Categoriearchief: Familie

MIJN MOEDER DE VROUW en MIJN MOEDER DE MOEDER

DE MOEDER DE VROUW

(Thema Boekenweek 2019, 23 maart t/m 31 maart)

Mijn moeder de vrouw

Waar denk ik aan als het over dit onderwerp gaat? Wil ik boeken lezen over dit thema, of wil ik serieus nadenken over mijn eigen moeder en me afvragen wat ik dan zo waardeerde in haar. 

Mijn moeder was Maria Catharina Jeanette Amse, na haar huwelijk met mijn vader Ebbers-Amse genaamd. Zij was geboren in Amsterdam in 1908. Zij kwam uit een warm ouderwets gezin, vader huisschilder, moeder huisvrouw, een oudere en een jongere broer, die beiden na hun middelbare school kozen voor het verzekeringsvak. Mijn moeder werd boekhouder, werkte voor haar huwelijk bij het bekende bedrijf Lucas Bols, sinds eind 17de eeuw op de Rozengracht gevestigd. 

Maar na haar huwelijk (1932) werd mijn moeder, zoals alle gehuwde vrouwen, de dag na haar huwelijk ontslagen en handelingsonbekwaam verklaard (Burgerlijk Wetboek, 1838). 

Deze wet bleef van kracht tot 1 januari 1957. En uitgerekend in dat jaar kwam mijn grootvader, moeders vader,  bij ons inwonen omdat hij zelfstandig zijn leven niet meer op de rails kon houden. Hij overleed bij ons thuis in 1959.

Maar wat deed je dan zoal in die tijd als moeder overdag, zonder werk, zonder computer, maar ook zonder wasmachine en zonder ijskast?

Naast het huishouden en de zorg voor mijn vader en mij werkte mijn moeder vóór 1957 als vrijwilliger bij de UVV (Unie Vrouwelijke Vrijwilligers), opgericht in 1938 in Amsterdam. Mijn ouders verhuisden in december 1945 van Amsterdam naar Utrecht en kenden daar letterlijk niemand. Dus was lid worden van de UVV een manier om mensen te leren kennen en tegelijk bevredigend werk te doen. Moeder kwam terecht  in het Stadsarmenhuis in de Doelenstraat, dat qua naam overigens in 1931 was gewijzigd in Gemeentelijk Tehuis voor Ouden van Dagen. De locatie aan de Doelenstraat bleef bestaan tot 1958. Uit school komend ging ik mijn moeder wel eens opzoeken in dit hofje, dat in de Middeleeuwen een Begijnenhof was geweest. Oude dames (met witte mutsjes) zaten onder leiding van mijn moeder en andere dames te naaien, te breien en te handwerken. Wel komisch, want mijn moeder was in die tijd bepaald niet een ster in deze zaken. In de eerste klas van het gymnasium (1953/’54) deed ik mee aan een toneelstukje ‘Het Roverslied’ (Multatuli, Woutertje Pieterse) en toen bleek die functie van mijn moeder in dat Bejaardenhuis toch zeer handig. Voor de aankleding van het toneelstukje leende ik allerlei zwarte rokken en blouses en kousen en schoenen van de oude dames. En zij vonden het zeer interessant om op die wijze hun medewerking te verlenen.

In 1959 kon mijn moeder eindelijk 27 jaar na haar huwelijk haar beroep weer uitoefenen. Ze werd boekhouder bij Modemagazijn Gebr. Gerzon, gevestigd op de Oude Gracht te Utrecht. En ik heb het geweten. Een echte ‘uitzet’ (in mijn ‘verlovingstijd’ echt al uit de mode) zou ik krijgen, keuken-, kamer- en slaapkamer-linnen in overvloed en ik moest mijn hele schooltijd lang, wanneer er nieuwe kleren nodig waren, eerst kijken bij Gerzon. 

Bols en de UVV en Gerzon hebben haar geholpen een zelfstandige vrouw te worden, die zonder mijn vader, met haar nicht of een van haar vriendinnen ’s winters op wintersport ging en daarnaast altijd een fantastische huisvrouw en moeder is geweest. 

Naast haar werk (tot de verhuizing naar Cothen in 1971) en het huishouden had ze ook nog haar hobbies. Dat waren in Utrecht haar lidmaatschap van de Dr. Aletta Jacobs Rebekkahloge (Odd Fellows), piano spelen (Ans Witting, bekend van het Ans Witting Stipendium, was haar en mijn pianolerares) en declamatie (lerares?,  die op de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht woonde) en in Cothen handwerken en waardevolle postzegels verzamelen, omdat ze hiervoor het huis niet hoefde te verlaten en in de buurt van mijn zieke vader kon blijven. Daar was goed over nagedacht. 

Mijn moeder was een vrouw die veel in haar mars had, maar zich daar niet op liet voorstaan, die wachtte tot haar tijd zou aanbreken en absoluut niet op de voorgrond wilde treden. Haar vader (mijn grootvader) die via zijn moeder (Maria Catharina van Alkemade Munk) stamde uit een burgemeestersgeslacht (Van Lith, burgemeesters van Uitgeest, Heemstede/Bennebroek) had haar – streng als hij was- altijd bescheidenheid bijgebracht. Mijn vader beschikte gelukkig ook over die eigenschap.

Mijn moeder de moeder

Mijn moeder was een liefhebbende warme moeder. Ik was haar enige kind en dat feit heeft haar wel zorgen gebaard. Ze was niet bang dat ik de eenzaamheid niet aan kon, maar ze was wel bevreesd dat ik te beschermd zou worden opgevoed en te alleen in het leven zou komen te staan.

Om die reden werd ik van jongs af aan aangemoedigd om met andere kinderen om te gaan en veel vrienden te maken. 

Zo ging ik alle grote vakanties alleen een paar weken naar een boerderij in de Achterhoek. Met het boerenleven had ik al kennis gemaakt in de oorlog, toen mijn moeder mij in de hongerwinter op haar fiets met houten banden had weggebracht naar Dirkshorn bij Schagen. Daar kwamen we toevallig terecht bij een wildvreemde familie Duinkerken, waar ik tot na de bevrijding mocht wonen. Ik had het daar kennelijk erg naar mijn zin gehad want volgende jaren (mijn hele lagere schooltijd) werd ik weken lang uitbesteed op een boerderij, nu in Sinderen bij Varsseveld, van de familie Colenbrander. Het gezin bestond uit vader, moeder en vijf (?) kinderen, van wie ik veel geleerd heb: groenten en bessen plukken en schoonmaken, karnen, mennen, hooi opsteken, van de nokbalken in de hooiberg springen, op de deel wonen, honden en katten verzorgen etc. De mooiste ervaring was misschien wel zondags met de hele familie in de koets naar de kerk.  

Moeder en dochter Amsterdam, ca. 1944

Als de school weer begon in september, miste ik de kinderen en het heerlijke spannende boerenleven. Maar mijn moeder wist daar wel raad op. Op een keer (ik was net zeven) gingen we samen een tentoonstelling bezoeken in de Galeries Modernes. En daar was ook een heel groepje kabouters (de kleintjes van het Nederlands Padvindsters Gilde) aan het rondkijken onder leiding van Oehoe Moll van Charente. We hadden meteen goed contact en de volgende week mocht ik in het Vogelenbos (op de Weg naar Rhijnauwen) komen kijken. Het spelen in de natuur met andere kinderen trok me enorm en sindsdien stond ik iedere zaterdagmiddag met mijn fietsje op de hoek van de Prins Hendriklaan te wachten tot we naar dat bos zouden gaan. Na een tijdje kreeg onze hele groep onderdak in de kazematten op Fort Rhijnauwen, nog mooier en avontuurlijker natuurlijk dan het Vogelenbos; weer enige jaren later huisden we op Fort Lunetten III. Wat een voorrecht hier jaren te hebben mogen spelen, zeg ik nu.

Ook kinderen uit mijn klas (kleuteronderwijs Bilderdijkpark, Amsterdam, zie foto,

Bilderdijkschool in Bilderdijkpark, Amsterdam Oud-West

en Agatha Snellenschool, Utrecht) en (lager onderwijs Dompleinschool en Puntenburgschool, Utrecht) en kinderen uit de buurt werden vaak door mijn moeder uitgenodigd om bij ons thuis te komen, allemaal in het kader van ‘sociaal opgroeien is belangrijk’. We hadden kippen en konijnen en een spannende tuin, een grote zolder met een ping-pong tafel en een enorme veranda waar thee en limonade drinken bij warm weer een feest was. Eenmaal op het gymnasium was de hele klas altijd welkom voor klasse-avonden of een fuifje. 

