Categorie archief: Landschap

Haagse en Leidse buitenplaatsen, wie wat waar?

front_haagseleidsebuitenplaatsen_lr

Haagse en Leidse buitenplaatsen: over landelijke genoegens van adel en burgerij. Heemstede 2016. Auteur René Dessing. Vandaag eerste exemplaar aangeboden aan de Commissaris van de Koning van Zuid-Holland.

(tekst gedeeltelijk overgenomen van uitgever Kantoor Verschoor Bookmakers): Het boek behandelt de buitenplaatsen in de wijde omgeving van Den Haag en Leiden, die tussen de 17de en 20ste eeuw gesticht zijn door adel, kooplieden, ambtenaren en wetenschappers om er in de zomer te genieten van het buitenleven. René Dessing brengt deze rijke lustoorden van weleer opnieuw tot leven en nodigt de lezer uit ze vooral te bezoeken.

Het boek geeft een overzicht van circa veertig buitenplaatsen in Zuid-Holland, vooral in de driehoek Den Haag-Wassenaar-Leiden, maar ook langs de Vliet, in Warmond en de Bollenstreek. Samen bieden ze meeslepende verhalen over rijkdom, macht, architectuur- en tuingeschiedenis, maar ook over ziekte en dood, faillissementen en oorlogsgeweld.

Ook wordt informatie verstrekt over wat je op deze buitenplaatsen kunt zien en doen. Sommige zijn als museum toegankelijk, bij andere kun je prachtig wandelen en weer andere organiseren activiteiten, van natuur- en tuinexcursies tot concerten en cursussen voor kinderen. En op een flink aantal kun je trouwen en feesten.

232 blz., € 19,95, rijk geïllustreerd,
ISBN 978 90 8258 930 6
Te bestellen via bol.com en de uitgever.

Een bespreking zal volgen als ik het boek ontvangen en gelezen heb.

Plan “Soestdijk Buitenplaats van Nederland” door naar Finaleronde

dsc_7221Het team “Soestdijk Buitenplaats van Nederland”

Drie plannen voor een nieuwe bestemming van Soestdijk zijn naar de Finaleronde, te weten “Nationaal Ensemble Soestdijk”, “Eden Soestdijk” en Made by Holland” . Ons bureau maakt als adviseur deel uit van het consortium “Nationaal Ensemble Soestdijk”. We zijn dus zeer verheugd dat we weer een stapje dichterbij de verwezenlijking van “ons plan” zijn gekomen. Zie onze eerdere aankondiging van 2 juni 2016.

Minister Blok heeft gisteren aan de Tweede kamer een brief gestuurd met de boven beschreven uitkomst . Deze drie plannen voldoen alle drie aan de kwalitatieve eisen die gesteld waren door het Rijk, de Provincie Utrecht en de gemeenten Baarn en Soest. In de laatste ronde telt alleen nog het bedrag dat de partijen bieden. Dit bod moet voor 28 april 2017 worden uitgebracht. Wie het beste bod doet mag Soestdijk kopen en starten met zijn plannen.

Zie onderstaand Persbericht van het Consortium “Nationaal Ensemble Soestdijk”.

0001
0002
0003

FILM EN BOEK ‘LEVENDE RIVIER’ MET LEZING RUBEN SMIT

(overgenomen van het programma van het Heerenstraattheater in Wageningen):

unknown-1

LEVENDE RIVIER MET LEZING RUBEN SMIT

Lezing Ruben Smit en Filmvertoning, Heerenstraattheater Wageningen, 1 november 2016, 19.30 uur

“IK VAAR VERDER RICHTING DE GREBBEBERG. ALS EEN ENORME TONG LIGT DE STUWWAL IN HET LANDSCHAP. LANGS WAGENINGEN, WAAR IK OOIT BEGON MET STUDEREN, OP WEG NAAR DE BLAAUWE KAMER. SINDS DE JAREN NEGENTIG BROEDT HIER EEN KOLONIE LEPELAARS. PRACHTIG SIERLIJK WITTE VOGELS DIE HUN NAAM DANKEN AAN HUN LEPELVORMIGE SNAVEL. EN RINGSLANGEN… MAAR VOORDAT IK DAAR KOM DUIK IK EERST IN DE WERELD VAN DE DODE BOMEN. RIJKSWATERSTAAT GOOIT NAMELIJK VLAKBIJ WAGENINGEN DODE BOMEN IN DE RIVIER WAAR OOK SCHEEPVAARTVERKEER LANGSKOMT.”

DE NIEUWSTE FILM VAN RUBEN SMIT, LEVENDE RIVIER, OPGENOMEN OA IN NATUURGEBIED DE BLAAUWE KAMER IN WAGENINGEN EN RHENEN. DE FILMMAKER IS DEZE AVOND AANWEZIG EN GEEFT EEN LEZING VOORAF AAN DE FILM.

