Proef met resistente buxus op het loo

Buxus keert – als proef – terug bij Paleis Het Loo.

Door Ron Barendse – 29 november 20190FACEBOOKLINKEDINTWITTERWHATSAPPMAIL

Tijdens het Buxus-symposium op Kasteel Amerongen op 29 november jl. kwam Willem Zieleman, tuinbaas van Paleis Het Loo, met het volgende bericht naar buiten: Bij Paleis Het Loo wordt op korte termijn gestart met een proef met de Buxus-cultivars van het Belgische bedrijf Herplant.

Kweker van de Buxus, Didier Hermans, claimt dat zijn cultivars resistent zijn tegen Cylindrocladium. De Buxus komt in de Koningstuin waar nu nog tijdelijk Piet Oudolf-beplanting staat. De komst van de Buxus gaat dus niet ten koste van Ilex crenata ’Dark Green’, die een aantal jaar geleden als vervanger van Buxus is geplant.

De proef betreft hoogstwaarschijnlijk de cultivars Buxus ’Heritage’ en Buxus ’Babylon Beauty’ (zie foto). Beide soorten zijn volgens Hermans resistent tegen Cylindrocladium. Ook zouden de soorten een hogere weerstand hebben tegen buxusmot.

Momenteel zijn het paleis en de paleistuinen wegens een renovatie voor het publiek gesloten. Medio 2021 opent het vernieuwde Paleis Het Loo. In 2020 gaat al wel de tuin open voor publiek van 1 april tot 1 oktober.

Kweker Didier Hermans met links Buxus ’Heritage’ en rechts Buxus ’Babylon Beauty’.

In De Boomkwekerij 24 en Tuin en Landschap 24 staat een artikel over de nieuwe Cylindrocladium-resistente soorten van kweker Didier Hermans. Lees hier het artikel in het digitale magazine. (met inlog) 

Hollandse Datsja’s

Zoals bekend zijn nog steeds in de omgeving van Amsterdam en Haarlem vele buitenplaatsen te vinden, ooit eigendom van kooplieden die handel dreven op de VOC en WIC. Maar behalve deze achtergrond van welgestelde bouwheren, was er nog een groep rijk geworden kooplieden, namelijk zij die handel dreven op Rusland (Moscovië). Ook zij lieten buitenplaatsen of hofsteden (of in het Russisch genoemd datsja’s) bouwen of kochten buitenplaatsen op om ze te verfraaien, voornamelijk in Holland en Utrecht. Deze nieuwe publicatie gaat over de groep datsja’s / buitenhuizen, gebouwd door kooplieden die voeren op de Oost.

Beemsterlust in De Beemster

De auteur Igor Wladimiroff, gespecialiseerd in Nederlands-Russische betrekkingen, schreef een boek over deze laatste groep buitenplaatsen of datsja’s.

Titel: Hollandse datsja’s: Hollandse en Utrechtse buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden op Rusland, circa 1600-1800. Heemstede, 2019. € 29,95, 240 pp. Bestel hier

Westerhout bij Beverwijk

De datsja’s die ter sprake komen zijn: Vechtenstein in Maarssen; Beemsterlust in de Beemster. De familie Bernard beschikte over een reeks buitenplaatsen Volgerlust in de Beemster; Kattenbroek bij Linschoten; Vreedenhoff tussen Loenen en Nieuwersluis; De Kruidberg bij Santpoort; Westerbroek ten zuiden van Velsen; en Westerhout bij Beverwijk/Velsen. Verder worden uitgebreid besproken De Drie Noordermaden in Egmond aan de Hoef; Heerlijkheid Huisduinen tussen Huisduinen en Wieringen. Huis ter Specke bij Lisse. Zwaansvliet en Het Kasteel in de Beemster. Oud-Bussum bij Huizen (NH). Bijlmerlust aan de oever van het Gein in Abcoude; Elswout te Overveen en Hof te Waerder bij Nieuwerbrug. Spanderswoud bij ’s Graveland, De Engelenburg bij Herwijnen.

Huis ter Specke bij Lisse

De Schans bij Beverwijk en Valkenburg in Heemstede. Tijdverdrijf in Egmond aan de Hoef, Trompenburg aan de Amstel/Amsterdam. Meergaarden (Goed Genoeg, later Ajax voetbalvelden) in de Watergraafsmeer; Oostrust (De Valk) aan de Amstel. Ruygenhof bij Loenen. Leeuwenveld bij Weesp. Petersburg bij Nigtevecht. Hout en Duinzicht (later Vredenhof) bij Haarlem. Meereveld bij Amsterdam in de Watergraafsmeer. Spruytenbos in Haarlem (Wagenweg). Welgelegen in Haarlem. Land en Boschzicht te ’s Graveland; Vredenhof (Hout en Duinzicht) bij Haarlem; Spanderswoud te ’s Graveland. De punten in deze opsomming scheiden diverse eigenaren-families.