Mijn moeder had van 1920-1924 MULO (B) onderwijs gevolgd. De talen die leerlingen voor de oorlog gedoceerd kregen waren nederlands, frans en duits en van engels had zij dan ook geen kaas gegeten. Deze taal begon pas na de oorlog een vast programma-onderdeel van voortgezet onderwijs te worden. Mijn moeder vond talenonderwijs erg belangrijk en toen ik dan ook een vriendinnetje kreeg die op de zondagsschool van de Waalse gemeente (Pieterskerk Utrecht) zat, werd ik direct daar aangemeld. Heel vroeg kon ik dus al ‘Notre Père qui es aux cieux’ bidden, niet in het nederlands maar in het frans. Pasteur en Madame Le Cornu zullen me eeuwig in herinnering blijven. Zij waren heel oud ( maar of dat ook echt zo was?) en lief en aardig. En wat te denken van krijgertje en verstoppertje spelen in de (‘Franse’) Pieterskerk?

Naast goede spreekvaardigheid in vreemde talen, achtte mijn moeder gedichten citeren ook zeer belangrijk. Romans waren in onze boekenkast in de minderheid in tegenstelling tot gedichtenbundels. En dat kwam natuurlijk door die liefde voor declamatie. Haar liefde voor talen is overigens niet op mij overgegaan. Ik was er niet goed in en had er geen belangstelling voor.

Hoewel mijn lagere school zorgvuldig was uitgekozen door mijn ouders (meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting), was dit wel een lagere school met opleiding voor eigen vervolgschool (MULO), niet echt een opleiding voor HBS en gymnasium. Toen bleek dat ik goede cijfers haalde in de hogere klassen, was het de wens van mijn ouders mij toelatingsexamen te laten doen voor het gymnasium, dit keer het stedelijk en niet het christelijk. Dat werd een faliekante mislukking, mijn opleiding had tekort geschoten en ik kon niet meekomen in de proefklas. Wat was dat een grote teleurstelling voor mijn moeder. Ze heeft hemel en aarde bewogen me toch naar het gymnasium te krijgen maar dat liep op niets uit. Goede raad was duur, een dochter met een eindrapport waar alleen maar achten en negens op stonden en gezakt voor het toelatingsexamen. De rector van het gymnasium adviseerde mij nog een jaar naar een goeie opleidingsschool (Puntenburg) te sturen. Volgens mij heb ik daar niets geleerd, maar een jaar later slaagde ik gelukkig wel en is alles goed afgelopen.

Als je dit verhaal leest zou je kunnen denken dat ik een lastige puber ben geweest, maar niets is minder waar. Mijn moeder begreep alles, was lief, had het volste vertrouwen in mij en ik leerde heel langzaam aan van haar dat vrijheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en liefde geven belangrijk waren in het leven. 

Catharijnesingel 75, Utrecht

Ik verhuisde bij aanvang van de eerste klas gymnasium in het kader van vrijheid en zelfstandigheid binnenshuis van een kamer boven de entree op de eerste verdieping naar een kamer twee etages hoger in het torentje. Vrijheid blijheid, niemand die je op de vingers kwam kijken en altijd muziek die mij werd doorgegeven via de muziekinstallatie van een huisgenoot/vriendje (Andries Enklaar). Zelf had ik tijdens mijn schooltijd geen geld om platen te kopen, dus hadden we dit er op verzonnen. Wat hij draaide kon ik ook aanknippen als ik dat wenste. 

Naast het schoolleven (met ’s avonds bijeenkomsten van het Amor-Koor en de toneel- en debatteervereniging Lampomenè) en padvinderij vond mijn moeder toch dat ook sport en kunst bij de opvoeding hoorden. Zij had zelf jaren lang heel fanatiek aan korfbal gedaan (ROHDA) en mijn vader aan voetbal (AFC). En ze was er dan ook van overtuigd dat sporten voor de gezondheid onontbeerlijk was. Dus ging ik tennissen (ULTC vanaf de eerste klas gymnasium) en later ook nog roeien (VIKING vanaf de vijfde klas).

Kunst was in ons gezin en in de voor-ouderlijke gezinnen de gewoonste zaak van de wereld geweest. Passief of actief, wat je maar in je had. Mijn moeder speelde tamelijk goed piano, dat had ze van huis uit meegekregen. Haar broers speelden viool, haar grootmoeder volgens overlevering ook piano, en bovendien mijn grootmoeder van vaders kant speelde alles wat kinderen en kleinkinderen maar wensten te zingen of te horen, ook in haar Alzheimertijd. In de eetkamer stond een piano en in de salon een spinet. De piano werd ook mijn instrument en samen met moeder werd er vaak ‘quatre mains’ gespeeld. Vanaf die tijd heb ik ook altijd in koren gezongen. Mijn belangstelling voor beeldende kunst, die zich ook tijdens mijn middelbare schooltijd openbaarde, komt meer van vaders kant en valt daarom buiten dit bestek.

Mijn gedachten over mijn moeder als opvoedende moeder stoppen voorlopig hier omdat ze mij vanaf mijn laatste gymnasiumdag volledig de vrijheid heeft gegeven en er op vertrouwde dat ik mijn studie aan de universiteit verstandig zou aanpakken.

Ik ben niet iemand die over haar moeder te klagen heeft. Ik kan er ook niet jubelend boeken over vol schrijven. Mijn moeder was lief en eerlijk en vastberaden, iemand die altijd probeerde anderen gelukkig te maken. Ze cijferde zichzelf beslist niet weg, had haar eigen ideeën, en liet tegelijkertijd haar man en dochter altijd voorgaan. Ik hield van haar en heb haar altijd hooggeacht om wie ze was en om wat ze mij heeft geleerd over het leven.

Carla, voor mijn liefhebbende moeder

In Memoriam Thea Schoonhoven, mijn Lagere School-vriendinnetje van de Dompleinschool

Thea Schoonhoven (1940-2019)

Thea Schoonhoven in 1952 (Foto.L.H. Hofland, bewerkt door Carla Oldenburger-Ebbers). Coll. Het Utrechts Archief

Hedenmorgen 4 maart 2017 las ik in de TROUW/Naschrift een mooi artikel over mijn Lagere School-vriendinnetje Thea Schoonhoven, een warm en vredelievend mens, altijd voor anderen in de weer, voor kinderen, voor zieken en behoeftigen. Ik heb dit allemaal niet geweten helaas. Ik was haar geheel uit het oog verloren, we gingen na de Lagere School ieder onze eigen weg. Enige jaren geleden had zij mij opgespoord. We hadden een lang telefoongesprek en beloofden elkaar op te zoeken. Ik raakte haar adres weer kwijt en het is er nooit meer van gekomen helaas. TROUW heeft mij toestemming gegeven het begin van het  artikel hieronder te plaatsen met een link naar het hele artikel, getiteld Thea Schoonhoven had genoeg aan haar Mytylkinderen.

Met anderen bezig zijn stemde haar gelukkig. Ontvangen vond ze lastiger. Dat merkten haar vrouw, vrienden en familie vooral de laatste maanden. Vanaf het moment dat ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, liet ze alles uit haar handen vallen. Ze sloot zich af en sprak er niet over: haar angst en verdriet kon ze moeilijk delen. Nu ze niet wist waar ze aan toe was, verloor ze haar standvastigheid en daadkracht.

Ze had dat op kleine schaal al eens eerder meegemaakt, toen ze als twintiger naar haar favoriete eiland Ibiza vloog en er flinke turbulentie ontstond onderweg. Ze kon niemand vasthouden en werd zo angstig dat ze in zichzelf begon te zingen. Ze besloot nooit meer te vliegen.

Theodora Everdina Schoonhoven werd in 1940 geboren als oudste dochter van Aart Schoonhoven en Riek Harselaar. Na haar kwamen nog twee zussen en twee broers. Met haar moeder, die hoedenmaakster en naaister was, kon ze lezen en schrijven. Beiden waren erg creatief, empatisch en sociaal. Hun huis stond open voor alles en iedereen. De relatie met haar vader was minder hecht, hij had vooral gehoopt op een zoon, iets dat zij liever niet had geweten. Thea trok veel op met de volwassen vrouwen in haar omgeving: haar moeder en haar twee oma’s, vooral met oma ‘boven’, die bij hen in huis woonde, had ze een klik. Zij nam haar kleindochter graag mee naar de Hema voor een kindercomplet: een bordje vol lekkernijen. Thea snapte volledig dat oma de helft van de snoepjes in haar zak liet glijden voor de kleintjes thuis….e.v. zie dus de link.