KAARTEN VOOR DEZE VOORSTELLING KOSTEN € 12,50 INLCUSIEF EEN HAPJE EN EEN DRANKJE IN DE PAUZE.

FILMINHOUD
VAAR MEE MET DE MAN IN ZIJN KANO. OP ZIJN TOCHT DWARS DOOR NEDERLAND, VAN LOBITH TOT DE NOORDZEE. DE RIJN, ÉÉN VAN DE MACHTIGE ADERS DIE ONS NEDERLAND HEBBEN GEMAAKT EN GEVORMD. EEN LAND VAN WATER. DE RIVIEREN DIE ONS LAND DOORSNIJDEN ZIJN ZOVEEL MEER DAN ALLEEN EEN BAK MET WATER DIE SOMS VOL IS EN DAN WEER LEEG. HET ZIJN KRAAMKAMERS VOL MET LEVEN, MET ZONSONDERGANGEN EN ZONSOPGANGEN DIE JE HART DOEN OVERSLAAN EN MET EEN VERRASSING ACHTER ELKE RIETKRAAG. WAAR MENSENHANDEN HARD HEBBEN GEWERKT; NEVENGEULEN, OVERSTROMINGSVLAKTES, ONTPOLDERING. INRICHTINGSMAATREGELEN DIE VAAK VELE POSITIEVE EFFECTEN HEBBEN OP ALLES WAT GROEIT EN BLOEIT.

DE LEVENDE RIVIER IS EEN NATUURDOCUMENTAIRE WAARBIJ RUBIN SMIT TERUGGAAT NAAR DE PUURHEID DIE PAST BIJ ZIJN STYLE. SPELEND MET LICHT, SCHERPTE EN DIEPTE BRENGT HIJ OP ZIJN KENMERKENDE INTIEME WIJZE DE SCHOONHEID EN VERWONDERING VOOR DE NATUUR HEEL DICHTBIJ. RUBEN LEERT JE KIJKEN NAAR DE NEDERLANDSE NATUUR. LAAT JE ZIEN WAT JE ZELF NIET ZAG. DE GECOMPONEERDE HARPMUZIEK VAN ANNE VAN SCHOTHORST (HARP & SOUL) EN DE FILMBEELDEN VAN LEVENDE RIVIER HEBBEN ELKAAR GEVONDEN, ALSOF HET ZO HEEFT MOETEN ZIJN.

Bestelling boek en dvd, zie http://levende-rivier.nl

Alle leeftijden.

Ithaka Prijs bekend

(deels overgenomen van de website van skbl.nl):
Uitreiking SKBL- Ithaka Prijs 2016:
1000_1000_6000_9789087045920-pcovr-vdbroekehofwijck_cover_001lr-3kopie
Er zijn 2 winnaars voor 2016 bekend gemaakt (12 oktober op De Vanenburg in Putten). Het Ithakastipendium werd niet uitgereikt, zodat het geld dat hiervoor was gereserveerd naar een tweede geselecteerd boek kon worden doorgeschoven.

Gisteren vond de uitreiking van de Ithakaprijs en het Ithakastipendium 2016 plaats (beide groot € 5.000,-). De laatste werd niet uitgereikt omdat er dit jaar geen passende inzending was. Het stipendium werd doorgeschoven naar de prijs en daarmee was er ruimte voor twee winnaars:

* Kees van der Leer en Henk Boers namen de prijs in ontvangst voor het boek Huygens’ Hofwijck. De buitenplaats van Constantijn en Christiaan. Volgens de jury: ‘het mooiste boek en meest fascinerende verhaal’.

*Martin van den Broeke kreeg voor het boek Het Pryeel van Zeeland. Buitenplaatsen op Walcheren 1600-1820 alle eer.  Volgens de jury: ‘wetenschappelijk de meest diepgaande en gedegen studie’. Zie ook onze aankondiging van dit boek 23 mei jl.

Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven feliciteert beiden met hun wel verdiende prijs.

J’ørn Copijn en ‘Het groene goud: 50 jaar boomverzorging in Nederland’

Jørn Copijn (Copijn Bruine Beuk) viert dit jaar het 50 jarig jubileum als boomverzorger in Nederland. Om dit te vieren wordt 28 oktober 2016 een nieuw boek gepresenteerd, getiteld Het groene goud: 50 jaar boomverzorging in Nederland. Uitgever TasT Projecten voor Tastbaar Erfgoed.  ISBN 9789491229299. T/m 31 december 2016 geldt de introductieprijs van €29,95. Daarna kost het boek € 34,95. (exclusief €6,75 verzendkosten).
Hartelijk gefeliciteerd J’ørn en Lia.
inkijkexemplaar-het-groene-goud-1
Bijgaand enkele pagina’s uit het boek. Zo kunt u alvast een idee krijgen hoe het boek eruit gaat zien en wat er zoal in te vinden is en besproken wordt.

inkijkexemplaar-het-groene-goud-1

 

inkijkexemplaar-het-groene-goud-1

 

inkijkexemplaar-het-groene-goud-1

Beetsterzwaag, een parklandschap met bossen, boeren en adelshuizen

Statig Beetsterzwaag: parklandschap rond een Fries dorp

untitled

een nieuw boek dat 9 oktober a.s. verschijnt bij uitgeverij Matrijs in Utrecht. Het gaat over de geschiedenis van het landschap, de landgoederen, de grootgrondbezitters en het parklandschap van Beetsterzwaag en Olterterp, geschreven door Ronald van Immerseel en Peter Verhoeff.