Zwaansvliet aan de Volgerweg in de Beemster

Naast een uitgebreide beschrijving van de bovengenoemde buitenplaatsen komen ook de geschiedenissen van families en eigenaren ter sprake. Veel illustraties, ook van oude geografische kaarten, verduidelijken de geschiedenis van vermelde buitenplaatsen.

Bijlmerlust aan het Gein bij Abcoude

Van een Russische invloed op de Hollandse tuinkunst is tot heden niet veel boven water gekomen, behalve de badstoof op de buitenplaats Petersburg aan de Vecht. In het laatste hoofdstuk over de Hollandse invloed op Russische buitenplaatsen des te meer.

Engelenburg bij Herwijnen

Zie ook:

  • Carla Oldenburger en Diederik Six. Hollands Russische bouwkunst en tuinkunst in de tijd van Peter de Grote: rapportage en advies t.a.v. voorstellen voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed projecten, in de Russische steden jaroslavl en St. Petersburg. Rhenen/Zeist, 2009. 28 p.
  • Carla en Juliet Oldenburger, ‘Hollandse tuinkunst in Rusland’ in: Cascade Bulletin voor tuinhistorie, jrg. 21 (2012), nr. 2, p. 7-42.

Dit boek lokt uit tot nader onderzoek op het gebied van de ontstaansgeschiedenis van de vroege 17de eeuwse buitenplaatsjes aangelegd in De Zijpe (drooggelegd in 1597), De Beemster (drooggelegd in 1612), De Purmer (drooggelegd in 1622), De Bijlmer (1627) en de Watergraafsmeer (1629).

Meer lezen?: * http://www.beemsterbuitenplaatsen.nl en * het boek Buitenplaatsen in de Purmer, van auteur Corrie Boschma-Aarnoudse. Wormerveer, 2016.

Het doksaal van de cunerakerk in rhenen

15 november 2019 was een bijzondere dag voor historisch geïnteresseerden in Rhenen. De avond stond in het teken van de restauratie van het vroeg-renaissance-doksaal in de Cunerakerk en de aanbieding van een boek over dit onderwerp.

Affiche met doksaal en doksaal op de achtergrond

Het eerste exemplaar van het boek, getiteld Het doksaal van de Cunerakerk in Rhenen en geschreven door Anton van Run (uitgave Stichting Matrijs, Utrecht) werd aangeboden aan wethouder Hans Boerkamp. Het boek ziet er prachtig verzorgd uit, met vele foto’s en uitleg van alle reliëfs, beelden en ornamenten.

Anton van Run. Het doksaal van de Cunerakerk in Rhenen. Utrecht, Stichting Matrijs, 2019

Anton van Run hield een voordracht voordat het boek overhandigd werd. Hij ging in op de betekenis van het doksaal als scheidingswand tussen het priesterkoor en het schip van de kerk en gaf uitleg over de betekenis van de reliëfs. Hieronder is op de volgende foto goed te zien dat het doksaal een scheidingswand is .

Duo Dolce Vita (Maurice Bonnemayers, piano en Lanneke Lie, dwarsfluit) verzorgde de muziek met intermezzi van J.S. Bach, Franz Schubert, Camilie Saint-Saëns en eigen werk van Maurice Bonnemayers.U kunt de restauratie van het doksaal steunen door onder meer lid te worden van de Vrienden van de Cunerakerk.

Het doksaal in volle glorie te aanschouwen tijdens concerten en natuurlijk tijdens kerkdiensten

Dit natuurstenen doksaal is uniek zowel voor Rhenen als voor Nederland. Uiteraard is het een rijksmonument, zoals de hele kerk. Erfgoed van wereldformaat dat wij in Rhenen mogen beheren.

VOEDESELBOSSEN

Het ‘voedselbos’ staat vol exoten, is dat wel slim?

(Artikel van Emiel Hakkenes. Overgenomen uit TROUW, 2 november 2019)

Nu er steeds meer voedselbossen komen, geeft de NVWA een waarschuwing af: veel van de vruchtbomen en eetbare planten zijn exoten. Die kunnen een risico vormen voor de inheemse Nederlandse natuur.

De ambities liegen er niet om: in het Brabantse Schijndel komt het grootste voedselproductiebos van Europa. Verdeeld over twee locaties, 20 hectare groot. Dat is de omvang van een bescheiden akkerbouwbedrijf. Maar het is dus een bos. Of eigenlijk: een bos en een akkerbouwbedrijf tegelijk. Een voedselbos is namelijk een landbouwmethode waarbij bomen en struiken eetbare producten leveren. Denk aan fruit en noten, maar ook eetbare bladeren, bloemen en scheuten. Een voedselbos functioneert biologisch als een bos, dus geheel op eigen kracht, zonder dat er mest of water wordt toegevoegd. Economisch gezien is het een vorm van landbouw: hier wordt eten geproduceerd.