Ik was natuurlijk wel geschokt door het lezen van haar overlijden, en mijn gedachten gingen terug naar onze Lagere Schooltijd:

We zaten op dezelfde school, op de meisjesschool van de Nederlands Hervormde Burgerscholen van de Marnixstichting, kortweg de Dompleinschool in Utrecht. Of Thea ook in de eerste klas bij Juffrouw  Nieuwenhuizen heeft gezeten weet ik niet. Ik kan haar op onderstaande foto niet herkennen.

Met wie ik verder in de klas zat (meer dan zeventig jaar geleden) weet ik echt niet meer. Ik herken de juffrouw, rechts daarvan Joke Hansen, en uiterst rechts Meta van de fietsenwinkel op de Oude Gracht; tweede rij van boven, tweede links ben ik (meisjesnaam Carla Ebbers), rechts daarvan Engelien?, uiterst rechts Ilse; derde rij middelste Willy?; en onderste rij links Willemien Wieringa (ook een goed vriendinnetje), Elly? en een meisje Hagenau?

Carla (in trui gebreid door mama of oma?) in de derde klas van de Dompleinschool. Traditionele setting voor een schoolfoto. Met pen en schrift in schoolbank en op de achtergrond een geranium.

Op Internet heb ik verder nagezocht of ik meer kon vinden over onze school. In het gebouw zit tegenwoordig het Utrechts Centrum voor de Kunsten.

Hier volgt een deel van het artikel: Jeugdherinneringen, door Maroesja Brits-Oversteegen in ‘Steengoed’, nr. 36, okt. 2003 (Utrechts Monumentenfonds).

De school op het Domplein.

“Al meteen, toen we in Utrecht kwamen wonen, moest er een lagere school voor mij worden gezocht. De dichtstbijzijnde school was de Nederlands Hervormde Burgerschool op het Domplein. En alhoewel mijn ouders niet christelijk waren, moest ik daar toch naar toe. In de vierde klas bleef ik zitten en daarna mocht ik naar de openbare Regentesseschool in de Hamburgerstraat, waar ik ‘beter op mijn plaats’ was. Dit even ter illustratie van de denkwijze in die tijd. Nu zou dit geen enkel probleem meer zijn.

De school werd in 1859 gevestigd op het Domplein in een huis op de plaats van het middeleeuws claustrale huis ‘De rode poort’. Ook na de grote verbouwing in 1925, toen het zijn huidige uiterlijk kreeg zijn nog veel resten van dat huis bewaard gebleven. Bij de verbouwing van de school tot Gemeentelijke Muziekschool, is er een grondig archeologisch onderzoek gedaan. De kelders werden onderzocht en in de Marnixzaal, de aula van de school, werd de beschilderde piscina weer zichtbaar gemaakt.

page9image7245264De school op het Domplein in 1940. (Adres Domplein 4). Links de meisjesschool, rechts de jongensschool

Marnixzaal. In plaats van deze stoelen stonden er volgens mij in de jaren veertig nog lange houten banken in de zaal. Foto Het Utrechts Archief.

In 1984 is er nog een laatste reünie geweest. Dat was een plezierig weerzien. Dan voel je toch weer iets vertrouwds met de oude school op het Domplein. Hier had ik toch vier jaar van mijn jeugd doorgebracht.
Tijdens die reünie hoorde ik nog een aardig verhaal over de kelders. De jongens van de jongensschool, we waren toen nog strikt gescheiden, hadden ergens een gat ontdekt, waarachter zich een ruimte bevond. En wat doen jongens van een jaar of tien, die gaan op onderzoek uit. Stiekem kropen ze door dat gat naar binnen en zo ontdekten ze een grote kelder onder de school. Een mooi avontuur en ze hielden wijselijk hun mond over deze heimelijke ontdekking. Maar er kwamen klachten van de ouders. Hun kinderen kwamen soms zo ‘smerig’ thuis. Het hoofd van de jongensschool, de heer G.J. van Kamp, nam die klachten serieus en ging zelf op onderzoek uit. Toen kwam de aap uit de mouw. Na een verbouwing van de school waren de kelders dichtgemetseld en helemaal in de vergetelheid geraakt. Niemand wist meer van het bestaan, totdat die jongetjes de kelders herontdekten”. Einde citaat Maroesja  Brits -Oversteegen.

Wat betreft de piscina in de Marnixzaal, ik herinner me deze nog zeer goed. Altijd als er wat te doen was in deze zaal, liepen we eerst als in een soort pelgrimstocht langs deze piscina, die dienst had gedaan in het kanunnikenhuis dat vóór de bouw van de school, halverwege de 19de eeuw, hier op deze plaats had gestaan.  Het was een wonder uit de 14de eeuw, voorstellende een misdienaar die de handen wast van een priester tijdens de mis. De piscine is tot rijksmonument verklaard. Zie de volgende monumenten-beschrijving met foto:

Foto: detail schildering in piscine – utrecht – 20235572 – rce | Door: Schollen, A.H.C. (Fotograaf) – August 1975 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (wiki)

“PISCINA met wandschildering. Uit de eerste helft der 14e eeuw daterende piscina met wandschildering, zich bevindend in een nis in de rechterwand van de z.g. Marnixzaal van de Ned.Herv. MAVO, overblijfsel uit claustraalhuis op dezelfde plaats, genaamd “de Rode Poort”. De piscina bevat een natuurstenen tweelicht met driepassen waarboven uit een stuk gehouwen traceerwerk; beneden twee bekkens en in de rechterzijde van de nis nog een natuurstenen tablet. De wandschildering geeft de voorstelling weer van de handwassing tijdens de mis waarbij de rechterfiguur een acolyth gekleed in een rood onder – en geelbovenkleed en een opgerolde doek in de linkerhand – water uitgiet uit een kan over de handen van de linkerfiguur, een priester welke is gekleed in een lichtgekleurd, met rood afgezet onderkleed en een blauw bovenkleed; op de achtergrond links een met een doek overdekt altaar waarop een opengeslagen boek, een hostiekelk en een kandelaar zijn afgebeeld”. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Een ander voorval in de Marnixzaal heeft mijzelf een trauma bezorgd. Ik was een goede leerling. Aan het eind van de 6de klas (o.l.v. juffrouw van Dijk) prijkten er alleen maar achten en negens en één 6,5 voor handwerken op mijn rapport. Maar ik zakte voor het toelatingsexamen Stedelijk Gymnasium, een domper op de leuke en fijne schooltijd die ik op het Domplein had doorgebracht. Wat was de oorzaak? Naast mijn zeker niet briljante resultaten in de proefklas, bleek ook dat het Stedelijk Gymnasium bijna nooit leerlingen aannam van een christelijke Lagere School (zonder aparte opleidingsklas). Ik moest het laatste jaar dus overdoen op een openbare school waar men leerlingen structureel opleidde voor HBS en gymnasium, en niet alleen tijdens een uurtje op zaterdag. Ik ging dus wel van school af net als mijn mede-klasgenoten. Het afscheid werd niet gevierd met de uitvoering van een musical zoals op de meeste scholen nu, maar met de uitreiking van een klein bijbeltje, namelijk het Nieuwe Testament. Dit festijn werd gevierd op een avond met de ouders in de Marnixzaal. Omdat ik naar een Openbare School ging (Puntenburg) kreeg ik geen bijbeltje uitgereikt. Net als Mevr. Maroesja Brits kan ik beamen dat “de denkwijze in die tijd” toch anders was.

Toch heb ik mooie herinneringen aan mijn lagere schooltijd overgehouden. En nu kom ik weer terug op mijn vriendinnetje Thea Schoonhoven en andere klasgenootjes. Het spelen bij Thea Schoonhoven thuis en in de stallen van de stalhouderij van haar vader, bij de paarden in de Keukenstraat, samen met Thea en haar broertjes ritjes maken met koetsier Kobus in de koetsen van de stalhouderij, spelen op het stille Domplein, in de Kloostergang en onder de Dom. Ook vond ik de opgravingen op het Domplein eind jaren veertig heel spannend net als het op onderzoek uitgaan (samen met klasgenootje Joke Hansen) in de puinhopen van de Geertekerk (tegenover mijn huis), die na de Tweede Wereldoorlog behoorlijk was beschadigd.