Weet u wat het woord ‘zwaag’ eigenlijk betekent? Veeweide dus.

Het boek telt vijf hoofdstukken:

  • Ontstaan van het landschap
  • Opkomst van de landgoederen 1600-1800
  • een adelsdorp met grootgrondbezitters 1800-1875
  • Parklandschap Beetsterzwaag en Olterterp vanaf 1875
  • Beetsterzwaag en Olterterp: de ‘Parel van Opsterland’

    Het eerste hoofdstuk gaat uitvoerig in op de vroegste bewoners tijdens de ijstijden, de ontginningen en verkavelingspatronen in het gebied en de aanleg van wegen, reden, paden, waterwegen en vaarten.

    De geschiedenis van de landgoederen begint bij Martinus Fockens, grietman van Opsterland, die in 1616 zijn buitenplaats Fockens of Fockansstate stichtte. Ook Walrich is een vroeg-17de-eeuwse buitenplaats. Beetsterzwaag zelf is in de 17de en 18de eeuw vooral een boerendorp, met naast de ‘kleine’ boeren enkele welgestelde inwoners zoals de families Fockens en Van Teyens.

    images
    Fockensstate

    Rond 1800 veranderde de situatie en werd Beetsterzwaag een welvarend dorp met fraaie buitenplaatsen. Hier hoorde ook de aanleg van ‘moderne’ parken en tuinen bij. Ook de adel ontdekte Beetsterzwaag toen … “in 1778 de Gelderse edelman Rijnhard baron van Lynden trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens, die stamde uit een voorname burgerlijke familie. Geslachten als Van Harinxma thoe Slooten en Lycklama à Nijeholt kwamen door huwelijken met nazaten van het echtpaar Van Lynden-van Boelens in Beetsterzwaag terecht.” De buitenplaatsen Slot Boelens in Olterterp (inclusief de bosbouw) en Lauswolt komen in dit derde hoofdstuk uitgebreid ter sprake, naast het laat-opkomend toerisme.

    historie
    Lauswolt

     

    In het hoofdstuk ‘Parklandschap en Olterterp vanaf 1875’ komen  de vele veranderingen aanbod die de Beetsterzwaagster buitenplaatsen en landgoederen ondergingen: het kappen van bomen t.b.v. uitbreidingen en nieuwe bestemmingen etc., ook  nieuwe siertuinen.

    overtuin_lyndensteyn_beetsterzwaag
    Overtuin Lyndenstein

     

    In de ‘Parels van Opsterland’ wordt gesteld dat  er opvallend veel van de landschappelijke structuren bewaard is gebleven. Ook de sterke structuur van het landschap met zijn langgerekte kavels was hierbij van belang. Maar natuurlijk is ook veel verdwenen of onzichtbaar geworden. Hoopvol is “dat het bijzondere karakter en de maatschappelijke waarde van de landgoederen en het contact tussen landgoedeigenaren en de samenleving steeds vanzelfsprekender wordt, waardoor over en weer meer begrip ontstaat.”

    Een waardevol boek dat voor Beetsterzwaag weer nieuwe kansen biedt.

    Zie ook de cascade-weglog van 26 september 2016

Jan Weissenbruch: Waardhuis en waardsluis aan de Lek bij Elshout

Jan Weissenbruch schilderde omstreeks 1854 het landschap bij het waardhuis aan de Lek bij Elshout (Kinderdijk), een prachtig schilderij,  dat tot en met 8 januari te zien is op de tentoonstelling Jan Weissenbruch: De Vermeer van de 19de eeuw,  in het Teylers Museum.

image
Jan Weissenbruch, Aan de Lek bij Elshout, ca. 1854, olieverf op doek (coll. Teylers Museum)

De locatie is nog steeds te herkennen, alhoewel de wegen verhard zijn en verkeersborden, een lantaarnpaal en wegmarkeringen afleidend werken als je op weggaat om deze plek te vinden. Een waard (of weerd) is een oude naam voor vlak land in een rivierengebied. Waarden zijn ontstaan onder invloed van, en geheel of gedeeltelijk omgeven door, rivieren. De waarden worden tegen deze waterlopen beschermd door rivierdijken.