De grond voor het Schijndelse bos wordt in pacht gegeven door het Groen Ontwikkelfonds Brabant, een BV van de provincie Noord-Brabant die optreedt als subsidieverstrekker voornatuurontwikkeling. Behalve pachtgrond geeft het fonds ook geld voor de inrichting en aanplanting van het voedselbos. Op de website van het fonds laat directeur Mary Fiers weten dat zij overtuigd is van de meerwaarde van een grootschalig, agrarisch voedselbos. “De voedselbossen zijn de hobby voorbij. Een voedselbos van de omvang zoals die in Schijndel wordt gerealiseerd moet op termijn winstgevend worden. Dit initiatief is wat ons betreft een mooi voorbeeld van ondernemende natuur. Met winst voor de biodiversiteit van het gebied en uiteindelijk ook winst voor de agrariër die het gaat exploiteren.”

Green Deal Voedselbossen

Het voedselbos in Schijndel is mede bedacht door ecoloog Wouter van Eck, pionier op dit gebied in Nederland. Zelf heeft hij een bescheiden voedselbos bij Groesbeek (onder Nijmegen), maar hij is ervan overtuigd dat het ook op grote commerciële schaal kan. 

Mede dankzij Van Eck bestaat er sinds vorig jaar zomer een Green Deal Voedselbossen, een convenant waarin onder meer provincies, ministeries, onderzoeksinstellingen en waterschappen beloven te werken aan een groter areaal voedselbossen in Nederland. ‘Voedselbossen vormen bij uitstek een voorbeeld van intensieve agro-ecosystemen waarbij economie en ecologie samengaan’, staat er in het document. De wens is om uiteindelijk te komen tot 25 duizend hectare voedselbos.

Temidden van al het optimisme valt evenwel een kritische noot te horen. Die komt van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die onlangs onderzoek heeft laten doen naar voedselbossen in Nederland. Welke bomen en planten worden daar zoal geplant? En wat hebben die voor effect op de omliggende natuur? Er blijken een kleine negentig voedselbossen in Nederland te bestaan. Verreweg de meeste zijn kleinschalig, in veertien gevallen wordt er serieus werk van gemaakt. In deze veertien ‘serieuze’ voedselbossen groeien 593 verschillende plantensoorten. De overgrote meerderheid daarvan is van uitheemse origine: ruim 80 procent van wat er groeit, is afkomstig uit Azië, Noord-Amerika en andere delen van Europa.

Dwergmispel

Is dat een probleem? Volgens de NVWA wel, want deze uitheemse soorten kunnen een risico vormen voor de natuur in de omgeving van het voedselbos. De geïmporteerde soorten kunnen zich verspreiden buiten het bos en dan inheemse soorten verdringen. Van de uitheemse soorten vormt volgens het onderzoek van de NVWA ruim twintig procent (het gaat dan om 104 verschillende soorten bomen of planten) een risico. Bij twaalf soorten die groeien in Nederlandse voedselbossen is dat risico zelfs ‘hoog’, volgens de onderzoekers. Het betreft bijvoorbeeld de klimaugurk, het erwtenboompje en de dwergmispel, maar ook de aardpeer, de rimpelroos en de cranberry.

“Die twaalf soorten met een hoog risico zou je moeten weren uit Nederland”, reageert Wilfred Reinhold. Hij is de drijvende kracht achter het Platform Stop Invasieve Exoten. Het platform strijdt – via bestuurlijke en juridische weg – voor behoud van de inheemse natuur in Nederland en de bescherming ervan tegen schadelijke soorten van buiten. Reinhold kijkt op van de bevindingen van het NVWA-onderzoek naar voedselbossen, zegt hij. “Ik had me niet eerder gerealiseerd dat er zoveel exoten in een voedselbos worden geplant. Ik vermoed dat het noodzakelijk is, omdat het bos anders economisch niet interessant is. Laten we wel zijn, het is uiteindelijk een verdienmodel. Maar meer dan 80 procent uitheemse soorten, is dat nou nodig?”

Botanisch armlastig Europa

Een deel van het antwoord geven de beheerders van de Nederlandse voedselbossen zelf. Zij zijn in het NVWA-onderzoek gevraagd om te motiveren waaróm zij voor bepaalde bomen en planten kiezen. Hoog scoren dan ‘goede smaak of hoge voedingswaarde’ en ‘goede kans van winteroverleving’ en ‘bijdrage aan de bodemkwaliteit’. Het laagst scoort ‘voorkeur voor inheemse soort boven uitheemse soort’.

Cranberries kunnen uit een voedselbos ‘ontsnappen’ naar de wilde natuur en daar inheemse soorten verdringen, waarschuwt de NVWA. Beeld Colourbox

Maar waarom hebben inheemse soorten zo weinig prioriteit? “Omdat Europa botanisch armlastig is”, zegt mister voedselbos Wouter van Eck. “Er zijn heel weinig inheems eetbare soorten. Veel van wat we tegenwoordig eten en als Hollands beschouwen, zoals de aardappel, de tomaat of de komkommer, is van oorsprong een exoot.”

“Ik vind dat een wonderlijke, bagatelliserende houding”, reageert Wilfred Reinhold van het Platform Stop Invasieve Exoten. “Het onderzoek toont aan dat er in de voedselbossen soorten groeien die een potentieel risico vormen. Als je niet oppast, kunnen die uitgroeien tot een invasieve exoot. In de Green Deal Voedselbossen staat expliciet dat er voor invasieve exoten geen plaats is. Merkwaardig, hoor.” Wouter van Eck zucht. Hij wijst op de nuance: “Potentieel invasief is niet hetzelfde als invasief.”