MOOI GROEN 2019 GEWENST DOOR BUREAU BINNENSTAD & BUITENLEVEN / OLDENBURGERS.NL

BINNENSTAD & BUITENLEVEN VERHUIST

15 januari verhuist ons bureau met Juliet Oldenburger mee naar het Aalsmeerder Veerhuis, Sloterkade 21 te Amsterdam.

De Sloterkade vormde tot 1921 de grens tussen het oude dorp Sloten en de stad Amsterdam. Voor nadere adresgegevens en een huidige foto van het kantoorpand, zie de pagina Contact.

Tussen ongeveer 1515 en 1908 lag voor de deur van het Aalsmeerder Veerhuis (1634) de overtoom (overhaal) – van 1908 tot 1842 schutsluis – tussen de Hollandse waterschappen Amstelland en Rijnland. De open vaarverbinding tussen de rivier de Schinkel (tussen de Nieuwe Meer en de Overtoomse sluis) en de Kostverloren Vaart was op last van het provinciebestuur (de stad Haarlem) afgedamd omdat dit een sluipweg was geworden om de tolheffing aan het Spaarne in Haarlem te ontduiken.  Wel mocht over die dam een sleepshelling of overtoom worden aangelegd voor kleine platte schuiten, waarvan de maten nauwkeurig waren vastgesteld. Op de gevelsteen boven de deur van het Aalsmeerder Veerhuis zijn behalve deze scheepjes ook het veerhuis afgebeeld – waar men kennelijk zijn dorst kon lessen, terwijl de schuiten over de sleephelling werden getrokken. Op de puibalk daaronder zien we  een os, die verwijst naar de naam van de herberg: de Bonte Os.
Tevens vertrok voor het huis de trekschuit tussen Amsterdam en Aalsmeer, van waar men verder kon reizen naar Leiden en Rotterdam.

DE NERING IS HIER GOET GODT LOF. MEN DRAECHT HET BIER HIER OP EN OF. Op de puilijst onder de gevelsteen staat een afbeelding van ‘de Bonte Os’ – de historische naam van de hier gevestigde herberg.

Als herinnering aan het toeziend oog van Haarlem op het overhalen van schepen van de juiste afmetingen toont het schilddragende leeuwtje op de geveltop van het veerhuis het wapenbord van de stad Haarlem.

Het wapen van Haarlem op de top van de gevel  van het Aalsmeerder Veerhuis

Verder zien we op de historische foto (boven) nog dat in het pand omstreeks 1910-1915 de aardappelen- en groentenhandel van W.A. Schevenhoven was gevestigd. Een grote stapel zakken met aardappelen ligt tussen de twee linker souterrainvensters. Links van het huis was een steegje (nu een gesloten poortje) naar de ‘biertuin’. Voor het huis stond een linde. Tegenwoordig staan langs de Sloterkade, tussen de Andreas Schelfhoutstraat en de Surinamestraat een aantal iepen met de naam Ulmus ‘Amsterdam’ en ter hoogte van het Aalsmeerder Veerhuis een Ulmus ’New Horizon’ en een Ulmus ‘Dodoens’.
Ook stonden voor het huis één grote en twee kleinere meerpalen, om de schepen te laten afmeren en de herberg vanaf het water te bevoorraden.  Op de foto anno NU (op de Contactpagina) is te zien dat het pand sinds de restauratie van 1965 weer zijn oorspronkelijke indeling heeft teruggekregen.

Het veerhuis is sinds 1921 in eigendom van de Vereniging Hendrick de Keyser. In het pand zijn verschillende monumenteninstanties gevestigd, waaronder de stichting Diogenes (hoofdhuurder), de stichting Claes Claesz. Hofje, de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, de stichting Vrienden van het Amsterdamse Bos, de Vriendenkring van de Van der Laan Stichting en de stichting tot Behoud van de Oude kerk.

Ook bureau Binnenstad & Buitenleven gaat hier dus vanaf het nieuwe jaar (2019) beginnen. Heerlijk om in zo’n mooi oud pand te mogen werken.

Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-2. Terugblik

In de berichten van 1 en 7 oktober jl., wordt heel kort Andreas Sibren Groustra aan de lezer voorgesteld.  Eigenlijk waren zijn  gegevens in het bericht van 7 oktober het enige wat we over dit familielid wisten. Maar zoals wel vaker gebeurt, hoe meer je weet over iemand of over een bepaalde gebeurtenis, hoe meer je de persoon of de situatie gaat begrijpen, en zo kwam het dat we na de publicatie van het bericht toch nog een familiefoto opdiepten waar Andreas opstond met zijn ouders en broers en zusters (zie eerste en laatste foto) en vonden we een prachtige serie briefkaarten in het familie-archief, die zeker van Andreas Groustra afkomstig zijn.

V.l.n.r. vader Harmannus Groustra, Andreas S. Groustra, zuster Ronesca E. Groustra (schoonmoeder/grootmoeder van Carla/Juliet)

De briefkaarten  (kartoe pos) zijn uitgegeven door NV-vh. H. van Ingen te Soerabaja (ca. 1900-1920, gedeeltelijk naar foto’s van het bekende Foto-Atelier Kurkdjian en waarschijnlijk door Andreas als souvenir aangeschaft, tijdens of na zijn opleiding aan de Zeevaartschool in Soerabaja .

Hier volgen nu de briefkaarten; de locaties zijn duidelijk op die kaarten aangegeven; de foto’s dateren alle van het begin der twintigste eeuw en -in ieder geval enkele, maar misschien alle- zijn gemaakt door Atelier Kurkdjian in Soerabaja.

Willemskade Soerabaja  met gebouw van ‘De Algemeene’, ontworpen door H.P.Berlage, ca. 1900 (midden-rechts met dakkapel en boven op het dak reclame van de verzekeringsmaatschappij)

Goenoeng Sarie is de naam van een buitenplaats in Batavia en zal hier in Soerabaja waarschijnlijk de naam van een buurtschap zijn

Ossenkarren bij de Groote Boom (Douanekantoor), Soerabaja. Foto: Atelier Kurkdjian, ca. 1900

Kramat Gantoeng is de naam van deze straat. Foto: Atelier Kurkdjian, ca. 1900

De straat die we hier zien heet Kambing Djepoon, dat Japans is voor  Japanse bloesem. Kaart ca. 1900

De Werfstraat (nu Jl. Kasuaris) was genoemd naar de werven aan de oostzijde van de straat, langs de rivier Kali Mas (zie hieronder); nu is de straat genoemd naar de  vogelsoort casuarius.  Na de onafhankelijkheid werd de naam van de Werfstraat eerst veranderd in Djalan (Jalan) Pendjaqra oftewel Gevangenisstraat, naar de voormalige ’s Lands Gevangenis aan de westzijde van de straat — de Jalan Kasuari omvat ook de voormalige Bankstraat)

Willemskade en Kampong Baroe langs de Kali Mas (Grote rivier) te Soerabaja, ca.1900

Sluizen van Goebeng, Soerabaja. Ca. 1900

In de vorige Berichten van 1 en 7 oktober werden al enige belangrijke data van het gezin waar Andreas toebehoorde genoemd.  In verband met de familiefoto, nu ook toegevoegd, voorzover bekend, de geboorte- en overlijdensjaren van de leden van het gezin Groustra.

Vader Harmannus Groustra (1861-1944) huwde met moeder Alida van der Schaaf [1861-1952). Hun kinderen waren:

1. Gezina A.E.R. Groustra (1888-1980 ); 2. Gellaart Jan Groustra (1889-? ); 3. Alida Catharina (1891-1952); 4. Andreas Sibren (1893-1919); 5. Albert Nicolaas (1896- ca. 1966 ); 6. Ronesca Elisabeth (1901-1969).

In de tuin in Slochteren, staand  v.l.n.r: Albert, Gezina, vader Harmannus, Andreas, Ronesca, Gellaart. Zittend links moeder Alida, zittend rechts Alida

We laten de familie Groustra weer even rusten. U kunt indien gewenst meer lezen over vader Harmannus Groustra op Biografisch Portaal, op de website van de Geschiedenis van het Humanitarisme in Nederland, en in het (bovenstaande boek van Christianne Smit, De volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld. 1870-1914. Hilversum, 2015.

Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-1. Terugblik

De Schoolmeester lezen op De Groote Vaart ?

