Categoriearchief: Familie

‘Bloemschilderen’ in 1850, een ambacht of een kunst?

(152)

(Zijn de illustraties, door dit artikeltje heen gestrooid, voorbeelden van ‘bloemschilderen’ ?)

In de hier voorgaande weblog van 10 oktober 2020, sprak ik o.a. over familiegrond in Heemstede en over mijn voorouders van de familie Amse, waar mijn grootvader van moeders kant toe behoorde. Zijn grootouders Amse overleden beiden in 1852, terwijl zijn vader Willem Amse (*1851) nog een baby was. Na het overlijden van Willem Frederik Amse, de vader van Willem, kwam de laatste onder voogdij te staan. De Heer Dirk Wolbers was de laatste jaren voordat Willem Amse meerderjarig werd (25 december 1874) administrateur “over de boedel in den nalatenschap van wijlen W.F. Amse in der Zadelmakers en Kamerbehangers Affaire onder de Firma ‘de Erve W.F. Amse’ te Heemstede”. In deze firma werkte sinds 1848 ook als meesterknecht/bedrijfsleider Johannes Bartholomeus van Gaart, die uiteindelijk na ontbinding van de Fa. de Erve W.F. Amse de zaak heeft overgenomen.

Wolbers noteert over het jaar 1852 de volgende Activa:

Koningin Wilhelmina als twaalfjarige in Fries kostuum, 27 april 1893. Koninklijke Verzamelingen. Foto C.B. Broersma, Leeuwarden
  1. Aan meubelen en huisraad”………………………………………518,73
  2. Aan koopmansschappen, goederen, enz……………….1169,60
  3. Aan in te vorderen bloemschilderen over het lopende dienstjaar 1852 tot 17 October …………………………………………….3180,62
  4. Aan dito dito over vroegere jaren…………………………….682,88
  5. Aan gelden op 19 October 1852 in kas…………………..277,25
  6. Eene Heerenhuizing genaamd “Welgelegen” mitsgaders eene huizing genaamd “Weg- en Landzicht” met annexe Zadelmakerswinkel met erve, koepel en verdere getimmerten alles aan elkander gelegen, staande aan den Haagschen Straatweg, op de hoek van de Koediefslaan in de gemeente Heemstede.    …………………………………………………………Totaal Actief  F. 5829,0

Wat betreft de genoemde buitenplaatsjes annex koepel en winkel, zie het vorige bericht.

Wat verder opvalt is dat het bloemschilderen aardig wat geld in het la’tje bracht. Wie vóór de dood van W. F. Amse het bloemschilderen voor zijn rekening nam, Amse of de meesterknecht Johannes B. van Gaart of beiden, is niet bekend. Wel is duidelijk dat de firma, in ieder geval vanaf de dood van W.F. Amse in 1852, draaiende werd gehouden door Van Gaart en dat Willem Amse vanaf ongeveer zijn vijftiende van Van Gaart het vak geleerd zal hebben. We hebben al gezien (vorig bericht) dat Van Gaart de zaak vanaf 1 sept 1879 heeft overgenomen.

MAAR WAT IS BLOEMSCHILDEREN EIGENLIJK?

Foto van onbekend huwelijkspaar, vöör een met bloemen beschilderde wand
Mrs James Brown Potter (1857-1936). Bekende Amerikaanse actrice, gefotografeerd door Falk New York

Voorzover ik weet was mijn betovergrootvader geen beeldend kunstenaar, maar aannemelijk is dat het bloemschilderen iets te maken heeft met zijn Kamerbehangers Affaire. Ik proef in het woord ‘bloemschilderen’ ook een vakterm, een ambacht. Schilderde Willem Frederik Amse bloemen op behang, zoals je wel eens ziet op oude familiefoto’s en cartes de visite uit de tweede helft van de 19de eeuw? Bij het zoeken naar dergelijke voorbeelden uit die tijd kom ik bij huwelijksfoto’s terecht, bij bruidsparen die vóór een nis of vóór een wand staan versierd met bloemen-guirlandes of bloemboeketten. Ook zijn er voorbeelden van landschappen op behang, waar bomen en/of ruïnes en tempels een belangrijke plaats innemen. Deze zijn als hele slappe aftreksels van de bekende 18de-eeuwse behangschilderingen van Jurriaan Andriessen te beschouwen. Zie onderstaande foto van President Grant en familie.

Foto van Ulysses Simpson Grant (1822–1885), 18de President van USA. Hier tegen een achtergrond met een geschilderd landschap

Veel Nederlandse voorbeelden van wandschilderingen (op papier of linnen?) met uitsluitend bloemen zijn er niet. Wel voorbeelden van portretten van bekende dames en heren uit Engeland. Amerika, Canada en Australië. Voor de duidelijkheid dan toch maar een buitenlands voorbeeld hier nog bijgevoegd.

Het mooiste voorbeeld is natuurlijk de huwelijksfoto van mijn eigen grootouders Amse. Het behang kan niet door Willem Frederik of door zijn zoon Willem zelf geschilderd zijn voor hun (klein)zoon. Zij waren allang dood in 1903 toen mijn grootouders trouwden. De firma bestond echter nog wel, onder leiding van Toeval dan? Dat denk ik ook weer niet helemaal. Mogelijk wel door hemzelf geschilderd, want ook hij was huisschilder en ik weet dat hij de kunst (techniek) van het ‘marmeren’ verstond.

Voorbeeld van gemarmerd paneel

Laten we het houden op ‘voor de gelegenheid met zorg gekozen foto-achtergrond’. Na mijn ontdekking van het woord ‘bloemschilderen’ in de rekening en verantwoording van de ‘Affaire’ van Willem Frederik Amse, is dit voorbeeld van bloemschilderen natuurlijk een pareltje.

Huwelijk Johan Carel Willem Amse en Anna Jacoba Vetter. 1903. Vöör een geschilderde boognis. Fotograaf W.G. Kuijer & Zonen
Carte de visite. W. G. Kuijer & Zonen. Hofphotographen Amsterdam. Zie vorige foto

Ik ben nieuwsgierig geworden naar het fenomeen ‘bloemschilderen’. Wellicht is er meer bekend bij de Stichting Historische Behangsels en kunnen zij mij verder helpen?

Feddo en Carla Oldenburger, ca. 1975. Gefotografeerd in foto-atelier van Hans Schiet, Spijk.

Maar nu over naar onze tijd, 2020. De mode van het bloemschilderen (op behang, zoals ik me heb voorgesteld dat mijn betovergrootvader deed, omdat hij zelf een ‘Kamerbehangsel-Affaire’ had), is voorbij. Toch zullen er nog wel enkele fotografen in Nederland zijn die een mooie achtergrond voor het poseren hebben in een hoekje van hun atelier. De enige foto die ik ken en heb, is gemaakt in het atelier van de fotograaf Hans Schiet, aan de Zuiderlingedijk in Spijk. Hij gaf een feest, waar mijn man Feddo en ik waren uitgenodigd, en de opdracht was daar te verschijnen in kledij die een 19de-eeuwse uitstraling had. Zelf had hij zijn atelier een à la 19de eeuwse touch gegeven. Hier werden al zijn vrienden door hem gefotografeerd. Ik moet zeggen, deze foto is wel een bewijs dat onder fotografen het decoreren van een wand in het atelier met o.a. bloemen toen nog een bekend verschijnsel was.

Heemstede Familiegrond

(215) Ik heb al eerder aangegeven dat mijn familie van beide kanten (zowel de vader Ebbers- als de moeder Amse-tak) in Heemstede wortel heeft geschoten. Tot heden heb ik nog nauwelijks aandacht besteed aan de Amse-tak. Mijn moeder Maria Catharina Jeanette Amse was een dochter van Johan Carel Willem Amse (1877-1959) en Anna Jacoba Vetter (1879-1956), mijn grootouders.

Trouwfoto van Johan Carel Willem Amse en Anna Jacoba Vetter. 14 mei 1903.
Foto door W.G. Kuijer & Zonen.Hofphotographen Amsterdam. Westermarkt 19. Opgericht 1864.

Mijn grootvader Johan Carel Willem Amse stamde via zijn moeder Maria Catharina van Alkemade Munk af van het burgemeestersgeslacht Van Lith, dat sinds 1799 vier burgemeesters leverde aan de gemeente Uitgeest (1799-1925); één aan de gemeente Bennebroek (1838-1853) en één aan de gemeente Akersloot (1852-1882).

De volgende korte biografische schetsen heb ik overgenomen van de website https://www.vanborselen.eu/uitgeest/uitgeest.html :

Jan van Lith (1750-1831) burgemeester van Uitgeest van 1799-1817. (Hij was mijn betbetovergrootvader, vijf generaties terug). De timmerman en molenmaker Jan van Lith verhuisde rond 1781 met zijn vrouw en zijn twee kinderen vanuit Ouderkerk aan de IJssel naar Uitgeest (Kennemerland). Voor de uitoefening van zijn bedrijf kocht hij in 1797 voor 1950,– guldens de houtzaagmolen ‘de Hoop’ aan de Hennepklopperslaan, die aan de oostkant van de Binnenmeer lag. Bovendien kocht hij een waterplas, omdat de boomstammen eerst enige jaren moesten inwateren alvorens verwerkt te kunnen worden. Aan het Hoorne kocht hij twee huizen, waarvan één met een grote loods erachter. Hij woonde met zijn gezin aan het Hoorne nr. 77 (het huisnummer is later gewijzigd in nummer 6 of 8). In Uitgeest werden nog zeven kinderen geboren. Tijdens een brand in 1911 werd de molen verwoest. 

Voorafgaand aan zijn burgemeesterschap vervulde Jan van Lith in de Nederlands Hervormde kerk afwisselend de functies van kerkmeester, ouderling en diaken. In 1794 begon zijn loopbaan in het plaatselijk bestuur met het ambt van Eerste Waardschap, dat vergelijkbaar is met burgemeestersambt. Van 1799 tot 1817 stond hij onder vier verschillende titels aan het hoofd van de gemeente, in de Bataafs-Franse tijd (1799-1811) was hij president van de municipaliteit, in 1811 werd hij maire en in 1813 veranderde zijn titel in schout. 

Jan van Lith maakte een woelige bestuursperiode mee: het einde van de Republiek, de inlijving bij Frankrijk en na de terugkeer van de zoon van Willem V de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden. Ondanks alle politieke veranderingen bekleedde hij nog steeds hetzelfde ambt. Onder het Franse bestuur kregen de burgemeesters de opdracht gegevens te verzamelen over onder meer de bevolkingssamenstelling, de oogsten en de veestapel, en deze te rapporteren aan de onderprefect van het arrondissementsbestuur te Alkmaar. In tegenstelling tot de meeste van zijn ambtgenoten rapporteerde Jan van Lith in het Nederlands. Voor de verkiezingen van de municipale raad (gemeenteraad) maakte hij in 1811 een lijst van alle mannen van 21 jaar en ouder, waaruit afgeleid kan worden dat Uitgeest een agrarisch dorp was. Het merendeel van deze mannen was boer, tuinder, bloemkweker of werkman. De rijkste inwoners behoorden zonder uitzondering tot de groep van bloemkwekers en landbouwers. Hoewel Jan van Lith niet tot deze rijkste groep behoorde, kon hij zeker welvarend genoemd worden. Op de ranglijst van honderd hoogste belastingbetalers in Uitgeest stond hij op de 50-ste plaats.

Volgens de opgave van 1812 van onroerende goederen in Uitgeest waren er in het dorp onder meer 14 molens, 9 watermolens, 2 oliemolens, 1 korenmolen, 1 houtzaagmolen en 1 gruttersmolen. De laatste werd als enige door een paard aangedreven. Totaal waren er 206 huizen, waarvan 152 in Uitgeest en 27 in Marken-Binnen, dat tot Uitgeest behoorde. De school onder leiding van de 26-jarige ‘schoolhouder’ Floris Swart had honderd leerlingen die over drie klassen verdeeld waren. Marken-Binnen had een eigen schoolmeester, Jacobus Elderbeek, die aan vijftien kinderen les gaf. Het schoolgeld bedroeg voor de eerste klas een halve stuiver en voor tweede en derde klas respectievelijk één en twee stuivers. Jan van Lith meldde in 1815 aan de onderprefect dat Uitgeest 1057 inwoners telde, waarvan 110 ondersteund werden door de armenzorg. 

Van Lith was 67 jaar toen hij in 1817 met zijn burgemeesterschap stopte. In 1838 werden twee van zijn zoons tot burgemeester benoemd, Anthonie in Uitgeest en Jan (1789-1862) in Bennebroek. Hij zou dat echter niet meer meemaken. In 1831 overleed hij te Uitgeest, 80 jaar oud. Tot zijn nalatenschap behoorden vijf huizen, de molen ‘de Hoop’ en enkele stukken land. Een van de huizen stond naast het weeshuis van de Nederlands Hervormde kerk. 
 

Anthonie van Lith (1782-1850), eerste zoon van voorgaande Jan van Lith, was burgemeester van Uitgeest van 1838 tot 1850.
Na het ontslag van Gerrit Muntjewerff werd Anthonie van Lith, zowel in de functie van burgemeester als gemeentesecretaris, tot zijn opvolger benoemd. Anthonie was een zoon van burgemeester Jan van Lith (1750-1831) en Cornelia Jongebreur en werd geboren op 7 april 1782 in Uitgeest. Zijn jongere broer Jan van Lith (1789-1862) was in hetzelfde jaar tot burgemeester van Bennebroek benoemd, waar deze broer tevens timmerman was. Anthonie woonde aan het Hoorne naast het huis dat zijn vader bewoond had. In het dagelijks leven was hij houtfabrikant en exploiteerde hij de houtzaagmolen de Hoop. De loods achter het huis aan het Hoorne werd gebruikt voor de vervaardiging van houtprodukten, waaronder onderdelen voor molens. In 1803 huwde hij in Krommenie met Jacoba Sluijk. Van de zes kinderen die zij kregen, stierven er twee tijdens zijn leven: zijn dochter Barbara stierf in 1820 toen zij 11 jaar was en in 1840 stierf zijn zoon Jan op 25 jarige leeftijd. Zijn jongste zoon Adrianus zou hem als burgemeester opvolgen. Ook zijn kleinzoon Anthonie van Nienes zou later burgemeester van Uitgeest worden. Deze werd geboren uit het huwelijk van Alida van Lith (1806-1871) en Jan van Nienes, een grutter uit Barsingerhorn. 

Uit de jaarlijkse verslagen van Anthonie van Lith aan de gouverneur blijkt dat Uitgeest tijdens zijn burgemeesterschap redelijk welvarend was. Met de voornaamste bronnen van inkomsten, de landbouw, de bloemkwekerijen en de tuinbouw ging het goed. De opbrengst van de veeteelt was redelijk, ondanks de longziekte waarmee de boeren jarenlang te kampen hadden. Over de toestand van de fabrieken schreef Van Lith dat deze ‘van jaar tot jaar treuriger werd’, wat volgens hem veroorzaakt werd door ‘de menigvuldige mededinging’. Uitgeest telde gemiddeld zo’n 85 huiszittende armen: mensen die door de kerk ondersteuning kregen in de vorm van bedeling. 

In de beginjaren van zijn ambtsperiode berichtte Van Lith uitvoerig dat de wegen rondom Uitgeest in het voor- en najaar door de regen onbegaanbaar waren voor rijtuigen. In zijn jaarverslag over 1841 schreef hij de gouverneur dat het wenselijk was, dat het provinciaal bestuur de herhaalde klachten nu eens zou verhoren. Bij dit onderwerp staat in het jaarverslag met potlood een aantekening van de gouverneur, waarin hij opmerkte dat de burgemeesters in de eerste plaats zelf de handen uit de mouwen moesten steken en dat, indien zij hulp nodig hadden, ‘die tot een bepaalde mate en grootte konden vragen‘. Van Lith maakte elk jaar een opmerking over de slechte weg naar Limmen. Maar in januari 1850 meldde hij dat, als de rijksconcessie werd afgegeven, er een aanvang gemaakt kon worden met de verbetering van de weg. Op 15 november 1850 overleed Anthonie van Lith. De aanleg van de nieuwe straatweg van Uitgeest naar Limmen had hij nog net meegemaakt. Zijn waarnemer J. Brasser schreef in januari aan de gouverneur dat de bereikbaarheid of zoals hij dat zelf noemde ‘de communicatie’ van Uitgeest door de nieuwe weg zeer verbeterd was. 

Adrianus van Lith (1817-1882) burgemeester van Uitgeest van 1851 tot 1882; burgemeester van Akersloot van 1852- 1882.
Na de dood van zijn vader werd Adrianus van Lith, gehuwd met Barbara Maria van Lith, en toen 34 jaar, in januari 1851 benoemd tot burgemeester en secretaris van Uitgeest. Hij was de jongste zoon van Anthonie van Lith en Jacoba Sluijk en werd geboren op 20 november 1817 te Uitgeest. Evenals zijn vader was hij houtfabrikant. Samen met zijn neef (en zwager) Jan van Lith, die timmerman was in Leiden, richtte hij een vennootschap op. In 1846 trouwde Adrianus in Bennebroek met zijn nichtje Barbara van Lith, die de dochter was van Maria Catherina van Alkemade en de Bennebroekse burgemeester en timmerman Jan van Lith. Van de acht kinderen die zij kregen, stierven er twee op jonge leeftijd. Vanaf 1852 was hij tevens burgemeester van Akersloot. 

Tijdens zijn ambtstijd werden de salarissen van de burgemeester en de secretaris enkele keren verhoogd. Tot 1868 kreeg hij per jaar en per ambt 300,– en in 1879 uiteindelijk 400,–. Desondanks vormden zijn werkzaamheden als houtfabrikant zijn belangrijkste inkomstenbron. Tijdens het burgemeesterschap van Adrianus deed zich een belangrijke ontwikkeling voor. In 1867 kwamen de spoorlijnen Haarlem-Uitgeest en Alkmaar- Uitgeest gereed, die de mobiliteit van de inwoners aanzienlijk verhoogde. Twee jaar later werd de spoorlijn Uitgeest-Zaandam in gebruik genomen. Naast het spoor kon men ook gebruik maken van de ‘schuitendiensten’ naar Amsterdam, Haarlem en Alkmaar. De wegen rondom Uitgeest veranderden ’s winters nog steeds in modderpoelen en waren vaak onberijdbaar voor de koetsen en paardewagens. 

In 1873 werd aan de Hogeweg nummer 8 voor 2000,– een grotere school gebouwd, die bestond uit zes lokalen en een gymnastieklokaal. Voor de school die tot 1971 in gebruik is geweest, legde burgemeester Adrianus van Lith de eerste steen. De vorige school aan het Bonkenburg werd als openbare bewaarschool ingericht en bleef dit tot 1930. Tegenwoordig is in het gebouw de muziekschool gehuisvest. Bij zijn dood liet Adrianus van Lith een nalatenschap achter ter waarde van 70.000,–. Hij bezat aan het Hoorne twee huizen (nrs 6 en 8) en een loods, met een waarde van 4350– en een tuin ter waarde van 2600,– Toen hij overleed op 8 januari 1882 in Uitgeest, was hij 64 jaar. Na zijn overlijden werd de molen ‘De Hoop’ verkocht aan Cornelis Roos. 

Anthonie van Lith (1848-1934)  was burgemeester van Uitgeest van 1901 tot 1925.

Burgemeester Anthonie van Lith. Uitgeest, 1910.
Beschermheer fanfarecorps “Onderlinge Oefening”.

De Commissaris der Koningin gaf in zijn voordracht voor een nieuwe burgemeester de voorkeur aan de 53-jarige wethouder Anthonie van Lith en schreef in zijn voordracht aan de Minister van Binnenlandse Zaken: ‘Hij (Anthonie van Lith) schijnt een eenvoudig, rechtschapen man, behoort tot een burgemeestersfamilie in Uitgeest en is algemeen geacht en gezien. De predikant, de dokter en het hoofd der school en andere autoriteiten en 7/8 deel van de Uitgeestenaren zouden zijn benoeming toejuichen’. Voorts schreef hij dat in Uitgeest een boerenpartij en een zogenoemde burgerpartij bestond. Een andere kandidaat voor het burgemeesterschap, Jan van Nienes, zoon van de oud-burgemeester Anthonie van Nienes, was penningmeester van diverse polderbesturen in Uitgeest en behoorde tot de boerenpartij. De benoeming van Jan van Nienes zou deze boerenpartij te veel invloed geven. De aanbeveling van Anthonie van Lith door de Commissaris werd door de Minister overgenomen en hij werd bij Koninklijk Besluit tot burgemeester benoemd. 
Anthonie van Lith die op 15 oktober 1848 werd geboren, was de zoon van burgemeester Adrianus van Lith en Barbara van Lith. Hij trouwde in 1875 met zijn nichtje Maria Catharina van der Laan. Haar moeder was, evenals zijn moeder, een dochter van de burgemeester van Bennebroek Jan van Lith. Zij kregen twee zoons en een zwakzinnige dochter. Evenals zijn voorouders woonde Van Lith aan het Hoorne nr. 6-8. 

Van Lith maakte in zijn eerste gemeentelijke jaarverslag melding van nieuwe fabrieken: de kaasfabriek van Blokker, de kaasstremselfabriek van Visser, de Hollandse melksuikerfabriek (opgericht in 1897) en twee vogelkooienfabrieken, één van K. Zonjee en één van W. van der Eng en W. Rozenmeijer. Aan de Langebuurt werd in 1912 een rooms-katholieke school gebouwd. Twee jaar later werd de openbare lagere school geheel verbouwd. In 1916 besloot de gemeente haar medewerking te verlenen aan de oprichting van de waterleidingmaatschappij ‘Midden Noord-Holland’, waarvan het hoofdkantoor in Purmerend werd gevestigd. In datzelfde jaar schakelde de koekfabriek van A.L. Starreveld over van stoom op elektriciteit. De gemeente had een raadhuis nodig en kocht in december 1917 voor 8000,– de villa van de familie Brasser aan de Middelweg. Na de verbouwing kwam ook een burgemeesterskamer beschikbaar, maar Van Lith maakte hier geen gebruik van. Net als zijn voorgangers ontving hij zijn dorpsgenoten in zijn woonhuis. Door een subsidie van de gemeente kon de kruisvereniging ‘het Witte Kruis’ voor het eerst een wijkverpleegkundige aanstellen. Het gemeentebestuur gaf de woningbouwvereniging ‘Goed wonen’ een subsidie voor de bouw van 25 woningen en besloot tot de aanleg van een elektriciteitsnet in de gemeente. Ook in 1920 kreeg de woningbouwvereniging steun van de gemeente. 

Naast burgemeester was Anthonie van Lith voorzitter van de kruisvereniging ‘het Witte Kruis’, erevoorzitter van de toneelvereniging ‘Vondel’ en directeur van de Boerenleenbank. In 1923 verkocht hij het huis aan het Hoorne samen met zijn bedrijf aan de timmerman Hermanus Rookhuizen. Het huis was al van voor 1832 familiebezit. Met zijn vrouw en dochter verhuisde hij naar een woning op de Middelweg, ten noorden van het postkantoor. 

Van Lith was al 77 jaar oud, toen hij in 1925 ontslag nam als burgemeester. Vijf jaar later overleed zijn vrouw. In oktober 1931 verliet hij Uitgeest en ging hij met zijn zwakzinnige dochter Sientje bij zijn oudste zoon in Castricum wonen. Deze zoon, Adriaan Herman, was bloemenkweker. Zijn andere zoon Pieter Adriaan was werkzaam als scheikundige in Nederlands Indië. In 1932 stierf zijn dochter. Twee jaar later stierf Anthonie van Lith, 85 jaar oud, in Castricum. Hij werd op het openbare kerkhof van Uitgeest in het familiegraf begraven. 

Zo kwam er een einde aan de meer dan honderd jaar bestaande familieregering van Van Lith, die in 1817 alleen onderbroken werd door de benoeming van Gerrit Muntjewerff.

Jan van Lith (Uitgeest 1789- Bennebroek 1862, zoon van burgemeester Jan van Lith (1750-1831), getrouwd met Cornelia Jongebreur) was burgemeester van Bennebroek van 1838-1853.
Deze Jan van Lith jr. (broer van o.a. Janetta Margarethe, Barbara Maria en Maria Catharina van Lith) was getrouwd met Maria Catharina van Alkemade. Zij waren mijn betovergrootouders.