Kan een bosbeheerder iets doen om ervoor te zorgen dat een soort die een risico vormt voor de inheemse natuur niet uit het voedselbos ‘ontsnapt’? “Aanpakken en terugsnoeien”, zegt Van Eck. “Maar luister, zulk oversteken komt bijna nooit voor. We hebben het nagevraagd bij het oudste voedselbos van noordwest Europa. Er heeft zich vandaaruit nog nooit een soort verspreid naar elders. Ik vind het rapport van de NVWA erg overtrokken, paniekvoetbal.”

Hoge ambities

Het is juist heel goed dat de NVWA dit heeft laten onderzoeken, vindt Reinhold – die doorgaans uiterst kritisch is op de aanpak van uitheemse planten- en diersoorten door de voedselautoriteit. “Er bestaan hoge ambities voor voedselbossen, de bedoeling is dat het echt serieuze vormen gaat aannemen. Maar die voedselbossen komen in en bij bestaande natuur. Dan moet je heel goed opletten met de soorten die je daar aanplant.”

Van Eck blijft het een overdreven angst vinden, zegt hij. “Die zogenaamd riskante soorten kun je kopen in tuincentra, ze staan in parken en plantsoenen. Als hun aanwezigheid een probleem is voor voedselbossen, is het dat ook in de tuin van mijn tante of in het plantsoen van de gemeente. Vogels en insecten zijn juist blij met deze bomen en planten. Je moet geen heksenjacht op ze beginnen. Ik vind dat de NVWA de prille beweging van de voedselbossen ongenuanceerd de maat neemt.”

Voor Wilfred Reinhold is het menens. Hij vindt dat er moet worden opgetreden tegen invasieve exoten in het voedselbos. “Een belangrijke vraag is: als het in de Green Deal opgenomen verbod op aanplant van invasieve exoten niet wordt nageleefd, heeft men dan nog recht op subsidie? Ik ga dit volgen. Als de NVWA met de kennis uit dit rapport niet gaat handhaven, dan breng ik het zelf onder de aandacht.”

Hoe zien voedselbossen eruit?

Van de veertien ‘serieuze’ voedselbossen in Nederland komt het grootste, 30 hectare groot, in Flevoland als onderdeel van de Floriade in Almere in 2022. In tegenstelling tot het voedselbos in Schijndel krijgt dat in Almere geen bedrijfsmatig karakter. Een voedselbos bestaat uit beplanting in zeven verticale lagen, die ieder eetbare producten geven. Van boven naar beneden zijn dat:

1. Kruinen van grote bomen (bijvoorbeeld tamme kastanje)

2. Kleinere bomen en grotere struiken (bijvoorbeeld halfstam-fruitbomen)

3. Lagere struiken (bijvoorbeeld kruisbes)

4. Kruidlaag (bijvoorbeeld struisvaren)

5. Grondbedekkers (bijvoorbeeld aardbei)

6. Wortel- en knollenlaag (bijvoorbeeld aardamandel)

7. Klimplanten die zich door de andere lagen slingeren (bijvoorbeeld kiwi)

Riskante soorten

In het rapport ‘Risicobeoordeling van voedselbossen als introductieroute voor invasieve plantensoorten’ (dat de Radboud Universiteit Nijmegen, de stichting Floron en het Nederlands Expertise Centrum Exoten maakten voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) worden twaalf uitheemse plantensoorten genoemd die voorkomen in Nederlandse voedselbossen en die een ‘hoog risico’ vormen voor de inheemse natuur.

Dat zijn:

Akebia quinata (klimaugurk)

Caragana arborescens (erwtenboompje)

Cotoneaster franchetii (dwergmispel)

Euonymus fortunei (kruipkardinaalsmuts)

Helianthus tuberosus (aardpeer)

Lonicera japonica (Japanse kamperfoelie)

Lupinus polyphyllus (vaste lupine)

Populus alba (witte abeel)

Rhus typhina (azijnboom)

Robinia pseudoacacia (robinia)

Rosa rugosa (rimpelroos)

Vaccinium macrocarpon (cranberry).

Natuurdruk van Jacob Maris, 1870?

Boeketje rozen. Natuurdruk van J.H. Maris (?), 1870
(vergroot afbeelding om signatie goed te zien)

Dit is een natuurdruk gesigneerd door J.H. Maris en gedateerd 1870. Deze voorletters kunnen Jacobus Hendricus betekenen, de volledige naam van de schilder Jacob Maris (1837-1899) òf Johanna Hendrika Maris (1841-1924), de zuster van Jacob, gehuwd met de Fransman F. Troussard (inspecteur van de Parijse Gasmaatschappij) òf Johanna Hendrika Maris (1852-1924), de nicht van Jacob, gehuwd met Laurens Vogelesang, onze (bet)overgrootmoeder. Jacob werd genoemd naar zijn grootvader van moeders zijde, Jacobus Hendrikus Bloemert.