Deze website behandelt niet alleen de onderwerpen historische plantgebruik, historische landschapsarchitectuur en historisch kleurgebruik, maar zo af en toe als tussendoortje richten we onze blik op een stukje familiegeschiedenis. We hebben dan ook niet voor niets een Categorie ‘Familie’ bij categorieën opgenomen.

Gedichten van Den Schoolmeester. Amsterdam, Gebrs. E. en M. Cohen, erfstuk van A.S. Groustra

Wat was het bijzonder om te ontdekken dat we de Gedichten van den Schoolmeester (Gerrit van de Linde) als erfstuk van Oom Andreas Groustra in onze boekenkast hadden staan. Op het schutblad  staat geschreven: A.S. Groustra 2de off. S.S. Houtman. Prijs 1,90. (zie Bericht 1 oktober 2018, waar ook een foto van de ss. Houtman afgebeeld staat). We mogen aannemen dat Andreas tijdens zijn reizen met de Houtman de 332 pagina’s van de Gedichten uitvoerig heeft kunnen lezen.

Andreas Sibren was de zoon van Harmannus Groustra, broer van mijn schoonmoeder Ronesca Groustra (1901-1969), kleinzoon van de rijkscommies belastingen Jan Groustra (1810-1894) en Geessien Redeker (1818-1903) en oudoom van mijn man Feddo Oldenburger.

Andreas Sibren Groustra (1893-1919). Tweede stuurman S.S. Houtman. Foto: N.V. Charles & van Es & Co. Ned. Indië (Soerabaja 1880-1915; Charls & van Es & Co, N.V. Batavia 1895-1940)

Dat Andreas Sibren vroeg was overleden, was bekend, maar ook niet veel meer dan dat. In de familie werd altijd met respect over hem gesproken. Zijn ouderlijk huis stond in Slochteren (tegenover de Fraeylemaborg). Eenmaal wordt in de Internet-archieven vermeld dat zijn beroep  timmerman is, maar dat zal maar heel kort zijn geweest (of een vergissing) want hij is al heel vroeg de wijde wereld ingetrokken. In 1916 wordt  in zijn ‘Certificate of Registration of Alien Seaman’ als woonplaats Weltevreden, voorstad van Batavia opgegeven.

Andreas was genoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, Andreas Visscher (1805-1879), gehuwd met Alida van Delden (1807-1871). Grootvader was predikant in Helpman, gem. Haren. Zijn tweede naam Sibren kwam van zijn oom Sibren Jan Groustra (1844-1895), de oudste broer van zijn vader. De twee Sibrens mochten elkaar waarschijnlijk bijzonder graag. In ieder geval is Andreas Sibren in de voetsporen van zijn oom getreden. Oom Sibren was namelijk zeeman en later directeur van de Zeevaartkundige School op Terschelling. Andreas Sibren ging naar de Zeevaartschool om stuurman te worden. Op 14 november 1913, 20 jaar oud,  behaalde hij in ’s Gravenhage zijn diploma als derde stuurman voor de ‘Groote Stoomvaart’  (in familiearchief) en op 28 augustus 1916 behaalde hij zijn Diploma Tweede  Stuurman aan de Zeevaartschool te Soerabaja (zie foto hieronder).

Diploma Tweede Stuurman van Andreas Sibren Groustra, dd. Soerabaja, 28 augustus 1916

Het tweede diploma vermeldt dat Andreas in 1916 Batavia als woonplaats had. Zoals we boven zagen woonde hij dus eigenlijk in de voorstad Weltevreden. In Batavia was het hoofdkantoor van de KPM, de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de rederij van De Houtman gevestigd. Op onderstaande kaart van Ned. Indië zijn de verplichte vaarwegen van de KPM ingetekend.

Waarschijnlijk heeft hij in eind 1913 zijn eerste grote bootreis gemaakt. Er is een toelatingskaart voor Java en Madeira bewaard gebleven (in familie-archief) en hierop wordt Andreas’ laatste woonplaats Amsterdam genoemd en bovendien het feit dat hij op 9 februari 1914 in Tandjong Priok (haven van Batavia) is aangekomen met het stoomschip Koningin der Nederlanden. Van een latere reis op de ss. Houtman zijn foto’s bewaard gebleven, gemaakt door Andreas in Singapore (1915), in Port Moresby, de hoofdstad van het toenmalige Australisch Nieuw Guinea (1916 en 1917) en in Townsville (1917), gelegen in Queensland,  aan de oostkust van Australië. De bijschriften onder de foto’s zijn kopieën, van door Andreas achterop de foto’s geschreven gegevens. Deze maken duidelijk dat Andreas geïnteresseerd was in cultuur en natuur.

Singapore Chineesche wijk, 12-01-1915. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 12-11-1916. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Port Moresby, Engelsch Nieuw Guinea-Papua, 13-01-1917. Foto: A.S. Groustra

Haven van Townsville, Oostkust Australie, 10-04-1917. Rechts ligt de ss. Houtman voor anker op de rede bij Townsville. Foto: A.S. Groustra

Uit het jaar 1919 is een bewijs van lidmaatschap bekend (in familie-archief, op naam van A.S. Groustra) van de Vereeniging van Nederlandsche Gezagvoerders en Stuurlieden.

10 november 1919 is Andreas Sibren Groustra overleden in zijn geboortedorp Slochteren, in de leeftijd van 26 jaar.

Vermeldenswaardig is nog wel dat achterneefje Feddo Oldenburger (1937-2017) in 1946 ook met een boot van de KPM met verlof naar Nederland ging en wel met ss. De Tegelberg. Zie daaromtrent het Bericht https://www.oldenburgers.nl/2018/01/20/korte-biografie-feddo-hans-frits-oldenburger-1937-2017/

 

 

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Oldenburgia-VROUWENARBEID EN ONZE FAMILIEVROUWEN

VROUWENARBEID, 1898,  Nationale Tentoonstelling 120 jaar

Suze Fokker, Affiche Nationale Tentoonstelling Vrouwenarbeid, 1898, Lithografie. Coll. Rijksmuseum.

Al in het vorige Bericht op deze website sprak ik over de tentoonstelling ‘Art Nouveau in Nederland’. Toen ik bovenstaande affiche zag viel me meteen op dat drie witte lelies omarmd door vier zonnebloemen de vrouwenarbeid hier als het ware symboliseerden. In de christelijke middeleeuwen stonden drie witte lelies al symbool voor de reinheid en onaantastbaarheid van de maagd Maria. En de zonnebloemen, waar staan deze voor? Zij zijn in ieder geval al heel lang het symbool van levenslust. Die betekenis past ook goed bij Vrouwenarbeid kunnen wij ons voorstellen.

Vrouwenarbeid was ongepast in de negentiende eeuw  en in 1898 oordeelde een groep vrouwen dat daar maar eens verandering in moest komen. Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam en het was gebruikelijk dat vrouwen automatisch werden ontslagen op de dag na hun huwelijkssluiting, zodat ze huisvrouw en moeder konden worden. Dat gold sinds een Koninklijk Besluit (KB) uit 1924 voor alle vrouwen onder de leeftijd van 45 die in overheidsdienst waren, zoals ambtenaressen, secretaresses en onderwijzeressen en trendvolgers. In 1956 werd deze wet opgeheven.

Jan Toorop.  Afbeelding van een lot waarmee geld verzameld werd voor acties in 1898. Lithografie

Mijn schoonmoeder Ronesca E. Groustra, eerste vrouwelijke lerares ‘Lichamelijke Oefening en Rhytmiek’ (in Maastricht),  werd de dag na haar huwelijk in 1928 ontslagen. Ze vertrok naar Ned. Indië en oefende daar haar vak uit op vrijwillige basis. Zo leidde zij allerlei sportactiviteiten voor volwassenen (tennis, waterpolo, zwemmen en korfbal). Ook gaf zij rhytmiek-lessen aan volwassen dames en kinderklasjes.

Uitvoering dames-rhytmiekgroep in Sanga Sanga Dalam (Borneo). Lerares Ronesca Oldenburger-Groustra, hier rechts zittend, in de bloemetjes 

Ronesca’s oudere zuster Alida C. Groustra, onderwijzeres in Slochteren (gehuwd in 1925 met Bauke Zondervan), trof hetzelfde lot in 1925, terwijl het oudste meisje van het gezin Groustra, Gezina A.E.R. Groustra eerst voor haar grootouders (hoofdonderwijzer Gaele van der Schaaf [1833-1918] en Alida van der Schaaf-Visscher [1835-1925]) in Meedhuizen moest zorgen en daarna voor haar ouders (hoofdonderwijzer Harmannus Groustra [1861-1944] en Alida Groustra-van der Schaaf [1861-1952]), die na de pensionering van vader Harmannus in 1925 naar Hilversum waren verhuisd. Gezina  was dus niet in de gelegenheid geweest een opleiding te volgen, zoals zo vele oudste dochters overkwam.