De huis-aan-huis-krant De Vonk vermeldde 4 november 2014 over het waardhuis Elshout:

‘Het Waardhuis is een rijksmonument in beheer van Waterschap Rivierenland en staat er al sinds de middeleeuwen. Het pand is in 1644 opnieuw gebouwd, door niemand minder dan Pieter Post, bekend van het Haagse Mauritshuis. In die tijd zorgde het toenmalige Waterschap De Overwaard samen met Waterschap De Nederwaard ervoor dat het gebied droog bleef. Sindsdien trokken de bestuurders per paard en wagen naar het prachtige pand met panoramisch uitzicht voor vergaderingen. Een behoorlijke tocht van ruim twintig kilometer, door het gebied van buurwaterschap De Nederwaard naar het einde van het Achterwaterschap waar het overtollige water in de rivier de Lek stroomt. Omdat de vergaderingen nog wel eens uitliepen was er ook een eetgelegenheid en waren er slaapvoorzieningen in de vorm van eenpersoonsbedden in acht logeerkamers. Vooral ‘De Fabriek’, zoals het hoofd van de technische dienst van een waterschap tot 1972 heette, heeft er het vaakst overnacht. Vandaag de dag is het pand, wat nog volledig in tact is, er voor ceremoniële doeleinden van Waterschap Rivierenland.’

Wie weet, misschien gaat het huis binnenkort wel gebruikt worden als Erfgoedlogies???

Als je goed kijkt of de foto van het schilderij vergroot (op de foto klikken), zie je dat er omstreeks 1854 hard gewerkt werd aan de verbetering van de sluis. Boven bij het huis staan mensen geleund tegen een hek naar de werkzaamheden te kijken. Op de tentoonstelling kan je lezen dat de figuren later zijn toegevoegd, vergeleken met een eerste studie in olieverf op papier door Jan Weissenbruch (coll. Gemeentemuseum Den Haag). Hij heeft ook de bewolkte hemel op de studie veranderd in een blauwe hemel om het schilderij wat aanlokkelijker te maken.

En omdat ons bureau ook in Rhenen is gevestigd, hierna een afbeelding van Jan Weissenbruch, van 1) de Grutterstraat (1850) en 2) de Kerkstraat (ca. 1875) in Rhenen. Zie voor meer informatie rkd.nl

f63734ecee1f90eb2da7a950e2b80c69793f10b750d1efc266c8ea647ab49045

fa2550b831266d8c8fbaa070ad15f4bcc8c71b767251b91e99750acac080f0a7

 

Kunst-Giraf in berenkuil Maastricht

Bezoek aan het historisch groen van Maastricht

Deze week (augustus 2016)  gingen we met de Adviseur Cultuurhistorie van de gemeente Maastricht, Servé Minis op stap. Ons gezamenlijke hoofddoel was het bezoek aan enkele tuinen en parken van de tuinarchitect John Bergmans:  de tuin bij de Lambertuskerk – interieur ook zeer de moeite waard – was weliswaar niet uitgevoerd maar de kerk lag wel ingebed in een prachtige ring van linden.

Ook de Bergmans’  tuinen binnen het complex van Klooster De Beyart kregen onze aandacht. Met de ontwerpen in de hand herkenden we wel enkele delen van Bergmans’ werk bij dit kloostercomplex, maar andere delen konden we alleen als de stijl van Bergmans bestempelen, omdat de bewaarde ontwerpen niet het hele tegenwoordige tuinencomplex besloegen.

IMG_0860
Vijver en muurtje met sproeier in de tuin van Klooster De Beyart (ontwerp: John Bergmans (?), foto: Carla Oldenburger)
IMG_0849
Heesterborder voor het muurrestant van de oude kloosterkerk, ingewijd in 1510 (foto: Carla Oldenburger)

Verder verkenden we de Jezuïetenwal (Jezuïtenpark langs de stadsmuur,  oorspronkelijk uit de 14de eeuw) met o.a. uitzicht op de berenkuil en de heemtuin van het Natuurhistorisch Museum Maastricht, oorspronkelijk daterend uit 1920 (naar ontwerp van Willem Sprenger), waar later in 1947 Mien Ruys haar sporen heeft nagelaten.

IMG_0872
Delen van plantensociologische groeperingen van Mien Ruys met buste van Jac. P. Thijsse (foto: Carla Oldenburger)

De terrassenaanleg, de plantensociologische groeperingen (met karakteristieke Zuid-Limburgse planten)  en de ommuring met ‘pergola’ worden haar toegedicht. Helaas geen ontwerp bekend, maar we blijven zoeken. Misschien nog iets te vinden bij de Heimans en Thijsse Stichting?

IMG_0867
De voormalige berenkuil, nu bewoond door Giraf en aaiend meisje, onderdeel van De Troostmachine van Maastricht (foto: Carla Oldenburger)

De berenkuil intrigeerde ons in hoge mate, helemaal als je weet dat de Maastrichtse bevolking is ingeschakeld bij het vinden van een nieuwe bestemming en als je ziet hoe de ‘kooi’ nu bevolkt is. Er is zelfs een boek geschreven over dit fenomeen. Zie Literatuur.

Ook bezochten we nog enige geslaagde herbestemmings-voorbeelden, zoals de bekende Dominicanenkerk ingericht als boekhandel; het Kruisherenklooster met speelse voortuin en hele bijzondere binnenplaats, omgebouwd tot designhotel; en het voormalig Gouvernementsgebouw met binnentuin nu in gebruik door de Faculty of Law UM. Geslaagde voorbeelden van tuinen aangepast bij herbestemming.

kruisheren_exterior
Kruisherenklooster met speelse voortuin naar ontwerp van Wil Snelder en binnenplaats met bijzondere kunstwerken
28448_986_485_FSImage_1_kruisheren_01
Binnenplaats Kruisherenhotel
1k0-1
Binnentuin voormalig Gouvernementsgebouw, thans Faculty of Law UM

Kortom een geslaagde en leerzame dag. Dank Servé.

Geraadpleegde en aanbevolen Literatuur:

  • Jac van den Boogard, Jim Evelein, Servé Minis en Jos Notermans, Ons erfgoed. Stadspark Maastricht, Maastricht 2012 (123 pp).
  • Nigel Harle (Natuurhistorisch Museum Maastricht), ‘100 jaar plantentuin van het Natuurhistorisch Museum Maastricht. Deel 2: Naoorlogse jaren tot heden’ in: Natuurhistorisch Maandblad, jrg. 102, 11 (november2013), p. 317-324.
    N.B. deel 1 staat beschreven in september 2013, maar niet gezien.
  • Leon Minis, Natuur Historisch Museum Maastricht in: Natuurhistorisch Museum Maastricht. Maastrichts Silhouet 80, december 2012 (56 pp).
  • Servé Minis, De Halfautomatische Troostmachine van Maastricht, Maastricht 2002.
  • Eric P.G. Wetzels (directeur Centre Céramiqe en Natuurhistorisch Museum Maastricht),  ‘In memoriam Mevrouw dr. W. Minis-van de Geijn’ in: Natuurhistorisch Maandblad, jrg. 99, 1 (januari 2010), p. 18.
    N.B. Mw. dr. W. Minis-van de Geijn was conservator/directeur van het Natuurhistorisch Museum van 1939 tot 1947 en heeft ook na deze periode veel voor het museum betekend.

Waterval op Leyduin in 1816

Gisteren (3 augustus 2016) verscheen op de onvolprezen  websitepagina Librariana van Hans Krol een bericht over twee kunstenaars met banden met Heemstede, Pieter Bouman (1764-1828) en Albert Steenbergen (1814-1900). Naar aanleiding van dit bericht ging ik op zoek naar meer gegevens over Leyduin en haar cascade, maar lees vooral eerst het bericht op Librariana.

De Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998) geeft een korte beschrijving van de historie van de buitenplaats Leyduin (met enige correcties aangevuld door Gert de Kruif):

‘Leyduin en Vinkenduin vormen samen met Woestduin een aaneengesloten complex van buitenplaatsen op de overgang van de strandvlakte naar de duinen. Leyduin is voor het eerst vermeld in 1596 en was oorspronkelijk een hofstede met boomgaarden eromheen. In 1798 werd de plaats beschreven als een park met een hermitage (kluizenaarshut) op een heuvel, een beek, een cascade (waterval, aangelegd in 1759), een menagerie en een vinkenhuis, boomgaarden en moestuinen.

bouman3
Pieter Bouman (1764-1824), De waterval op Leyduin, 1816 (coll. Antiquariaat A. van der Steur, Den Haag)

Van deze oudste aanleg dateren nu nog de neogotische hermitage (afgelopen decennium hersteld) en de grenspalen uit 1701 met de naam Johan van Romswinckel, die thans bij de oprit naar het huis staan. Ook het nog gave lanenstelsel met enorme beuken vormde een onderdeel van de toenmalige aanleg. Het oude herenhuis op Leyduin  werd in het begin van de negentiende eeuw afgebroken. In 1874 werd een nieuw huis gebouwd dat in 1920 echter zo ongeschikt voor bewoning werd geacht, dat ook dit in 1921 werd afgebroken. Uit die tijd resteren nog wel een koetshuis en koetsiers- en tuinmanswoningen.

Tot 1900 liep een duinrel, een afwatering vanuit de duinen, door de beek en over de cascade op Leyduin. Het water was bestemd voor de drinkwatervoorziening van Amsterdam. Toen er waterleidingbuizen gelegd werden, zijn de beek en de cascade drooggevallen.

Nadat  ook het nieuwe Vinkenduin was afgebroken, werden op beide delen nieuwe huizen gebouwd naar ontwerp van architect A.de Maaker, Leyduin in 1921 en Vinkenduin in 1924. De tuinarchitect L.A. Springer ontwierp de aanleg bij beide huizen. Vinkenduin werd gekarakteriseerd door een zicht vanuit het huis in west-zuidwestelijke richting naar de duinen. Het dankt zijn naam aan de vinkenbaan die hier in 1752 werd aangelegd. Hier ving men vinken die gebruikt werden voor aarden wallen, die een veldje met lindebomen omsluiten. Een vinkenhuisje stond aan de vinkenbaan en is begin 20ste eeuw vergaan.

Het gebied is zeer rijk aan broedvogels en kent een uitgebreid scala aan stinsenplanten, met onder meer gevlekte aronskelk, wilde hyacint, wilde narcis en bosanemoon. De half in de grond gelegen appelkelder is in 1980 gerestaureerd en is nu een geliefde verblijfplaats van vleermuizen. In 1993 is het terrein rondom het huis gerenoveerd door de landschapsarchitect Victor van Boven.’

Beeklustpark Almelo gemeentelijk monument

Het Beeklustpark te Almelo en de gebouwen in en rond het park zijn aangewezen als gemeentelijke monumenten. Het gaat dan om het park, de stadsboerderij, het theehuis, het koetshuis en de woonboerderij Nieuw Engeland.

1280px-Eind_AA_weezebek

Op de website van sKBL (skbl.nl) is een uitstekende en uitgebreide beschrijving van het Beeklustpark en haar historie te lezen, hierbij overgenomen:

‘In het midden van de achttiende eeuw ontstonden rondom de stad Almelo een aantal complexen met lusttuinen tegen de achtergrond van de veel voorkomende wens van vermogende burgers, om een verblijf buiten de stad te hebben waar men in de vrije tijd met familie en vrienden kon vertoeven. Deze wens was mede ingegeven door het feit dat de hygiënische toestand in het kleine stadje erbarmelijk slecht was en de stank soms ondraaglijk werd, zoals de Almelose medicus J.W. Heppe reeds in 1785 meldde. Vandaar dat door inwoners die het zich konden veroorloven, royale tuin­complexen werden aangelegd met daarop een soort tuinhuis of een bouwwerk dat bijna voor een tweede woning zou kunnen doorgaan. De fraaiste tuinen lagen tussen het riviertje de Almelose Aa en de huidige Bornerbroeksestraat en gaven aan het gebied de bijnaam ‘Mennistenhemel’, omdat hier de leden van de Doopsgezinde Gemeente elkaars nabijheid zochten. Namen die hier nu nog aan herinneren zijn: Tuinstraat, Vijverstraat en Mennistenhoek.

Al naar gelang de wensen en financiële mogelijkheden kon men een buitenplaats met landhuis en uitgestrekte tuinen en parken aanleggen of moest men zich tevreden stellen met een enkele tuin, die men overigens wel smaakvol wist vorm te geven. Ingericht met vruchtbomen, heesters, een prieel en verlevendigd met visvijvers, koepels en theehuisjes waren het plekken waar men genoot van de knusse natuur en werden het uitingen van het geïdealiseerde landleven. Het was de plek waar de welgestelden van de Almelose burgerij in de zomer flaneerden in de deftige mode van die tijd en tijdens zwoele avonden het geluid van muziek, zang en dans zich vermengde met bloemen- en bloesemgeuren. Voor de gewone man leek het daar een aards paradijs, of zoals Ok­ker het in zijn boekje ‘Almelo vroeger en thans’ noemde ‘een soort hemel op aarde’.

De meer welgestelden kochten zelfs een groter stuk grond om er een buitenplaats te vestigen. Zo ontstond ook het ‘Beeklust’ aan de Nieuwe Graven dat qua omvang wel de grootste van allen was. Het waren ook doopsgezinde ondernemers zoals Hofkes, Coster, Bavink en Ten Cate die toen de basis legden voor de latere textielnijverheid in Almelo.

Een buitenplaats ontstaat. In 1777 kocht Egbert Coster van gravin Sophia van Rechteren ten overstaan van de Rigter Stein, rentmeester Staggemeier en de burgemeesters, Warnaar Hoben, Harwig en Joh. Revius, in de heerlijkheid Almelo een ‘toeslag’ grond ‘soo als deselve is gelegen tegenover de Hongerigen Wolf (nu theehuis Beeklust) bij Nije Gravens Brugge langs de vaart gelegen’. Coster kwam in het bezit van het grondstuk omdat zijn bod van 620 gulden slechts drie gulden hoger was dan dat van de familie Schimmelpenninck die er ook belangstelling voor toonde. Hij was gehuwd met Elisabeth ten Cate en woonde ‘Op de Plas’, het stadsdeel tussen Molenstreng en Hofstraat.

Als voorwaarde bij de verkoop werd vastgelegd dat de beplanting niet ten nadele van de rivier mocht zijn omdat deze als ‘vaart naar Swol’ een belangrijke functie had voor de scheepvaart. Datzelfde jaar kocht Coster voor 10 ducaten van Huize Almelo ook nog een uitdrift voor de op het grondstuk gevestigde boerderij. Hierdoor mocht men voor het vee van de omliggende gemeenschappelijke weidegronden gebruik maken. Op het grondstuk bouwde hij een eenvoudig driebeukig landhuis dat waarschijnlijk voornamelijk dienst zal hebben gedaan als verblijfplaats bij jachtpartijen of voor kortstondige verblijven. De aanleg is reeds kort na de aankoop tot stand gekomen, want op de kaart van Hottinger uit 1783 staat de buitenplaats reeds afgebeeld met de beide vijvers en de aanleg van de siertuin. Tussen de kaart van de landmeter C. Stemberg die hij omstreeks 1800 in opdracht van Coster vervaardigde en de kadastrale situatie in 1832 zijn weinig wijzigingen te zien.

Parkontwerp

De buitenplaats bestond uit drie onderling door lanen gescheiden delen. De lanen kenden een enkele laanbeplanting en werden begeleid door sloten. Aan de zijde van de Ledeboerslaan lag een omgracht terrein met aan de zuidzijde het landhuis. Binnen deze gracht lag een geometrische met paden doorsneden siertuin. De meest zuidelijke compartimenten bezaten een parterre de broderie, de anderen waren grasparterres. De ingang naar de buitenplaats lag op de huidige plaats tegenover het theehuis Beeklust, de beide poortpijlers waarvan het ijzeren hekwerk uit een latere periode stamt zijn nog beide aanwezig.

In 1814 werd het complex nog verder uitgebreid door de aankoop van een aangrenzend stuk groenland dat eigendom was van Hendrik Hagedoorn. Hierdoor was Coster verzekerd van de mogelijkheid om een rechtstreekse aansluiting te kunnen maken op de nieuwe Wierdensestraatweg waarvoor de plannen rond deze tijd ontstonden. De bij het landhuis behorende boerderij was van oorsprong een dubbeleggig woonhuis met de naam ‘Nieuw Engeland’, een bouwvorm die kenmerkend was voor de omgeving van Almelo. De huidige boerderij stamt uit 1926. Gezien de aanleg van het terrein, waarin twee langwerpige vijvers tussen het bouwland zijn uitgespaard, valt het niet uit te sluiten dat Coster dit deel van het complex benutte als bleek. De beide vijvers stonden in open verbinding met de Molenbeek (nu Weezebeek) en de Nieuwe Graven. De aansluiting van de vijver die met de Weezebeek in verbinding stond werd ook gebruikt als haventje.

Mogelijk werd hier turf aangevoerd dat voor verwarming diende en kon vanuit dit haventje op eendenjacht worden gegaan. Met enig speurwerk kan men dit nu nog in de huidige terreinsituatie terugvinden. Of Coster ook de bedoeling had om de linnennijverheid -bleeken en verdere bewerking- hier ooit uit te breiden is niet bekend, maar uitgesloten is dit niet gezien de oppervlakte die hij ter beschikking had. Het aan de Weezebeek grenzende deel van het complex werd in 1817 in het kadastrale register nog aangeduid als ‘akkermaalsbosch’, hieruit betrok men de brandstof (takkenbossen) voor de bakoven.

Het is niet bekend wie de oorspronkelijke aanleg van de buitenplaats heeft uitgevoerd. Er is wel eens verondersteld dat de Gildehauser landmeter J.I. Schrader die omstreeks 1772 in de directe omgeving van het buiten karteringswerk verrichtte en ook het sterrenbos van Borgbeuningen had ontworpen hier ook het ontwerp voor leverde. Maar zolang hiervoor het echte bewijs ontbreekt is het niet historisch verantwoord dit ook als vaststaand aan te nemen.

De oorspronkelijke beplanting is tevens bekend; de huidige lindenlaan achter de vroeger huisplaats was destijds eveneens met linden beplant, terwijl de in de bocht van de Nieuwe Graven gelegen laan bestond uit beplanting met eiken.

De nieuwe inrichting. De buitenplaats bleef tot aan 1894 eigendom van de familie Coster. De laatste bewoners van dit geslacht waren twee ongehuwde broers, Egbert en Herman Coster, die vanwege hun zeer sobere levenswijze de bijnaam ‘Mennistenmonniken’ droegen. Volgens de Almelose historicus G.J. Eshuis is de aanleg op dat moment inmiddels sterk achteruitgegaan en was van de vroegere allure die het buiten ooit bezat weinig meer over.

De nieuwe eigenaar werd de bankier Helmich Ledeboer, die de buitenplaats ingrijpend veranderde. Er werd een in chaletstijl ontworpen landhuisje gebouwd en de inrichting van het park kreeg in 1904 een vereenvoudigd landschappelijk karakter naar een ontwerp van Hugo Poortman. Hierbij verdween ook de geometrische aanleg rond het huis, deze werd omgevormd tot een met gras begroeide open ruimte waarin enkele solitairen maar ook boomgroepen werden geplaatst. De voorheen strakke vijvers werden veranderd door de oevers een gebogen vorm te geven, waardoor ze beter in de landschappelijke aanleg pasten. Er ontstond door de nieuwe aanleg een diverse afwisseling in de ruimtebeleving van een grootschalig ruimte en kleinschalige besloten elementen. Door zichtlijnen te creëren met het omringende landschap leek het net of het park groter scheen dan het in werkelijkheid was.

Of het ontwerp verder ook in zijn geheel werd uitgevoerd is niet bekend. Maar omdat enkele vroegere elementen gehandhaafd bleven die eigenlijk niet stroken met de visie over landschappelijke aanleg, b.v. de lindenlaan, zou men kunnen aannemen dat om de een of andere reden het ontwerp van Poortman niet volledig is gerealiseerd. Hugo Poortman volgde een opleiding bij Edouard André in Parijs. Voor diverse adellijke opdrachtgevers heeft hij parken ontworpen of heringericht, waaronder Weldam, Twickel, Middachten en Warmelo.

Beeklust wordt Slooplust. Toegangshek BeeklustVanaf 1949 werd het landhuis verhuurd aan de heer C. Post, directeur van de voormalige Twentsche Bank. Nadat het gehele complex in 1960 door de familie Ledeboer werd verkocht aan de gemeente Almelo woonde tot de sloop van het huis in 1975 hier de familie Ezendam. Deze sloop stuitte op grote weerstand onder de Almelose burgerij. Ook deed de Bond Heemschut te elfder ure nog een poging om het huis te behouden, maar tevergeefs. Op 15 juli 1975 lag het geheel plat. De plaatselijke pers veranderde de naam ‘Beeklust’ in ‘Slooplust’. De Rijksdienst Monumentenzorg betreurde de gang van zaken omdat het landhuis enkele jaren later ongetwijfeld op de monumentenlijst zou hebben gestaan. Reeds in september 1975 zou er zelfs een bedrag beschikbaar komen voor restauratie van de D.A.C.W. uit de pot ‘herstel landhuizen’ in het kader van de werkloosheidsbestrijding, maar het initiatief hiertoe had dan van de gemeente uit moeten gaan, maar die had andere plannen.

De gemeentelijke plantsoenendienst maakte een nieuw inrichtingsplan voor het park waarbij vele oude elementen voorgoed verdwenen en het karakter van het park sterk veranderde. Alleen de beide oude poortpijlers bleven bestaan en herinneren nog aan de oude buitenplaats.

In de navolgende jaren gaat het park sterk achteruit als gevolg van verloedering en vandalisme, terwijl ook het gemeentelijk budget voor het noodzakelijke onderhoud van het park beperkt was. Ook de bouw van een muziekkoepel en het organiseren van concerten tijdens de zomermaanden bracht hierin geen verandering.

Grand Canal. De situatie bleef niet onopgemerkt bij de heer E. ten Cate, bewoner van het nabijgelegen landgoed ‘Bellinckhof’, die in 1997 met een aanbod bij de gemeente komt om het park over te nemen en een gefaseerd restauratieplan te laten opstellen. Sinds hij zelf de Bellinckhof bewoont, heeft hij veel achterstallig onderhoud op het landgoed weggewerkt, en weet hij dus waar hij het over heeft. Hij dient een plan in bij de gemeente Almelo voor een ingrijpende revitalisering van het park waarbij er naar gestreefd diende te worden dat kenmerkende kwaliteiten van de verschillende periodes als uitgangspunt zouden worden genomen, waarbij een zekere vrijheid kon bestaan in de keuze van de elementen en de combinatie die ermee werd gemaakt. Dit plan vormde de basis voor een uitvoerig aanvullend rapport dat werd samengesteld door het Bureau voor historische tuinen, parken en landschappen te Wageningen. Ruim twintig punten bevatte het rapport die er uiteindelijk aan zouden moeten bijdragen dat het Beeklustpark een voor Almelo en wijde omgeving unieke recreatieve locatie zou worden en blijven met het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle karakter.

MuziekkoepelVanaf 2002 kwam het beheer van het park in handen van de Stichting Renovatie Beeklustpark. Dit plan werd vervolgens door de stichting uitgevoerd. Hierbij bleef de belangrijke recreatieve functie van het park gehandhaafd en zo mogelijk uitgebreid. Het bestaande lanenstelsel werd verbeterd en het achterstallig onderhoud weggewerkt. Parallel daarmee werd een verjongingsplan opgesteld. Hierdoor veranderde de grote middenweide in een lig- en speelweide. Het gebruik van de muziekkoepel werd gecontinueerd en gestimuleerd waarbij het meer het karakter van een theaterzaal kreeg door een glooiing in het terrein aan te brengen. Ter plaatse van de lindenlaan werd het oorspronkelijke grand canal weer hersteld. Hiervoor moesten alle linden enige meters verplaatst worden. Aan het einde hiervan in de zichtas een verhoging waarop een koepeltje.
In 2009 waren deze werkzaamheden afgerond. In de nieuw gebouwde muziekkoepel vinden regelmatig zondagmiddagconcerten plaats.’