Jacob Maris was de neef van onze (bet)overgrootmoeder Johanna Hendrika Maris. Door deze familie-relatie beschikken wij over een aantal van deze natuurdrukken. De vader van de gebroeders Maris (Mattheus) en zijn broer (Johannes) waren beiden (meester)drukker bij boekdrukkerij Fuhri in Den Haag en hun kinderen konden om die reden waarschijnlijk gemakkelijk met een drukpers experimenteren. Vergelijkend signatie-onderzoek zal moeten uitwijzen of deze natuurdrukken nu van de hand van Jacob of van zijn zuster of nicht blijken te zijn. Mogelijk waren deze kunstwerkjes bedoeld als een cadeautje van Jacob aan zijn nicht Johanna Hendrika omdat zij voor het schilderij dat later bekend werd onder de titel ‘Breistertje op balkon in Montmartre’ (1869) model had gestaan (zoek elders in Berichten onder Breistertje).

Rembrandt en zijn Spaanse tijdgenoten in het rijks. verassing: DE VILLA MEDICI IN ROME

Vanmiddag (11-10-2019) was ik in het Rijks om de schilderijen van Rembrandt (en zijn Spaanse tijdgenoten) te bekijken. De tentoonstelling is thematisch opgezet, d.w.z. de schilderijen worden in paren per thema (o.a. geloof, rijkdom, macht, liefde) gegroepeerd, meestal in groepjes van twee (soms drie) bij elkaar. Veel schilderijen zijn tamelijk onbekend voor ons Nederlanders. In het Rijksmuseum missen Spaanse schilderijen uit de tijd van de protestante Rembrandt (1606-1669) en in het Prado missen Nederlandse schilderijen uit de tijd van de katholieke Diego Velazquez (1599-1660). Hoe kan dat? Tijdens de 80-jarige oorlog kocht men natuurlijk geen kunst van zijn vijanden!

Francisco de Zurbaran. Agnus Dei. Coll. Madrid, Museo del Prado

Hoewel Rembrandt en Velazquez elkaar niet hebben gekend, misschien zelfs nooit van elkaar hebben gehoord, is men voor de tentoonstelling de uitdaging aangegaan schilderijen (ook van beroemde tijdgenoten als Zurbarán, Ribera, Murillo, Joh. Vermeer, Frans Hals) met hetzelfde thema naast elkaar te hangen zodat wij bezoekers telkens twee of drie werken met dezelfde intentie goed met elkaar kunnen vergelijken.

In dit bericht wil ik slechts twee schilderijen laten zien met één thema, en dat is: “De juiste maat aanhouden, het beeldvlak zo in horizontale en verticale lijnen indelen dat een harmonisch maar spannend evenwicht wordt bereikt, en daarbij het buitenlicht op een bewolkte dag in alle grijstinten vastleggen zodat er een heel natuurlijke atmosfeer ontstaat -dat kunnen alleen de allergrootste meesters. Dat zijn Velazquez en Vermeer, al waren zij niet gespecialiseerd in buitenaanzichten.” Dit is de begeleidende museum-tekst van het onderstaande paar schilderijen.

Diego Velazquez. De tuinen van Villa Medici in Rome. Ca. 1630 of ca. 1650. Madrid Museo del Prado
Johannes Vermeer (1632-1675). Het straatje. 1658. Coll. Rijksmuseum Amsterdam

Het schilderij van de tuin van de Villa Medici in Rome heeft me bijzonder getroffen; het geeft zo’n realistische onderkomen toestand weer, aan het eind van de 80-jarige oorlog. Nu in onze tijd is het zicht vanuit de tuin op de terrassen (rechts) heel wat “schoner” dan in 1630, maar het is toch een wonder dat die terrassen en de poort onder die terrassen (even voorbij de obelisk rechts te zien) nog bestaan getuige deze laatste foto.

Nogmaals De Nieuwe Ooster en een borstbeeld van LEONARD SPRINGER

Vorige week maakte ik een uitstapje naar De Nieuwe Ooster omdat ik daar een tentoonstelling wilde zien in het Uitvaart Museum en ook zin had daar weer eens te genieten van de rust en goede sfeer op deze begraafplaats en de bijzondere bomen die de tuinarchitect Leonard Springer daar aan het eind van de negentiende eeuw geplant had. Aangezien ik eerder die middag de oude hortus op de Plantage Middenlaan had bezocht, was ik nogal laat en besloot dan eerst maar de tentoonstelling in het Uitvaartmuseum “Tot Zover” te bekijken. Ik kwam speciaal voor de knekelberg van Herman de Vries, die daar echter niet ‘in natura’ was te bewonderen, maar ‘op foto’ hing in de tentoonstellingszaal, aangezien deze berg niet verplaatsbaar is en zich in Vlaanderen bevindt. Heel bijzonder was hij wel.