Alida van der Schaaf-Visscher (1835-1925), Meedhuizen

Huis van hoofdonderwijzer Gaele van der Schaaf (1833-1918) en Alida van der Schaaf-Visscher (1835-1925) in Meedhuizen

Amsterdamse Likeurstokery ’t Lootsie Erven Lucas Bols, Rozengracht Amsterdam, in de tijd dat mijn moeder Maria Amse hier werkte

Modepaleis Gebr. Gerzon  op de Oude Gracht in Utrecht, waar mijn moeder Maria Ebbers-Amse een tweede kans kreeg

Mijn eigen moeder Maria C.J. Amse trouwde in 1932 met mijn vader Jan Ebbers. Zij was het enige meisje in het gezin Amse (Amsterdam) en mocht gelukkig na de MULO een opleiding tot boekhouder volgen. Met haar diploma op zak trad zij in dienst bij de Erven Lucas Bols aan de Rozengracht tot haar dienstverband in 1932, nadat ze in het huwelijk was getreden, werd beëindigd. De ‘Wet Handelingsonbekwaamheid’ werd in 1956 afgeschaft. Mijn moeder is toen na het overlijden van haar ouders, Johan Carel Willem Amse (1877-1959) en Anna Jacoba Vetter (1879-1956), op 52-jarige leeftijd weer gaan werken als boekhouder van Modemagazijnen Gebr. Gerzon in Utrecht. Al met al heeft zij helaas haar ambities niet geheel waar kunnen maken doordat haar carrière van overheidswege werd onderbroken. De tijden zijn gelukkig veranderd.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Oldenburgia-Tentoonstelling Art Nouveau in Nederland

In het Gemeente Museum in Den Haag waar ook onze door Jacob Maris geschilderde (bet)overgrootmoeder zich bevindt (zie bericht 9 november 2016), is nu -nog t/m 28 oktober 2018- een schitterende tentoonstelling te bewonderen, getiteld  ‘Art Nouveau in Nederland’.

Twee vazen, geglazuurd aardewerk met paardenbloem-motieven, 1896

De tentoonstelling laat ons prachtige voorbeelden zien van slaapkamer- en salonmeubelen, geglazuurd aardewerk, mode, klokken, lampen, kamerschermen, vloerkleden en last but not least tekeningen en lithografieën van planten en vissen en andere natuurvoorwerpen, allenaal zeer verfijnd ontworpen en  uitgevoerd.

Lithografieën  uit Nederlandsche Planten / dr. J. Ritzema Bos

Verheugd was ik te zien dat ook enkele werken uit mijn vaders bibliotheek, hier als museumstukken worden getoond, zoals boeken van Louis Couperus en Frederik van Eeden en Nederlandsche Planten van dr. J. Ritzema Bos en Onze Flora door dr. A.C. Oudemans. Dankzij mijn vader ben ik in het bezit van de volgende originele Couperus-drukken:  Wereldvrede. [Amsterdam: L.J. Veen, 1895]; Hooge Troeven. [Amsterdam: L.J. Veen, 1896. Erfstuk van een oudoom van mijn moeder en voogd van mijn grootvader, Oom Jan Munk]; Metamorfose. [Amsterdam: L.J. Veen, 1897]; Psyche. [Amsterdam: L.J. Veen, 1898]; De boeken der Kleine Zielen. Deel 1 Het heilige Weten. [Amsterdam: L.J. Veen, 1901]; Proza. [Amsterdam: van Holkema en Warendorf, 1923?].

Ook de boeken van Frederik van Eeden waren mijn vader dierbaar. Nu in mijn boekenkast staan de schitterend met O.I. Kers geornamenteerde  De Kleine Johannes deel 1 (’s Gravenhage: N.V. Boek- en Kunstdrukkerij v.h. Mouton en Co, 1936, vijftiende druk; hij kreeg dit boek van het personeel van zijn afdeling op zijn verjaardag in 1941), deel 2 (Amsterdam: W. Versluys, 1905) en deel 3 (Amsterdam: W. Versluys, 1906).

Het meisjesboek van mijn moeder, Top Naeffs School-idyllen (Amsterdam, 1900) heb ik helaas niet meer. En wat ik echt miste op de tentoonstelling was Gedichten  van den Schoolmeester (Gerrit van de Linde), uitgegeven door Mr. Jacob van Lennep, Amsterdam: Gebrs. E. & M. Cohen. Ook deze boeken waren prachtig geïllustreerd in Art Nouveau-stijl. Het gedichtenboek van de Schoolmeester is een erfstuk van mijn man’s oudoom Andreas Sibren Groustra. In zijn boek staat zijn naam geschreven en daaraan toegevoegd: 2de officier op de S.S. Houtman, een schip van de  Koninklijke Paketvaart Maatschappij (K.P.M.), dat voer op Java en Australië. Ik kan me voorstellen dat Oom Andreas wel eens zin had op zijn lange tochten om een gedicht van de Schoolmeester te lezen.

De boot van Oom Andreas Sibren Groustra

Tenslotte nog drie afbeeldingen, de eerste twee van motieven van O.I. Kers uit: Handleiding bij het ontwerpen van motieven van plantformen / A.A. Tekelenburg. Amsterdam: Van Looij, 1913; en de laatste uit Onze Flora / dr. A.C. Oudemans. Zutphen: W.J. Thieme en Cie, 1900, een erfstuk van mijn overgrootvader. Het laatste heb ik al eens eerder ter sprake gebracht in verband met zijn apothekersboeken. 

Wat je al niet aan familiegeschiedenis naar bovenhaalt, als je een tentoonstelling over Art Nouveau bezoekt! Mijn vader, mijn overgrootvader, mijn moeder, mijn man’s oudoom, mijn moeders oudoom! Wat een herinneringen!

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Oldenburgia-15 augustus herdenking slachtoffers WO II in Ned.Indië en bevrijdingsdag Ned. Indië

15 augustus 1945 Capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog.  Dit feit werd  gisteren op verschillende plaatsen in Nederland herdacht, o.a. bij het Nationaal Monument in Den Haag.  Maar ook in Rumah Kita in Wageningen werden de slachtoffers herdacht en het bevrijdingsfeest gevierd. Ook onze familie is elk jaar   bij deze herdenking en viering betrokken. Waarom? Zie hieronder enige getuigenissen.

De familie Oldenburger, de grootouders van Juliet (Frederik Oldenburger en Ronesca Groustra), woonde vanaf eind jaren twintig van de twintigste eeuw,  in het dorp Sanga Sanga Dalam, bij het boorterrein Louise van de B.P.M. (Oost-Borneo), in de delta van de rivier de Mahakam.
In januari 1942 viel Japan het eiland Tarakan voor de kust van Noord-Borneo aan; het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger) capituleerde begin maart 1942. Mijn man en de vader van Juliet (Feddo Oldenburger) kwam met zijn moeder en zusje in het vrouwen-interneringskamp Tjihapit in Bandung terecht; zijn vader in een krijgsgevangenkamp langs de Birma-Stamspoorweg (in Nakompaton, Thailand).  Hier liet bijna de helft van de 250.000 dwangarbeiders het leven door de barre omstandigheden.  Gelukkig heeft Frederik het overleefd.  In de laatste oorlogsmaanden verbleef Feddo Oldenburger eerst wegens ziekte alleen in kamp St. Vincentius (voormalig klooster) en werd later weer verenigd met het gezin in kamp Kampong Makassar, beide in Batavia. Hieronder de Japanse registratiekaart van Frederik, gevold door een foto van het huis St.Vincentius, waar Feddo alleen verbleef  en een overzichtstekening en een foto van het vrouwenkamp Kampong Makassar, waar moeder Ronesca en Feddo (na Vincentius) en zusje waren geïnterneerd.  De datum die bij het vliegtuig staat geschreven (28-8-1945) geeft aan wanneer de (eerste?) vlucht met medicijnen en voedsel het kamp bevoorraadde.  Na de bevrijding half augustus moesten de kampbewoners nog enkele maanden in hun kampen blijven vanwege het gevaar buiten de kampen. De  opstandige Indonesiërs bevochten hun vrijheid en waren de Hollanders toen zeer vijandig gezind. Dit was het begin van de Bersiap (Wees paraat)-periode. Toen werden de Hollanders door de Japanners bewaakt.

