Categoriearchief: Familie

VIA LEENDERT VAN HAESTAR (1604-1675) ALLEN EEN GELUKKIG EN GEZOND 2021 GEWENST

Leendert Maertensz. van Haestar (1604-1675). ‘Aanbidding der Koningen’. Olieverf op paneel. Coll. Kunsthandel Jean Moust Brugge

(222) Het schilderij ‘Aanbidding van de Koningen’ of  ‘Drie wijzen uit het Oosten’ (Arabië) vertelt het verhaal uit de Bijbel (Matt. 2:11-18) van de drie Koningen of ‘Wijzen’ uit het oosten Caspar, Melchior en Balthasar. Zij zagen een opgaande ster (conjunctie tussen Jupiter en Saturnus?) die hen  naar de pasgeboren koning der Joden zou leiden.

Drie Koningen 6 januari

Op deze dag wordt herdacht dat de drie Koningen in de stal in Bethlehem aankwamen en Jezus geschenken offerden: goud, wierook (uit hars van de plant Boswellia sacra) en mirre (uit hars van de plant Commiphora myrrha).

Boswellia sacra (hierboven) en Commiphora myrrha (hieronder)

Waarom zijn wij zo geïntrigeerd door dit schilderij?

Omdat Juliet dit jaar door genealogisch onderzoek heeft ontdekt dat Leendert van Haestar, de schilder van het hierboven ruim 380 jaar geleden vervaardigde schilderij een voorvader van ons is. We zullen hem op Driekoningen-avond 6 januari in kleine kring gedenken.

Leendert van Haestar (Haester, Haestert, Haastrecht), 1604- 1675. Schilder, behangselschilder en tekenaar:

Naar Leendert van Haestar (Haastert). Gravure door Jonas Suyderhoef. Portret Prins Willem III (Willem Hendrik van Oranje, 1650-1702). Ca. 1672. Coll. Rijksmuseum

Leendert van Haestar (Haastert / Haastrecht) werd geboren in Den Haag en is daar  in de Kloosterkerk begraven. Van Haestar is lid geweest van het Haagse schildersgilde en schilderde o.m. ‘Aanbidding der Koningen’, 1640; ‘De woede van Aharverus’, coll. Bredius; en een portret (uit 1672) van Willem III, stadhouder en later koning van Engeland, hierboven als gravure afgebeeld). Hij huwde met  Lucia Peneels / Paneel. 

De kunstschilder Leendert Maertensz. van Haestar (ook bekend onder de namen Haester, Haestert, Haastrecht) was een tijdgenoot van Rembrandt (1606-1669). Aan het werk van beiden is te zien dat ze door Caravaggio beïnvloed zijn, hoewel beiden waarschijnlijk nooit in Italië zijn geweest. Op hun schilderijen wordt met licht en donker gespeeld, zodanig dat het oog van de toeschouwer naar het hoofdthema van het schilderij wordt geleid, in dit geval Jezus in de kribbe.

Leendert Maertensz. van Haestar staat twaalf generaties terug in onze stamboom via onze Haagse tak. Carla’s naamgeefster Carolina Sophia Ebbers-Vogelesang is de laatste die in de hofstad geboren werd. Leendert  is een zoon van Maerten Florisz. van Groenewegt (ca. 1574-1636) en Nyesgen Cornelisdr. Schrap. Zijn jongere broer Floris was goudsmid. Leendert had 2 zonen (Willem en Maerten, beiden ook goudsmid) en 2 dochters waarvan Swaentje trouwde met de kunstschilder Arnold Verbuys. 

In Leendert’s tijd is er duidelijk sprake van kunstzinnig talent in de familie, zoals ook later in de 19de eeuw, wanneer overgrootvader Vogelesang trouwt met Johanna Hendrika Maris uit de bekende schildersfamilie. In 2021 zullen we het onderzoek naar de werken van Leendert van Haestar voortzetten.

Planten van de Sipaliwini Savanna (het grensgebied van Suriname en Brazilie)

(220) Tussen 1968 en 1972 deed mijn man Feddo H.F. Oldenburger (1937-2017) in opdracht van ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) onderzoek naar de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname. Hiertoe verzamelde hij tijdens een expeditie planten voor het ‘Botanisch Museum en Herbarium’ van de Universiteit Utrecht. In 2008 werd het Utrechts Herbarium gesloten en overgedragen aan Naturalis, vanaf 2010 Naturalis Biodiversity Center.

Naturalis Biodiversity Center, Leiden, 2019

In 2010 ontving Naturalis Biodiversity Center 13 miljoen euro om de collectie te digitaliseren. Hiermee is in 2011 begonnen. Het project is medio 2015 succesvol afgerond. Zeven miljoen objecten (waaronder het Nationaal Herbarium Nederland) zijn gedigitaliseerd en opgeslagen in een database die voor iedereen online beschikbaar is, zodat onderzoek op afstand mogelijk is. Digitalisering van oude collecties vindt naar behoefte plaats.

Na deze gigantische operatie wil ik wel eens weten hoe het met Feddo’s planten staat in Leiden. De herbarium-collectie van Naturalis is te raadplegen via bioportal.naturalis.nl. Ik zoek eerst maar eens heel eenvoudig (niet het uitgebreide formulier). Ik vul alleen een plantennaam in, namelijk Oxandra krukoffii, omdat ik weet dat deze soort een paar jaar geleden is gereviseerd door een jaargenoot-bioloog van mijn man, Prof. Paul Maas e.a. Zie: L. Junikka, P.J.M. Maas, H. Maas-van de Kamer en L.Y.Th. Westra. Revision of Oxandra (Annonaceae). Blumea 61 (2016), p. 215-266 (Oxandra krukoffii p. 229-233).

Oxandra krukoffii R. E. Fr. Dit exemplaar werd verzameld door F.H.F. Oldenburger, R.Norde en J.P. Schulz, dd. 29-11-1968 . Coll. Naturalis Biodiversity Center

Dit is niet een erg zeldzame soort, maar de collectie ON (Oldenburger / Norde) is wel de enige collectie van die soort uit de 3 Guiana’s en dat is dus best weer wel bijzonder. Ik kom uit bij een stuk of twintig Oxandra krukoffii-exemplaren, maar slechts één uit het zuiden van Suriname, nl. registratienummer U.1610309. Dit exemplaar werd verzameld tijdens een expeditie waar F.H.F. Oldenburger, R. Norde en J.P. Schulz aan deelnamen. De verzameldatum staat op 29-11-1968. Daarnaast is de locatie precies aangegeven op het etiket (zoom uit) met  “N. of ‘4-Gebroeders’ Mts., in ‘Sea-horse’ forest”.

Sipaliwini Savanna is groene vlekje op kaart, op de Zuid-grens van Suriname en Brazilië

Ook is het mogelijk uitgebreid te zoeken, bijvoorbeeld door de naam van de plant in te tikken en dan te combineren met de naam van verzamelaar Oldenburger. Het resultaat voor Oxandra krukoffii is dan dat inderdaad 1 ex. is gevonden door Oldenburger e.a. En dan volgt de vraag, hoeveel plantensoorten zijn in Zuid-Suriname verzameld door Oldenburger? Typ dan alleen achter Verzamelaar Oldenburger in, en het blijken er 1277 te zijn, die alle met naam en toenaam en locatie worden beschreven. De meeste van deze vondsten zijn niet alleen door Oldenburger verzameld, maar in gezelschap van R.Norde en J.P. Schulz. In 1975 werd ook in de buurt van de stad Brasilia (Brazil) door Oldenburger verzameld, maar dit gebeurde in opdracht van de Universiteit van Brasilia en deze planten zijn dus niet als herbarium-exemplaren voor Naturalis B.C. bewaard.

Feddo’s nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 deels overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center Leiden en deels aan Universiteit van Utrecht / Copernicus Instituut.

Een korte biografie over Feddo Oldenburger is elders op deze website te vinden. Zoeken binnen de website op Biografie Feddo…

Turfschip van Opa

(219) Een aantal jaren geleden dwaalden mijn man en ik als toeristen met belangstelling voor de schilderes Paula Modersohn-Becker rond in het bekende kunstenaarsdorp Worpswede (Nedersaksen). Het dorp is schilderachtig gelegen, aan het riviertje de Hamme, een zijtak van de Wezer, aan de voet van de 54 meter hoge Weyerberg en omgeven door heide en veenland, bekend als het zogenaamde Teufelsmoor.

Bekende kunstenaars die daar woonden en werkten en deel uitmaakten van de kunstenaarskolonie Worpswede, waren architect en schilder Heinrich Vogeler en de schilders Fritz Mackensen, Otto Modersohn en zijn vrouw Paula Becker.

Fritz Mackensen. Hamme-Hütte, 1897, © Landesmuseum Hannover, VG Bildkunst Bonn, 2016
Portret Fritz Mackensen. Foto Th. u. O. Hofmeister, ca. 1889 – 1899
F. Mackensen. Torfkähne auf der Hamme. Olieverf op doek. 1904. Coll. Grosze Kunstschau

Natuurlijk bezochten wij het museum de ‘Grosze Kunstschau’ en ik raakte daar zeer onder de indruk van het schilderij van Fritz Mackensen (1866-1953), getiteld Torfkähne auf der Hamme (zie hierboven).

Waarom was ik zo onder de indruk? Omdat de voorstelling mij direct deed denken aan de grootvader van mijn man, genaamd Feddo Oldenburger, naar wie mijn man is genoemd. Opa was geboren in Winschoten (08-01-1869) en overleed op tachtigjarige leeftijd in dezelfde plaats (03-07-1949). Uit diverse aktes is op te maken wat zijn beroep was. Zo staat in 1892 en 1893 vermeld dat hij het beroep van binnenschipper uitoefende, evenals zijn vader Frederik (geb. 17-03-1839 en overl. 16-11-1928). In 1917 staat genoemde Feddo als schipper ingeschreven en in 1927 als binnenschipper èn als brandstof-handelaar. De vader van genoemde Frederik, die volgens familie-traditie Feddo zou moeten heten maar deze keer op z’n Fries Fedde was genoemd (voluit Fedde Jans, de zoon van Jan Feddes), staat ook geregistreerd als praamschipper / turfschipper. Hun werk bestond dus – zoals wij kunnen concluderen uit deze summiere gegevens – uit goederen (turf) vervoeren per praam (kleine of grotere platbodem) en deze ook aan de man brengen. Opa Feddo staat in 1927 naast schipper ook als brandstofhandelaar ingeschreven. Hij vervoerde aanvankelijk turf en later heeft hij zich meer gericht op de kolenhandel (achter zijn huis). Ook de schipper op het schilderij van Mackensen (volgens de titel Torfkähne) handelde in turf en vandaar dat ik mogelijk zo door dit schilderij werd getroffen.

Uit een overlijdensakte uit 1833 van de dochter van Fedde Jans Oldenburger (Hillechien, 6 dagen oud) is op te maken dat Fedde’s gezin in die tijd woonde op hun praamschip met de naam de ‘Jonge Jan’, liggende alhier (Winschoten) aan de Binnen Venne. In 1880 werd de Binnenvenne gedempt. De Buitenvenne bleef nog in functie als binnenhaven voor turfschippers en snikkevaarders. Het schip de Jonge Jan (of een opvolger) zal tot eind van de 19de eeuw als woning dienst hebben gedaan. We kunnen ons een platbodem (praam) met kajuit voorstellen.

Opa Feddo woonde met zijn gezin aan de Garst te Winschoten. Het was een eind-19de eeuws (?) ruim huis met paardenstal en erf.

De hoger gelegen Garst bestond uit een rug van keileem, vaak gebruikt als gemeenschappelijke dorpsweide of akker. De Garst als weg was één van de betere wegen waarover sinds vroeger eeuwen gereisd kon worden of waar mensen zich konden vestigen. Geleidelijk aan was over de Garst een handelsroute ontstaan tussen de Duitse stad Münster en de stad Groningen. Op het kaartje hieronder zien we boven het woord WINSCHOTEN de Trekvaart lopen. Mogelijk zelfs dat de familie Oldenburger oorspronkelijk vanuit de omgeving van Worpswede of vanuit de omgeving van de stad Oldenburg naar Nederland is getrokken om daar te proberen een beter bestaan op te bouwen. De afstand Oldenburg – Groningen is tenslotte maar 130 km. Maar wanneer dit dan is gebeurd is nog onduidelijk omdat we nog niet van alle voorgeslachtleden de bijpassende geboorteplaats hebben gevonden. Het moet aan het begin van de 18de eeuw geweest zijn of zelfs al eerder.

Winschoten in 1868. Kuyper Atlas. De Garst ligt aan de zuidwest kant van Winschoten, ten noorden van het Zuider Veen.

Bekend in onze familie is dat het praamschip van opa Feddo getrokken werd door een trekpaard langs een jaagpad. De paardenstal stond achter het huis en het paard zal naar nu duidelijk is op De Garst hebben gelopen. De Garst ligt op het kaartje boven het woord Zuider Veen, niet al te ver weg van de Trekvaart (Winschoterdiep, gegraven in 1637) van waaruit westwaarts naar Groningen en oostwaarts naar de Groningse en Drentse veengebieden gevaren kon worden.

Het is na deze vluchtige oriëntatie dus zonneklaar dat de voorvaderen van mijn man als turfschipper door het leven gingen en hoogstwaarschijnlijk uit de omgeving van Oldenburg (of verder oostwaarts Worpswede) afkomstig waren. Na de laatste turfschipper (Opa Feddo) ging zijn zoon (mijn schoonvader, weer een Frederik) naar de zeevaartschool om op de grote vaart de wereld te verkennen.

Affiche KPM 1910

Het turfschip van opa werd ingeruild voor een koopvaardijschip van de KPM en de provincie Groningen werd ingeruild voor de havens van Nederlands Indië, Singapore, Australië en Penang (Maleisië).

.

Leendert van Haastert en Arnold Verbuys, kunstschilders in ons voorgeslacht

(218) Sinds het opstellen van Bericht 215 ‘Heemstede Familiegrond’ (10 oktober 2020) realiseerden wij ons dat onze (bet)betovergrootvader Willem Frederik Amse het ‘bloemschilderen’ beheerste – zie de twee vorige berichten over bloemschilderen en W.F. Amse’s Kamerbehang-Affaire. Wij waren altijd al trots op onze familierelatie met de gebroeders Maris en op de in ons bezit zijnde natuurdrukken van Jacob Maris, die ons via mijn grootmoeder Carolina Sophia Ebbers-Vogelesang waren overgeleverd, maar nadat ik twee berichten eerder de vraag gesteld had hoe dat bloemschilderen zich nu verhield tot de Kamerbehangerszaak van W.F. Amse, wees Juliet me erop dat er nog een andere ‘behangsel’schilder in onze familie was geweest, zij het in een andere tak en wat langer geleden. In de 17de eeuw komen we in onze stamboom aan de Vogelesangkant nog twee schilders tegen: kunstschilder Leendert van Haastert en de Dordtse kunst- en behangselschilder Arnold Verbuys, welke laatste de schoonzoon van de eerste was. Beiden zijn in hun tijd gewaardeerde kunstenaars geweest en daarom in dit bericht wat meer gegevens over hen en enige schilderijen toegevoegd. De laatste afbeelding betreft een behangsel.

Naar Leendert van Haestar (Haastert). Gravure door Jonas Suyderhoef. Portret Prins Willem III (Willem Hendrik van Oranje), 1650-1702, ca. 1672.. Coll. Rijksmuseum

Leendert Maertensz. van HAASTERT / HAESTRECHT / HAASTER / HAESTAR (ook onder de naam N. van Haeften en Jacob Hogers aangetroffen), geboren ca. 1604; ondertrouw ‘s-Gravenhage 16-5-1638; overleden 2 okt. 1675 en begraven in de Kloosterkerk te ’s-Gravenhage. Kunstschilder en lid van het Haagse schildersgilde (o.m. Aanbidding der Koningen, 1640; De woede van Aharverus, coll. Bredius, z.d.; portret van Willem III, 1672. Echtgenote: Lucia PENEELS / PANEEL. Kinderen: 1. Angniesia; 2. Guillaume / Willem (goudsmid); 3. Maerten (goudsmid); 4. Swaentje, geb. Den Haag, 1657 x Arnold Verbuys (kunstschilder).

Lit. B. J. A. Renckens. Leendert Martensz. van Haestar. Oud-Holland 65 (1950), p. 199-203.

Leendert van Haestar. De aanbidding der Koningen (Matteus 2:11).1640. Gesign. “L. VHaestar fecit 1640“. Coll. Kunsthandel Jean Moust, Brugge.
Leendert Maertensz. van Haestar. Haman smeekt Ester om zijn leven (O.T. Ester 7:7-9)
Gesigneerd Van Haestar. Ongedateerd (Hampel Fine Art Auctions Munich)
Jacob Hogers (toegeschreven). Eerder Leendert Haestar, De Verzoening van Jacob en Esau, 1655., gesigneerd (coll. Rijksmuseum)

Arnold(us) VERBUYS / VERBIUS, geb. Dordrecht 10-07-1651; ondertrouw Dordrecht 10-3-1680; overl. ’s-Gravenhage (Delft?) na 1717 (1729?). Kunstschilder, behangselschilder en meester van het St-Lucasgilde te Antwerpen tussen 18 September 1673 and 18 September 1674 (bron: Rombouts en Van Lerius, 1872; 1961). Verder werkzaam in Dordrecht 1673-1680, Rotterdam / Den Haag 1680-1686, Leeuwarden 1686-1688 (gewerkt aan het Friese Hof), Rotterdam 1690, Middelburg 1695 en Den Haag 1706-1717.
Echtgenote: Swaentje / Swania VAN HAASTERT / HAESTAR, geb. ’s-Gravenhage, 10-03-1657. Kinderen: volgens Van der Aa, 1876 drie dochters en een zoon: 1. Hendrina; 2. Johannes

In het derde deel van zijn Levensbeschrijvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen wijdt Jacob Campo Weyerman tot twee keer toe een stuk aan de Dordtse schilder Arnold Verbuys (ca. 1645-ca. 1715). In het eerste stuk noemt hij de schilder in navolging van Houbraken ‘Verbius’. Uit het tweede stuk onder de kop ‘Arnold Verbuys’ blijkt dat Campo Weyerman de schilder persoonlijk heeft gekend. Hij stelt onder meer dat Verbuys geruime tijd werkte voor de Middelburgse burgemeester Alexander de Muinq ‘in wiens huys hy onder andere konsttafereelen [in?] een Kamer penceelde’. Onderzoek naar vermeldingen van zijn werk in archivalia en veilingcatalogi levert opvallend veel mythologische scènes op waarin naakte vrouwen de hoofdrol spelen (zie de Provenance Index van The Getty Research Institute, Los Angeles, USA op www.getty.edu/research). 

Lit. 1) Ph. Rombouts en Th. van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde […] 1453-1629, Antwerpen 1872 / 1961; 2) G.H. Veth, ‘Aantekeningen omtrent enige Dordrechtsche schilders’ in: Oud-Holland 12 (1894), pp. 107-122; 113-122; 3) Katie Heyning. ‘Een buitenplaats als liefdesnest?’ in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman, jrg. 33 (2010), pp. 25-27; 4) A.J. van der AA, Biografisch Woordenboek: VERBIUS (Arnoldus), in 1646 te Dordrecht geboren en in 1704 in Friesland gestorven. Van der AA schrijft verder: ‘Hij schilderde portretten aan het Friese Hof en ook historien en tooneelen uit kroegen en bordelen’. In tegenstelling tot Van der Aa geeft ECARTICO 1651 als geboortejaar en na 1717 als jaar van overlijden. 5) Martin van den Broeke. Rond een tekening van de buitenplaats Niet altijd Zomer bij Middelburg. Nehalennia 207 (voorjaar 2020).

Arnoldus Verbuys, Portret van J.W. Sandra (1661-1712, Koopman-Reder-Kunstverzamelaar-Burgemeester van Middelburg. Eigenaar van de buitenplaats ‘Niet Altijd Winter’, 1692, Trouwzaal Stadhuis Middelburg (collectie KZGW, foto: Ivo Wennekes)
Arnoldus Verbuys. Portret van Anna Catharina Stipel (1662-1696), derde vrouw van J.W. Sandra. 1692, Trouwzaal Stadhuis Middelburg (collectie KZGW, foto: Ivo Wenneke)
Arnoldus Verbuys. Portrait of ‘A Lady and a Gentleman’, Three-Quarter Length, With A Negro Servant Beyond (in 2004 op de markt geweest)
Arnoldus Verbuys. Lady with garlands, a putto and Cupid, or Love’s
Offering (1994 / 1995 Sotheby’s)
Arnoldus Verbuys. Die Glücksspielen. Keulen (in 2004 op de markt)
Arnoldus Verbuys (toegeschreven), Paso de los Egípceos por el Mar Rojo

Artprice.com noemt nog meer schilderijen: Patient with maid in attendance, Ver. Koninkrijk, 2019.

WIE WEET MEER OVER DEZE KUNSTSCHILDERS TE VERTELLEN. OOK ZIJN WE GEINTERESSEERD IN MEER SCHILDERIJEN, PORTRETTEN ETC.

Het ‘Bloemschilderen’ door een deskundige belicht

(217) Lees eerst het vorige Bericht getiteld “‘Bloemschilderen’ in 1850, een ambacht of een kunst?“.

Ik heb contact opgenomen met de Stichting Historische Behangsels en Wanddecoraties en werd verwezen naar enige deskundigen. Hans van Herwijnen, die bekend staat als kenner van de geschiedenis van decoratieschilders in de 19de eeuw en een proefschrift voorbereidt over de decoratieschilder Willem Adrianus Fabri, heeft gereageerd op mijn vraag of hij naar aanleiding van het vorige Bericht over ‘Bloemschilderen ca. 1850’ wilde reageren. Hij antwoordde mij het volgende:

“Ik heb je interessante blog gelezen. Het klopt wat je schrijft over de betrekkelijk hoge inkomsten die vermeld worden in de rekening. Ik vermoed dat je betovergrootvader, overgrootvader en grootvader decoratief schilderwerk verrichtten. Je grootvader was bedreven in het ‘marmeren’ een typische klus voor een decoratieschilder of huisschilder die daarnaast decoratief schilderwerk uitvoerde. Dat je betovergrootvader en overgrootvader zich hadden gespecialiseerd in het bloemschilderen ligt zeer voor de hand, temeer daar zij kamerbehangsels vervaardigden. Die werden doorgaans versierd. Ik beschouw het overigens wel als een ambachtelijke kunstvorm. Sommige boeketten zijn fraai geschilderd.
Er waren Nederlandse decoratieschilders die goed bedreven waren in deze vorm van kunstnijverheid. Ik denk bijvoorbeeld aan Hendrik Bakker die vanaf circa 1860  actief was in Rotterdam. Zie bijgaand voorbeeld.

Hendrik Bakker. Wandschildering behangsel met bloemboeketten en kasteel. Ca. 1860.

Een andere bekende decoratieschilder die hierin gespecialiseerd was, was de Belg Michel Hendrickx (Amsterdam e.o.). Er zijn nog de nodige specimina op locatie in ons land te vinden. Van de meeste is helaas (nog) niet bekend wie ze geschilderd heeft.  Ik ben zelf bezig met een onderzoek in een woonhuis waarbij omstreeks 1908 bloemboeketten werden geschilderd op behangsels in de vestibule. Ik ken ook een voorbeeld uit een rookkamer. Ik vermoed dat dergelijke behangsels met bloemboeketten ook voor salons en eetkamers geschilderd werden. In het Franse tijdschrift ‘Manuel de Peintures’ onder meer bedoeld voor decoratieschilders (ook te onzent geraadpleegd)  komen diverse proeven voor. Zie bijgaand voorbeeld (ontwerp) van de Franse decoratieschilder Petit uit 1853. 

Bloementoef geschilderd door Petit. Uit Manuel de Peintures. 1853.

Het klopt fotodecors werden ook door decoratieschilders gepenseeld.  Of dat altijd het geval was durf ik niet te zeggen, maar ik vermoed de meeste wel. Ik heb zelf onderzoek gedaan naar W.A. Fabri (1853-1925) en aan hem worden twee beschilderde fotodecors (zij het zonder bloemen) van omstreeks 1914 in het v.m. paleis Het Loo toegeschreven.”

Op de website Librariana van Hans Krol is het nog volgende te lezen over de buitenplaatsen (met annex een koepel en een woonhuis/atelier) van mijn betovergrootouders, Welgelegen en Weg- en Landzicht: “J.W.G. van Doorn zocht uit dat oorspronkelijk feitelijk sprake was van twee buitenverblijfjes onder één dak, ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht’.Het zijn twee aparte percelen, compleet gescheiden zoals ook aan het pleisterwerk duidelijk te zien is. [zie foto’s op vorige Bericht]. In 1698 bouwde de uit Leidschendam afkomstige timmerman Huibert van Meurs op de hoek van de Herenweg en het Koediefsvaartje, op erfpachtgrond van het Elizabeths of Grote gasthuis te Haarlem zijn woonhuis en timmermanswerkplaats. (…) In 1850 werden Welgelegen en Weg- en Landzicht “met derzelver herenhuizingen, tuinen en beplantingen nevens de hofstede Kennemeroord aan de Heren- of Straatweg op de hoek van de Koediefslaan, met de koepel in deze laan, behorende tot Weg-  en Landzicht”, verkocht aan de zadelmaker/kamerbehanger Willem Frederik Amse, die hier, zoals in latere akten wordt beschreven “na enige vertimmeringen en veranderingen” zijn zadelmakerswinkel begon.’ (…) Na het overlijden van Willem Amse sr. te Meppel hebben de erven in 1859 Welgelegen, met erf en tuin, en de oorspronkelijk bij Weg-  en Landzicht behorende koepel verkocht aan Cornelis van Lennep, burgemeester van Heemstede. Weg-  en Landzicht, met bijbehorende zadelmakerswinkel, schuur en bleekveld was bij legaat toegewezen aan de inmiddels negen jaar oude Willem Amse jr.

Ik haal dit aan om aan te geven dat er een kans bestaat dat in het interieur van Welgelegen mogelijk nog bloemschilderingen aanwezig zijn, vervaardigd door W.F. Amse. Mijn grootvader vertelde eens dat hij een tijdlang in de koepel van Berkenrode had gewoond in zijn jonge jaren. Wonderlijk dat hij daar terecht kwam terwijl ook Welgelegen zelf een koepel had aan de Koediefslaan. De familie Amse had goede relaties in Heemstede. Jhr. Jean-Baptiste van Merlen (wonende op Bosbeek) en Mw. van Boetzelaar (wonende op Ipenrode) komen ook in het genoemde archiefstuk voor. Mogelijk zijn er op het Huis Berkenrode (waar grootvader dus een tijdje in bijbehorende koepel woonde) ook bloemschilderingen van de hand van W.F. Amse aanwezig geweest, zoals we ook kunnen denken aan andere buitenplaatsen in Heemstede, bijvoorbeeld op Gliphoeve (ooit even in bezit van weer een ander familielid Gerrit Munk jr.), Meerenberg, De Hartekamp, Oud-Berkenroede, Manpad, etc.

Chris Schut. Koepel van Berkenrode te Heemstede aan de Herenweg. Ca. 1990.
In deze koepel heeft Johan Carel Willem Amse even gewoond (waarschijnlijk vóór 1900)

‘Bloemschilderen’ in 1850, een ambacht of een kunst?

(216))

(Zijn de illustraties, door dit artikeltje heen gestrooid, voorbeelden van ‘bloemschilderen’ ?)

In de hier voorgaande weblog van 10 oktober 2020, sprak ik o.a. over familiegrond in Heemstede en over mijn voorouders van de familie Amse, waar mijn grootvader van moeders kant toe behoorde. Zijn grootouders Amse overleden beiden in 1852, terwijl zijn vader Willem Amse (*1851) nog een baby was. Na het overlijden van Willem Frederik Amse, de vader van Willem, kwam de laatste onder voogdij te staan. De Heer Dirk Wolbers, in 1853 tot gemeente-ontvanger benoemd van Heemstede en Bennebroek, was voordat Willem Amse meerderjarig werd (25 december 1874) administrateur “over de boedel in den nalatenschap van wijlen W.F. Amse in der Zadelmakers en Kamerbehangers Affaire onder de Firma ‘de Erve W.F. Amse’ te Heemstede”. In deze firma werkte sinds 1848 ook als meesterknecht/bedrijfsleider Johannes Bartholomeus van Gaart, die uiteindelijk na ontbinding van de Fa. de Erve W.F. Amse de zaak heeft overgenomen.

Wolbers noteert over het jaar 1852 de volgende Activa:

Koningin Wilhelmina als twaalfjarige in Fries kostuum, 27 april 1893. Koninklijke Verzamelingen. Foto C.B. Broersma, Leeuwarden
  1. Aan meubelen en huisraad”………………………………………518,73
  2. Aan koopmansschappen, goederen, enz……………….1169,60
  3. Aan in te vorderen bloemschilderen over het lopende dienstjaar 1852 tot 17 October …………………………………………….3180,62
  4. Aan dito dito over vroegere jaren…………………………….682,88
  5. Aan gelden op 19 October 1852 in kas…………………..277,25
  6. Eene Heerenhuizing genaamd “Welgelegen” mitsgaders eene huizing genaamd “Weg- en Landzicht” met annexe Zadelmakerswinkel met erve, koepel en verdere getimmerten alles aan elkander gelegen, staande aan den Haagschen Straatweg, op de hoek van de Koediefslaan in de gemeente Heemstede.    …………………………………………………………Totaal Actief  F. 5829,0

Wat betreft de genoemde buitenplaatsjes annex koepel en winkel, zie het vorige bericht.

Wat verder opvalt is dat het bloemschilderen aardig wat geld in het la’tje bracht. Wie vóór de dood van W. F. Amse het bloemschilderen voor zijn rekening nam, Amse zelf of de meesterknecht Johannes B. van Gaart of beiden, is niet bekend. Wel is duidelijk dat de firma, in ieder geval vanaf de dood van W.F. Amse in 1852, draaiende werd gehouden door Van Gaart en dat Willem Amse vanaf ongeveer zijn vijftiende van Van Gaart het vak geleerd zal hebben. We hebben al gezien (vorig bericht) dat Van Gaart de zaak vanaf 1 sept 1879 officieel heeft overgenomen.

MAAR WAT IS BLOEMSCHILDEREN EIGENLIJK?

Foto van onbekend huwelijkspaar, vöör een met bloemen beschilderde wand
Mrs James Brown Potter (1857-1936). Bekende Amerikaanse actrice, gefotografeerd door Falk New York

Voorzover ik weet was mijn betovergrootvader geen beeldend kunstenaar, maar aannemelijk is dat het bloemschilderen iets te maken heeft met zijn Kamerbehangers Affaire. Ik proef in het woord ‘bloemschilderen’ ook een vakterm, een ambacht. Schilderde Willem Frederik Amse bloemen op behang, zoals je wel eens ziet op oude familiefoto’s en cartes de visite uit de tweede helft van de 19de eeuw? Bij het zoeken naar dergelijke voorbeelden uit die tijd kom ik bij huwelijksfoto’s terecht, bij bruidsparen die vóór een nis of vóór een wand staan versierd met bloemen-guirlandes of bloemboeketten. Ook zijn er voorbeelden van landschappen op behang, waar bomen en/of ruïnes en tempels een belangrijke plaats innemen. Deze zijn als hele slappe aftreksels van de bekende 18de-eeuwse behangschilderingen van Jurriaan Andriessen te beschouwen. Zie onderstaande foto van President Grant en familie.

Foto van Ulysses Simpson Grant (1822–1885), 18de President van USA. Hier tegen een achtergrond met een geschilderd landschap

Veel Nederlandse voorbeelden van wandschilderingen (op papier of linnen?) met uitsluitend bloemen zijn er niet. Wel voorbeelden van portretten van bekende dames en heren uit Engeland, Amerika, Canada en Australië. Voor de duidelijkheid dan toch maar een buitenlands voorbeeld hier nog bijgevoegd.

Het mooiste voorbeeld is natuurlijk de huwelijksfoto van mijn eigen grootouders Amse. Het behang kan niet door Willem Frederik of door zijn zoon Willem zelf geschilderd zijn voor hun (klein)zoon. Zij waren allang dood in 1903 toen mijn grootouders trouwden. De firma bestond echter nog wel, onder leiding van genoemde Van Gaart. Toeval dan? Dat denk ik ook weer niet helemaal. Mogelijk wel door hemzelf geschilderd, want ook hij was huisschilder en ik weet dat hij de kunst (techniek) van het ‘marmeren’ verstond.

Voorbeeld van gemarmerd paneel

Laten we het houden op ‘voor de gelegenheid met zorg gekozen foto-achtergrond’. Na mijn ontdekking van het woord ‘bloemschilderen’ in de rekening en verantwoording van de ‘Affaire’ van Willem Frederik Amse, is dit voorbeeld van bloemschilderen natuurlijk een pareltje.

Huwelijk Johan Carel Willem Amse en Anna Jacoba Vetter. 1903. Vöör een geschilderde boognis. Fotograaf W.G. Kuijer & Zonen
Carte de visite. W. G. Kuijer & Zonen. Hofphotographen Amsterdam. Zie vorige foto

Ik ben nieuwsgierig geworden naar het fenomeen ‘bloemschilderen’. Wellicht is er meer bekend bij de Stichting Historische Behangsels en kunnen zij mij verder helpen? Zie resultaten van mijn verdere speurtocht in volgend blog.

Feddo en Carla Oldenburger, ca. 1975. Gefotografeerd in foto-atelier van Hans Schiet, Spijk. Part. Coll.

Maar nu over naar onze tijd, 2020. De mode van het bloemschilderen (op behang, zoals ik me heb voorgesteld dat mijn betovergrootvader deed, omdat hij zelf een ‘Kamerbehangsel-Affaire’ had), is voorbij. Toch zullen er nog wel enkele fotografen in Nederland zijn die een mooie achtergrond voor het poseren hebben in een hoekje van hun atelier. De enige foto die ik ken en heb, is gemaakt in het atelier van de fotograaf Hans Schiet, aan de Zuiderlingedijk in Spijk. Hij gaf een feest, waar mijn man Feddo en ik waren uitgenodigd, en de opdracht was daar te verschijnen in kledij die een 19de-eeuwse uitstraling had. Zelf had hij zijn atelier een à la 19de eeuwse touch gegeven. Hier werden al zijn vrienden door hem gefotografeerd. Ik moet zeggen, deze foto is wel een bewijs dat onder fotografen het decoreren van een wand in het atelier met o.a. bloemen toen nog een bekend verschijnsel was.

Heemstede Familiegrond

(215) Ik heb al eerder aangegeven dat mijn familie van beide kanten (zowel de vader Ebbers- als de moeder Amse-tak) in Heemstede wortel heeft geschoten. Tot heden heb ik nog nauwelijks aandacht besteed aan de Amse-tak. Mijn moeder Maria Catharina Jeanette Amse was een dochter van Johan Carel Willem Amse (1877-1959) en Anna Jacoba Vetter (1879-1956), mijn grootouders.

Trouwfoto van Johan Carel Willem Amse en Anna Jacoba Vetter. 14 mei 1903.
Foto door W.G. Kuijer & Zonen.Hofphotographen Amsterdam. Westermarkt 19. Opgericht 1864.

Mijn grootvader Johan Carel Willem Amse stamde via zijn moeder Maria Catharina van Alkemade Munk af van het burgemeestersgeslacht Van Lith, dat sinds 1799 vier burgemeesters leverde aan de gemeente Uitgeest (1799-1925); één aan de gemeente Bennebroek (1838-1853) en één aan de gemeente Akersloot (1852-1882).

De volgende korte biografische schetsen heb ik overgenomen van de website https://www.vanborselen.eu/uitgeest/uitgeest.html :

Jan van Lith (1750-1831) burgemeester van Uitgeest van 1799-1817. (Hij was mijn betbetovergrootvader, vijf generaties terug). De timmerman en molenmaker Jan van Lith verhuisde rond 1781 met zijn vrouw en zijn twee kinderen vanuit Ouderkerk aan de IJssel naar Uitgeest (Kennemerland). Voor de uitoefening van zijn bedrijf kocht hij in 1797 voor 1950,– guldens de houtzaagmolen ‘de Hoop’ aan de Hennepklopperslaan, die aan de oostkant van de Binnenmeer lag. Bovendien kocht hij een waterplas, omdat de boomstammen eerst enige jaren moesten inwateren alvorens verwerkt te kunnen worden. Aan het Hoorne kocht hij twee huizen, waarvan één met een grote loods erachter. Hij woonde met zijn gezin aan het Hoorne nr. 77 (het huisnummer is later gewijzigd in nummer 6 of 8). In Uitgeest werden nog zeven kinderen geboren. Tijdens een brand in 1911 werd de molen verwoest. 

Voorafgaand aan zijn burgemeesterschap vervulde Jan van Lith in de Nederlands Hervormde kerk afwisselend de functies van kerkmeester, ouderling en diaken. In 1794 begon zijn loopbaan in het plaatselijk bestuur met het ambt van Eerste Waardschap, dat vergelijkbaar is met burgemeestersambt. Van 1799 tot 1817 stond hij onder vier verschillende titels aan het hoofd van de gemeente, in de Bataafs-Franse tijd (1799-1811) was hij president van de municipaliteit, in 1811 werd hij maire en in 1813 veranderde zijn titel in schout. 

Jan van Lith maakte een woelige bestuursperiode mee: het einde van de Republiek, de inlijving bij Frankrijk en na de terugkeer van de zoon van Willem V de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden. Ondanks alle politieke veranderingen bekleedde hij nog steeds hetzelfde ambt. Onder het Franse bestuur kregen de burgemeesters de opdracht gegevens te verzamelen over onder meer de bevolkingssamenstelling, de oogsten en de veestapel, en deze te rapporteren aan de onderprefect van het arrondissementsbestuur te Alkmaar. In tegenstelling tot de meeste van zijn ambtgenoten rapporteerde Jan van Lith in het Nederlands. Voor de verkiezingen van de municipale raad (gemeenteraad) maakte hij in 1811 een lijst van alle mannen van 21 jaar en ouder, waaruit afgeleid kan worden dat Uitgeest een agrarisch dorp was. Het merendeel van deze mannen was boer, tuinder, bloemkweker of werkman. De rijkste inwoners behoorden zonder uitzondering tot de groep van bloemkwekers en landbouwers. Hoewel Jan van Lith niet tot deze rijkste groep behoorde, kon hij zeker welvarend genoemd worden. Op de ranglijst van honderd hoogste belastingbetalers in Uitgeest stond hij op de 50-ste plaats.

Volgens de opgave van 1812 van onroerende goederen in Uitgeest waren er in het dorp onder meer 14 molens, 9 watermolens, 2 oliemolens, 1 korenmolen, 1 houtzaagmolen en 1 gruttersmolen. De laatste werd als enige door een paard aangedreven. Totaal waren er 206 huizen, waarvan 152 in Uitgeest en 27 in Marken-Binnen, dat tot Uitgeest behoorde. De school onder leiding van de 26-jarige ‘schoolhouder’ Floris Swart had honderd leerlingen die over drie klassen verdeeld waren. Marken-Binnen had een eigen schoolmeester, Jacobus Elderbeek, die aan vijftien kinderen les gaf. Het schoolgeld bedroeg voor de eerste klas een halve stuiver en voor tweede en derde klas respectievelijk één en twee stuivers. Jan van Lith meldde in 1815 aan de onderprefect dat Uitgeest 1057 inwoners telde, waarvan 110 ondersteund werden door de armenzorg. 

Van Lith was 67 jaar toen hij in 1817 met zijn burgemeesterschap stopte. In 1838 werden twee van zijn zoons tot burgemeester benoemd, Anthonie in Uitgeest en Jan (1789-1862) in Bennebroek. Hij zou dat echter niet meer meemaken. In 1831 overleed hij te Uitgeest, 80 jaar oud. Tot zijn nalatenschap behoorden vijf huizen, de molen ‘de Hoop’ en enkele stukken land. Een van de huizen stond naast het weeshuis van de Nederlands Hervormde kerk. 
 

Anthonie van Lith (1782-1850), eerste zoon van voorgaande Jan van Lith, was burgemeester van Uitgeest van 1838 tot 1850.
Na het ontslag van Gerrit Muntjewerff werd Anthonie van Lith, zowel in de functie van burgemeester als gemeentesecretaris, tot zijn opvolger benoemd. Anthonie was een zoon van burgemeester Jan van Lith (1750-1831) en Cornelia Jongebreur en werd geboren op 7 april 1782 in Uitgeest. Zijn jongere broer Jan van Lith (1789-1862) was in hetzelfde jaar tot burgemeester van Bennebroek benoemd, waar deze broer tevens timmerman was. Anthonie woonde aan het Hoorne naast het huis dat zijn vader bewoond had. In het dagelijks leven was hij houtfabrikant en exploiteerde hij de houtzaagmolen de Hoop. De loods achter het huis aan het Hoorne werd gebruikt voor de vervaardiging van houtprodukten, waaronder onderdelen voor molens. In 1803 huwde hij in Krommenie met Jacoba Sluijk. Van de zes kinderen die zij kregen, stierven er twee tijdens zijn leven: zijn dochter Barbara stierf in 1820 toen zij 11 jaar was en in 1840 stierf zijn zoon Jan op 25 jarige leeftijd. Zijn jongste zoon Adrianus zou hem als burgemeester opvolgen. Ook zijn kleinzoon Anthonie van Nienes zou later burgemeester van Uitgeest worden. Deze werd geboren uit het huwelijk van Alida van Lith (1806-1871) en Jan van Nienes, een grutter uit Barsingerhorn. 

Uit de jaarlijkse verslagen van Anthonie van Lith aan de gouverneur blijkt dat Uitgeest tijdens zijn burgemeesterschap redelijk welvarend was. Met de voornaamste bronnen van inkomsten, de landbouw, de bloemkwekerijen en de tuinbouw ging het goed. De opbrengst van de veeteelt was redelijk, ondanks de longziekte waarmee de boeren jarenlang te kampen hadden. Over de toestand van de fabrieken schreef Van Lith dat deze ‘van jaar tot jaar treuriger werd’, wat volgens hem veroorzaakt werd door ‘de menigvuldige mededinging’. Uitgeest telde gemiddeld zo’n 85 huiszittende armen: mensen die door de kerk ondersteuning kregen in de vorm van bedeling. 

In de beginjaren van zijn ambtsperiode berichtte Van Lith uitvoerig dat de wegen rondom Uitgeest in het voor- en najaar door de regen onbegaanbaar waren voor rijtuigen. In zijn jaarverslag over 1841 schreef hij de gouverneur dat het wenselijk was, dat het provinciaal bestuur de herhaalde klachten nu eens zou verhoren. Bij dit onderwerp staat in het jaarverslag met potlood een aantekening van de gouverneur, waarin hij opmerkte dat de burgemeesters in de eerste plaats zelf de handen uit de mouwen moesten steken en dat, indien zij hulp nodig hadden, ‘die tot een bepaalde mate en grootte konden vragen‘. Van Lith maakte elk jaar een opmerking over de slechte weg naar Limmen. Maar in januari 1850 meldde hij dat, als de rijksconcessie werd afgegeven, er een aanvang gemaakt kon worden met de verbetering van de weg. Op 15 november 1850 overleed Anthonie van Lith. De aanleg van de nieuwe straatweg van Uitgeest naar Limmen had hij nog net meegemaakt. Zijn waarnemer J. Brasser schreef in januari aan de gouverneur dat de bereikbaarheid of zoals hij dat zelf noemde ‘de communicatie’ van Uitgeest door de nieuwe weg zeer verbeterd was. 

Adrianus van Lith (1817-1882) burgemeester van Uitgeest van 1851 tot 1882; burgemeester van Akersloot van 1852- 1882.
Na de dood van zijn vader werd Adrianus van Lith, gehuwd met Barbara Maria van Lith, en toen 34 jaar, in januari 1851 benoemd tot burgemeester en secretaris van Uitgeest. Hij was de jongste zoon van Anthonie van Lith en Jacoba Sluijk en werd geboren op 20 november 1817 te Uitgeest. Evenals zijn vader was hij houtfabrikant. Samen met zijn neef (en zwager) Jan van Lith, die timmerman was in Leiden, richtte hij een vennootschap op. In 1846 trouwde Adrianus in Bennebroek met zijn nichtje Barbara van Lith, die de dochter was van Maria Catherina van Alkemade en de Bennebroekse burgemeester en timmerman Jan van Lith. Van de acht kinderen die zij kregen, stierven er twee op jonge leeftijd. Vanaf 1852 was hij tevens burgemeester van Akersloot. 

Tijdens zijn ambtstijd werden de salarissen van de burgemeester en de secretaris enkele keren verhoogd. Tot 1868 kreeg hij per jaar en per ambt 300,– en in 1879 uiteindelijk 400,–. Desondanks vormden zijn werkzaamheden als houtfabrikant zijn belangrijkste inkomstenbron. Tijdens het burgemeesterschap van Adrianus deed zich een belangrijke ontwikkeling voor. In 1867 kwamen de spoorlijnen Haarlem-Uitgeest en Alkmaar- Uitgeest gereed, die de mobiliteit van de inwoners aanzienlijk verhoogde. Twee jaar later werd de spoorlijn Uitgeest-Zaandam in gebruik genomen. Naast het spoor kon men ook gebruik maken van de ‘schuitendiensten’ naar Amsterdam, Haarlem en Alkmaar. De wegen rondom Uitgeest veranderden ’s winters nog steeds in modderpoelen en waren vaak onberijdbaar voor de koetsen en paardewagens. 

In 1873 werd aan de Hogeweg nummer 8 voor 2000,– een grotere school gebouwd, die bestond uit zes lokalen en een gymnastieklokaal. Voor de school die tot 1971 in gebruik is geweest, legde burgemeester Adrianus van Lith de eerste steen. De vorige school aan het Bonkenburg werd als openbare bewaarschool ingericht en bleef dit tot 1930. Tegenwoordig is in het gebouw de muziekschool gehuisvest. Bij zijn dood liet Adrianus van Lith een nalatenschap achter ter waarde van 70.000,–. Hij bezat aan het Hoorne twee huizen (nrs 6 en 8) en een loods, met een waarde van 4350– en een tuin ter waarde van 2600,– Toen hij overleed op 8 januari 1882 in Uitgeest, was hij 64 jaar. Na zijn overlijden werd de molen ‘De Hoop’ verkocht aan Cornelis Roos. 

Anthonie van Lith (1848-1934)  was burgemeester van Uitgeest van 1901 tot 1925.

Burgemeester Anthonie van Lith. Uitgeest, 1910.
Beschermheer fanfarecorps “Onderlinge Oefening”.

De Commissaris der Koningin gaf in zijn voordracht voor een nieuwe burgemeester de voorkeur aan de 53-jarige wethouder Anthonie van Lith en schreef in zijn voordracht aan de Minister van Binnenlandse Zaken: ‘Hij (Anthonie van Lith) schijnt een eenvoudig, rechtschapen man, behoort tot een burgemeestersfamilie in Uitgeest en is algemeen geacht en gezien. De predikant, de dokter en het hoofd der school en andere autoriteiten en 7/8 deel van de Uitgeestenaren zouden zijn benoeming toejuichen’. Voorts schreef hij dat in Uitgeest een boerenpartij en een zogenoemde burgerpartij bestond. Een andere kandidaat voor het burgemeesterschap, Jan van Nienes, zoon van de oud-burgemeester Anthonie van Nienes, was penningmeester van diverse polderbesturen in Uitgeest en behoorde tot de boerenpartij. De benoeming van Jan van Nienes zou deze boerenpartij te veel invloed geven. De aanbeveling van Anthonie van Lith door de Commissaris werd door de Minister overgenomen en hij werd bij Koninklijk Besluit tot burgemeester benoemd. 
Anthonie van Lith die op 15 oktober 1848 werd geboren, was de zoon van burgemeester Adrianus van Lith en Barbara van Lith. Hij trouwde in 1875 met zijn nichtje Maria Catharina van der Laan. Haar moeder was, evenals zijn moeder, een dochter van de burgemeester van Bennebroek Jan van Lith. Zij kregen twee zoons en een zwakzinnige dochter. Evenals zijn voorouders woonde Van Lith aan het Hoorne nr. 6-8. 

Van Lith maakte in zijn eerste gemeentelijke jaarverslag melding van nieuwe fabrieken: de kaasfabriek van Blokker, de kaasstremselfabriek van Visser, de Hollandse melksuikerfabriek (opgericht in 1897) en twee vogelkooienfabrieken, één van K. Zonjee en één van W. van der Eng en W. Rozenmeijer. Aan de Langebuurt werd in 1912 een rooms-katholieke school gebouwd. Twee jaar later werd de openbare lagere school geheel verbouwd. In 1916 besloot de gemeente haar medewerking te verlenen aan de oprichting van de waterleidingmaatschappij ‘Midden Noord-Holland’, waarvan het hoofdkantoor in Purmerend werd gevestigd. In datzelfde jaar schakelde de koekfabriek van A.L. Starreveld over van stoom op elektriciteit. De gemeente had een raadhuis nodig en kocht in december 1917 voor 8000,– de villa van de familie Brasser aan de Middelweg. Na de verbouwing kwam ook een burgemeesterskamer beschikbaar, maar Van Lith maakte hier geen gebruik van. Net als zijn voorgangers ontving hij zijn dorpsgenoten in zijn woonhuis. Door een subsidie van de gemeente kon de kruisvereniging ‘het Witte Kruis’ voor het eerst een wijkverpleegkundige aanstellen. Het gemeentebestuur gaf de woningbouwvereniging ‘Goed wonen’ een subsidie voor de bouw van 25 woningen en besloot tot de aanleg van een elektriciteitsnet in de gemeente. Ook in 1920 kreeg de woningbouwvereniging steun van de gemeente. 

Naast burgemeester was Anthonie van Lith voorzitter van de kruisvereniging ‘het Witte Kruis’, erevoorzitter van de toneelvereniging ‘Vondel’ en directeur van de Boerenleenbank. In 1923 verkocht hij het huis aan het Hoorne samen met zijn bedrijf aan de timmerman Hermanus Rookhuizen. Het huis was al van voor 1832 familiebezit. Met zijn vrouw en dochter verhuisde hij naar een woning op de Middelweg, ten noorden van het postkantoor. 

Van Lith was al 77 jaar oud, toen hij in 1925 ontslag nam als burgemeester. Vijf jaar later overleed zijn vrouw. In oktober 1931 verliet hij Uitgeest en ging hij met zijn zwakzinnige dochter Sientje bij zijn oudste zoon in Castricum wonen. Deze zoon, Adriaan Herman, was bloemenkweker. Zijn andere zoon Pieter Adriaan was werkzaam als scheikundige in Nederlands Indië. In 1932 stierf zijn dochter. Twee jaar later stierf Anthonie van Lith, 85 jaar oud, in Castricum. Hij werd op het openbare kerkhof van Uitgeest in het familiegraf begraven. 

Zo kwam er een einde aan de meer dan honderd jaar bestaande familieregering van Van Lith, die in 1817 alleen onderbroken werd door de benoeming van Gerrit Muntjewerff.

Jan van Lith (Uitgeest 1789- Bennebroek 1862, zoon van burgemeester Jan van Lith (1750-1831), getrouwd met Cornelia Jongebreur) was burgemeester van Bennebroek van 1838-1853.
Deze Jan van Lith jr. (broer van o.a. Janetta Margarethe, Barbara Maria en Maria Catharina van Lith) was getrouwd met Maria Catharina van Alkemade. Zij waren mijn betovergrootouders.

In het boekje De tijden veranderen: burgemeesters van Heemstede en Bennebroek 1811-1997 (2003), schrijft Annabella Middens-Van Borsele over Jan van Lith:

Als opvolger van burgemeester Gerlings in Bennebroek benoemde koning Willem I Jan van Lith. Eind december 1811 stond Jan van Lith, hij was 22 jaar, als jongste kandidaat op de lijst voor een post van ‘maire’, adjunct-maire en municipale raad (gemeenteraadslid). De helft van de 24 kandidaten was tussen de 40 en 60 jaar.  Hij huwde de dochter van Jan van Alkemade, die schout en schepen was geweest, en vestigde zich in dat jaar in Bennebroek. Pas in 1837 werd hij raadslid en wethouder van Bennebroek. Bij Koninklijk Besluit van 13 januari 1838 werd hij tot burgemeester benoemd.

Jan trouwde met Maria Catharina van Alkemade, die in 1790 in Bennebroek geboren was. Hij was een welgestelde burger. Hij behoorde tot de hoogst aangeslagenen op de lijst van belastingbetalers in Bennebroek.  Hij bezat in 1851 naast de hofstede Bosch en Berg, nog vier huizen aan de Bennebroekerlaan en acht huizen, waarvan één met een timmerwinkel aan de Reek, toen Roohellerzandvaart geheten. Daarnaast bezat hij nog weilanden, een huis met timmerwinkel in Haarlem en de herberg de Groenewoud te Haarlem. Zelf woonde hij met zijn gezin op de Reek. Totaal bezaten hij en zijn vrouw ruim ƒ 62.000. 

In 1853 hadden de gewijzigde regels voor plattelandsbesturen tot gevolg dat Jan van Lith eervol ontslagen werd als burgemeester/gemeentesecretaris. Gemeenten met een laag aantal inwoners mochten geen eigen burgemeester meer hebben. Bennebroek telde 465 inwoners en dat was te weinig. Het bestuur van de gemeente droeg koning Willem III op aan de burgemeester van Heemstede. Jan van Lith schreef aan de gouverneur in Noord-Holland zeer summiere jaarverslagen. De gouverneur schreef aan Jan van Lith dat het hem leed deed dat hij niet langer zijn ambt mocht uitoefenen, aangezien hij over zijn optreden ‘zich nimmer te beklagen had’.

Naast burgemeester was hij van 1829 tot 1861 kerkvoogd van de Nederlands Hervormde kerk te Bennebroek. Na zijn burgemeesterschap werd hij in 1856 bestuurslid van de Bennebroekerpolder. Deze functie vervulde hij tot aan zijn dood in 1862. Hij, zijn vrouw en een aantal dochters werden begraven in een graf op het kerkhof van de Nederlands Hervormde kerk te Bennebroek. Helaas is dat geruimd.

Hieronder volgen nu enkele namen van voorouders uit de familie van Alkemade die door het huwelijk van mijn overgrootouders zijn gekoppeld aan de familie Van Lith. Vet gemaakt zijn voornamen naar wie mijn grootvader (Johan Carel Willem Amse), mijn oud-tante (Barbara Maria Amse), mijn moeder (Maria Catharina Jeanette Amse) en mijn oom (Johan Carel Amse) zijn vernoemd.

Maria Catharina van Alkemade (Bennebroek ca. 1790 – Bennebroek 31 dec. 1849), dochter van Jan van Alkemade en Anna Catharina van Alkemade, vrouw van Jan van Lith en moeder van Jan, Janetta Margaretha en Barbera Maria van Lith.

Janetta Margaretha van Lith (Heemstede 21 september 1816 – Heemstede 24 november 1875), dochter van  Jan van Lith en  Maria Catharina van Alkemade,  vrouw van Johan Carel Munk (Heemstede 1828 – Heemstede1875) en moeder van o.a. Maria Catharina van Alkemade Munk (Heemstede 1851- Heemstede 1881) en Jan Johan Carel Munk.

Barbera Maria van Lith (Bennebroek 9 september 1818 – Uitgeest 30 augustus 1885), dochter van Jan van Lith en Maria Catharina van Alkemade, vrouw van Adrianus van Lith en moeder van Anthonie van Lith en Adrianus van Lith; zuster van o.a. Janetta Margaretha van Lith.

Huwelijksadvertentie van overgrootouders Willem Amse en Maria Catharina van Alkemade Munk

Maria Catharina van Alkemade Munk (Heemstede 8 april 1851 – Heemstede 15 juli 1881), dochter van Janetta Margaretha van Lith en Johan Carel Munk, vrouw van kamerbehanger en zadelmaker Willem Amse (*Heemstede 25-12-1851, met de noorderzon vertrokken 29-03-1882 en overleden te Zwolle 1900 als echtgenoot van Johanna Elisabeth Giebkes) en moeder van Barbara Maria Amse, Johan Carel Willem Amse (*Heemstede 8 juli 1877) en Willem Frederik Amse (overl.16-04-1880), zuster van o.a. Jan Johan Carel Munk en Gerrit Munk.

Hier komt de vader (Willem) van mijn grootvader (Johan Carel Willem) Amse in beeld.

Op de website van Hans Krol is te lezen dat J.W.G. van Doorn uitzocht hoe het zat met de twee buitenverblijfjes onder één dak, ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht’, die eens in het bezit waren van betovergrootvader W.F. Amse:

Het zijn twee aparte percelen, compleet gescheiden zoals ook aan het pleisterwerk duidelijk te zien is. In 1698 bouwde de uit Leidschendam afkomstige timmerman Huibert van Meurs op de hoek van de Herenweg en het Koediefsvaartje, op erfpachtgrond van het Elizabeths of Grote gasthuis te Haarlem zijn woonhuis en timmermanswerkplaats. (…). In 1850 werden Welgelegen en Weg- en Landzicht “met derzelver herenhuizingen, tuinen en beplantingen nevens de hofstede Kennemeroord aan de Heren- of Straatweg op de hoek van de Koediefslaan, met de koepel in deze laan, behorende tot Weg-  en Landzicht”, verkocht aan de zadelmaker/kamerbehanger Willem Frederik Amse [*15/01/1823 – 25/06/1852], die hier, zoals in latere akten wordt beschreven “na enige vertimmeringen en veranderingen” zijn zadelmakerswinkel begon.’ (…)

Na het overlijden van Willem Amse sr. te Meppel (de vader van Willem Frederik Amse) hebben de erven in 1859 Welgelegen, met erf en tuin, en de oorspronkelijk bij Weg- en Landzicht behorende koepel verkocht aan Cornelis van Lennep, burgemeester van Heemstede. Weg- en Landzicht, met bijbehorende zadelmakerswinkel, schuur en bleekveld was bij legaat toegewezen aan de inmiddels negen jaar oude Willem Amse jr., de zoon van Willem Frederik Amse (overl. 25 juni 1852) en Barbara Maria de Man (overl. 3 januari 1852), die eenmaal meerderjarig (25-12-1874) de Zadelmakers-, Kamerbehangers- (en Bloemschiders)-Affaire te Heemstede van zijn vader overnam.

Complex Land- en Veldzicht / Welgelegen, met annexen koepel en winkel, 2020.
V.l.n.r. aan Koediefslaan tuinkoepel (wit); winkel; Weg- en Landzicht; Welgelegen (witte huis aan Herenweg); tuinmuur en tuin achter dit hele complex
Koediefslaan met v.l.n.r koepel, winkel en Huis Weg- en Landzicht, met daarachter gelegen tuin, 2020.
Huis Welgelegen (het witte huis) aan Herenweg 142 en rechts deel van de tuinmuur en toegangspoort, 2020.
Weg- en Landzicht. Koediefslaan 117 / hoek Herenweg Heemstede, 2020.

Willem jr. trouwde in 1875 met Maria Catharina Van Alkemade Munk, kreeg een dochter en een zoon, mijn grootvader Johan Carel Willem (*1877) en werd vroeg (15 juli 1881) weduwnaar. Toen Willem meerderjarig was (25-12-1874) heeft hij de Kamerbehangers- en Zadekmakersaffaire ‘de Erve W.F. Amse’ van zijn vader voortgezet, maar na vijf jaar is dat op een mislukking uitgelopenen, zodat deze per 1 sept. 1879 werd beëindigd (zie aankondiging notaris Dolleman) en overgenomen door Johannes Bartholomeus van Gaart (1824-1893) die volgens onderstaand krantenartikel vanaf 1848 als zadelmakersknecht in dienst kwam (niet zoals in onderstaand krantenartikel staat de zaak heeft overgenomen van Amsing [= Amse], dat gebeurde pas in 1879) en vervolgens als meesterknecht / bedrijfsleider aan het bedrijf verbonden werd. 

Artikeltje over het familiebedrijf J.B. van Gaart te Heemstede. De Heemstede 20-11-1996.
J.B. van Gaart is in 1848 begonnen als zadelmakersknecht in de Kamerbehangers- en Zadelmakersaffaire bij W.F. Amse
Aankondiging van beëindiging van de Kamerbehangers- en Zadelmakersaffaire Firma ‘de Erve W.F. Amse’.
Ontbonden 1 september 1879. Nieuwe eigenaar J.B. van Gaart

Mijn grootvader (* 8-07-1877) en zijn zusje Barbara kwamen als wezen (moeder overleden en vader in 1882 vertrokken naar Amsterdam, nooit meer teruggekeerd en in 1900 te Zwolle overleden) op 15 november 1883 onder voogdij te staan van hun oom Jan J. C. Munk. Van 12 dec. 1881 tot 15 nov. 1883 werden Johan en zusje Barbara in huis opgenomen bij de fam. Cornelis Westbroek in Utrecht. Deze familie woonde op Maliebaan 74.

Na die Utrechtse periode woonden zij bij Oom Jan op de Koninginneweg in Haarlem.

Tenslotte nog de situatie van de huizen ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht’ op de kadasterkaart uit ca. 1818. Ruim 30 jaar later kocht Willem Frederik Amse dit complex.

Kadasterkaart Heemstede detail, ca. 1818. Hoek Herenweg / Koediefslaan. Noorden boven.
Ten zuiden van het complex ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht ligt de buitenplaats Kennemer Oord.
De volgende nummers betreffen eigendom van Hermanus Rahusen uit Amsterdam (ook eigenaar van Kennemer Oord).
195 Tuin; 196 Huis ‘Welgelegen’, erf, koepel; 197 Koetshuis; 198 Boomgaard.
De koepel staat bij de ‘f’ van Koedief. West daarvan is na 1818 ‘Weg- en Landzicht’ gebouwd.

De Opkomst van Badplaatsen in Nederland

Mijn vader had voor zijn gezin een vakantieplan uitgestippeld voor de jaren 1946 tot 1953, mijn Lagere School-periode. Dit plan heette ‘Vakantie langs de Nederlandse Kust’ en deed ieder jaar een strand-vakantieplaats aan in een van de kustprovincies, Friesland, NH, ZH, Zeeland. Hij hield niet van mondaine toeristische badplaatsen, maar zocht altijd een vakantiehuis enerzijds in de buurt van het strand en anderzijds dichtbij een natuurreservaat. Zo gingen we naar Vlieland (dichtbij De Vliehors); Schoorl (bij NH-Duinreservaat/vooral niet het mondaine Bergen aan Zee ); Katwijk (vooral niet Noordwijk); Ouddorp (bij De Kwade Hoek/Goeree); Westenschouwen (bij de Domaniale Bossen/vooral niet Renesse); Oostkapelle (bij De Manteling/vooral niet Domburg) en Cadzand (bij Het Zwin/vooral niet Knokke), om te eindigen in Oostvoorne op Voorne-Putten (dichtbij de Natuurreservaten De Beer en Voorne’s Duin), waar we jaren zijn gebleven. Onlangs kwam ik een strandfoto van mijn grootouders (van moeders zijde) tegen (ca. 1920), die een heel ander strandleven laat zien dan ik met mijn vader en moeder beleefde. Met die foto en aangevuld met foto’s en documentatie uit de Afdeling Speciale Collecties / Library WUR, stelde ik een kort overzicht van de opkomst van badplaatsen in Nederland samen.

C. Elandt. Aanleg Scheveningse Zeestraat. Ca. 1666. Coll. Library WUR

Van 1653 tot 1655 werd naar ontwerp van Constantijn Huygens de Scheveningse Zeestraat tussen Den Haag en Scheveningen aangelegd. Dit leidde in de 19de eeuw tot de opkomst van de eerste badplaats in Nederland, Scheveningen Bad.

Het Tolhek aan het begin van de Scheveningseweg in Den Haag. Coll. Library WUR

In de jaren twintig van de 19de eeuw kwam Zandvoort op als kuuroord aan zee. Het nemen van een bad in zee werd zeer goed voor de gezondheid geacht, evenals de frisse zeelucht, het wandelen langs het strand, het genieten van het schouwspel van de branding en de mooie luchten. Het water en het strandleven deden mensen goed en deden zorgen vergeten. Men raakte er van doordrongen dat baden en frisse zeelucht heilzaam waren voor de fysieke en geestelijke gezondheid. Langzaam aan ontwikkelde zich in Nederland het vakantie-strandleven met alles wat daarbij hoorde: een boulevard, hotels, restaurants, een casino, een kurhaus (met een staf van ‘verplegend personeel’), een villapark, en voor de minder bedeelde dagjesmensen de typische strandactiviteiten als paardje rijden, schelpen zoeken, zandkastelen bouwen en balspelen.

Zandvoort, . Links op de boulevard Hotel d’Orange. Ca. 1900. Badstoelen en badtentjes

In de tweede helft van de 19de eeuw groeiden ook andere plaatsen langs de Nederlandse kust uit tot badplaatsen: Bergen aan Zee, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee, Domburg aan Zee. Eerst werd een weg naar zee aangelegd en vervolgens een boulevard met hotels. Een villapark in de duinen completeerde het geheel. Een tram- of spoorlijn vergemakkelijkte natuurlijk de reis vanuit het binnenland aanzienlijk, zoals de aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Zandvoort (1881) en de tramlijn van Haarlem naar Zandvoort(1897). De aanleg van de tram vanuit Amsterdam (1905) was het begin van het dagtoerisme in Zandvoort, terwijl deze plaats eerder juist bekend stond als exclusieve badplaats voor de elite. De bekendste gast in Zandvoort was keizerin Elisabeth van Oostenrijk-Hongarije (Sissy). Zij verbleef in 1884 enkele weken in Hotel Kaufmann (het latere Hotel d’Orange, zie foto hieronder).

Zandvoort, Hotel d’Orange. Eind 19de eeuw
Zandvoort, ca. 1920. Mijn grootouders Amse met hun kinderen op het strand. (V.l.n.r.) mijn moeder Mies, Johan en Conrad. Achter de badstoelen is het wiel van een badkoets te zien en achter de rechter stoel een bad-verzorgster.
Noordwijk. D. Wattez, ontwerp villapark in de duinen van Noordwijk, 1883. Coll. Library WUR

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1883 werd de ‘Maatschappij Noordwijk tot exploitatie van Duingronden’ opgericht. Deze verwierf een groot duinterrein aan de zuidzijde van Noordwijk in eigendom om hier een villawijk te bouwen. Voor het ontwerp van deze wijk werd de tuinarchitect D. Wattez uit Bussum aangetrokken.

Zijn plan voorzag in de aanleg van een ruim 1200 meter lange, rechte boulevard langs het strand met hierachter ruim opgezette slingerende wegen waaraan de ruime bouwkavels kwamen te liggen. Reeds in maart 1883 werd met de uitvoering begonnen. In het centrum van de wijk lag een ruime weide met een kunstmatig gevormde duinkloof. Hieroverheen werd een rustieke brug gelegd, die echter na veertien jaar al instortte, waarna men de kloof dichtte. Geheel volgens de romantische idealen werden ook in het park een hertenkamp en een ‘laiterie’ of melkhuis aangelegd, die bijdroegen aan het ideaal van een ‘landelijke’ omgeving. Na de aanleg van de wegen werden in hoog tempo fraaie villa’s gebouwd. De oorspronkelijke opzet van de wijk is nog steeds goed herkenbaar in het karakteristieke verloop van de wegen en de ruime percelen, waarop de huizen omringd door veel groen staan”.

Zeeweg van Bergen naar Bergen aan Zee. Ontwerp L.A. Springer, 1906. Prentbriefkaart

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1906 werd door de tuinarchitect L.A. Springer de Zeeweg tussen Bergen en Bergen aan Zee aangelegd. Springer maakte in 1907 ook een ontwerp voor villapark Parnassia in Bergen aan Zee. Het oorspronkelijke plan dat Springer indiende, omvatte terreinen aan beide zijden van een rangeerterrein dat het eindpunt zou gaan vormen van de geplande stoomtram naar Bergen aan Zee. Tegenover het station zouden een café, een pension en een hotel worden gebouwd. De twee duinwandelparken, die Springer hieromheen ontwierp, zouden omgeven worden door villa’s of zomerhuizen, zodat er een echte badplaats tot stand kon komen. De opdrachtgever voor dit alles was het echtpaar Jacob van Reenen-Völter, dat het welzijn van de gemeente Bergen hoog in zijn vaandel had staan. Maar het ontwerp van Springer werd niet uitgevoerd.

Bergen aan Zee. Ontwerp Parnassia villapark door L.A. Springer, 1907. Niet uitgevoerd. Coll. Library WUR

In 1911 kwam er een heel ander wandelpark tot stand, waarschijnlijk naar de ideeën van mevrouw Marie A.D. van Reenen-Völter. Dit gerealiseerde park, met een symmetrische opzet, was aangelegd langs een middenas waarop drie cirkelvormige terreinen de concentratiepunten voor bezoekers vormden. In 1911 betrad men via een brede middentrap de duinvallei en kwam men in het eerste rondeel. Het centrum hiervan werd gevormd door een zeventiende-eeuwse vaas, geplaatst op een grasperk met rondom zitbanken.

Bergen, Parnassiapark, ca. 1920, waarschijnlijk naar ontwerp van Marie A.D. van Reenen-Völter. Prentbriefkaar .

Langs de hoofdas verder wandelend bereikte men, tussen de duinen door, het volgende rondeel met in dit geval een in het centrum geplaatste zonnewijzer. In deze ruimte stond ook de muziektent. Verdergaand langs de as liep men opnieuw tussen duinen door en bereikte men een derde groot gazon, omgeven door acht kleinere en versierd met een fontein. Naast deze wandelmogelijkheden zien we ook een speelveld en een stukje natuurlijk bos. De bermen van de wegen waren voorzien van een brede strook schelpen en alle wegen waren belegd met in eigen beheer vervaardigd kalkzandstenen plaveisel, dit alles om het stuiven van het duinzand tegen te gaan. In 1914 werd er op het terrein een botanische tuin aangelegd en een duinmuseum gebouwd. Deze situatie heeft bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog.

In 1953 werd het Parnassipark in Bergen aan Zee , met uitzondering van de tennisbanen, door de gemeente aangekocht en opnieuw ingeplant. Ook werden de paden en het museum opgeknapt. Het park beleefde een korte opbloei, die al spoedig door een periode van neergang werd gevolgd. In 1967 deed men nogmaals een poging het park te redden en werd op de plaats van het derde rondeel een dierenparkje ingericht, terwijl de eendenvijver een nieuwe bevolking kreeg. Dit naoorlogse herstel heeft echter niet meer geleid tot de luister ten tijde van het echtpaar Van Reenen. Wel is er een typerende duinbeplanting aanwezig met onder andere duinroos en duindoorn en de zeldzame Parnassia waarnaar het park is genoemd.”

Natuurreservaat Het Zwanenwater tussen Callantsoog en Petten.

En natuurlijk kennen we nu veel meer Nederlandse badplaatsen, waar uitgestrekte stranden zijn en het prima toeven is. Naast Texel en Vlieland zijn de eilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog veel meer toeristen gaan trekken in de loop van de 20ste eeuw, om nog maar te zwijgen van de stranden van Callants-oog, Petten, Egmond, Castricum, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Kijkduin, Hoek van Holland, Rockanje en Vrouwenpolder, alle nu zeer aantrekkelijke vakantie-oorden.

Laurens Vogelesang (1846-1929) en Oranje

Komende zomer ga ik een studiereis maken naar Thüringen met de Geschiedkundige Vereniging Oranje Nassau. Het thema van de reis is ‘Sterke vrouwen van Nassau’. Centraal staat Juliana van Stolberg (1506-1580), geboren op Schloss Stolberg en stammoeder van het Huis Oranje-Nassau. We schenken onze aandacht aan vier dochters van Juliana van Stolberg en eveneens aan een dochter en een zuster van Willem van Oranje; aan een dochter van graaf Jan de Oude; aan de vier zusters van Solms, kleindochters van de zusters van Willem van Oranje; aan Koningin Wilhelmina en het Schloss Schwarzburg waar de eerste ontmoeting plaats vond tussen Wilhelmina en Prins Hendrik van Mecklenburg; en tenslotte aan een tante van Prins Hendrik en aan de vrouw van de Graaf van Hoorne. De namen van al deze vorsten laat ik maar even achterwege. Ik zal ze na de reis vrees ik grotendeels ook weer vergeten.

Deze voorgenomen reis doet mij terugdenken aan mijn Oranjegezinde overgrootvader Laurens Vogelesang.

Titelafbeelding van tijdschrift De Prins der Geïllustreerde Bladen, 5 september 1908

Hij zou geen moeite hebben gehad met het herkennen en onthouden van al die ‘sterke vrouwen uit het Huis van Nassau’. Hij was een kenner. Dit kwam o.a. tot uiting door een boekje dat hij schreef, getiteld: Waarom wij voor het Huis van Oranje zijn, uitgegeven door de Amsterdamsche Christelijke Oranjevereeniging, nr. 33, (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 23 October 1907); en door zijn abonnement op tijdschrift De Prins der Geïllustreerde Bladen (afgekort De Prins, nr. 1 uitgegeven in 1901). Aan hem werd zelfs even aandacht besteed in dit tijdschrift, in Jg.4, nr.5 (1905), ter herinnering aan zijn 40-jarige onderwijzers-loopbaan.

Laurens Vogelesang, Amsterdam. 1846-1929

Laurens was dus van beroep (hoofd)onderwijzer, achtereenvolgens in Den Haag, van 1865-1874; in Heemstede, op de Bijzondere Protestantse School, tegenwoordig genaamd Nicolaas Beetsschool genoemd, van 1874-1886; in Bolsward op de Christelijke Nationale School (CNS) van 1886-1890 en tenslotte in Amsterdam van 1890 – 1911 (het jaar van zijn pensionering), als hoofd van de Koningin Emmaschool, op de Passeerdersgracht.
Hij werd in Den Haag geboren als zoon van Jacobus Vogelezang (deze keer met een ‘z’ geschreven) en Carolina Sophia Rompel, mijn betovergrootmoeder, van wie ik mijn voornamen heb geërfd. Ongetwijfeld een sterke vrouw, de grootmoeder van mijn grootmoeder. Met míjn kennis van de ‘sterke vrouwen van Nassau’ is het echter slecht gesteld tot heden. Wie weet brengt het reisje naar Thüringen daar toch verandering in.