Herman de Vries. Knekelberg. Part. Collectie. Foto Carla Oldenburger

In verband met de inzamelingsactie t.b.v. een borstbeeld van de tuinarchitect Leonard Springer (zie ook vorig bericht), wil ik hier nog eens nader ingaan op Springers betrekkingen met De Nieuwe Ooster. Leonard Antony Springer was een zoon van de bekende Amsterdamse historieschilder Cornelis Springer (1817-1891) en Geertrui ten Cate (1819-1902). Cornelis’ voorvaderen kwamen al generaties lang voort uit een Amsterdams geslacht van timmerlieden, aannemers en architecten. Zijn vader en ook zijn drie oudere broers Hendrik, Jan Cornelis en Willem (van 1858 tot 1890 opzichter Publieke Werken Amsterdam) waren allen architect en/of timmerman evenals Jan, de zoon van Willem. Cornelis was als kunstschilder dus het buitenbeentje van de familie, maar de onderwerpen die hij schilderde, hadden toch bijna altijd architectuur tot onderwerp. 

Cornelis kreeg van zijn oudste broer Hendrik les in bouwkundig tekenen en perspectiefleer en wist met die kennis zijn stads- en dorpsgezichten een realistisch aanzien te geven. Leonard kreeg op zijn beurt weer les van zijn vader en van zijn Oom Willem. 

In dit kunstzinnige milieu groeide Leonard op als kind in een gezin van zes kinderen, dat woonde op de Overtoom, vlakbij het Vondelpark, dat tijdens zijn jeugd werd aangelegd. Langs de Overtoom, waar in het verleden verschillende Amsterdammers zich een buitenplaats hadden laten bouwen, verliet men in die tijd de stad in de richting van Amstelveen en Sloten. Het gebied fungeerde als een schakel tussen de drukke stad en het aangename buitenleven. Ook Leonard wandelde samen met zijn vader en broers geregeld langs deze weg de stad uit en kwam dan thuis met planten en boomtwijgen in zijn botaniseertrommel. De financiën voor de aanleg van het park werden door de burgers zelf opgebracht en de familie Springer die zeer bij de ontwikkeling van de stad was betrokken, zal zeker aan dit initiatief hebben bijgedragen. 

In ieder geval is bekend dat de jonge Leonard sinds de aanleg van het park geïnteresseerd was geraakt in de totstandkoming ervan. Aangenomen wordt dat hij hierdoor enthousiast geworden is voor tuinarchitectuur, tuinbouw en bosbouw.
Op 15 juni 1865, toen Leonard 10 jaar oud was, werd het eerste deel van het toen genoemde ‘Nieuwe Park’ (ontwerp J.D. en L.P. Zocher) opengesteld. Jammer genoeg zijn er uit deze jaren geen catalogi van de kwekerij van de Firma Zocher en Co. bewaard gebleven, zodat we ons geen exact beeld kunnen vormen van de toegepaste soorten. Er zullen echter niet veel exoten zijn geplant, daar de ondergrond van laagveen hier niet geschikt voor was. Na zijn lagere en middelbare schoolopleiding koos Springer voor de nieuw opgerichte tuinbouwschool ‘Linnaeus’ aan de Middenweg in de Watergraafsmeer, die hij van 1871-1874 heeft bezocht. ‘Linnaeus’ was gevestigd op de buitenplaats Frankendael en was eigenlijk een handelskwekerij met een opleiding voor boomkwekers. Onderwijs in tuinarchitectuur en evenmin in bosbouw bestond toen nog nergens in Nederland. Wilde men zich bekwamen in deze vakken, dan was zelfstudie de enige weg. Door het meedoen aan prijsvragen en het geven van ongevraagde adviezen heeft Springer langzaamaan een plaats in de wereld van de tuinarchitectuur en bosbouw verworven. 

Ontwerp De Nieuwe Oosterbegraafplaats / Leonard Springer, 1889. Coll. Bibliotheek Wageningen UR, Afd. Speciale Collectie. Links boven op de plaats waar geschreven staat “Oud Roosenburch”, is nu het Uitvaartmuseum “Tot Zover”

 Zijn eerste prijsvraag-ontwerpen (uitgeschreven door de gemeente Amsterdam in 1888 en 1890) betroffen ‘De Nieuwe Oosterbegraafplaats’ en het ‘Oosterpark’, beide gepland in de Watergraafsmeer. Voor de Nieuwe Oosterbegraafplaats werden door de gemeente naast Springer ook H. Copijn, L.J. Ritter en de firma J.D. en L.P. Zocher uitgenodigd. De Zochers zagen af van deelname. De locatie in de Watergraafsmeer was een voordeel voor Springer omdat hij al in deze polder had gewerkt. Hij had immers op ‘Linnaeus’ ervaring in het boomkwekersvak opgedaan en wist precies welke bomen en andere houtige gewassen hier goed zouden kunnen aanslaan.
Springer deed aan beide prijsvragen mee en heeft ook beide gewonnen. De ‘parken’ werden door Springer ontworpen in de ‘gemengde’ of ‘late’ landschapsstijl. Gebogen paden, harmonieus gecombineerd met boom- en heestergroepen en solitaire bomen op karakteristieke zorgvuldig uitgezochte plaatsen bepalen de grote lijnen in deze stijl. Enkele kleinere rechtlijnige parkdelen worden met deze natuurlijke lijnvorming samengevoegd. 

 We gaan ervan uit dat de jury Springer’s beide ontwerpen heeft uitverkoren vanwege zijn stijlopvattingen, zijn aanpassingen aan de vlakke polder-omgeving en zijn deskundige beplantingsadviezen. Toch had hij nog een streepje voor. Oom Willem Springer was in die jaren assistent-stadsarchitect Publieke Werken van de gemeente en zal zeker zijn invloed hebben doen gelden. 

In Amsterdam heeft Springer door de aanleg van (het eerste deel van) de Nieuwe Ooster en het Oosterpark bekendheid gekregen. In vakkringen rees zijn ster doordat hij mede-oprichter was van de Bond van Nederlandsche Tuinarchitecten (1922) en de Nederlandsche Dendrologische Vereniging (1924). 

Tegenwoordig wordt de Nieuwe Ooster een arboretum genoemd, dat wil zeggen dat hier op deze plek veel verschillende soorten bomen groeien, zowel loofbomen als naaldbomen. De wandelaar wordt telkens weer verrast door zonbelichte en/of donkerbladige bomen, door solitaire naaldbomen en door stammen, bladeren, bloemen en vruchten in alle vormen en kleuren. De oorsprong van deze verscheidenheid is te danken aan de tuinarchitect en dendroloog Leonard Antony Springer, die zijn grote dendrologische kennis ter beschikking stelde aan deze prachtige bomentuin met vreedzame rustplaatsen voor velen. 

Informatie en schenkingen: denieuweoosterbomenpark.nl

sponsoring borstbeeld leonard springer

Springer Sponsor Roadtrip

In het kader van de inzamelingsactie ten behoeve van het plaatsen van een bronzen beeld van de heer Leonard Anthony Springer op De Nieuwe Ooster kunt u zich inschrijven voor een unieke Springer Roadtrip.

L.A. Springer ontwierp in Amsterdam-Oost twee bekende groenprojecten, namelijk De Nieuwe Ooster (Begraafplaats) en het Oosterpark. Ook de buitenplaats Frankendael was voor hem vertrouwd terrein, omdat hij daar op de bekende tuinbouwschool ‘Linnaeus’ had gezeten, van 1871-1874. In 1873 maakte hij een gedetailleerde plattegrond van die buitenplaats. Lees meer….

Op 2 november (en eventuele volgende nog bekend te maken data) wordt u per (9-pers) bus vervoerd vanaf De Nieuwe Ooster naar diverse locaties in Noord Holland, die naar tuinen, parken of begraafplaatsen leiden die Springer heeft ontworpen en aangelegd. In ieder geval bezoeken we ook de begraafplaats in Bloemendaal.. Behalve dat hij deze begraafplaats heeft ontworpen heeft hij hier ook zijn laatste rustplaats.
Onderweg krijgt u informatie en wordt u koffie/thee met wat lekkers en een lunch aangeboden. Aan het eind van de middag wordt u weer keurig naar De Nieuwe Ooster gebracht.

Deze geheel verzorgde dag wordt u aangeboden voor het sponsorbedrag van € 100,-
De eerst tripdatum is gesteld op zaterdag 2 november. We vertrekken om 9.30 uur vanaf de parkeerplaats van De Nieuwe Ooster aan de Rozenburglaan en hopen rond 16.00 uur weer terug te zijn. Aan de hand van de hoeveelheid aanmeldingen kunnen meerdere trips ingeroosterd worden. 
U kunt uw sponsorbedrag overmaken op rekening NL76 INGB 0003 6991 05 t.n.v. stichting Arboretum De Nieuwe Ooster.

U kunt zich voor deze trip inschrijven via een formulier, dat u kunt vinden op denieuweoosterbomenpark.nl/springer-sponsortrip/

Verder is op woensdag 9 oktober in de aula van De Nieuwe Ooster een bijeenkomst vanwege het 125 jaar bestaan van het park. Op die middag wordt een boekje uitgereikt met interviews over de mensen van D(e) N(nieuwe) O(oster). Het kleibeeld van Springer wordt dan ook tentoongesteld met een verwijzing naar onze geldinzamelings-acties.

picturalisme in de fotografie

FOTOGRAFIE WORDT KUNST is de titel van een nieuwe tentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag (Stadhouderskade 43, naast het Gemeentemuseum). Duur t/m 8 december.