De laatste foto geeft een kijkje in kamp Kampong Makassar weer. Feddo heeft altijd beweerd dat hij een van deze jongetjes was, maar of dit werkelijk zo is, is nooit bewezen.

Oldenburgia-Tamara Reeder en haar oma op de Open Tuinendag in Amsterdam

Tamara Reeder (een tot voor kort mij onbekende dame uit Suriname) vroeg mij onlangs of ik haar helpen kon aan landschapsfoto’s  en het geven van feedback op een artikel dat haar schoonvader geschreven had over de Sipaliwini-savanne in Zuid-Suriname. Mijn vorig jaar overleden echtgenoot en zijn collega hebben een website over die savanne samengesteld (sipaliwinisavanna.com).

Vier Gebroeders gebergte op Sipaliwini-savanne (Zuid-Suriname)

Ik gaf haar feedback, wat er op neer kwam dat ik haar duidelijk maakte dat ik zeker wist dat bijna geen enkele Nederlander het verschil weet tussen de Sipaliwini-savanne en het Sipaliwini-district (ongeveer 80 % van het oppervlak van Suriname) en in verband met verder contact wisselden we adresgegevens uit.  Nieuwsgierig geworden keek Tamara op onze website. Haar commentaar mag ik hieronder overnemen:

Open Tuinendag in Amsterdam. Tuin Museum Van Loon
Ik wil dit toch even delen. Aangezien ik heel nieuwsgierig ben, ben ik even op jullie website gaan kijken, wat een prachtig werk dat jullie doen! 
Het zal geen toeval zijn, maar de website zien heeft mij gelijk terug gebracht naar 1 van de mooiste dagen die ik in Nederland heb gehad met wijlen mijn Oma (die vandaag 91 zou zijn geworden). Dat was de Open tuinendag in Amsterdam ongeveer 10 jaar geleden. Wij zijn dol op tuinen en alles wat groen is dus wij hebben toen onzettend genoten van die dag, de tuinen waren echte parels om te ontdekken.
Ik woon nu inmiddels al weer 10 jaar in Suriname (ik heb maar 4 jaren in Nederland gewoond), maar mijn hart bloedt elke dag hoe er hier met het groen wordt omgegaan.
Vervuiling van de eigen omgeving is normaal bij velen. En dan heb ik het nog niet eens over de industriële bouwwerken en winkels die als paddestoelen de grond uitkomen, midden in woonwijken. Ik verlang ernaar dat er een stadsplan zou komen waar men zich aan zou houden en dat we met respect met de omgeving en natuur omgaan. Suriname is een prachtig groen land maar in deze ontwikkeling zijn wij nog ver achter. Al zie ik het mooie Suriname al voor me..
Tuin Zeezicht, Suriname. Diorama van Gerrit Schouten (1779-1839)
Hier ligt nog wel een taak voor ons dus. Dank Tamara voor je waardering en tegelijkertijd voor je zorgen wat Suriname betreft. Leuk dat de Sipaliwini-savanne en de Nederlandse Tuinkunst voor even samen kwamen. Mijn man noemde de Sipaliwini-savanne vaak  een schitterende tuin.

 

 

Oldenburgia – Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

 Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

Feddo Oldenburger, 2007

Feddo Hans Frits Oldenburger (*Sanga Sanga Dalam / Borneo, Ned. Indië, 1 juli 1937 – +Rhenen, 22 november 2017) was een Nederlandse bioloog, die zijn leven heeft gewijd aan botanisch wetenschappelijk onderzoek in de tropen (Suriname, Brazilië, Indonesië) en aan natuurbehoud in Nederland.

Kinderjaren en studietijd
Feddo Oldenburger is geboren op de evenaar, in het dorp Sanga Sanga Dalam, bij een boorterrein van de B.P.M. (Oost-Borneo), in de delta van de rivier de Mahakam. Zijn ouders, Frederik Oldenburger (1899-1975) en Ronesca Elisabeth Groustra (1901-1969), waren van Groningse afkomst. Vanaf 1928 woonden zij op Borneo (Kalimantan).
In januari 1942 viel Japan het eiland Tarakan voor de kust van Noord-Borneo aan; het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger) capituleerde begin maart 1942. De vierjarige Feddo kwam met zijn moeder en zusje in het interneringskamp Tjihapit in Bandung terecht; zijn vader in een krijgsgevangenkamp langs de Birma-Siamspoorweg. De laatste oorlogsmaanden verbleef Oldenburger wegens ziekte alleen in ziekenhuiskamp St. Vincentius en werd later weer verenigd met het gezin in kamp Kampong Makassar, beide in Batavia.
Tijdens de oorlogsjaren heeft hij geen onderwijs genoten totdat hij begin 1946 met de Tegelberg (KPM) in Nederland arriveerde. Daar volgde hij op verschillende scholen (op Texel en in Hilversum) lager onderwijs tot de familie eind 1947 naar hun oude woonplaats in Indonesia terugkeerde en hij op de school in Sanga Sanga Dalam zijn laatste lagere-schooljaren doorbracht. Voordeel voor zijn latere leven was dat hij met Indonesische kinderen in de klas heeft gezeten en ongemerkt de beginselen van Bahasa Indonesia zich heeft eigen kunnen maken.
In 1949 keerde Oldenburger alleen naar Nederland terug om daar zijn middelbare schoolopleiding te beginnen (Instituut Hommes in Hoogezand). In 1957 behaalde hij zijn diploma gymnasium β aan het Montessori Lyceum Herman Jordan in Zeist.
Hij koos voor een studie biologie aan de RU (Rijksuniversiteit Utrecht, nu UU) en het was al gauw duidelijk dat hij na het behalen van zijn doctoraal examen (in 1967) in de tropen zou gaan werken.

Werkverbanden
Oldenburgers toekomstdromen speelden zich altijd in de tropen af. Zijn afstudeeronderwerpen werden met dat doel geselecteerd:
– phytogeografie (vegetatiekartering van de duinen van Voorne), bij prof. J. Lanjouw; –  bodemkunde (bodemonderzoek in het Argonne-gebied / Lorraine), bij prof. F.A. van Baaren; ethologie (onderzoek naar het gedrag van twee groepen Java-apen / Macaca irus, onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden), bij (de latere prof.) J.A.R.A.M. van Hooff.

Z-sleeping. Tekening Feddo Oldenburger

De opgedane kennis werd later met certificaten voor Luchtfotografie-interpretatie, bij prof. I.S. Zonneveld (ITC in Enschede), en met cursussen Braziliaans-Portugees en Bahasa Indonesia uitgebreid.
In 1968 trad Oldenburger in dienst bij ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) met de opdracht de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname nader te bestuderen, planten te verzamelen voor het Herbarium in Utrecht, uitmondend in de verslaglegging van het onderzoek en later in de website www.sipaliwinisavanna.com.

Impressie van de Sipaliwini savanne. Tekening Feddo Oldenburger

Tussen 1970 en 1972 werden nog aanvullende expedities ondernomen. Hierna startte een dienstverband aan de Rijksuniversiteit Utrecht (nu UU) met het doel een afdeling Landschapsecologie op te starten, en in 1975 werd hij medewerker van prof. George Eiten aan de Universidade de Brasilia. Daar werd gewerkt aan het project Cerrado Vegetation of Brasil. Helaas is dit werkverband eerder gestopt dan de bedoeling was omdat een nieuwe regel aan de universiteit werd ingesteld die inhield dat buitenlanders niet meer in dienst mochten worden genomen.
Vanaf 1980 werkte Feddo zelfstandig vanuit huis aan verschillende projecten in de regio.

Maatschappelijke en politieke activiteiten
Na enkele jaren in het historisch centrum van Utrecht gewoond te hebben verhuisde Oldenburger in 1970 met zijn echtgenote Carla Ebbers (*1939), eveneens bioloog, en twee dochters naar Heukelum, Dit stadje, gelegen tussen Gorinchem en Leerdam aan de rivier de Linge, was volgens hem het oudste stadje van Holland. Hier maakte hij  kennis met de middeleeuwse structuur van een kleine historische stad, met het Lingelandschap en met het boeren- en dorpse leven. In 1973 verhuisde het gezin opnieuw,  naar een boerderij in het dijkdorp Spijk (ook gemeente Heukelum), waar zij ruim 20 jaar bleven wonen.
Van meet af aan heeft hij zich voor de omgeving en de plaatselijke gemeenschap ingezet, o.a. voor het behoud van de historische kern van Heukelum i.v.m. een bestemmingsplan (sloopplan) ‘Kern Heukelum’ (1972). Samen met Han Denninger was hij oprichter, auteur en redacteur van de Heukelomse Kroniek, later Heukelumse Kroniek / De Spijker. Ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Heukelum (1980) deed hij onderzoek  in het Nationaal Archief ten behoeve van het schrijven van een historiestuk over Hendrik Sar, die tot de doodstraf was veroordeeld omdat hij Heukelum in 1772 grotendeels in de as had gelegd.

Feddo Oldenburger in ‘Middeleeuwse kledij’ tijdens het 750-jarig bestaan van de stad Heukelum in 1980

Daarnaast was Oldenburger redacteur van de D66-Krant voor de toekomstige ‘kwartetgemeente’ (nr. 1 verscheen in 1982) en organiseerde hij een referendum over de op handen zijnde gemeentelijke herindeling voor de gemeenten Asperen, Heukelum, Vuren, Herwijnen (in 1986 gerealiseerd).
Bij het natuur- en landschapsbehoud is hij zijn hele leven betrokken gebleven. Langdurige projecten betroffen het behoud van het landschappelijke en culturele erfgoed in de Vijfheerenlanden; het behoud van het natuurgebied De Koornwaard (gem. Heukelum); het Landschapsplan Tielerwaard-West; het behoud van de Vurense Uiterwaardennatuur (terrein van de voormalige steenfabriek van de firma Heuff).

Privé
Naast natuur hadden ook geschiedenis, kunst en filosofie Oldenburgers  grote interesse. Hij reisde de hele wereld rond om conferenties, natuur(parken) en tentoonstellingen te bezoeken, altijd op zoek naar ‘Hollandse’ architectuur en andere ‘Hollandse’ connecties uit het verleden.

Oldenburger was een oorspronkelijk en idealistisch denker. Zonder dat hij zich daarvan bewust was streefde hij vergelijkbare idealen na als zijn grootvader Harmannus Groustra (1861-1944), die in Noord-Groningen een bekend multatuliaan was, aanhanger van de utopische Vrijlandbeweging [noot 1] en voorzitter van de SDAP-federatie Slochteren. Door de oorlog hebben beide elkaar niet of nauwelijks gekend, maar de utopische idealen van grootvader lijken op kleinzoon Feddo te zijn overgedragen.

Noot 1.  Harmannus Groustra vertaalde en bewerkte het boekje Freiland ein sociales Zukunftsbild geschreven door Theodor Hertzka (Leipzig, 1889) in het Nederlands tot ‘Vrijland en de Vrijlandbeweging’ (Amsterdam, 1893). De tekst van dit boekje heeft hij rijkelijk van noten en citaten voorzien.

Oldenburgers interesses blijken ook uit zijn jarenlange lidmaatschappen van o.a.:
– UBV (Utrechtse Biologen Vereniging). In dit verband richtte hij samen met anderen het Kiemblad voor Biologen op en organiseerde hij als lid van de UBV-kampcommissie het biologenkamp op Ameland; – NIBI (Nederlands Instituut voor Biologie/Bionieuws); – D66, bijna vanaf de oprichting tot aan zijn dood; – Ver. Natuurmonumenten; – Ver. Lingelandschap; – NWG (Natuurwetenschappelijk Gezelschap Wageningen); – Tong Tong (Indische culturele organisatie) / KJBB (Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap); tenslotte was hij ‘adviseur’ van de Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen.

Trivia
Op zoek naar de hem onbekende vulkaanflora beklom Oldenburger twee onmogelijke ‘bergen’:
– de Gunung Api op Banda (Indonesië), vulkaantop 666 m. Door het bedwingen van deze lava-berg werd hij tot  ‘Ereburger van Banda / Molukken’ benoemd (Certificaat zie hieronder).

– de Mount Scenery op Saba (Ned. Antillen), een slapende vulkaan, 887 m. Hoogste top van het Koninkrijk der Nederlanden (Certificaat zie hieronder)

– Feddo Oldenburger en de Groningse schilder Otto Eerelman (1839-1926), ook wel de ‘Rembrandt van het Noorden’ genoemd, waren verre familie van elkaar. Om die reden had hij speciale aandacht voor Eerelmans werk, o.a. voor diens familieportretten en voor diens kunstalbum Paardenrassen (waarin ook een afbeelding van het Oldenburger paard was opgenomen, zie hieronder).

Publicaties in chronologische volgorde (zie ‘Library WUR’ en www.sipaliwinisavanna.com)
* Oldenburger, F.H.F., Een globale vegetatiekartering van de duinen van Voorne, rapport, 1963.
* Oldenburger, F.H.F., Een beschrijving van een onderzoek naar het gedrag van 2 groepen Java-apen (Macaca iris) onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden, rapport, 1965.
* Oldenburger, F.H.F., Biologics ’66-’67, eigen uitgave met biologische filosofische overpeinzingen.
Biologics (1966):
nr. 1 The ‘catch’ or ‘introducing New China’.
nr. 2 (Evolunatics I). ‘De wereld draait zoals wij dat willen’. (Galileo Galilei).
nr. 3 Critics.
nr. 4 Critics on Critics.
nr. 5 (Evolunatics II). Vervolg van E.1.
nr. 6 Biopolitics I.
nr. 7 Biopolitics II.
nr. 8 Evolunatics III.
nr. 9 Biopolitics III.
nr. 10 Cogistics.
nr. 11 Evolunatics IV.
Biologics (1967):
nr. 12 / 1967 UBV Kiemblad jrg. 1, nr. 1. ‘De jacht op het punt ‘nul’.
nr. 13 De Noordzee Confederatie.
nr. 14 Zero.
nr. 15 Zero—–Point.
De nummers 13, 14 en 15 zijn ook apart samengebonden.
* Tetsuo Koyama en Feddo H.F. Oldenburger, ‘Diplacrum africanum newly found in tropical America’ in: Rhodora 73, 1971, p. 159-160.
* Oldenburger, F.H.F; R. Norde en H.T. Riezebos, Ecological investigations on the vegetation of the Sipaliwini – savanna area (Southern Surinam), rapport, 1973.
* Oldenburger, F.H.F., ‘Het savanneprobleem en de Sipaliwini savanne in Suriname (Z-Am.) in het licht van de algemene Biostasie-Rhexistasie theorie’ in: Berichten Fysisch Geografische Afdeling, 1973, p. 2-11. (Ook vertaald in het Portugees en Engels onder de titels:
‘El problema de las sabanas y de la Sabana de Sipaliwini en al Surinam (America del Sul) a la luz de la teoria Universal Biostasia-Rhexistasia’ en ‘The savanna problem and the Sipaliwini-savanna in Surinam (S. America) in view of the general Biostasy-Rhexistasy Theory’).
* Oldenburger, F.H.F. en R. Norde, 200 Sipaliwini-savanne planten, uitgave in eigen beheer, 1973.
* Eiten, George et al. [F.H.F Oldenburger, R. Norde en H.T. Riezebos], ‘Delimitation of the cerrado concept’ in: Vegetatio, vol. 36, 1978 (3), p. 169-178.
* Oldenburger, F.H.F., Landschapsplan Tielerwaard-West, rapport, 1982.
* Oldenburger, F.H.F., Dit vinden wij ervan: reacties van insprekers op de evaluatie van het Streekplan Zuid-Holland Oost, 1983.                                    * Oldenburger, F.H.F., J.G.W.J. Eilerts de Haan, Marga C.M. Werkhoven en C.C. Käyser, Algemene inleiding op de Toemak-Hoemak-, Suriname- en Corantijn-expeditie van resp. 1907, 1908, en 1910-1911; gevolgd door een samenvatting van de Suriname expeditie van 1908; ‘In Memoriam Baas Schmidt van Gansee (1898-1992)’; een samenvatting van de Corantijn-expeditie van 1910-1911 (2 delen); ‘Korte biografie van Luitenant C.C. Käyser’, uitgave in eigen beheer, 2014.

* Oldenburger, F.H.F en R. Norde, website Sipaliwini Savanna (zie screenshot hieronder). 2008.

Screenshot van de website www.sipaliwinisavanna.com, opgesteld door Feddo Oldenburger en Reinoud Norde

Feddo Hans Frits Oldenburger is 22 november 2017 overleden. Zijn nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center in Leiden.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren