur die over de historie van Beeckestijn is verschenen vormt de gravure van 1772 vaak het uitgangspunt. Het is opvallend dat één bepaalde gravure zo centraal staat in zowel de geschiedschrijving van Beeckestijn als in de restauratie van de tuinen. In haar scriptie wordt daarom onderzocht welke rol de opmeting van Michael heeft gespeeld in de historiografie van Beeckestijn en in de omgang met de tuinen in de twintigste eeuw. Hoewel de gravure van 1772 een belangrijk object van onderzoek is, is er wellicht een al te bepalende betekenis aan gehecht. Enige nuance is op zijn plaats. Welke status aan de gravure moet worden toegekend is niet zeker. Is het een ontwerp, een weergave van een werkelijke situatie of een ideaalvisie? Bovendien zijn ook andere fasen in de ontwikkelingsgeschiedenis van de buitenplaats van belang voor het karakter van Beeckestijn.

(samenvattingen overgenomen van http://www.cascade1987.nl/documenten/Cascade%20-%20genomineerden%20COE%202017.pdf/)

Zochers OnLine Nieuwe editie April 2017

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Na ruim vijf jaar is de Zochers OnLine editie uit 2011 eindelijk herzien en vermeerderd. De structuur van deze Internet-publicatie is veranderd; persoonlijke gegevens zijn aangescherpt; enkele Zocherparken zijn uitgewerkt; nieuwe belangrijke illustraties zijn toegevoegd, o.a. het schilderij van Wybrand Hendriks ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’, uit 1799 en een belangrijke kaart van de locatie van de Bloemisterij op Rozenhagen uit 1882; vele aktes en contracten omtrent Rozenhagen, afkomstig uit een particulier familie-archief zijn toegevoegd; de projectenlijst is qua jaartallen en opdrachtgevers aangevuld en bijgesteld. Zonder fouten is het document beslist niet. Aanvullingen en commentaren zijn daarom uiterst welkom.

We zijn erg blij met alle belangstelling voor dit document. In talloze onderzoeksrapporten zien we zinnen uit dit geschrift terug (met of zonder bronvermelding, foei); in Haarlem/Bloemendaal  werd het na overleg gehanteerd als uitgangsdocument voor lezingen en fietsroutes;  in Zuid-Holland werd het in overleg gebruikt als onderlegger voor hun ‘Handreiking bij beheer en herstel’ van Zocherparken .  Ook vele Zocher-onderzoekers en instituten namen onze biografische en geografische Zocher-gegevens graag over.

We hopen dat ook andere provincies met veel Zocherparken (Noord-Holland, Gelderland, Utrecht) in overleg met ons bureau onze studie gaan gebruiken.

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Nieuwsgierig naar de plannen voor Soestdijk?

Consortium Soestdijk Buitenplaats van Nederland heeft gisteravond woensdag 12 april een informatie-avond gehouden over het toekomstplan Buitenplaats Soestdijk.  Als Zocher-specialisten werden we begin 2016 uitverkoren mee te denken en te adviseren met deze groep, op het gebied van de historie van het park en de karakteristieke kenmerken van Zocherparken. Dat zullen we graag doen natuurlijk.

Het park is geanalyseerd op te behouden Zocher-kenmerken en aangepast voor een groot 21-ste eeuws bezoekerspubliek in de geest van de vroegere bewoners. Zie hier het parkontwerp in plattegrond. Op de website http://www.buitenplaatssoestdijk.nl, kunt u alles lezen over de plannen. Veel plezier met de ontdekking van dit prachtige parkplan. Maar naast de aanpassing van het park, gaat er nog veel meer gebeuren. Zie dus de website.

 

 

ZEVENTIEN MARKANTE MONUMENTEN BEHOUDEN DOOR SUBSIDIE PROVINCIE UTRECHT

ZEVENTIEN MARKANTE MONUMENTEN BEHOUDEN DOOR SUBSIDIE PROVINCIE UTRECHT

21 februari 2017
De provincie Utrecht draagt vanuit de subsidieregeling Erfgoedparels 3,3 miljoen euro bij aan de restauratie van zeventien rijksmonumenten. Met behulp van deze bijdragen blijven deze markante monumenten behouden en wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het wegwerken van de restauratieachterstand.

De zeventien gehonoreerde projecten bestaan uit: zes historische buitenplaatsen, vijf kerken, twee scholen, een klooster, een museum, een begraafplaats en een onderdeel van een kerk (retabel).

De projecten zijn:

Landhuis de Horst (Utrechtse Heuvelrug, Driebergen),

Kasteel de Haar (Utrecht),

Oranjerie Nijenrode (Stichtse Vecht, Breukelen),

Kasteel Amerongen (Utrechtse Heuvelrug, Amerongen),

Buitenplaats Beerschoten-Willinkshof (Utrechtse Heuvelrug, Driebergen),

Muur buitenplaats Doornburgh (Stichtse Vecht, Maarssen),

Sint Jozefkerk Achterveld (Leusden),

Sint Bavokerk Harmelen (Woerden),

Augustinus Kerk (Utrecht),

Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming (Houten),

Dorpskerk Maarsbergen (Utrechtse Heuvelrug, Maarsbergen),

Oude School (Oudewater),

Koningin Wilhelminaschool (Utrecht),

Voormalig klooster Mariënhof (Amersfoort),

Museum Flehite (Amersfoort),

Begraafplaats Hogewal (Woerden),

Retabel in de Grote Kerk (Vianen).

We wensen alle uitverkorenen geluk met de restauraties. Wie weet kunnen we aan  de historische buitenplaatsen of aan het klooster en de begraafplaats nog onze bijdrage leveren.

Een kerstconcert en een begraafplaats

De  jeugdensembles Arcato/Scala geven vanavond (17 december 2016) een concert in de Antonius van Paduakerk in Nijmegen, met als solisten Jan van Wijk, piano, en Rosanne Philippens, viool. Ik ga luisteren naar mijn kleindochter. Wie bouwde deze kerk eigenlijk en waarom staan we even stil bij zijn naam?nijmegen_antonius_van_paduakerk_groesbeekseweg_plafond_kruisbeuk

Deze neogotische kerk is gebouwd in 1916-1917  naar een ontwerp van de Rotterdamse architect Jos Margry. Ik had nog nooit van deze familienaam gehoord tot enkele weken geleden toen we aan ons rapport over de Rooms-Katholieke begraafplaats in Schiedam begonnen. Deze Jos Margry bleek lid te zijn van een uitgebreide architectenfamilie.

  • Jan F.J. Margry (1834-1858), architect; jong overleden en een van oprichters van Architectura et Amicitia.
  • Everardus (Evert) J. Margry (1841-1891), architect; hij had ervaring opgedaan bij Pierre Cuypers in Amsterdam en richtte daarna een zelfstandig architectenbureau op in Rotterdam.
  • Albert A.J. (Albert) Margry (1857-1911), architect; jongste broer van Evert die in 1880 bij het Rotterdamse bureau kwam werken.
  • Jos C.F. (Jos) Margry (1888-1982), architect; zoon van Albert. Hij werd door de dood van zijn vader op jonge leeftijd directeur van het architectenbureau en het atelier voor kerkelijke kunst.
  • Jan P.J. Margry (1913-2001), stedenbouwkundige, zoon van Jos.
  • Alphons Th.J. Margry (1915-1995), bouwkundige, zoon van Jos.
  • Joost J. Margry (1922-2015), architect en stedenbouwkundige , zoon van Jos.

Hieronder het ontwerp voor de kerk H. Antonius van Padua in Nijmegen, ondertekend door Jos Margry, 1916. De toren is niet uitgevoerd. Met dank aan de fotografe Beppie Peters van Santen.

En wat heeft deze familie nu met onze begraafplaats te maken?

In 1872 bleken de toegangsbruggen van de R.K. begraafplaats in Schiedam (Vlaardingerdijk) in slechte conditie te verkeren, zodat Everardus Joannes Margry uitgenodigd werd voor advies. Hij ontwierp de monumentale nieuwe toegangspoorten en smeedijzeren hekken (1882), uitgevoerd door de firma G.J. Vincent & Co. Deze zijn werkelijk prachtig, evenals de hele begraafplaats bijzonder is. We hopen dat door ons beplantingsplan en beheerplan de oude glorie weer terug zal keren.

  • overzicht_toegangshek_met_tekst_-_schiedam_-_20353620_-_rce
    Opschrift hekwerk, naar ontwerp van Evert Margry: ‘Wie in Mij gelooft, al is hij ook gestorven, zal leven’                                                                                     

Oldenburgia-Verborgen Verleden: (bet)overgrootvader apotheker 1865-1917(?)

Het TV-Programma ‘Verborgen Verleden’ heeft mij aangemoedigd en  nieuwsgierig gemaakt naar mijn roots en eventuele overeenkomsten in interesses en aanleg. Interesse in historische (tuin)architectuur en beplanting, in kleurgebruik in de architectuur, in (historische) tuinplanten, in muziek… komen die eigenschappen soms al eerder bij mijn en onze voorouders voor?

Mijn grootouders van vader’s (Ebbers) en moeder’s ( Amse) kant komen beiden uit Heemstede. Ik volg nu eerst de familie Ebbers, later een keer de familie Amse.

img_2054-1Eén van de apothekersproducten  van J. Ebbers, Knobbelolie. Een middel tegen reuma? Haarlems Dagblad, 1899

Mijn overgrootvader Jan Ebbers I (1842-1923) werd geboren  in Ede als zoon van de kleermaker Frans Willem Ebbers en vertrok in 1862 naar Heemstede. In 1865 trouwde hij in Haarlem met Maria Wilkes. In zijn trouwakte stond  ‘apothecarsleerling’ als beroep genoteerd. Vanaf die tijd  bleef hij voor altijd gevestigd in Heemstede. In 1904,  in de huwelijksakte van zijn zoon Jan Ebbers II, is zijn beroep apotheker. Om enig idee te krijgen wat dit beroep voorstelde in die tijd, heb ik de volgende hoofdlijnen uit het ‘Ontwerp van Wet’ overgenomen uit het Ned. Tijdschr. Geneeskunde 1863; 7:675-80: De bevoegdheid van leerlingapotheker wordt verkregen na het afleggen van een examen. Dit examen betreft de beginselen der Nederlandsche en Latijnse talen en der rekenkunde en het bewijs, dat de kandidaat de kennis bezit van de enkelvoudige geneesmiddelen, noodig tot het gereed maken van recepten… …De bevoegdheid van hulpapotheker wordt niet verkregen dan na aflegging van een natuurkundig examen… …Apotheker zijn zij die 2 jaar als hulpapotheker hebben gewerkt… …

Na enige naspeuringen op Internet, vnl. op de website Librariana werd mij duidelijk dat mijn overgrootvader aan de oude apothekersschool te Haarlem zijn opleiding heeft genoten en als apotheker gewerkt heeft voor drie elkaar opeenvolgende huisartsen in Heemstede:jan-ebbers-i-ca-30-jaarJan Ebbers I, ca. 30 jaar oud. Het niet alledaagse jasje is mogelijk gemaakt door zijn vader kleermaker Frans Willem Ebbers

Gottlieb Hoffmann (1814-1886). Zijn woonhuis en praktijk waren gevestigd op Binnenweg 11 (een woonhuis en een apothekershuis). Zie het artikel van J. W. G. van Doorn in Tijdschrift Heerlijkheden, Jg.26, nr.99, febr. 1999. Hoffmann werkte als huisarts van 1837-1879 en in 1865 was Jan Ebbers I hier dus zijn (leerling-)apotheker.

Beide huizen werden na beëindiging van de praktijk gekocht door overgrootvader. Waarschijnlijk heeft het gezin met toen zes kinderen hier zijn intrek genomen en zal hier omstreeks 1900  onder de naam Fa. J. Ebbers, de eerste kruidenierswinkel in Heemstede zijn gestart.

IMG_0231De Eerste Heemsteedsche Courant | 28 december 1928 | pagina 4

Het pand Binnenweg 11 stond 1 januari 1926 (in Adresboeken Haarlem) op naam van Gustaaf Adolf Ebbers (*1881, getrouwd 1918), een jongere broer van mijn grootvader. Hij was in dat pand waarschijnlijk al omstreeks 1900 een bedrijf in kruideniers- en grutterswaren begonnen, terwijl drie van zijn zusters met hun ouders  naar Raadhuisstraat 92 vertrokken waren en daar eveneens een dergelijke winkel dreven. Dat vijf van de kinderen in het kruideniersvak terecht kwamen is niet echt verwonderlijk. In de 19de eeuw was er nog geen scherpe scheiding tussen de beroepen van kruidenier en apotheker.  In de eerste kruideniers-winkels werden aanvankelijk kruiden (extracten van wilde planten), specerijen, koffie en thee verkocht. Later specialiseerden dergelijke winkels in delicatessen (bijzondere lekkere eetwaren) en comestibles (fijne eetwaren). Zie de advertentie hierboven.

jan-ebbers-i-ca-45-jaarJan Ebbers I, ca. 45 jaar oud. Ook hier een niet-alledaags jasje

  • dr. Klaas Prins (1853 -1905). Hij nam de praktijk van Gottlieb Hoffmann over. Zijn woonhuis en praktijk waren gevestigd op Binnenweg 88. Prins werkte als huisarts van 1879-1897.
  • dr. Mattheus Colenbrander (1867-1939). Hij nam de praktijk van dr. Prins over.

jan-ebbers-i-ca-70-jaar-2Jan Ebbers I, tussen 60 en 70 jaar oud

Prins’  woonhuis en praktijk waren vanaf 1908 gevestigd in Huis Overlaan op het Raadhuisplein. Colenbrander werkte als huisarts van 1897-1932.

ebbersjanapothekeri-1858-1923Jan Ebbers I, ca. 75 jaar (ca. 1917), in zijn laatste apotheek op het Raadhuisplein

Waarom vertel ik dit nu allemaal? O ja, om eventuele overeenkomsten in interesses en aanleg te ontdekken tussen onze voorouders en onze eigen interesses, zoals interesse in historische tuinen en planten en architectuur, in kleurgebruik in de architectuur, in muziek… etc.

Onze flora Zutphen,W.J. Thieme,1900. http://biodiversitylibrary.org/item/39998

Wel, de eigenschap plantenkennis blijkt zich gedurende enige geslachten te continueren. Het oudste bewijs zijn twee oude boeken die van (bet)overgrootvader afkomstig zijn. Het gaat om Onze Flora: beschrijving van de familiën, voornaamste geslachten en soorten der in Nederland in het wild groeiende, verwilderde, verbouwde en aangeplante gewassen, alsmede van eenige fraaie en nuttige Midden-Europesche planten, naar de 2e uitgaven van Carl Hoffmann’s Botanischer Bilder-Atlas,  van dr. A.C.Oudemans, uitgegeven in Zutphen door W.J. Thieme in 1900; en het boek Nederlandsche Planten, met 55 losse lithografieën in kleuren, van Dr. J. Ritzema Bos. De litho’s zijn van Th. Nieuwenhuis en L. Klaver. Uitgave Amsterdam, S. L. van Looy, 1905. Deze boeken  zal onze (bet)overgrootvader in de periode van zijn laatste werkgever hebben bestudeerd. Hij heeft ze doorgegeven aan mijn vader, die zich ontwikkeld heeft als een groot amateur-botanicus. In zijn tuin was de hele flora van Nederland te vinden en dit is niet overdreven.

am1047-9-LR-1-1J. Ritzema Bos. Nederlandsche Planten. 1905

Onze (bet)overgrootvader en Heemsteeds apotheker en zeer bekende inwoner Jan Ebbers I is 24 maart 1923 op J.D. Zocher’s Algemene Begraafplaats te Heemstede begraven.