Categoriearchief: Groen Erfgoed

‘Fraeylemaborg: Verborgen schoonheid op Fraeylema’

Fototentoonstelling Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier

09 FEBRUARI 2019 T/M 19 MEI 2019
(overgenomen van https://fraeylemaborg.nl)

Wat zijn er door de jaren heen veel foto’s gemaakt van de Fraeylemaborg! Een hele kunst om daar wat nieuws en origineels aan toe te voegen. Dat is fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier gelukt.
Vanaf 9 februari 2019 is er een bijzondere tentoonstelling van haar werk te zien in het Koetshuis van de Fraeylemaborg. Deze Amsterdamse fotografe is onder meer bekend door haar tijdloze zwart-wit foto’s van interieurs van Amsterdamse grachtenpanden. In 2014 verscheen haar geprezen publicatie ‘Verborgen schoonheid’, met foto’s uit de eeuwenoude huizen Van Brienen, Van Loon en Willet-Holthuysen.
Reden voor de Fraeylemaborg om deze fotografe uit te nodigen in Slochteren. De afgelopen twee jaar fotografeerde Marie-Jeanne in alle seizoenen de Fraeylemaborg, zowel binnen als buiten.
Ook hier werkte ze in zwart-wit, maar met haar Hasselbladcamera maakte ze nu ook warme verstorven kleurenopnames.

De verstilde foto’s in Amsterdam en in Slochteren laten een wereld van schoonheid zien, soms vol grandeur en andere keren heel eenvoudig. Soms gaat het om een doorkijkje in een fraai vertrek, soms om een detail van een kristallen glas, dan weer de lichtpatronen op een oude plavuizenvloer.
Marie-Jeanne fotografeert zonder kunstlicht en maakt gebruik van het steeds veranderende invallende (zon)licht. Urenlang wacht ze in een kamer op de juiste lichtval voor het maximale resultaat.
Een mooi voorbeeld is het 18de eeuwse marmeren beeld van een tuinnimf in de Grote Zaal van de Fraeylemaborg. In de korte tijd dat het zonlicht dagelijks op dit beeld valt maakte de fotografe close-ups waarbij je de poriën op de arm kan zien als bij een levend model.
Marie-Jeanne is een perfectioniste met oog voor detail. Kernwoorden van haar geheel eigen stijl zijn: soberheid, licht, schoonheid, verstilling en afgestemde kleuren. In de tentoonstelling zijn naast veel interieurs ook tijdloze stillevens te zien, onder de noemer “Contemplation”.

Zie ook https://marie-jeannefotografie.nl/

Wie is de architect van de buitenplaats Oud-Rosenburg in 1775 of in 1825 in Den Haag / Loosduinen?

Oud-Rosenburg, ook gespeld Rozenburg en eertijds bekend onder de naam Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag / Loosduinen is een buitenplaats, die sinds 1895 qua functie te vergelijken is met de buitenplaats Meer en Berg in Santpoort, in 1849 bestemd tot Provinciaal Ziekenhuis, beide psychiatrische inrichtingen. De gronden van deze instituten gaan evenals kloostergronden steeds meer onze aandacht vragen omdat de indeling van park en tuinen, na eerder te zijn afgedaan als onbelangrijk en volledig verkaveld en niet meer interessant, toch na meer dan honderd jaar soms (op detail) wel interessant blijkt te zijn. Zo ook kwamen huis en park van het Apeldoornsche Bosch, het vroegere Centraal Israelitisch Krankzinnigengesticht onlangs weer in de belangstelling door het overlijden van Eli Asser die in 1943 in dit Nazi-concentratiekamp te werk werd gesteld. Hier werkte de tuinarchitect K.C. van Nes vanaf 1909.

J.D.Zocher jr. was de architect van zowel het huis Meer en Berg als de aanleg eromheen, maar wie kan nu de architect van Oud-Rosenburg geweest zijn? Ik denk direct aan Zocher, maar ook andere architecten komen in aanmerking.

Huis Oud-Rosenburg. Foto Carla Oldenburger, 2019

In 1895 werd de buitenplaats en het landgoed Oud-Rosenburg door jonkheer Louis Pierre Quarles van Ufford verkocht aan het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen in Den Haag.

Prentbriefkaart Oud-Rosenburg. Ca. 1908. Foto H. van Noort  Coll. Haags Gemeentearchief. De ingangstrap is in deze tijd naar het linker portiek verplaatst

Het huis werd in 1775 gebouwd in opdracht van Mr. Johan François van Byemont (schepen van Den Haag) op de plaats van een boerderij die zich tot kleine herenboerderij ontwikkelde.

J.F. van Byemont als jager, geschilderd door Mattheus Verheyden (1700-1776). Part.Coll.

Vanuit het midden van het huis had men zicht over een ‘grand canal of zichtkanaal’. Mr. Hendrik Hooft (1676-1752) kocht het goed in 1721 van Byemont. Leden van het regentengeslacht Hooft bleven de buitenplaats precies honderd jaar bewonen totdat jonkheer Louis Quarles van Ufford huis en landgoed kocht in 1821. In zijn tijd vond een verbouwing plaats in neo-classicistische stijl, waarbij het huis aan de voorzijde werd verrijkt met de aanbouw van twee zij-veranda’s. In 1849 staat in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa te lezen: (Oud-) Rozenburg. Dit buiten bestaat uit heerenhuis, en daarbij behoorende getimmerten, bouwmanswoning, blekerij en woonhuis, vijvers, wei-, hooi- en teelland, jagt en visserij…

Vóór de neo-classicistische verbouwing in de tijd van Quarles van Ufford werd het rechte zichtkanaal vóór het huis (zichtbaar op een anonieme tekening van 1804) veranderd in een enigszins slingerende vijver die aansluiting kreeg op de Haagvaart, om zo het park een landschappelijk aanzicht te geven. Deze slingerende waterpartij die in ieder geval van 1818 of eerder stamt, is nog steeds aanwezig hoewel niet direct zichtbaar. Zie de hieronder afgebeelde Google Earth-foto en het daaronder afgebeelde detail van de kadasterkaart uit 1818. Het licht groene vlakje in het midden van de Google-foto is de waterpartij (met veel kroos).

MIN08106A01, 20-04-2002, 12:40, 8C, 7804×11796 (2006+372), 125%, Minuutplan_Div, 1/80 s, R51.5, G25.2, B26.6. Kadasterkaart 1818

Tussen 1993 en 1995 volgde een ingrijpende verbouwing. De bijgevoegde eerste foto laat het huis zien aan het begin van de 21-ste eeuw. Het huis is sinds 1967  een rijksmonument.

Wie kan mij helpen aan de naam van de architect uit 1775 of  die van de restauratie/verbouw uit ca. 1825? Buitenplaats-architecten die in Nederland werkten in het laatste kwart van de 18de eeuw en/of in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn onder meer Leendert Viervant jr., Abraham van der Hart,  Jacob Otten Husly, Jan de Greef, Zeger Reijers en Jan David Zocher jr.  De laatste drie zijn tijdgenoten van elkaar. Zij volgden alle drie tegelijkertijd hun opleiding in Parijs en Reijers en Zocher vervolgden hun opleiding in Rome. Natuurlijk moeten we ook denken aan deskundige timmerlieden die samen met de opdrachtgever de klus zonder architect geklaard kunnen hebben.

Over Zeger Reijers (een leerling van zijn oom, de architect L. Viervant) is verder bekend dat hij na zijn opleiding in Parijs en Rome, in Juli 1813 terug was in Nederland en in Augustus 1819 werd benoemd tot stads-bouwmeester te ’s Gravenhage. Zeger Reijers ligt begraven op de historische Begraafplaats Oud Eik en Duinen, even ten oosten van Oud-Rosenburg (zie kaart hieronder).

Is Reijers wellicht de architect van de restauratie en verbouw van Oud-Rosenburg rond 1825? 

Kaart Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. 1927. Coll. Haags Gemeentearchief. Midden onder (lichtgroen) ‘Oud-Roozenburg’. Rechtsonder (lichtgroen) Begraafplaats Oud Eik en Duinen

Deze kennismaking met (oud-) Rozenburg brengt ons er toe meer aandacht te gaan besteden aan ziekenhuizen en medische instituten op voormalige buitenplaatsen.

Lit. D. Valentijn (red.). Rosenburg: van buitenplaats tot Zorgcentrum. Den Haag, 1995.

De tuinarchitect John Bergmans en de catalogi van Kwekerij Abbing te Zeist

Jl. Vrijdag 11 januari 2019 was ik te gast bij Kwekerij Abbing te Zeist omdat in hun prachtig aangeklede kas de presentatie werd gehouden van het nieuw verschenen boek over de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980), getiteld John Bergmans Tuinarchitect en plantenkenner, uitgegeven door Uitgeverij Verloren in de reeks BONAS Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen. Auteurs van het boek zijn Marianne van Lidth de Jeude en Johanna Karssen-Schüürman.  De heer Paul Machielsen hield een levendige inleiding over de geschiedenis van de kwekerij waar Bergmans ook ooit werknemer was.

Paul Machielsen vertelt over de historie van Kwekerij Abbing.

De oudste catalogi van kwekerij Abbing

Zie verder voor een indruk van de catalogi lager en onder volgende tekst.

Ik had met het tot stand komen van het boek niets te maken gehad, behalve dan dat ik in 1980, dus bijna veertig jaar geleden de collectie tekeningen, boeken, documentatiematerialen etc. als conservator van de Bibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool (Wageningen) had mogen ontvangen. Dat ‘ontvangen’ had voor mij als kersverse conservator (aangesteld in begin 1980) nog heel wat voeten in de aarde gehad, daar ik weliswaar conservator was geworden van een rijke landbouwkundige bibliotheek en van de bekende Springer-Collectie (ontwerpen van de tuinarchitect Leonard Springer, 1855-1940), maar nog geen beleid had ontwikkeld over het aantrekken van nieuwe collecties. Ik stortte me na de overhandiging dus maar samen met mijn kersverse bibliotheek-assistente op het inventariseren van deze omvangrijke collectie, zonder nog te weten hoe ik de afdeling Speciale Collecties (boeken en tijdschriften en ontwerpen/tekeningen/documenten) zou gaan uitbouwen. Dankzij het inventariseren van deze collectie werd me gaandeweg duidelijk waarom deze collectie met ontwerpen etc. van John Bergmans zo belangrijk was en waarom dit het begin was van de uitbouw van de Springer-Collectie en het begin van de unieke verzameling ontwerpen Tuin – en Landschapsarchitectuur, die nu bestaat uit duizenden en duizenden ontwerpen en documenten. De filosofie achter deze uitbreiding werd door mij verwoord in een artikel in het tijdschrift GROEN (oktober 1981, p. 453-458), getiteld ‘De John Bergmans-Collectie in de Centrale Bibliotheek van de Landbouwhogeschool’.  Hierin wordt uitgelegd waarom deze ontwerpen van John Bergmans naast de collectie ontwerpen van Springer zo’n belangrijke aanvulling vormden en dit beleid/filosofie is zeker 30 jaar nadien altijd het uitgangspunt gebleven. Het komt er op neer dat ontwerpen etc. worden opgenomen als ze wel in een zekere verhouding staan met de Springer Collectie. Zijn  de ontwerpen qua tijd voorafgaand of opvolgend aan de ontwerpen van Springer, vullen zij hiaten in de Springer Collectie op, zijn de ontwerpen van tijdgenoten van Springer of zijn ze getekend in dezelfde stijl of juist in een andere door Springer gehate stijl? Ook de locaties zijn belangrijk natuurlijk. Zijn de locaties vergelijkbaar met die waar Springer werkte of worden er juist regio’s belicht waar Springer niet werkte zodat ook hier weer van een aanvulling sprake is? Vormt de nieuwe collectie een tijdsbeeld of geeft het alleen herhalingen? Een optelsom van deze uitkomsten en nog andere (zie artikel) heeft mij als conservator altijd geholpen nieuwe collecties wel of niet aan te nemen. In het geval van de Bergmans -collectie werden de ontwerpen en documenten opgenomen in de Bibliotheek LH / Speciale Collecties en gingen de door Bergmans geschreven boeken en tijdschriftartikelen en kaartsystemen (op botanisch gebied) op verzoek van de botanicus dr. Onno Wijnands naar de vakgroep Plantensystematiek, omdat deze vakgroep dit materiaal vaker zou kunnen gebruiken.

De geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur is mede door de komst van de Bergmans-collectie (en later natuurlijk door veel meer andere collecties) duidelijk op de kaart gezet en de verzamelingen  op zichzelf zijn uniek voor Nederland te noemen.

Later in de jaren negentig (schat ik) werden in de Afdeling Speciale Collecties ook de verzamelde kwekerscatalogi (verzameld door het Instituur RIVRO) aangenomen als zijnde een meerwaarde voor de verzamelingen tuinontwerpen. Lang niet compleet (dat is onmogelijk), maar wel een rijke unieke collectie.  De collectie Abbing-catalogi is in Wageningen zeker niet compleet te noemen en daarom was het zo interessant dat Abbing jl. vrijdag speciaal voor deze gelegenheid een mooie tentoonstelling had gemaakt van al hun plantencatalogi. Het nu verschenen boek over John Bergmans behandelt overigens ook de door Bergmans in zijn ontwerpen voorgestelde bomen, heesters en vaste planten. Zij vormen een karakteristiek plantenbeeld uit zijn tijd.

Hieronder en hierboven een indruk van de catalogi die hangen in de kas (winkel) van Abbing en die u nog wel even kunt bewonderen.  Het adres is Odijkerweg 132-134 – 3709 JJ Zeist +31 (0) 343 513741.

IMG_0588.JPG

 

Het was beslist een levendige en interessante en goed verzorgde bijeenkomst. Dank aan Kwekerij Abbing.

SLUIPMOORDENAAR DOOR DE TUINEN VAN HET LOO

DANIEL LIBESKIND EN ‘AARDSE ZORGEN’ IN DE TUIN VAN PALEIS HET LOO. WAAR BLIJFT DE KRITIEK OP DE NIEUWE TUIN-AANPAK?

Tuin Paleis Het Loo na de renovatie in 2015. Foto Paleis Het Loo

 

Tuinontwerp / Artist Impression Tuin  Paleis Het Loo 2019 / Daniel Libeskind. Copyright Studio Libeskind 

TUIN PALEIS HET LOO / NIEUWE STIJL                                                        Tuin Paleis Het Loo / Nieuwe Stijl is in voorbereiding.

Van 2 april 2019  t/m  29 september 2019 (en vervolgens nog meerdere jaren te zien) start een presentatie van tuinbeelden van Daniel Libeskind in de tuin van Paleis Het Loo, getiteld: 

THE GARDEN OF EARTHLY WORRIES

Vier imposante eigentijdse abstracte sculpturen naar ontwerp van de architect Daniel Libeskind zullen dan rondom de Venusfontein verrijzen, centraal geplaatst in de middelste vier parterres van de Benedentuin (zie afgebeelde Artist Impressions). Voor het eerst zal er hedendaagse kunst  in de tuin van Paleis Het Loo te zien zijn.

Artist impression Studio Libeskind (D), vanuit het zuidoosten.Copyright  Artist impression Studio Libeskind
Globe. Copyright Studio Libeskind

CONTRAST MET BAROK

De 17e-eeuwse paleistuin verbeeldt het paradijs, als een menselijke weerspiegeling van de perfecte natuur. De aarde verandert echter zienderogen onder invloed van het menselijk handelen. Met de vier beelden plaatst Libeskind een groot contrast in de barokke paleistuin. De beelden symboliseren de elementen ozon, distikstofmonoxide (lachgas), methaan en koolstofdioxide. Volgens de kunstenaar zijn deze gassen schadelijke bijproducten  van ons menselijk handelen en dragen ze bij aan de onbalans in de natuur, leidend tot onomkeerbare klimaatveranderingen met desastreuze gevolgen voor mens en natuur.

Libeskind geeft met zijn installaties een architecturale interpretatie van de barokke paradijstuin en verbindt hiermee de historische tuin met de hedendaagse werkelijkheid.

De presentatie is onderdeel van Paleis Het Loo BuitenGewoon Open. Andere kunstwerken van Daniel Libeskind in Nederland zijn  het Stadsmarkeringsplan Groningen (1990) en het Holocaust Namenmonument in Amsterdam (nog te realiseren). De kunstwerken van Daniel Libeskind worden gerealiseerd door Volumina in Turijn (It.).

(Artist Impressions en tekstdelen overgenomen van de website van Paleis Het Loo).

EN WAT VINDEN WIJ ERVAN?

We hebben niets tegen het idee van Libeskind om aandacht te vragen voor de ‘earthly worries’ die velen van ons delen met elkaar.  Maar is dit de plaats waar deze zorgen moeten worden gedeeld? Met de rijk beplante tuinen van Het loo is juist geprobeerd de schoonheid en rijkdom van de aarde te laten zien en de zorg van de mens voor deze; en moet die schoonheid en rijkdom en zorg juist op deze plaats nu weer gedeeltelijk worden afgebroken door de inbreng van, ongetwijfeld voor velen, onbegrijpelijke beelden? Natuurlijk zal er een bordje verschijnen waarop de symboliek van  ozon, distikstofmonoxide, methaan en koolstofdioxide zal worden uitgelegd, maar helaas,  slechts weinigen zullen het lezen, terwijl ook velen geschokt en verwonderd zullen zijn en, ik hoor het kunsthistorici al zeggen, dat is nu precies het doel van moderne kunst.

Die schok over de tuin van Paleis Het Loo had ik al in 2018 ervaren. De Tuin Nieuwe Stijl bleek ook een nieuw beplantingsplan in te houden. Ik wist van de op handen zijnde veranderingen in het kleurenschema, maar de veel kleuriger beplanting (waarmee ik het in principe eens was, want ook de interieurs zijn veelvormig en veelkleurig) deed mij beslist schrikken. En dat was niet onterecht. Het nieuwe beeld is niet realistisch. Het is te vergelijken met een 17-de eeuws of 18-de eeuws rijkgekleurd bloemstilleven, waarvan we weten dat het niet realistisch is omdat die bloemen nooit in dezelfde tijd in die ene vaas hebben kunnen staan. En in de tuin is nu hetzelfde aan de hand. De planten (bloemen) dateren nu (vanwege een nieuw kleuriger beplantingsplan) uit de 17-de en 18-de en 19-de eeuw en hebben nooit in dezelfde tijd in die ene tuin kunnen staan.

Met de verandering in kleurenschema met niet-realistische beplantingsgevolgen en de toevoegingen van de symbolische beelden voor  ozon, distikstof-monoxide, methaan en koolstofdioxide van Libeskind, zie ik een sluipmoordenaar de tuin in komen en ik vraag me af hoeveel hij ‘stilletjes aan en met goede bedoelingen’ nog meer zal ‘vermoorden’. Dat laatste is toegestaan, want de tuin is geen monument, maar of het wenselijk is, is de grote vraag. We hebben nu voor jaren geen zuivere (neo)-baroktuin meer in Nederland.

Schiedam: Van buitenplaats (Bokkenburg) tot R.K. begraafplaats

Hoofdas van de begraafplaats
De R.K. begraafplaats aan de Vlaardingerdijk in Schiedam is van oorsprong een kleine buitenplaats, genaamd Bokkenburg.
Ons bureau deed in 2016 onderzoek naar de geschiedenis en ontwikkeling van deze begraafplaats, gevolgd door een restauratieplan in 2017 (nu grotendeels uitgevoerd) en een beheerplan waar op dit moment aan wordt gewerkt. 
Graag verwijzen we de lezers allereerst via een link naar het rapport  en naar het ontwerp.
* Carla en Juliet Oldenburger/Binnenstad en Buitenleven, Van buitenplaats Bokkenburg in de Nieuwlandse Polder tot RK begraafplaats, Amsterdam, 2016.
* Ontwerp Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam, 2017 hieronder:
Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam (Juliet Oldenburger, 2017)
We troffen de begraafplaats in grote verwaarlozing aan.  De eerste opgave was op zoek te gaan naar het oorspronkelijk ontwerp van de plaats, zowel op papier als in het veld: hoofdstructuur van de paden,  verharding van de paden, boombeplanting langs het water, functie van de bouwwerken (de kapel, het doodgravershuis, de sacristie en het lijkenhuisje staan op de monumentenlijst), leeftijd van de bomen, ontwerpers en kunstenaars van kapel, hekwerken en beelden (o.a. van de H. Filomena). 
Tenslotte was een belangrijke vraag in verband met het beheerplan, welke bomen (‘opschot’) wel of niet van de graven te verwijderen en hoever in te grijpen in de natuurlijke begroeiing langs het water.
Opschot van bomen op graven deels verwijderen
Achter de kapel liggen de graven ‘1ste klasse’

Aanleg rond kasteel Ruurlo nauwelijks een ontwerp van Zocher!

Vorige week Kasteel Ruurlo bezocht. Ik was daar natuurlijk vroeger wel eens geweest, maar had toch niet goed in mijn hoofd hoe de geschiedenis van Park Ruurlo precies in elkaar zat. Dus nader onderzoek op dit gebied en een bezoek aan het kasteel waar nu Museum MORE / Collectie Willink is gevestigd, lokte ons wel.

Eerst maar eens gekeken naar het Zocher-ontwerp  (J.D. Zocher en L.P. Zocher, 1868) en dat vergeleken met de huidige situatie.

Ontwerp voorterrein van J.D. en L.P. Zocher, 1868. Slechts zeer gedeeltelijk uitgevoerd. Plaats van oranjerie waarschijnlijk wel door Zocher bepaald. Waterloop in typische Zocherstijl nooit gerealiseerd

Voorplein kasteel Ruurlo met grasparterre en Venus van  Ruurlo. Toegangsbrug over de slotgracht

Voorplein met rechts de toegang tot het overzetpontje. Het voorplein met middenperk en het pontje zijn niet op het ontwerp van de Zochers en evenmin op de ontwerpen van de Duitse landschapsarchitect C.E.A. Petzold terug te vinden

Na vergelijking met topografische kaarten uit dezelfde tijd als de ontwerpen, blijkt dat het ontwerp van de Zochers nauwelijks is uitgevoerd. De vormen van de waterpartijen blijken afkomstig te zijn van de tuinarchitect J.P. Posth (ontwerp 1801).

De bijdrage van de Duitse tuinarchitect C.E.A. Petzold (1879 e.v.) bestaat voor een groot deel uit parkaanleg langs de hoofdlaan van het huis en in het gebied ten zuiden van de Vordense Beek.

Zie voor een uitgebreide geschiedenis en analyse van het park, Landgoed Ruurlo, cultuurhistorische beschrijving, beheervisie en maatregelenplan

We gaan nu de beschrijving van het park van Ruurlo op ‘Zocher online’ door de Zochers, getiteld ‘Groenprojecten van de Zochers in perspectief. Landschapsarchitectuur in 19de-eeuws Nederland’ afmaken en preciseren.

Storkfabriek en Tuindorp ’t Lansink

KRANTENBERICHT  vandaag:
De Storkfabriek Hengelo is 150 jaar geleden opgericht door de Gebroeders Stork.
Tuindorp ’t Lansink werd later (1911-1916) voor het personeel gebouwd.
In 1968 bezocht Prins Bernhard de Storkfabriek
Tuindorp ’t Lansink is het eerste in Nederland uitgevoerde tuindorp en was vooral bestemd voor personeel van de Storkfabriek. Het moest een gevarieerde bewoning krijgen; niet alleen met arbeiders maar ook met administratief en leidinggevend personeel. Opdrachtgever was de in 1867 opgerichte Hengelose Bouwvereniging, die eigendom was van de gebroeders Stork.
Het plan werd in twee fasen ontwikkeld, in 1911 en in 1916. Het stedebouwkundige ontwerp was van de architect Karel Muller; de tuinarchitect P.H. Wattez ontwierp de landschappelijke inrichting. Het tweede deel werd in 1916 ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer. Karel Muller kreeg ook de opdracht om een reeks van verschillende woningtypen te ontwerpen met voldoende variatie in omvang, plattegrond en aanzicht.
Verschillende woningtypen. Ontwerp Karel Muller
Tuindorp ’t Lansink biedt een dorpsachtige en schilderachtige aanblik met in het midden een dorpsplein, het C.T. Storkplein. Rondom dit plein werden winkels en een hotel geprojecteerd. De dorpsachtige kleinschaligheid en het landelijke karakter van het tuindorp werden ideaal geacht voor de verheffing van de mens in het algemeen en die van de arbeider in het bijzonder. Dit te meer daar de werknemers van Stork veelal rechtstreeks van het platteland afkomstig waren. Tegelijkertijd kon door de geconcentreerde, dorpsachtige bebouwing voor een hoge bebouwingsdichtheid worden gezorgd, zodat de huren betaalbaar bleven.
Tuindorp ’t Lansink dorpsvijver
De smalle wegen lopen in flauwe bochten, zodat nergens lange eentonige straten zijn ontstaan. Het groen langs de straten wordt vooral verzorgd door de voortuinen bij de huizen. De huizen met hun tuinen zijn langs de buitenranden van de bouwpercelen gesitueerd en het relatief weinige openbare groen bevindt zich dan ook op de binnenterreinen met gazons, enkele solitaire bomen en heesters. Doordat er tussen de rijen huizen openingen zijn gelaten, spelen deze echter visueel toch een rol in het straatbeeld. Op kruispunten van wegen steken de woningen met hun witte kleur en hun torenachtige uitbouwtjes fraai af tegen het groen. De dorpsvijver met zwembad geeft een extra dimensie.

Historische foto dorpsvijver en zwembad.

Bron: Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur / Carla Oldenburger-Ebbers, Annemieke Backer en Eric Blok. Rotterdam, 1996.

Monumentendag en plannen voor heraanleg van historisch groen

Heraanleg van een voormalige rozentuin

Plattegrond van een gedeelte van het beschermde park Spaarnberg, met hierop in groen nieuwe paden die aansluiten op de ingeplande rozentuin van Springer. Het gearceerde gedeelte is het apartementencomplex uit 1993 dat niet is beschermd. Ontwerp en tekening KPG architecten en Juliet Oldenburger

Het denken over de heraanleg van een rozentuin uit 1909 op de beschermde buitenplaats Spaarberg te Santpoort, is een klein stapje dichterbij gekomen. In samenwerking met KPG architecten zijn onze gedachten over de rozentuin en de KPG-gedachten over de uitbreiding van het koetshuis nu duidelijk in een plattegrond weer gegeven.

Leonard Springer had de ideale locatie voor de rozentuin al uitgekozen. Na ruim honderd jaar is de plek verwilderd met veel opschot en de rozentuin geheel verdwenen. Heraanleg van deze tuin zou zowel voor de bewoners van het opnieuw in te richten koetshuis als voor de bewoners van het appartementencomplex een welkome verbetering zijn.

Is dit dan een aantasting van het beschermde landschapspark?  Beslist niet, de situatie uit 1909 wordt weer teruggebracht. Het enige wat aangetast wordt is het verwilderde terrein  en de wild opgeschoten bomen op de plaats waar eens de rozentuin lag. Liefhebbers en beschermers  van wilde natuur kunnen hiertegen in opstand komen, maar let wel Spaarnberg is een cultuurmonument en geen natuurmonument. Het lijkt ons alleen maar een hele mooie aanvulling en verbetering. Twee bruggetjes over de Zocher-slingerbeek en enige rozenpoorten zoals op de oude foto’s zijn te zien, zullen naar ons idee het geheel completeren.

De tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp groenaanleg bij station te Meerssen

De tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp bij het station in Meerssen (1961)

In een artikel van Fon Habets op LinkedIn was vandaag te lezen dat Fon Habets in verband met de Monumentendagen 8 en 9 september as, op 9 september een lezing houdt over de tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp voor de omgeving van het station te Meerssen. De documenten van Hein Otto worden bewaard in de Bibliotheek van WUR (Wageningen University & Research), afdeling Speciale Collecties. Een korte biografie over hem is te vinden in de “Gids van de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur”, geschreven door Carla Oldenburger, Annemieke Backer en Eric Blok, deel 4, Rotterdam, 2000.
De tekst van de biografie en het ontwerp gaan hierbij.
Hein Otto, ontwerp voor de groenaanleg bij station Meerssen, 1961.


Deel Groenaanleg van Hein Otto voor het station Meerssen

Hein Otto werd in 1916 in Amsterdam geboren. Aanvankelijk wilde Otto, die goed kon tekenen, kunstenaar worden, maar omdat hij vreesde hiermee niet zijn brood te kunnen verdienen ging hij na de middelbare school vanaf 1936 aan de Landbouwhogeschool in Wageningen studeren. Hoewel hij koos voor de studierichting tuinbouw, volgde hij ook het vak tuin- en landschapsarchitectuur dat gegeven werd door de lector J.T.P. Bijhouwer. Na vijf jaar studeerde hij af in de richting tuinbouw met een bijvak tuinarchitectuur.
Daarna werkte hij korte tijd bij de vakgroep plantensystematiek en -geografie op een promotieplaats, maar stapte in november 1941 over naar Staatsbosbeheer/afdeling Landschapsverzorging. In de oorlogsjaren maakte hij hier ontwerpen voor wegbeplantingen en zat samen met Bijhouwer en M.J. Granpré Molière in de Beplantingscommissie voor de Noord-Oost polder. Samen met architect P. Verhagen werkte hij aan een ontwerp voor de beplanting van de binnenstad van Middelburg. In 1946 kwam Otto als eerste tuinarchitect in dienst van de Nederlandse Spoorwegen. Hij zou hier tot in 1979 part-time werken en onder meer wedstrijden in stationsbeplantingen organiseren en jureren en zelf ook de beplantingen op NS-terreinen ontwerpen, zoals station Zevenaar, station Meerssen en rangeerterrein Kijfhoek. Daarnaast werkte Otto als zelfstandig tuin- en landschapsarchitect en was in die hoedanigheid supervisor Landschapsherstel op de Zuid-Hollandse eilanden, waarbij hij werd geassisteerd door Tineke Roelfsema en Hans Warnau. Vanaf de jaren vijftig was hij adviseur van een groot aantal gemeenten, waaronder Bunnik, Castricum, Den Helder, Heiloo, Papendrecht, Smallingerland en Wassenaar. Vooral in de als groeikern aangewezen gemeenten Papendrecht en Smallingerland en het snelgroeiende Bunnik kon Otto zijn stempel drukken op het openbaar groen. In zijn plannen is meestal sprake van een modern opgezette hoofdstructuur met grote aantallen planten uit een klein sortiment, waarbinnen een meer losse invulling plaatsvindt met een uitgebreider sortiment. Otto gebruikte veelal inheemse soorten waarbij het beplantingsplan voor hem een integraal onderdeel van het ontwerp was en de soortenkeuze was gebaseerd op het te bereiken effect met per seizoen steeds wisselende bloeiwijzen en bladkleuren.

Stadstuin in Soerabaja, ca. 1900. Wie was de ontwerper?

Dit weekend kwam ik bij het opruimen van ons zomerhuisje een leuke oude foto tegen van de Alun-alun (centrale plein) van Surabaja. Hier bevond zich vroeger de stadstuin, maar helaas heeft deze plaats moeten maken voor het gebouw van Bank Indonesia. In de tuin werden op zaterdag- en zondagavond volksconcerten gegeven. In Nederland werden dit soort parken, ontstaan vanaf ca. 1850,  volksparken genoemd. Op de tweede foto zien we een deel van de muziektent.

Oude foto van de stadstuin, ca. 1918. Wie was de ontwerper?

Tweede oude foto van de stadstuin, eind 19de eeuw

We moeten toch eens op zoek gaan naar de ontwerpers van dit soort parken en buitenplaatsen, zoals de tuin van Raden Saleh, die 2 Berichten terug al werd  getoond. Tuinarchitecten/ontwerpers in Ned. Indië vormen tot nu nog  een geheel onontgonnen  groep. Waren dat Nederlanders? Natuurlijk kennen we wel namen van architecten die in Ned. Indië hebben gewerkt, zoals Berlage (gaf lezingen en adviezen), Ed Cuypers, W. M. Dudok, J.F. Klinkhamer en C.P. Wolff Schoemaker, maar van tuinarchitecten is niets bekend. Werden die parken dan alle door architecten ontworpen? We zullen er eens dieper in moeten duiken.

Zie ook Bericht ‘Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-2. Terugblik’ dd. 19 oktober 2018. Deze briefkaart hoort namelijk bij een serie briefkaarten die Andreas Sibren Groustra heeft gekocht in Soerabaja toen hij rond 2016 in Soerabaja vertoefde en op de Zeevaartschool al daar zijn Diploma Tweede Stuurman behaalde.