In het boekje De tijden veranderen: burgemeesters van Heemstede en Bennebroek 1811-1997 (2003), schrijft Annabella Middens-Van Borsele over Jan van Lith:

Als opvolger van burgemeester Gerlings in Bennebroek benoemde koning Willem I Jan van Lith. Eind december 1811 stond Jan van Lith, hij was 22 jaar, als jongste kandidaat op de lijst voor een post van ‘maire’, adjunct-maire en municipale raad (gemeenteraadslid). De helft van de 24 kandidaten was tussen de 40 en 60 jaar.  Hij huwde de dochter van Jan van Alkemade, die schout en schepen was geweest, en vestigde zich in dat jaar in Bennebroek. Pas in 1837 werd hij raadslid en wethouder van Bennebroek. Bij Koninklijk Besluit van 13 januari 1838 werd hij tot burgemeester benoemd.

Jan trouwde met Maria Catharina van Alkemade, die in 1790 in Bennebroek geboren was. Hij was een welgestelde burger. Hij behoorde tot de hoogst aangeslagenen op de lijst van belastingbetalers in Bennebroek.  Hij bezat in 1851 naast de hofstede Bosch en Berg, nog vier huizen aan de Bennebroekerlaan en acht huizen, waarvan één met een timmerwinkel aan de Reek, toen Roohellerzandvaart geheten. Daarnaast bezat hij nog weilanden, een huis met timmerwinkel in Haarlem en de herberg de Groenewoud te Haarlem. Zelf woonde hij met zijn gezin op de Reek. Totaal bezaten hij en zijn vrouw ruim ƒ 62.000. 

In 1853 hadden de gewijzigde regels voor plattelandsbesturen tot gevolg dat Jan van Lith eervol ontslagen werd als burgemeester/gemeentesecretaris. Gemeenten met een laag aantal inwoners mochten geen eigen burgemeester meer hebben. Bennebroek telde 465 inwoners en dat was te weinig. Het bestuur van de gemeente droeg koning Willem III op aan de burgemeester van Heemstede. Jan van Lith schreef aan de gouverneur in Noord-Holland zeer summiere jaarverslagen. De gouverneur schreef aan Jan van Lith dat het hem leed deed dat hij niet langer zijn ambt mocht uitoefenen, aangezien hij over zijn optreden ‘zich nimmer te beklagen had’.

Naast burgemeester was hij van 1829 tot 1861 kerkvoogd van de Nederlands Hervormde kerk te Bennebroek. Na zijn burgemeesterschap werd hij in 1856 bestuurslid van de Bennebroekerpolder. Deze functie vervulde hij tot aan zijn dood in 1862. Hij, zijn vrouw en een aantal dochters werden begraven in een graf op het kerkhof van de Nederlands Hervormde kerk te Bennebroek. Helaas is dat geruimd.

Hieronder volgen nu enkele namen van voorouders uit de familie van Alkemade die door het huwelijk van mijn overgrootouders zijn gekoppeld aan de familie Van Lith. Vet gemaakt zijn voornamen naar wie mijn grootvader (Johan Carel Willem Amse), mijn oud-tante (Barbara Maria Amse), mijn moeder (Maria Catharina Jeanette Amse) en mijn oom (Johan Carel Amse) zijn vernoemd.

Maria Catharina van Alkemade (Bennebroek ca. 1790 – Bennebroek 31 dec. 1849), dochter van Jan van Alkemade en Anna Catharina van Alkemade, vrouw van Jan van Lith en moeder van Jan, Janetta Margaretha en Barbera Maria van Lith.

Janetta Margaretha van Lith (Heemstede 21 september 1816 – Heemstede 24 november 1875), dochter van  Jan van Lith en  Maria Catharina van Alkemade,  vrouw van Johan Carel Munk (Heemstede 1828 – Heemstede1875) en moeder van o.a. Maria Catharina van Alkemade Munk (Heemstede 1851- Heemstede 1881) en Jan Johan Carel Munk.

Barbera Maria van Lith (Bennebroek 9 september 1818 – Uitgeest 30 augustus 1885), dochter van Jan van Lith en Maria Catharina van Alkemade, vrouw van Adrianus van Lith en moeder van Anthonie van Lith en Adrianus van Lith; zuster van o.a. Janetta Margaretha van Lith.

Huwelijksadvertentie van overgrootouders Willem Amse en Maria Catharina van Alkemade Munk

Maria Catharina van Alkemade Munk (Heemstede 8 april 1851 – Heemstede 15 juli 1881), dochter van Janetta Margaretha van Lith en Johan Carel Munk, vrouw van kamerbehanger en zadelmaker Willem Amse (*Heemstede 25-12-1851, met de noorderzon vertrokken 29-03-1882 en overleden te Zwolle 1900 als echtgenoot van Johanna Elisabeth Giebkes) en moeder van Barbara Maria Amse, Johan Carel Willem Amse (*Heemstede 8 juli 1877) en Willem Frederik Amse (overl.16-04-1880), zuster van o.a. Jan Johan Carel Munk en Gerrit Munk.

Hier komt de vader (Willem) van mijn grootvader (Johan Carel Willem) Amse in beeld.

Op de website van Hans Krol is te lezen dat J.W.G. van Doorn uitzocht hoe het zat met de twee buitenverblijfjes onder één dak, ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht’, die eens in het bezit waren van betovergrootvader W.F. Amse:

Het zijn twee aparte percelen, compleet gescheiden zoals ook aan het pleisterwerk duidelijk te zien is. In 1698 bouwde de uit Leidschendam afkomstige timmerman Huibert van Meurs op de hoek van de Herenweg en het Koediefsvaartje, op erfpachtgrond van het Elizabeths of Grote gasthuis te Haarlem zijn woonhuis en timmermanswerkplaats. (…). In 1850 werden Welgelegen en Weg- en Landzicht “met derzelver herenhuizingen, tuinen en beplantingen nevens de hofstede Kennemeroord aan de Heren- of Straatweg op de hoek van de Koediefslaan, met de koepel in deze laan, behorende tot Weg-  en Landzicht”, verkocht aan de zadelmaker/kamerbehanger Willem Frederik Amse [*15/01/1823 – 25/06/1852], die hier, zoals in latere akten wordt beschreven “na enige vertimmeringen en veranderingen” zijn zadelmakerswinkel begon.’ (…)

Na het overlijden van Willem Amse sr. te Meppel (de vader van Willem Frederik Amse) hebben de erven in 1859 Welgelegen, met erf en tuin, en de oorspronkelijk bij Weg- en Landzicht behorende koepel verkocht aan Cornelis van Lennep, burgemeester van Heemstede. Weg- en Landzicht, met bijbehorende zadelmakerswinkel, schuur en bleekveld was bij legaat toegewezen aan de inmiddels negen jaar oude Willem Amse jr., de zoon van Willem Frederik Amse (overl. 25 juni 1852) en Barbara Maria de Man (overl. 3 januari 1852), die eenmaal meerderjarig (25-12-1874) de Zadelmakers-, Kamerbehangers- (en Bloemschiders)-Affaire te Heemstede van zijn vader overnam.

Complex Land- en Veldzicht / Welgelegen, met annexen koepel en winkel, 2020.
V.l.n.r. aan Koediefslaan tuinkoepel (wit); winkel; Weg- en Landzicht; Welgelegen (witte huis aan Herenweg); tuinmuur en tuin achter dit hele complex
Koediefslaan met v.l.n.r koepel, winkel en Huis Weg- en Landzicht, met daarachter gelegen tuin, 2020.
Huis Welgelegen (het witte huis) aan Herenweg 142 en rechts deel van de tuinmuur en toegangspoort, 2020.
Weg- en Landzicht. Koediefslaan 117 / hoek Herenweg Heemstede, 2020.

Willem jr. trouwde in 1875 met Maria Catharina Van Alkemade Munk, kreeg een dochter en een zoon, mijn grootvader Johan Carel Willem (*1877) en werd vroeg (15 juli 1881) weduwnaar. Toen Willem meerderjarig was (25-12-1874) heeft hij de Kamerbehangers- en Zadekmakersaffaire ‘de Erve W.F. Amse’ van zijn vader voortgezet, maar na vijf jaar is dat op een mislukking uitgelopenen, zodat deze per 1 sept. 1879 werd beëindigd (zie aankondiging notaris Dolleman) en overgenomen door Johannes Bartholomeus van Gaart (1824-1893) die volgens onderstaand krantenartikel vanaf 1848 als zadelmakersknecht in dienst kwam (niet zoals in onderstaand krantenartikel staat de zaak heeft overgenomen van Amsing [= Amse], dat gebeurde pas in 1879) en vervolgens als meesterknecht / bedrijfsleider aan het bedrijf verbonden werd. 

Artikeltje over het familiebedrijf J.B. van Gaart te Heemstede. De Heemstede 20-11-1996.
J.B. van Gaart is in 1848 begonnen als zadelmakersknecht in de Kamerbehangers- en Zadelmakersaffaire bij W.F. Amse
Aankondiging van beëindiging van de Kamerbehangers- en Zadelmakersaffaire Firma ‘de Erve W.F. Amse’.
Ontbonden 1 september 1879. Nieuwe eigenaar J.B. van Gaart

Mijn grootvader (* 8-07-1877) en zijn zusje Barbara kwamen als wezen (moeder overleden en vader in 1882 vertrokken naar Amsterdam, nooit meer teruggekeerd en in 1900 te Zwolle overleden) op 15 november 1883 onder voogdij te staan van hun oom Jan J. C. Munk. Van 12 dec. 1881 tot 15 nov. 1883 werden Johan en zusje Barbara in huis opgenomen bij de fam. Cornelis Westbroek in Utrecht. Deze familie woonde op Maliebaan 74.

Na die Utrechtse periode woonden zij bij Oom Jan op de Koninginneweg in Haarlem.

Tenslotte nog de situatie van de huizen ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht’ op de kadasterkaart uit ca. 1818. Ruim 30 jaar later kocht Willem Frederik Amse dit complex.

Kadasterkaart Heemstede detail, ca. 1818. Hoek Herenweg / Koediefslaan. Noorden boven.
Ten zuiden van het complex ‘Welgelegen’ en ‘Weg- en Landzicht ligt de buitenplaats Kennemer Oord.
De volgende nummers betreffen eigendom van Hermanus Rahusen uit Amsterdam (ook eigenaar van Kennemer Oord).
195 Tuin; 196 Huis ‘Welgelegen’, erf, koepel; 197 Koetshuis; 198 Boomgaard.
De koepel staat bij de ‘f’ van Koedief. West daarvan is na 1818 ‘Weg- en Landzicht’ gebouwd.

De Opkomst van Badplaatsen in Nederland

Mijn vader had voor zijn gezin een vakantieplan uitgestippeld voor de jaren 1946 tot 1953, mijn Lagere School-periode. Dit plan heette ‘Vakantie langs de Nederlandse Kust’ en deed ieder jaar een strand-vakantieplaats aan in een van de kustprovincies, Friesland, NH, ZH, Zeeland. Hij hield niet van mondaine toeristische badplaatsen, maar zocht altijd een vakantiehuis enerzijds in de buurt van het strand en anderzijds dichtbij een natuurreservaat. Zo gingen we naar Vlieland (dichtbij De Vliehors); Schoorl (bij NH-Duinreservaat/vooral niet het mondaine Bergen aan Zee ); Katwijk (vooral niet Noordwijk); Ouddorp (bij De Kwade Hoek/Goeree); Westenschouwen (bij de Domaniale Bossen/vooral niet Renesse); Oostkapelle (bij De Manteling/vooral niet Domburg) en Cadzand (bij Het Zwin/vooral niet Knokke), om te eindigen in Oostvoorne op Voorne-Putten (dichtbij de Natuurreservaten De Beer en Voorne’s Duin), waar we jaren zijn gebleven. Onlangs kwam ik een strandfoto van mijn grootouders (van moeders zijde) tegen (ca. 1920), die een heel ander strandleven laat zien dan ik met mijn vader en moeder beleefde. Met die foto en aangevuld met foto’s en documentatie uit de Afdeling Speciale Collecties / Library WUR, stelde ik een kort overzicht van de opkomst van badplaatsen in Nederland samen.

C. Elandt. Aanleg Scheveningse Zeestraat. Ca. 1666. Coll. Library WUR

Van 1653 tot 1655 werd naar ontwerp van Constantijn Huygens de Scheveningse Zeestraat tussen Den Haag en Scheveningen aangelegd. Dit leidde in de 19de eeuw tot de opkomst van de eerste badplaats in Nederland, Scheveningen Bad.

Het Tolhek aan het begin van de Scheveningseweg in Den Haag. Coll. Library WUR

In de jaren twintig van de 19de eeuw kwam Zandvoort op als kuuroord aan zee. Het nemen van een bad in zee werd zeer goed voor de gezondheid geacht, evenals de frisse zeelucht, het wandelen langs het strand, het genieten van het schouwspel van de branding en de mooie luchten. Het water en het strandleven deden mensen goed en deden zorgen vergeten. Men raakte er van doordrongen dat baden en frisse zeelucht heilzaam waren voor de fysieke en geestelijke gezondheid. Langzaam aan ontwikkelde zich in Nederland het vakantie-strandleven met alles wat daarbij hoorde: een boulevard, hotels, restaurants, een casino, een kurhaus (met een staf van ‘verplegend personeel’), een villapark, en voor de minder bedeelde dagjesmensen de typische strandactiviteiten als paardje rijden, schelpen zoeken, zandkastelen bouwen en balspelen.

Zandvoort, . Links op de boulevard Hotel d’Orange. Ca. 1900. Badstoelen en badtentjes

In de tweede helft van de 19de eeuw groeiden ook andere plaatsen langs de Nederlandse kust uit tot badplaatsen: Bergen aan Zee, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee, Domburg aan Zee. Eerst werd een weg naar zee aangelegd en vervolgens een boulevard met hotels. Een villapark in de duinen completeerde het geheel. Een tram- of spoorlijn vergemakkelijkte natuurlijk de reis vanuit het binnenland aanzienlijk, zoals de aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Zandvoort (1881) en de tramlijn van Haarlem naar Zandvoort(1897). De aanleg van de tram vanuit Amsterdam (1905) was het begin van het dagtoerisme in Zandvoort, terwijl deze plaats eerder juist bekend stond als exclusieve badplaats voor de elite. De bekendste gast in Zandvoort was keizerin Elisabeth van Oostenrijk-Hongarije (Sissy). Zij verbleef in 1884 enkele weken in Hotel Kaufmann (het latere Hotel d’Orange, zie foto hieronder).

Zandvoort, Hotel d’Orange. Eind 19de eeuw
Zandvoort, ca. 1920. Mijn grootouders Amse met hun kinderen op het strand. (V.l.n.r.) mijn moeder Mies, Johan en Conrad. Achter de badstoelen is het wiel van een badkoets te zien en achter de rechter stoel een bad-verzorgster.
Noordwijk. D. Wattez, ontwerp villapark in de duinen van Noordwijk, 1883. Coll. Library WUR

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1883 werd de ‘Maatschappij Noordwijk tot exploitatie van Duingronden’ opgericht. Deze verwierf een groot duinterrein aan de zuidzijde van Noordwijk in eigendom om hier een villawijk te bouwen. Voor het ontwerp van deze wijk werd de tuinarchitect D. Wattez uit Bussum aangetrokken.

Zijn plan voorzag in de aanleg van een ruim 1200 meter lange, rechte boulevard langs het strand met hierachter ruim opgezette slingerende wegen waaraan de ruime bouwkavels kwamen te liggen. Reeds in maart 1883 werd met de uitvoering begonnen. In het centrum van de wijk lag een ruime weide met een kunstmatig gevormde duinkloof. Hieroverheen werd een rustieke brug gelegd, die echter na veertien jaar al instortte, waarna men de kloof dichtte. Geheel volgens de romantische idealen werden ook in het park een hertenkamp en een ‘laiterie’ of melkhuis aangelegd, die bijdroegen aan het ideaal van een ‘landelijke’ omgeving. Na de aanleg van de wegen werden in hoog tempo fraaie villa’s gebouwd. De oorspronkelijke opzet van de wijk is nog steeds goed herkenbaar in het karakteristieke verloop van de wegen en de ruime percelen, waarop de huizen omringd door veel groen staan”.

Zeeweg van Bergen naar Bergen aan Zee. Ontwerp L.A. Springer, 1906. Prentbriefkaart

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1906 werd door de tuinarchitect L.A. Springer de Zeeweg tussen Bergen en Bergen aan Zee aangelegd. Springer maakte in 1907 ook een ontwerp voor villapark Parnassia in Bergen aan Zee. Het oorspronkelijke plan dat Springer indiende, omvatte terreinen aan beide zijden van een rangeerterrein dat het eindpunt zou gaan vormen van de geplande stoomtram naar Bergen aan Zee. Tegenover het station zouden een café, een pension en een hotel worden gebouwd. De twee duinwandelparken, die Springer hieromheen ontwierp, zouden omgeven worden door villa’s of zomerhuizen, zodat er een echte badplaats tot stand kon komen. De opdrachtgever voor dit alles was het echtpaar Jacob van Reenen-Völter, dat het welzijn van de gemeente Bergen hoog in zijn vaandel had staan. Maar het ontwerp van Springer werd niet uitgevoerd.

Bergen aan Zee. Ontwerp Parnassia villapark door L.A. Springer, 1907. Niet uitgevoerd. Coll. Library WUR

In 1911 kwam er een heel ander wandelpark tot stand, waarschijnlijk naar de ideeën van mevrouw Marie A.D. van Reenen-Völter. Dit gerealiseerde park, met een symmetrische opzet, was aangelegd langs een middenas waarop drie cirkelvormige terreinen de concentratiepunten voor bezoekers vormden. In 1911 betrad men via een brede middentrap de duinvallei en kwam men in het eerste rondeel. Het centrum hiervan werd gevormd door een zeventiende-eeuwse vaas, geplaatst op een grasperk met rondom zitbanken.

Bergen, Parnassiapark, ca. 1920, waarschijnlijk naar ontwerp van Marie A.D. van Reenen-Völter. Prentbriefkaar .

Langs de hoofdas verder wandelend bereikte men, tussen de duinen door, het volgende rondeel met in dit geval een in het centrum geplaatste zonnewijzer. In deze ruimte stond ook de muziektent. Verdergaand langs de as liep men opnieuw tussen duinen door en bereikte men een derde groot gazon, omgeven door acht kleinere en versierd met een fontein. Naast deze wandelmogelijkheden zien we ook een speelveld en een stukje natuurlijk bos. De bermen van de wegen waren voorzien van een brede strook schelpen en alle wegen waren belegd met in eigen beheer vervaardigd kalkzandstenen plaveisel, dit alles om het stuiven van het duinzand tegen te gaan. In 1914 werd er op het terrein een botanische tuin aangelegd en een duinmuseum gebouwd. Deze situatie heeft bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog.

In 1953 werd het Parnassipark in Bergen aan Zee , met uitzondering van de tennisbanen, door de gemeente aangekocht en opnieuw ingeplant. Ook werden de paden en het museum opgeknapt. Het park beleefde een korte opbloei, die al spoedig door een periode van neergang werd gevolgd. In 1967 deed men nogmaals een poging het park te redden en werd op de plaats van het derde rondeel een dierenparkje ingericht, terwijl de eendenvijver een nieuwe bevolking kreeg. Dit naoorlogse herstel heeft echter niet meer geleid tot de luister ten tijde van het echtpaar Van Reenen. Wel is er een typerende duinbeplanting aanwezig met onder andere duinroos en duindoorn en de zeldzame Parnassia waarnaar het park is genoemd.”

Natuurreservaat Het Zwanenwater tussen Callantsoog en Petten.

En natuurlijk kennen we nu veel meer Nederlandse badplaatsen, waar uitgestrekte stranden zijn en het prima toeven is. Naast Texel en Vlieland zijn de eilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog veel meer toeristen gaan trekken in de loop van de 20ste eeuw, om nog maar te zwijgen van de stranden van Callants-oog, Petten, Egmond, Castricum, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Kijkduin, Hoek van Holland, Rockanje en Vrouwenpolder, alle nu zeer aantrekkelijke vakantie-oorden.

Laurens Vogelesang (1846-1929) en Oranje

Komende zomer ga ik een studiereis maken naar Thüringen met de Geschiedkundige Vereniging Oranje Nassau. Het thema van de reis is ‘Sterke vrouwen van Nassau’. Centraal staat Juliana van Stolberg (1506-1580), geboren op Schloss Stolberg en stammoeder van het Huis Oranje-Nassau. We schenken onze aandacht aan vier dochters van Juliana van Stolberg en eveneens aan een dochter en een zuster van Willem van Oranje; aan een dochter van graaf Jan de Oude; aan de vier zusters van Solms, kleindochters van de zusters van Willem van Oranje; aan Koningin Wilhelmina en het Schloss Schwarzburg waar de eerste ontmoeting plaats vond tussen Wilhelmina en Prins Hendrik van Mecklenburg; en tenslotte aan een tante van Prins Hendrik en aan de vrouw van de Graaf van Hoorne. De namen van al deze vorsten laat ik maar even achterwege. Ik zal ze na de reis vrees ik grotendeels ook weer vergeten.

Deze voorgenomen reis doet mij terugdenken aan mijn Oranjegezinde overgrootvader Laurens Vogelesang.

Titelafbeelding van tijdschrift De Prins der Geïllustreerde Bladen, 5 september 1908

Hij zou geen moeite hebben gehad met het herkennen en onthouden van al die ‘sterke vrouwen uit het Huis van Nassau’. Hij was een kenner. Dit kwam o.a. tot uiting door een boekje dat hij schreef, getiteld: Waarom wij voor het Huis van Oranje zijn, uitgegeven door de Amsterdamsche Christelijke Oranjevereeniging, nr. 33, (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 23 October 1907); en door zijn abonnement op tijdschrift De Prins der Geïllustreerde Bladen (afgekort De Prins, nr. 1 uitgegeven in 1901). Aan hem werd zelfs even aandacht besteed in dit tijdschrift, in Jg.4, nr.5 (1905), ter herinnering aan zijn 40-jarige onderwijzers-loopbaan.

Laurens Vogelesang, Amsterdam. 1846-1929

Laurens was dus van beroep (hoofd)onderwijzer, achtereenvolgens in Den Haag, van 1865-1874; in Heemstede, op de Bijzondere Protestantse School, tegenwoordig genaamd Nicolaas Beetsschool genoemd, van 1874-1886; in Bolsward op de Christelijke Nationale School (CNS) van 1886-1890 en tenslotte in Amsterdam van 1890 – 1911 (het jaar van zijn pensionering), als hoofd van de Koningin Emmaschool, op de Passeerdersgracht.
Hij werd in Den Haag geboren als zoon van Jacobus Vogelezang (deze keer met een ‘z’ geschreven) en Carolina Sophia Rompel, mijn betovergrootmoeder, van wie ik mijn voornamen heb geërfd. Ongetwijfeld een sterke vrouw, de grootmoeder van mijn grootmoeder. Met míjn kennis van de ‘sterke vrouwen van Nassau’ is het echter slecht gesteld tot heden. Wie weet brengt het reisje naar Thüringen daar toch verandering in.

Natuurdruk van Jacob Maris, 1870?

Boeketje rozen. Natuurdruk van J.H. Maris (?), 1870
(vergroot afbeelding om signatie goed te zien)

Dit is een natuurdruk gesigneerd door J.H. Maris en gedateerd 1870. Deze voorletters kunnen Jacobus Hendricus betekenen, de volledige naam van de schilder Jacob Maris (1837-1899) òf Johanna Hendrika Maris (1841-1924), de zuster van Jacob, gehuwd met de Fransman F. Troussard (inspecteur van de Parijse Gasmaatschappij) òf Johanna Hendrika Maris (1852-1924), de nicht van Jacob, gehuwd met Laurens Vogelesang, onze (bet)overgrootmoeder. Jacob werd genoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, Jacobus Hendrikus Bloemert.

Jacob Maris was de neef van onze (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris. Door deze familie-relatie beschikken wij over een aantal van deze natuurdrukken. De vader van de gebroeders Maris (Mattheus) en zijn broer (Johannes) waren beiden (meester)drukker bij boekdrukkerij Fuhri in Den Haag en hun kinderen konden om die reden waarschijnlijk gemakkelijk met een drukpers experimenteren. Vergelijkend signatie-onderzoek zal moeten uitwijzen of deze natuurdrukken nu van de hand van Jacob of van zijn zuster of nicht blijken te zijn. Mogelijk waren deze kunstwerkjes bedoeld als een cadeautje van Jacob aan zijn nicht Johanna Hendrika omdat zij voor het schilderij dat later bekend werd onder de titel ‘Breistertje op balkon in Montmartre’ (1869) model had gestaan (zoek elders in Berichten onder Breistertje).

picturalisme in de fotografie

FOTOGRAFIE WORDT KUNST is de titel van een nieuwe tentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag (Stadhouderskade 43, naast het Gemeentemuseum). Duur t/m 8 december.

Voorbeeld van een ‘picturalistische’ kunstfoto: Achtergrond Vredespaleis. Coll. Fotomuseum Den Haag

De tekst die het museum op Internet erbij levert legt uit wat Picturalisme in de fotografie betekent en waar het vandaan komt: “Al snel na de uitvinding van de fotografie in de 19e eeuw ontstaat bij de fotografen de drang om niet slechts de werkelijkheid vast te leggen, maar de concurrentie aan te gaan met de beeldende kunst. In Nederland nemen de zogenaamde picturalisten de thematiek en composities over van de schilderkunst. Zij keken zowel naar de zeventiende-eeuwse genrekunst als naar de landschappen van de Haagse School. Het is dit picturalisme waartegen Piet Zwart zich later met zijn Nieuwe Fotografie afzet. Maar de scheidslijn tussen de beide stromingen in Nederland is niet zo scherp als lang wordt gedacht. De typische kenmerken van de Nieuwe Fotografie, zoals verrassende uitsnedes, geometrische composities en bewegingsonscherpte werden al eerder door kunstfotografen toegepast. De tentoonstelling Fotografie wordt Kunst. Photo-Secession in Holland vertelt het verhaal van deze vroege Nederlandse kunstfotografie en laat zien dat het onderscheid tussen picturalisme en Nieuwe Fotografie geen harde grens is, maar een graduele overgang.”

De aankondiging van deze tentoonstelling maakte bij mij een gevoel van vertrouwdheid wakker. Het geval wil dat een van de hobbies van mijn vader (Jan Ebbers jr. 1906-1977) was fotograferen, liefst geen kiekjes, ook al werd hij door de familie daar juist toe aangespoord, maar kunstfoto’s. Hij heeft er niet veel gemaakt, want hij werd al gauw te veel in beslag genomen door zijn andere hobbies, zoals botanie en ornithologie, oftewel planten verzamelen (in zijn botaniseer-trommel) en vogels spotten, vaak in een bootje op een van de plassen rond Amsterdam (Loosdrechtse Plassen, Maarsseveense Plassen, Vinkeveen, Kortenhoef, Naardermeer, Nieuwe Meer).

Jan op de fiets op weg naar Loosdrecht/Maarsseveen. Fotograaf onbekend, Ca. 1930
Blikken Botaniseertrommel om verzamelde planten mee naar huis te nemen voor onderzoek

Een foto-album (aangeschaft bij zijn fotozaak DE AMATEUR, P.C. Hooftstraat 66, Amsterdam) bevat naast de familie-kiekjes 10 geselecteerde kunstfoto’s, waar hij bijzonder trots op moet zijn geweest. Waarom? Omdat, als je goed kijkt, al deze foto’s op de hoeken punaise-gaatjes vertonen en hij ze dus waarschijnlijk thuis aanvankelijk ergens had tentoongesteld.

Hieronder volgen eerst de 10 geselecteerde landschapsfoto’s. Ik heb ze niet bewerkt en ik houd de volgorde aan zoals ze in het album zijn ingeplakt. Schrik niet, het lijkt soms of ze een beetje bewogen zijn, maar het beeld moet juist een beetje impressionistisch lijken.

1. Plassen-landschap met boerderij, 2 hooimijten en bruggetje. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
2. Paard in weiland. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Jan Ebbers werkte later (vqnqf 1945) bij een Paarden- en Rundvee-Verzekeringsmaatschappij. Was dit een voorbode, liefde voor paarden en koeien? Zie ook volgende foto. Bovenaan foto de punaise-gaatjes
3. Zondagochtend bij Maarsseveen. Dit is de enige foto met ondertiteling. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie opmerking bij vorige foto
4. Vondelpark Amsterdam? Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie op de vier hoeken de punaise-gaatjes
5. Melkbussen op een steiger. Kortenhoef? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
6. Steigertje aan grote plas. Loosdrecht? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
7. Waterkant aan grote plas. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie ook hier de punaise-gaatjes
8. Koeien weiden aan een plas. Molen op de achtergrond. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
9. Gezicht over riet en waterlelies. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
10. Waterranonkel of Ranunculus aquatilis. Foto Jan Ebbers, ca. 1930

Welke foto vind ik nu de mooiste? Moeilijk kiezen. De meest impressionistische is misschien nr. 8, Koeien weiden aan een plas. Ook nr. 3 Zondagochtend bij Maarsseveen geeft door de afdruk in chamois een impressionistisch dromerig beeld. Ik moet bij deze koeienfoto’s ook direct aan Willem Maris denken, een oudoom van mijn vader.

Het moge duidelijk zijn, Jan Ebbers was meer een romanticus en een dromer dan een realist. Iedere keer een wonder dat iemands karakter zo in de kunst tot uiting kan komen.

Tot slot 2 foto’s uit 1929 waar hij met dezelfde uitgangspunten mijn moeder (Maria Catharina Jeanette Amse, 1908-1978) heeft gefotografeerd. Deze foto’s zitten in een ander album en horen duidelijk niet tot de voorgaande landschapsreeks.

Maria C. J. Amse (21 jaar) in jurkje van Hirsch & Cie., haar lievelingswinkel? Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929
Maria C.J. Amse (21 jaar). Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929

Al met al een mooie serie foto’s die ik ontdekte dankzij de zojuist geopende fototentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag.

weer en wind; VROUWENPORTRETTEN; THE WHITE BLOUSE

NIEUWE TENTOONSTELLINGEN IN SINGER MUSEUM.

Het weer was vandaag (5 sept.) zeer geschikt voor een bezoek aan Tentoonstelling ‘Weer en Wind’ in het Singer Museum Laren. Dreigende luchten die de kleur van bloemen opstookten en temperden en die de bezoeker naar buiten lokten naar de tuin van Piet Oudolf en ook weer naar binnen riepen om de tentoonstellingen bij dit wisselende licht te bekijken. Hoewel wij het tuinontwerp van 1910, gemaakt door Leonard Springer, maar al te goed kennen en misschien ook wel liefst dat plan aangepast en gereconstrueerd hadden willen zien, omdat de eenheid tussen huis en tuin dan misschien scherper tot uiting was gekomen, constateren wij toch dat de tuin van Piet Oudolf zeer geslaagd is.

Beeldentuin Singer Museum. Beplantingsplan en ontwerp Piet Oudolf. Foto Carla Oldenburger

Eenmaal binnen bezochten we eerst de tentoonstelling ‘Weer en Wind’. Omdat er direct om 11 uur al veel bezoekers waren liep ik direct door naar de laatste zaal met tekeningen en grafisch werk. En daar ontmoette ik direct werk van Charles Donker, zo geliefd in onze familie. Zie hieronder de ets op de tentoonstelling en onze eigen ets waarvan we al heel veel jaren genieten,

Charles Donker. Landschap bij Rhijnauwen. April 2015. Ets. Pat. collectie. Foto Carla Oldenburger
Charles Donker. ‘Rhijnauwen met vogelnamen’ (in het Rijks-prentenkabinet aanwezig onder de titel Kromme Rijnlandschap, 1972). Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De tentoonstelling ‘Weer en Wind’ is opgebouwd in weertypen. Stormen op zee en land, opkomend onweer, dijkdoorbraken, noodweer dat onrust baart, besneeuwde landschappen, avondrood en poëtische mistbanken, vastgelegd door kunstenaars als Hendrick Avercamp, Jan van Goyen, Piet Mondriaan, George Hendrik Breitner, Hendrik Johannes Weissenbruch, Jan Sluijters, Maurits Cornelis Escher en Carel Willink. Kortom schitterende kunst, samen met gedichten uit de publicatie Weer en wind – 100 gedichten en 100 gezichten, samengesteld door Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Beeldende kunst en poëzie, wat een unieke combinatie! Wat de mooiste schilderijen zijn, is voor iedereen anders. Enkele die mij troffen heb ik gefotografeerd en beeld ik hieronder af.

Jan van Kessel (1641-1680). Het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal in de winter. Ca. 1655-1675. Links op de hoek staat nu Boekhandel Athenaeum. Amsterdam Museum. Foto Carla Oldenburger.

Opvallend op schilderij van Jan van Kessel hierboven is de houten boombescherming (rechts). Het onderwerp 17de eeuwse boombescherming komt ook ter sprake op de Cascade-weblog.

Dirk Nijland (1881-1955). Wilgen, 1941. Groninger Museum, bruikleen van het J.B. Scholtenfonds. Foto Carla Oldenburger

Zelf hebben we ook een landschapschildering met een dreigende lucht, zo bijzonder, vinden wij zelf, dat het best ook op deze tentoonstelling had gepast. Een landschap met wilgen en dreigende lucht. Het is een olieverf op doek van de schilder Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943) uit 1915. Hij was lid van Ver. St. Lukas in Amsterdam en heeft een paar maal in het Stedelijk Museum geëxposeerd. Onze grootvader / overgootvader Ebbers heeft dit schilderij waarschijnlijk op een veiling in Amsterdam gekocht.

Bartholomeus Boogaerdt ’t Hooft (1874- 1943). Landschap met wilgen en dreigende lucht. 1915. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger
Signatie kunstenaar Bartholomeus Bogaerdt ’t Hooft, 1915. Zie hierboven. Foto Carla Oldenburger

Na de tentoonstelling ‘Weer en Wind’ viel er nog heel veel meer te genieten, de tentoonstellingen ‘Vrouwenportretten’ en ‘The White Blouse’. De Vrouwenportretten die in deze tentoonstelling hangen zijn voor een deel verzameld door Anna Singer zelf. Alle portretten bevinden zich in de Singer Collectie, ze zijn gedateerd eind 19de eeuw tot eerste helft 20ste eeuw. U ontmoet karakteristieke vrouwen in felle kleuren, geschilderd door de “ultramodernen” Jan Sluijters, Leo Gestel en Kees van Dongen. Verder o.a. Isaac Israels, Albert Neuhuys, Carolus-Duran en Gustave Jean Jacquet.

Ik beeld hieronder een portret af van Isaac israels’ Vrouw op Parijs balkon’, vervaardigd tussen 1903-1934, gevolgd door een schilderij van Jacob Maris, dat ook een vrouw op balkon in Montmartre / Parijs voorstelt, namelijk onze eigen (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris (1852-1924), nicht van Jacob, die volgens de verhalen van mijn grootmoeder (dochter van Johanna Hendrika) hiervoor model heeft gestaan.

Isaac Israels. Vrouw op Parijs balkon, begin 20ste eeuw. Singer Collectie Laren. Foto Carla Oldenburger
Jacob Maris. Het Breistertje, of Vrouw op balkon in Parijs. 1869. Zijn nicht Johanna Hendrika Maris heeft hiervoor model gestaan. Collectie Kunstmuseum Den Haag. Foto Kunstmuseum Den Haag.

Ik eindig met een vrouwenportret uit onze eigen verzameling, dat ik heel graag nog eens nader onderzocht zou willen hebben, een vrouwenportret uit ca. 1870, schat ik. Ik vind dit zo mooi en verfijnd dat ik het graag aan onze lezers laat zien. Tot heden is de schilder onbekend, zo ook de geportretteerde vrouw. Ik denk dat ook dit schilderij, dat misschien al bijna 100 jaar in onze familie is, afkomstig is van een veiling in Amsterdam.

Schilder onbekend. Vrouwenportret van onbekende dame. Ca. 1870. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

De derde tentoonstelling die ik bezocht en die op zeer bijzondere wijze gekoppeld was aan de “Vrouwenportretten’, was ‘The White Blouse’. Bij het bewonderen van de ‘Vrouwenportretten’ zag ik al vanuit mijn ooghoeken het schilderij ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870) in de volgende zaal hangen. Dit schilderij van James McNeil Whistler (1834-1903) was in 1956 aan Singer Laren geschonken door Anna Singer-Brugh. Het was lang in het depot bewaard totdat enkele jaren geleden het ‘opnieuw ontdekt’ werd als een echte Whistler. Nu heeft dit schilderij uit ca, 1870 een centrale plaats gekregen temidden van 26 gefotografeerde dames en heren, alle kunstwerken van de fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier.

James McNeil Whistler. ‘Symphony in White’ / The girl in the Muslin Dress’ (ca. 1870). Singer Museum, Laren. Foto Carla Oldenburger

Zij fotografeerde sinds ca. 2010 dames (en later ook enkele heren en kinderen, o.a. Jenny Arean, Alexandra Radius en Toer van Schayk en onze eigen Juliet Oldenburger) in de witte kanten blouse (uit ca. 1920) van haar oudtante. De directeur van het Singer Museum selecteerde 26 foto’s uit een serie van 75, alle dames en heren in deze blouse. Het zijn zeer fijnzinnige portretten, die op onnavolgbare wijze eenvoud, rust en geluk uitstralen. Wilt u meer weten over deze gepassioneerde fotografe? Zie Agenda van Singer Laren en onze eigen aankondiging van tentoonstelling en bijbehorend boek met tekst van Titus M. Eliëns en foto’s van Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, fotografe met een schildersziel (ook engelse tekst).

the white blouse in 1870, 1920 en 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier wordt in aankondigingen van haar tentoonstellingen vaak een fotografe met een schildersziel genoemd. Haar verstilde portretten, mysterieuze interieurfoto’s, bijzondere stillevens en Amsterdamse wintergezichten (je denkt gauw aan Jacob Olie) trekken de aandacht van musea en galerieën. Haar analoge Hasselblad camera speelt de hoofdrol. Kunstlicht is uit den boze.

“Net als de zeventiende-eeuwse portretschilders speelt Marie-Jeanne met het zonlicht, dat door een raam op de geportretteerde neervalt. De pure eenvoud en eerlijkheid van de foto’s van Marie-Jeanne zijn een verademing binnen de wereld van de ‘kunstfotografie’. Gelijk haar leermeester Koos Breukel beheerst zij de kunst om het wezen van de geportretteerde bloot te leggen.” Jan Rudolph de Lorm, museumdirecteur.

Tentoonstelling The White Blouse in het Singer Museum Laren, 3 september 2019 t/m 5 januari 2020
Marie-Jeanne maakte de afgelopen jaren een serie van 75 portretten van vrouwen en mannen, volwassenen en kinderen, bekenden en onbekenden, allen gekleed in of met de ruim honderd jaar oude kanten blouse van haar oudtante. Voor de tentoonstelling in Singer heeft Jan-Rudolph de Lorm, directeur van het Singer Museum, 26 portretten van deze serie uitgekozen. Zij gaan een dialoog aan met het in 2015 hergewaardeerde schilderij van de Amerikaanse kunstschilder James McNeill Whistler Symphony in White. The Girl in the muslin Dress, uit ca. 1870. Natuurlijk, de techniek verschilt, de blouse uit 1870 is niet de blouse uit ca. 1920, natuurlijk is iedere uitdrukking op elk gezicht anders, maar het gevoel dat de foto’s bij u oproepen is misschien wel hetzelfde gevoel dat het schilderij bij u doet of juist helemaal niet?

Boek: The White Blouse
Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Waanders & de Kunst het rijk geïllustreerde boek The White Blouse, met teksten van T.M. Eliëns. Selectie van portretten door Jan-Rudolph de Lorm. Dit prachtige fotoboek is vanaf 15 september verkrijgbaar in de boekwinkel en in de Singer Shop (ISBN 978 94 6262 247 0). 

Hoewel ik het boek nog niet heb gezien, scheppen de foto’s op Internet hoge verwachtingen. En waarom een aankondiging op onze website? Omdat ik so wie so een fan ben van (bijna) alle tentoonstellingen die Singer maakt en bovendien omdat Juliet een van de 75 in het boek opgenomen geportretteerden is.

Naast deze tentoonstelling van The White Blouse-foto’s van Marie-Jeanne zijn er nog twee andere tentoonstellingen vanaf 3 september in het Singer Museum te bewonderen:

  • Weer en Wind. Avercamp tot Willink, over vier eeuwen extreem weer. Met publicatie Weer & Wind: 100 gedichten en 100 gezichten / Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard en Boudewijn Bakker. Hilversum, 2019.
  • Vrouwenportretten. Geen verdere details tot heden bekend, maar het onderwerp past natuurlijk wonderwel bij The White Blouse Portretten. Nadere gegevens volgen.