Voorbeeld van een ‘picturalistische’ kunstfoto: Achtergrond Vredespaleis. Coll. Fotomuseum Den Haag

De tekst die het museum op Internet erbij levert legt uit wat Picturalisme in de fotografie betekent en waar het vandaan komt: “Al snel na de uitvinding van de fotografie in de 19e eeuw ontstaat bij de fotografen de drang om niet slechts de werkelijkheid vast te leggen, maar de concurrentie aan te gaan met de beeldende kunst. In Nederland nemen de zogenaamde picturalisten de thematiek en composities over van de schilderkunst. Zij keken zowel naar de zeventiende-eeuwse genrekunst als naar de landschappen van de Haagse School. Het is dit picturalisme waartegen Piet Zwart zich later met zijn Nieuwe Fotografie afzet. Maar de scheidslijn tussen de beide stromingen in Nederland is niet zo scherp als lang wordt gedacht. De typische kenmerken van de Nieuwe Fotografie, zoals verrassende uitsnedes, geometrische composities en bewegingsonscherpte werden al eerder door kunstfotografen toegepast. De tentoonstelling Fotografie wordt Kunst. Photo-Secession in Holland vertelt het verhaal van deze vroege Nederlandse kunstfotografie en laat zien dat het onderscheid tussen picturalisme en Nieuwe Fotografie geen harde grens is, maar een graduele overgang.”

De aankondiging van deze tentoonstelling maakte bij mij een gevoel van vertrouwdheid wakker. Het geval wil dat een van de hobbies van mijn vader (Jan Ebbers jr. 1906-1977) was fotograferen, liefst geen kiekjes, ook al werd hij door de familie daar juist toe aangespoord, maar kunstfoto’s. Hij heeft er niet veel gemaakt, want hij werd al gauw te veel in beslag genomen door zijn andere hobbies, zoals botanie en ornithologie, oftewel planten verzamelen (in zijn botaniseer-trommel) en vogels spotten, vaak in een bootje op een van de plassen rond Amsterdam (Loosdrechtse Plassen, Maarsseveense Plassen, Vinkeveen, Kortenhoef, Naardermeer, Nieuwe Meer).

Jan op de fiets op weg naar Loosdrecht/Maarsseveen. Fotograaf onbekend, Ca. 1930
Blikken Botaniseertrommel om verzamelde planten mee naar huis te nemen voor onderzoek

Een foto-album (aangeschaft bij zijn fotozaak DE AMATEUR, P.C. Hooftstraat 66, Amsterdam) bevat naast de familie-kiekjes 10 geselecteerde kunstfoto’s, waar hij bijzonder trots op moet zijn geweest. Waarom? Omdat, als je goed kijkt, al deze foto’s op de hoeken punaise-gaatjes vertonen en hij ze dus waarschijnlijk thuis aanvankelijk ergens had tentoongesteld.

Hieronder volgen eerst de 10 geselecteerde landschapsfoto’s. Ik heb ze niet bewerkt en ik houd de volgorde aan zoals ze in het album zijn ingeplakt. Schrik niet, het lijkt soms of ze een beetje bewogen zijn, maar het beeld moet juist een beetje impressionistisch lijken.

1. Plassen-landschap met boerderij, 2 hooimijten en bruggetje. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
2. Paard in weiland. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Jan Ebbers werkte later (vqnqf 1945) bij een Paarden- en Rundvee-Verzekeringsmaatschappij. Was dit een voorbode, liefde voor paarden en koeien? Zie ook volgende foto. Bovenaan foto de punaise-gaatjes
3. Zondagochtend bij Maarsseveen. Dit is de enige foto met ondertiteling. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie opmerking bij vorige foto
4. Vondelpark Amsterdam? Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie op de vier hoeken de punaise-gaatjes
5. Melkbussen op een steiger. Kortenhoef? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
6. Steigertje aan grote plas. Loosdrecht? Foto Jan Ebbers, ca. 1930
7. Waterkant aan grote plas. Foto Jan Ebbers, ca. 1930. Zie ook hier de punaise-gaatjes
8. Koeien weiden aan een plas. Molen op de achtergrond. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
9. Gezicht over riet en waterlelies. Foto Jan Ebbers, ca. 1930
10. Waterranonkel of Ranunculus aquatilis. Foto Jan Ebbers, ca. 1930

Welke foto vind ik nu de mooiste? Moeilijk kiezen. De meest impressionistische is misschien nr. 8, Koeien weiden aan een plas. Ook nr. 3 Zondagochtend bij Maarsseveen geeft door de afdruk in chamois een impressionistisch dromerig beeld. Ik moet bij deze koeienfoto’s ook direct aan Willem Maris denken, een oudoom van mijn vader.

Het moge duidelijk zijn, Jan Ebbers was meer een romanticus en een dromer dan een realist. Iedere keer een wonder dat iemands karakter zo in de kunst tot uiting kan komen.

Tot slot 2 foto’s uit 1929 waar hij met dezelfde uitgangspunten mijn moeder (Maria Catharina Jeanette Amse, 1908-1978) heeft gefotografeerd. Deze foto’s zitten in een ander album en horen duidelijk niet tot de voorgaande landschapsreeks.

Maria C. J. Amse (21 jaar) in jurkje van Hirsch & Cie., haar lievelingswinkel? Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929
Maria C.J. Amse (21 jaar). Foto Jan Ebbers, tijdens vacantie in Castricum, augustus 1929

Al met al een mooie serie foto’s die ik ontdekte dankzij de zojuist geopende fototentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag.