Categoriearchief: Groen Erfgoed

SLUIPMOORDENAAR DOOR DE TUINEN VAN HET LOO

DANIEL LIBESKIND EN ‘AARDSE ZORGEN’ IN DE TUIN VAN PALEIS HET LOO. WAAR BLIJFT DE KRITIEK OP DE NIEUWE TUIN-AANPAK?

Tuin Paleis Het Loo na de renovatie in 2015. Foto Paleis Het Loo

 

Tuinontwerp / Artist Impression Tuin  Paleis Het Loo 2019 / Daniel Libeskind. Copyright Studio Libeskind 

TUIN PALEIS HET LOO / NIEUWE STIJL                                                        Tuin Paleis Het Loo / Nieuwe Stijl is in voorbereiding.

Van 2 april 2019  t/m  29 september 2019 (en vervolgens nog meerdere jaren te zien) start een presentatie van tuinbeelden van Daniel Libeskind in de tuin van Paleis Het Loo, getiteld: 

THE GARDEN OF EARTHLY WORRIES

Vier imposante eigentijdse abstracte sculpturen naar ontwerp van de architect Daniel Libeskind zullen dan rondom de Venusfontein verrijzen, centraal geplaatst in de middelste vier parterres van de Benedentuin (zie afgebeelde Artist Impressions). Voor het eerst zal er hedendaagse kunst  in de tuin van Paleis Het Loo te zien zijn.

Artist impression Studio Libeskind (D), vanuit het zuidoosten.Copyright  Artist impression Studio Libeskind
Globe. Copyright Studio Libeskind

CONTRAST MET BAROK

De 17e-eeuwse paleistuin verbeeldt het paradijs, als een menselijke weerspiegeling van de perfecte natuur. De aarde verandert echter zienderogen onder invloed van het menselijk handelen. Met de vier beelden plaatst Libeskind een groot contrast in de barokke paleistuin. De beelden symboliseren de elementen ozon, distikstofmonoxide (lachgas), methaan en koolstofdioxide. Volgens de kunstenaar zijn deze gassen schadelijke bijproducten  van ons menselijk handelen en dragen ze bij aan de onbalans in de natuur, leidend tot onomkeerbare klimaatveranderingen met desastreuze gevolgen voor mens en natuur.

Libeskind geeft met zijn installaties een architecturale interpretatie van de barokke paradijstuin en verbindt hiermee de historische tuin met de hedendaagse werkelijkheid.

De presentatie is onderdeel van Paleis Het Loo BuitenGewoon Open. Andere kunstwerken van Daniel Libeskind in Nederland zijn  het Stadsmarkeringsplan Groningen (1990) en het Holocaust Namenmonument in Amsterdam (nog te realiseren). De kunstwerken van Daniel Libeskind worden gerealiseerd door Volumina in Turijn (It.).

(Artist Impressions en tekstdelen overgenomen van de website van Paleis Het Loo).

EN WAT VINDEN WIJ ERVAN?

We hebben niets tegen het idee van Libeskind om aandacht te vragen voor de ‘earthly worries’ die velen van ons delen met elkaar.  Maar is dit de plaats waar deze zorgen moeten worden gedeeld? Met de rijk beplante tuinen van Het loo is juist geprobeerd de schoonheid en rijkdom van de aarde te laten zien en de zorg van de mens voor deze; en moet die schoonheid en rijkdom en zorg juist op deze plaats nu weer gedeeltelijk worden afgebroken door de inbreng van, ongetwijfeld voor velen, onbegrijpelijke beelden? Natuurlijk zal er een bordje verschijnen waarop de symboliek van  ozon, distikstofmonoxide, methaan en koolstofdioxide zal worden uitgelegd, maar helaas,  slechts weinigen zullen het lezen, terwijl ook velen geschokt en verwonderd zullen zijn en, ik hoor het kunsthistorici al zeggen, dat is nu precies het doel van moderne kunst.

Die schok over de tuin van Paleis Het Loo had ik al in 2018 ervaren. De Tuin Nieuwe Stijl bleek ook een nieuw beplantingsplan in te houden. Ik wist van de op handen zijnde veranderingen in het kleurenschema, maar de veel kleuriger beplanting (waarmee ik het in principe eens was, want ook de interieurs zijn veelvormig en veelkleurig) deed mij beslist schrikken. En dat was niet onterecht. Het nieuwe beeld is niet realistisch. Het is te vergelijken met een 17-de eeuws of 18-de eeuws rijkgekleurd bloemstilleven, waarvan we weten dat het niet realistisch is omdat die bloemen nooit in dezelfde tijd in die ene vaas hebben kunnen staan. En in de tuin is nu hetzelfde aan de hand. De planten (bloemen) dateren nu (vanwege een nieuw kleuriger beplantingsplan) uit de 17-de en 18-de en 19-de eeuw en hebben nooit in dezelfde tijd in die ene tuin kunnen staan.

Met de verandering in kleurenschema met niet-realistische beplantingsgevolgen en de toevoegingen van de symbolische beelden voor  ozon, distikstof-monoxide, methaan en koolstofdioxide van Libeskind, zie ik een sluipmoordenaar de tuin in komen en ik vraag me af hoeveel hij ‘stilletjes aan en met goede bedoelingen’ nog meer zal ‘vermoorden’. Dat laatste is toegestaan, want de tuin is geen monument, maar of het wenselijk is, is de grote vraag. We hebben nu voor jaren geen zuivere (neo)-baroktuin meer in Nederland.

Schiedam: Van buitenplaats (Bokkenburg) tot R.K. begraafplaats

Hoofdas van de begraafplaats
De R.K. begraafplaats aan de Vlaardingerdijk in Schiedam is van oorsprong een kleine buitenplaats, genaamd Bokkenburg.
Ons bureau deed in 2016 onderzoek naar de geschiedenis en ontwikkeling van deze begraafplaats, gevolgd door een restauratieplan in 2017 (nu grotendeels uitgevoerd) en een beheerplan waar op dit moment aan wordt gewerkt. 
Graag verwijzen we de lezers allereerst via een link naar het rapport  en naar het ontwerp.
* Carla en Juliet Oldenburger/Binnenstad en Buitenleven, Van buitenplaats Bokkenburg in de Nieuwlandse Polder tot RK begraafplaats, Amsterdam, 2016.
* Ontwerp Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam, 2017 hieronder:
Restauratieplan R.K. begraafplaats Schiedam (Juliet Oldenburger, 2017)
We troffen de begraafplaats in grote verwaarlozing aan.  De eerste opgave was op zoek te gaan naar het oorspronkelijk ontwerp van de plaats, zowel op papier als in het veld: hoofdstructuur van de paden,  verharding van de paden, boombeplanting langs het water, functie van de bouwwerken (de kapel, het doodgravershuis, de sacristie en het lijkenhuisje staan op de monumentenlijst), leeftijd van de bomen, ontwerpers en kunstenaars van kapel, hekwerken en beelden (o.a. van de H. Filomena). 
Tenslotte was een belangrijke vraag in verband met het beheerplan, welke bomen (‘opschot’) wel of niet van de graven te verwijderen en hoever in te grijpen in de natuurlijke begroeiing langs het water.
Opschot van bomen op graven deels verwijderen
Achter de kapel liggen de graven ‘1ste klasse’

Aanleg rond kasteel Ruurlo nauwelijks een ontwerp van Zocher!

Vorige week Kasteel Ruurlo bezocht. Ik was daar natuurlijk vroeger wel eens geweest, maar had toch niet goed in mijn hoofd hoe de geschiedenis van Park Ruurlo precies in elkaar zat. Dus nader onderzoek op dit gebied en een bezoek aan het kasteel waar nu Museum MORE / Collectie Willink is gevestigd, lokte ons wel.

Eerst maar eens gekeken naar het Zocher-ontwerp  (J.D. Zocher en L.P. Zocher, 1868) en dat vergeleken met de huidige situatie.

Ontwerp voorterrein van J.D. en L.P. Zocher, 1868. Slechts zeer gedeeltelijk uitgevoerd. Plaats van oranjerie waarschijnlijk wel door Zocher bepaald. Waterloop in typische Zocherstijl nooit gerealiseerd

Voorplein kasteel Ruurlo met grasparterre en Venus van  Ruurlo. Toegangsbrug over de slotgracht

Voorplein met rechts de toegang tot het overzetpontje. Het voorplein met middenperk en het pontje zijn niet op het ontwerp van de Zochers en evenmin op de ontwerpen van de Duitse landschapsarchitect C.E.A. Petzold terug te vinden

Na vergelijking met topografische kaarten uit dezelfde tijd als de ontwerpen, blijkt dat het ontwerp van de Zochers nauwelijks is uitgevoerd. De vormen van de waterpartijen blijken afkomstig te zijn van de tuinarchitect J.P. Posth (ontwerp 1801).

De bijdrage van de Duitse tuinarchitect C.E.A. Petzold (1879 e.v.) bestaat voor een groot deel uit parkaanleg langs de hoofdlaan van het huis en in het gebied ten zuiden van de Vordense Beek.

Zie voor een uitgebreide geschiedenis en analyse van het park, Landgoed Ruurlo, cultuurhistorische beschrijving, beheervisie en maatregelenplan

We gaan nu de beschrijving van het park van Ruurlo op ‘Zocher online’ door de Zochers, getiteld ‘Groenprojecten van de Zochers in perspectief. Landschapsarchitectuur in 19de-eeuws Nederland’ afmaken en preciseren.

Storkfabriek en Tuindorp ’t Lansink

KRANTENBERICHT  vandaag:
De Storkfabriek Hengelo is 150 jaar geleden opgericht door de Gebroeders Stork.
Tuindorp ’t Lansink werd later (1911-1916) voor het personeel gebouwd.
In 1968 bezocht Prins Bernhard de Storkfabriek
Tuindorp ’t Lansink is het eerste in Nederland uitgevoerde tuindorp en was vooral bestemd voor personeel van de Storkfabriek. Het moest een gevarieerde bewoning krijgen; niet alleen met arbeiders maar ook met administratief en leidinggevend personeel. Opdrachtgever was de in 1867 opgerichte Hengelose Bouwvereniging, die eigendom was van de gebroeders Stork.
Het plan werd in twee fasen ontwikkeld, in 1911 en in 1916. Het stedebouwkundige ontwerp was van de architect Karel Muller; de tuinarchitect P.H. Wattez ontwierp de landschappelijke inrichting. Het tweede deel werd in 1916 ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer. Karel Muller kreeg ook de opdracht om een reeks van verschillende woningtypen te ontwerpen met voldoende variatie in omvang, plattegrond en aanzicht.
Verschillende woningtypen. Ontwerp Karel Muller
Tuindorp ’t Lansink biedt een dorpsachtige en schilderachtige aanblik met in het midden een dorpsplein, het C.T. Storkplein. Rondom dit plein werden winkels en een hotel geprojecteerd. De dorpsachtige kleinschaligheid en het landelijke karakter van het tuindorp werden ideaal geacht voor de verheffing van de mens in het algemeen en die van de arbeider in het bijzonder. Dit te meer daar de werknemers van Stork veelal rechtstreeks van het platteland afkomstig waren. Tegelijkertijd kon door de geconcentreerde, dorpsachtige bebouwing voor een hoge bebouwingsdichtheid worden gezorgd, zodat de huren betaalbaar bleven.
Tuindorp ’t Lansink dorpsvijver
De smalle wegen lopen in flauwe bochten, zodat nergens lange eentonige straten zijn ontstaan. Het groen langs de straten wordt vooral verzorgd door de voortuinen bij de huizen. De huizen met hun tuinen zijn langs de buitenranden van de bouwpercelen gesitueerd en het relatief weinige openbare groen bevindt zich dan ook op de binnenterreinen met gazons, enkele solitaire bomen en heesters. Doordat er tussen de rijen huizen openingen zijn gelaten, spelen deze echter visueel toch een rol in het straatbeeld. Op kruispunten van wegen steken de woningen met hun witte kleur en hun torenachtige uitbouwtjes fraai af tegen het groen. De dorpsvijver met zwembad geeft een extra dimensie.

Historische foto dorpsvijver en zwembad.

Bron: Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur / Carla Oldenburger-Ebbers, Annemieke Backer en Eric Blok. Rotterdam, 1996.

Monumentendag en plannen voor heraanleg van historisch groen

Heraanleg van een voormalige rozentuin

Plattegrond van een gedeelte van het beschermde park Spaarnberg, met hierop in groen nieuwe paden die aansluiten op de ingeplande rozentuin van Springer. Het gearceerde gedeelte is het apartementencomplex uit 1993 dat niet is beschermd. Ontwerp en tekening KPG architecten en Juliet Oldenburger

Het denken over de heraanleg van een rozentuin uit 1909 op de beschermde buitenplaats Spaarberg te Santpoort, is een klein stapje dichterbij gekomen. In samenwerking met KPG architecten zijn onze gedachten over de rozentuin en de KPG-gedachten over de uitbreiding van het koetshuis nu duidelijk in een plattegrond weer gegeven.

Leonard Springer had de ideale locatie voor de rozentuin al uitgekozen. Na ruim honderd jaar is de plek verwilderd met veel opschot en de rozentuin geheel verdwenen. Heraanleg van deze tuin zou zowel voor de bewoners van het opnieuw in te richten koetshuis als voor de bewoners van het appartementencomplex een welkome verbetering zijn.

Is dit dan een aantasting van het beschermde landschapspark?  Beslist niet, de situatie uit 1909 wordt weer teruggebracht. Het enige wat aangetast wordt is het verwilderde terrein  en de wild opgeschoten bomen op de plaats waar eens de rozentuin lag. Liefhebbers en beschermers  van wilde natuur kunnen hiertegen in opstand komen, maar let wel Spaarnberg is een cultuurmonument en geen natuurmonument. Het lijkt ons alleen maar een hele mooie aanvulling en verbetering. Twee bruggetjes over de Zocher-slingerbeek en enige rozenpoorten zoals op de oude foto’s zijn te zien, zullen naar ons idee het geheel completeren.

De tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp groenaanleg bij station te Meerssen

De tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp bij het station in Meerssen (1961)

In een artikel van Fon Habets op LinkedIn was vandaag te lezen dat Fon Habets in verband met de Monumentendagen 8 en 9 september as, op 9 september een lezing houdt over de tuinarchitect Hein Otto en zijn ontwerp voor de omgeving van het station te Meerssen. De documenten van Hein Otto worden bewaard in de Bibliotheek van WUR (Wageningen University & Research), afdeling Speciale Collecties. Een korte biografie over hem is te vinden in de “Gids van de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur”, geschreven door Carla Oldenburger, Annemieke Backer en Eric Blok, deel 4, Rotterdam, 2000.
De tekst van de biografie en het ontwerp gaan hierbij.
Hein Otto, ontwerp voor de groenaanleg bij station Meerssen, 1961.


Deel Groenaanleg van Hein Otto voor het station Meerssen

Hein Otto werd in 1916 in Amsterdam geboren. Aanvankelijk wilde Otto, die goed kon tekenen, kunstenaar worden, maar omdat hij vreesde hiermee niet zijn brood te kunnen verdienen ging hij na de middelbare school vanaf 1936 aan de Landbouwhogeschool in Wageningen studeren. Hoewel hij koos voor de studierichting tuinbouw, volgde hij ook het vak tuin- en landschapsarchitectuur dat gegeven werd door de lector J.T.P. Bijhouwer. Na vijf jaar studeerde hij af in de richting tuinbouw met een bijvak tuinarchitectuur.
Daarna werkte hij korte tijd bij de vakgroep plantensystematiek en -geografie op een promotieplaats, maar stapte in november 1941 over naar Staatsbosbeheer/afdeling Landschapsverzorging. In de oorlogsjaren maakte hij hier ontwerpen voor wegbeplantingen en zat samen met Bijhouwer en M.J. Granpré Molière in de Beplantingscommissie voor de Noord-Oost polder. Samen met architect P. Verhagen werkte hij aan een ontwerp voor de beplanting van de binnenstad van Middelburg. In 1946 kwam Otto als eerste tuinarchitect in dienst van de Nederlandse Spoorwegen. Hij zou hier tot in 1979 part-time werken en onder meer wedstrijden in stationsbeplantingen organiseren en jureren en zelf ook de beplantingen op NS-terreinen ontwerpen, zoals station Zevenaar, station Meerssen en rangeerterrein Kijfhoek. Daarnaast werkte Otto als zelfstandig tuin- en landschapsarchitect en was in die hoedanigheid supervisor Landschapsherstel op de Zuid-Hollandse eilanden, waarbij hij werd geassisteerd door Tineke Roelfsema en Hans Warnau. Vanaf de jaren vijftig was hij adviseur van een groot aantal gemeenten, waaronder Bunnik, Castricum, Den Helder, Heiloo, Papendrecht, Smallingerland en Wassenaar. Vooral in de als groeikern aangewezen gemeenten Papendrecht en Smallingerland en het snelgroeiende Bunnik kon Otto zijn stempel drukken op het openbaar groen. In zijn plannen is meestal sprake van een modern opgezette hoofdstructuur met grote aantallen planten uit een klein sortiment, waarbinnen een meer losse invulling plaatsvindt met een uitgebreider sortiment. Otto gebruikte veelal inheemse soorten waarbij het beplantingsplan voor hem een integraal onderdeel van het ontwerp was en de soortenkeuze was gebaseerd op het te bereiken effect met per seizoen steeds wisselende bloeiwijzen en bladkleuren.

Stadstuin in Soerabaja, ca. 1900. Wie was de ontwerper?

Dit weekend kwam ik bij het opruimen van ons zomerhuisje een leuke oude foto tegen van de Alun-alun (centrale plein) van Surabaja. Hier bevond zich vroeger de stadstuin, maar helaas heeft deze plaats moeten maken voor het gebouw van Bank Indonesia. In de tuin werden op zaterdag- en zondagavond volksconcerten gegeven. In Nederland werden dit soort parken, ontstaan vanaf ca. 1850,  volksparken genoemd. Op de tweede foto zien we een deel van de muziektent.

Oude foto van de stadstuin, ca. 1918. Wie was de ontwerper?

Tweede oude foto van de stadstuin, eind 19de eeuw

We moeten toch eens op zoek gaan naar de ontwerpers van dit soort parken en buitenplaatsen, zoals de tuin van Raden Saleh, die 2 Berichten terug al werd  getoond. Tuinarchitecten/ontwerpers in Ned. Indië vormen tot nu nog  een geheel onontgonnen  groep. Waren dat Nederlanders? Natuurlijk kennen we wel namen van architecten die in Ned. Indië hebben gewerkt, zoals Berlage (gaf lezingen en adviezen), Ed Cuypers, W. M. Dudok, J.F. Klinkhamer en C.P. Wolff Schoemaker, maar van tuinarchitecten is niets bekend. Werden die parken dan alle door architecten ontworpen? We zullen er eens dieper in moeten duiken.

Zie ook Bericht ‘Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-2. Terugblik’ dd. 19 oktober 2018. Deze briefkaart hoort namelijk bij een serie briefkaarten die Andreas Sibren Groustra heeft gekocht in Soerabaja toen hij rond 2016 in Soerabaja vertoefde en op de Zeevaartschool al daar zijn Diploma Tweede Stuurman behaalde.

Rozentuin op Spaarberg/Santpoort, ontworpen door L.A. Springer, weer terugbrengen?

Detail plattegrond en plan tuin bij koetshuis van buitenplaats Spaarberg te Santpoort. Speciale Collecties, Library Wageningen Universiteit & Research. 1909. Noorden Linksonder.

Foto Rozentuin Spaarnberg, ca. 1910.  Speciale Collecties, Library Wageningen Universiteit & Research. 1909

Foto Rozentuin Spaarnberg, ca. 1910

Het koetshuis en omliggend terrein van de buitenplaats Spaarberg zijn verkocht. De nieuwe eigenaar heeft mooie plannen voor de verbouw en uitbreiding van het huis en het restaureren van de tuin (rijksmonument). In 1909 ontwierp Leonard Springer hier een rozentuin en hij verlegde de paden. Dit terrein is thans geheel met opschot overwoekerd en niet meer herkenbaar als tuin. De tuin ligt (zie detail van Springers plan hiervoor) in een slinger van een waterpartij, die ontworpen werd door J. D. Zocher jr vanaf 1835. Het plan is nog niet goedgekeurd, maar het onderzoek werd al wel door ons bureau gedaan en het advies gegeven.  We wachten met spanning af.

Oldenburgia-Tamara Reeder en haar oma op de Open Tuinendag in Amsterdam

Tamara Reeder (een tot voor kort mij onbekende dame uit Suriname) vroeg mij onlangs of ik haar helpen kon aan landschapsfoto’s  en het geven van feedback op een artikel dat haar schoonvader geschreven had over de Sipaliwini-savanne in Zuid-Suriname. Mijn vorig jaar overleden echtgenoot en zijn collega hebben een website over die savanne samengesteld (sipaliwinisavanna.com).

Vier Gebroeders gebergte op Sipaliwini-savanne (Zuid-Suriname)

Ik gaf haar feedback, wat er op neer kwam dat ik haar duidelijk maakte dat ik zeker wist dat bijna geen enkele Nederlander het verschil weet tussen de Sipaliwini-savanne en het Sipaliwini-district (ongeveer 80 % van het oppervlak van Suriname) en in verband met verder contact wisselden we adresgegevens uit.  Nieuwsgierig geworden keek Tamara op onze website. Haar commentaar mag ik hieronder overnemen:

Open Tuinendag in Amsterdam. Tuin Museum Van Loon
Ik wil dit toch even delen. Aangezien ik heel nieuwsgierig ben, ben ik even op jullie website gaan kijken, wat een prachtig werk dat jullie doen! 
Het zal geen toeval zijn, maar de website zien heeft mij gelijk terug gebracht naar 1 van de mooiste dagen die ik in Nederland heb gehad met wijlen mijn Oma (die vandaag 91 zou zijn geworden). Dat was de Open tuinendag in Amsterdam ongeveer 10 jaar geleden. Wij zijn dol op tuinen en alles wat groen is dus wij hebben toen onzettend genoten van die dag, de tuinen waren echte parels om te ontdekken.
Ik woon nu inmiddels al weer 10 jaar in Suriname (ik heb maar 4 jaren in Nederland gewoond), maar mijn hart bloedt elke dag hoe er hier met het groen wordt omgegaan.
Vervuiling van de eigen omgeving is normaal bij velen. En dan heb ik het nog niet eens over de industriële bouwwerken en winkels die als paddestoelen de grond uitkomen, midden in woonwijken. Ik verlang ernaar dat er een stadsplan zou komen waar men zich aan zou houden en dat we met respect met de omgeving en natuur omgaan. Suriname is een prachtig groen land maar in deze ontwikkeling zijn wij nog ver achter. Al zie ik het mooie Suriname al voor me..
Tuin Zeezicht, Suriname. Diorama van Gerrit Schouten (1779-1839)
Hier ligt nog wel een taak voor ons dus. Dank Tamara voor je waardering en tegelijkertijd voor je zorgen wat Suriname betreft. Leuk dat de Sipaliwini-savanne en de Nederlandse Tuinkunst voor even samen kwamen. Mijn man noemde de Sipaliwini-savanne vaak  een schitterende tuin.

 

 

John Bergmans (1892-1980). Biografie

JOHN BERGMANS (1892-1980)

Het doet ons veel genoegen gelezen te hebben dat in december 2018 een boek zal verschijnen bij Uitgeverij Verloren, over de plantenkenner en tuinarchitect  John Bergmans. De auteurs zijn Johanna Karssen-Schürmann en Marianne van Lidth de Jeude.

Eerder werd zijn werk belicht in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 4 (2000):

Johannes Baptiste (John) Bergmans werd op 6 juni 1892 in Antwerpen geboren. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog in dienst van het Belgische leger, maar vertrok naar het neutrale Nederland, waar hij tot zijn dood in 1980 bleef wonen (vanaf ca. 1924 in Oisterwijk). Hij was hovenier bij de firma Van Empelen en Van Dijk, een kwekerij in Aerdenhout; later had hij ook verbintenissen met andere kwekerijen. Dat blijkt ook uit zijn ondertekening van diverse artikelen die hij schreef in het tijdschrift Floralia. In 1921 staat onder zijn naam de vermelding ‘Koninklijke Kweekerij Tottenham, Dedemsvaart’ vermeld,  waar hij in ieder geval tot 1926 als  ‘Chef de Cultures’ in dienst was. Verder werkte hij voor Turkenburg te Bodegraven en voor J.H. Faassen-Hekkens’ boomkwekerijen te Tegelen. Bij deze laatst genoemde kwekerij was hij omstreeks 1939 in dienst als hoofd van de afdeling tuinarchitectuur.

Hij trouwde met J.M.W. Visser (geboren 5 april 1900 in Amsterdam) die de Middelbare Tuinbouwschool voor meisjes, ‘Huis te Lande’, te Rijswijk had doorlopen.

De tot heden vroegst bekende tuinontwerpen van Bergmans zijn gemaakt voor zijn schoonvader, de heer J. Visser, directeur van het bedrijf N.V. Arendshoven te Oisterwijk. Dit bedrijf gaf Bergmans deze opdracht in 1924.

Bergmans schreef vanaf 1920 talrijke artikelen (ca. 1000!) over planten en beplantingsmogelijkheden; daarnaast schreef hij tussen 1923 en 1940 tien boeken waaruit zijn grote liefde voor groen blijkt, naast zijn bijzonder goede en grote plantenkennis, waarvoor hij verschillende keren werd onderscheiden. Vanaf de eerste uitgave van het tijdschrift Dendron (een uitgave van de International Dendrology Union) in 1954, werkte hij mee als redacteur. Zijn artikelen verschenen in de beginjaren vooral in het tijdschrift Floralia (1920-1934); later schreef hij ook voor de Revue Horticole (l92l), voor het Weekblad Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw- en Plantkunde (1927-1936), voor het Orgaan van Huis te Lande (1931), voor Buiten (1933-1935), voor Cultuur en Handel (1949-1956) en voor het hierboven vermeldde Dendron. Boeken van zijn hand zijn: Rotsplanten in kleine tuinen, Amsterdam 1923, 2e druk 1930; Vaste planten en rotsheesters, Haarlem 1924, 2e druk Tegelen 1939; De rotstuin, praktisch handboek . . . , Amsterdam 1928; Rots- en muurtuinen, 2e druk van De rotstuin, Amsterdam 1934; Schoon Oisterwijk, z. p l . , 1930; Zomersche bloemenweelde, Amsterdam 1934, 2e druk 1936; De tuin bij het huis, Amsterdam 1936, 2e druk 1962; Sierheesters en parkbomen, Amersfoort 1939 Bomen en Struiken, Naarden 1940  Alles over kamerplanten, Amsterdam 1967, 2e druk 1968.

Bergmans werkte zowel in de architectonische als in landschappelijke stijl. Zijn ontwerpen overspannen het interbellum en de wederopbouw.

ISBN 978-90-8704-750-4 ingenaaid, geïllustreerd. NUR 648/941. ±288 blz.,  Prijs ±€ 29,–