Categorie archief: Portretten

Jan D. Zocher geschilderd als lid van het Haarlems Teekencollegie

Adriaan van der Willigen (1766-1841), bekend schrijver en vriend van Zocher jr., vermeldt in zijn  boek Les artistes de Harlem; notices historiques avec un précis sur la gilde de St. Luc (1870), Zocher sr. als architect. Bekend is dat Zocher sr. op 14 juli 1789, de dag van de bestorming van de Bastille, werd ingeschreven in het St. Lucasgilde te Haarlem. Of hij als enige architect bij dit gilde lessen kon volgen in bouwkundig tekenen, is de vraag, maar wellicht heeft hij een netwerk kunnen opbouwen en kwam hij door dit lidmaatschap aan zijn eerste opdrachten. Het is ook mogelijk dat hij  bouwkundig onderwijs (bouwkunde en perspectiefleer) ontving op de Haarlemse Tekenacademie, die in 1772 in Haarlem was opgericht en evenals het Haarlemse St.Lukasgilde in 1795 werd opgeheven.

Wybrand Hendriks. Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie. 1799. Coll. Teylers Museum

In 1796 bleek Haarlem toch niet zonder tekenonderwijs te kunnen, zodat een nieuwe academie werd opgericht, nu Teekencollegie genaamd.

Adriaan van der Willigen schrijft in zijn Geschiedenis der Vaderlandse Schilderkunst (1830-1840) over Jan David Zocher jr... … (hij) werd door zijnen vader tot het aanleggen van tuinen en lustplaatsen opgeleid, en tevens in de Bouw- en Teekenkunde onderwezen. Lang hebben we niet geweten waar deze laatste bijzin op sloeg. Nu is er toch een tipje van de sluier opgelicht.

Jan David jr. werd namelijk lid van het Haarlems Teekencollegie. Omstreeks 1807/1808 werd hij, 16 of 17 jaar jong, toegelaten. Vader Zocher was in die tijd tot hofarchitect van Koning Lodewijk Napoleon benoemd en heeft wellicht zijn invloed aangewend. Wybrand Hendriks, een van de directeuren van het collegie, maakte in 1799 het schilderij  ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’ (Collectie Teylers Museum). Adriaan van der Willigen was toen nog geen directeur en Jan David Zocher zeker nog geen lid, maar toch staan zij op dit schilderij afgebeeld. Zij  moeten zijn toegevoegd na 1807, toen Adriaan tot directeur was benoemd en Zocher jr. lid was geworden. Adriaan van der Willigen staat met hoge hoed, links van de schoorsteen, wijzend naar de pleister-beelden op de schoorsteen. Zijn vriend Zocher staat achter hem. Moeilijk te zien, maar zijn kapsel doet wel denken aan het portretje van Johan Coenraad Hamburger hieronder.

(Literatuur: B.C. Sliggers. Augustijn Claterbos: opleiding en werk van een Haarlems kunstenaar. 1750-1828. Zwolle, 1990).

Mien van de Geijn, Mien Ruys en de natuurhistorie in Maastricht

In augustus 2016 brachten wij een bezoek aan het historisch groen van Maastricht.  Zie onze weblog van 20 augustus 2016. Servé Minis, adviseur Cultuurhistorie van de gemeente Maastricht, leidde ons rond. We leerden veel, o.a. over de ‘Twee Mienen’. We bezochten o.a. de tuin van het Natuurhistorisch Museum en achteraf begrepen we pas dat de moeder van Servé daar zo’n belangrijke rol bij had gespeeld. Onze zoektocht naar moeder Mien, die Mien Ruys uitnodigde om de tuin van het Natuurhistorisch Museum te renoveren, leverde een artikel op van Eric Wetzels in de Heimans en Thijsse Nieuwsbrief december 2016, p.4-5. Genoemde auteur en de Heimans en Thijsse Stichting waren zo vriendelijk ons toestemming te geven dit artikel op onze website over te nemen. Voor de Heimans en Thijsse stichting, zie http://www.heimansenthijssestichting.nl

Wilhelmina (Minis-) van de Geijn, conservator van het
Natuurhistorisch Museum Maastricht van 1939 tot 1948

Links Rector Jos. Cremers (1873-1951), eerste conservator (directeur) van het Natuurhstorisch Museum van Maastricht van 1912 tot 1939; rechts dr. Wilhelmina van de Geijn, zijn opvolger

Eli Heimans en Jac P. Thijsse hebben zeer veel voor de natuurbeleving en natuurhistorie in Nederland betekend. Maar zij waren niet de laatsten. Velen traden in hun voetsporen: bekenden en minder bekenden. In dit bericht aandacht voor een vrouw in het Maastrichtse in de eerste helft van de twintigste eeuw: Wilhelmina (Minis-)van de Geijn.

Wilhelmina Anna Eleonora van de Geijn werd op 21 februari 1910 geboren in Puiflijk (Druten), in het land van Maas en Waal. Na het gymnasium in Venray ging ze eind jaren 1920 in Leiden studeren. “Verliefd worden, dat deed je niet. Dat mocht pas als je afgestudeerd was”, sprak Mien Minis-van de Geijn uit in een interview over haar studententijd voor de nieuwsbrief van de Leidse Universiteit in 2007. Al op 27-jarige leeftijd promoveerde zij op 2 december 1937 aldaar tot doctor in de paleontologie op het onderwerp: ’Das Tertiär der Niederlande mit besonderer Berücksichtigung der Selachierfauna’, waarin zij onder andere over de haaientanden van Elsloo publiceerde. Fossielen die tevoorschijn waren gekomen bij het graven van het Julianakanaal en die in 1932 door de beroemde huisarts en onderzoeker Dr. Beckers uit Beek waren verzameld. Een bètavrouw die promoveerde in 1937 was een zeldzaamheid. Haar datering van de zgn. Elsloo-lagen uit het onderzochte sediment is nog steeds gekend.
Twee jaar later in 1939 volgde – toen nog – mejuffrouw van de Geijn, Rector Cremers op als conservator van het museum. Cremers was een van de stichters van het Natuurhistorisch Genootschap (opgericht in 1910) en eerste conservator van het museum (opgericht in 1912) en oorspronkelijk kapelaan en leraar in Rolduc. De stad Maastricht stelde in 1912 aan het Natuurhistorisch Genootschap het voormalige Grauwzustersklooster beschikbaar, dat bestond uit een kapel, enige kloosterruimtes, een tuin en een huis voor moeder-overste (het ’Huis op den Jeker’), om daarin het ’Provinciaal Museum der Natuurlijke Historie’ onder te brengen. Het Huis op de Jeker was de dienstwoning ten tijde van het klooster en fungeerde daarna als woning van de conservator van het museum.
De benoeming van Mien van de Geijn was nog ‘een dingetje’: genootschap en gemeenteraad wilden haar graag als conservator (toen: conservatrix!), maar het Maastrichtse college van B&W had een andere voordracht. Dit leidde tot onenigheid, met het einde van de personele unie tussen gemeente en genootschap tot gevolg. Hierna werd een commissie van toezicht ingesteld, waarin raads- én genootschapsleden zitting hadden. Helemaal goed kwam het hierna nooit meer tussen gemeente en genootschap. Maar Wilhelmina van de Geijn werd benoemd per 16 mei 1939!
Mien van de Geijn betekende veel voor het museum,  in de negen jaar dat zij leiding gaf aan de kleine museumstaf. In een rede bij het 50-jarig bestaan van het museum in 1962, roemde Genootschapsvoorzitter Eugène Kruytzer veel van haar inspanningen: zij was jarenlang bestuurslid van het genootschap, was van 1945 tot 1953 (en daarna van 1967 tot 1973) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad, initiator van de reeks Publicaties van het Genootschap (een reeks naast het maandblad). Zij had de bibliotheek opnieuw opgezet, het museum gemoderniseerd en de tuin heringericht. Het genootschap besloot daarom om haar (tevens het moment van haar zilveren promotie-jubileum) tot ’lid van verdienste’ te benoemen. Haar museale inzet richtte zich met name op het vertalen van wetenschap ten behoeve van een groot publiek, door bijvoorbeeld reconstructietekeningen van landschappen aan de opstelling toe te voegen, waarmee de educatieve waarde groeide. Normaal voor nu, maar bijzonder voor toen. Bovendien heeft zij delen van de collectie wetenschappelijk geordend en beschreven, stimuleerde anderen om dat te doen en het maandblad won aan wetenschappelijke waarde door haar inzet.
Gedurende de oorlog gebeurde er veel in het museum: er waren verschillende onderduikers, de nazi’s ‘vereerden’ het museum meermaals met een bezoek ter inspectie van de collecties en in 1943 werd zo de belangrijke entomologische Wasmann-collectie ‘veilig gesteld’ in Berlijn, vanwege zijn grote importantie. Het was de Amerikaanse legerofficier en professioneel entomoloog (insectendeskundige) John Bailey, die de Wasmann-collectie hoogstpersoonlijk, en buiten alle protocollen om, naar het museum terug bracht, waar deze op 29 september 1945 door een gelukvolle conservatrix in ontvangst werd genomen.
Meteen na de oorlog werd de museumtuin, al sinds 1913 onderdeel van de museumcollectie, opnieuw onder handen genomen. Wilhelmina van de Geijn betrok de bekende tuinarchitect Mien Ruys om hier vorm en inhoud aan te geven. De essentie van het plan was een tuin in terrassen en van grote eenvoud en helderheid en voorzien van inheemse, vooral lokale planten. De tuin moest een goed beeld geven van de biologische omgeving van het krijtlandschap. Uit de tuin van huisarts en botanist August de Wever haalde Mien van de Geijn een jonge kastanjeboom op, die zij achterop de fiets van Nuth naar de museumtuin bracht. Tegenwoordig staat deze jonge scheut er nog steeds, maar nu als majestueuze en monumentale boom, met wijd gespreide takken.
Enige jaren later, op 15 augustus 1948, kreeg zij ontslag toen (omdat) zij in het huwelijk trad met Toine Minis, de latere gemeentesecretaris van Maastricht. Zij moest haar formele werk beëindigen, maar het betekende niet het einde van haar inzet voor de natuurhistorie. Bij het genootschapsjubileum in 1960 schreef zij een eerste wordingsgeschiedenis van het genootschap en jaren later werd zij (voor de tweede keer) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad (1967-1973).
In feite was mw. Minis directeur van het museum, maar pas sinds 1953 werd de functie ook als zodanig benoemd. Geboren in het oprichtingsjaar van het genootschap, heeft zij een heel groot deel van de geschiedenis van genootschap en museum meegemaakt. Bewust meegemaakt, want tot op hoge leeftijd volgde zij ’s lands politiek en de mondiale ontwikkelingen. Zij las de kranten en wist mee te praten over vele onderwerpen. Ver in de negentig, bezocht zij nog culturele bijeenkomsten en bleef zij helder en geïnteresseerd. Tot op hoge leeftijd woonde ze zelfstandig in het Huis op de Jeker te Maastricht, het huis waarin zij sinds de jaren veertig van de twintigste eeuw woonde, met een kleine privé-tuin, die grensde aan de museumtuin. Het was in dit huis – waarin zij ook na haar dienstjaren kon blijven wonen – waar zij uiteindelijk ten val kwam, waarna zij op 19 november 2009 op 99-jarige leeftijd overleed. De jubilea van het genootschap (2010) en museum (2012) heeft zij helaas niet meer mee mogen maken.
Het Natuurhistorisch Museum Maastricht beschouwt haar als een kundig expert, die het museum en de collectie door de oorlogsjaren heen heeft getrokken en daarbij in de museale taken heeft volhard en de collectie weer bijeen wist te brengen en deze wist te behouden. Ook heeft ze het museum in de jaren daarna in het goede spoor gekregen. In die geest probeert het Natuurhistorisch Museum Maastricht haar inzet levend te houden.

Drs. Eric P.G. Wetzels
eric.wetzels@maastricht.nl
Oud-directeur Natuurhistorisch Museum Maastricht, Centre Céramique en Kumulus (2006-2015)

L. Minis et al., 2012. Natuurhistorisch Museum Maastricht, Silhouetreeks nr. 80, Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht, pp. 24-25 (uitgegeven bij gelegenheid van het 100 jarig jubileum van het museum).

M. Pluijmen, 2012. ”Verliefd worden, dat deed je niet”. Nieuwsbrief 071127 Universiteit Leiden, zie internet: http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/1949.html.

E. Wetzels, 2010. In Memoriam Mevr. Dr. W. Minis-van de Geijn, in: Natuurhistorisch Maandblad januari 2010, p. 18.

Met dank aan Eric Wetzels en Eddy van der Maarel.

Portraits of Zocher family (landscape architects). More?

WIE WEET MEER PORTRETTEN VAN DE LANDSCHAPSARCHITECTEN ZOCHER ?

Beschrijvingen van landschapsparken van Jan David en Louis Paul Zocher gaan vaak gepaard met een portret van hen. Van Jan David is dat meestal het geschilderde portret van Wouter Mol (Frans Hals Museum, ca. 1820) of een gravure uit Immerzeel (1843) of een foto van een hoogbejaarde Zocher jr. en van zijn zoon  Louis Paul is dat altijd het portret met zijn hondje. Van de diverse echtgenoten heb ik nooit wat gevonden, tot nu dan.

Hier volgen nu twee nieuwe portretten uit het Familie-archief De Leeuw (Noord-Hollands Archief); de eerste van Louis Paul Zocher (fotograaf A. Greiner uit Amsterdam) en de tweede van de tweede echtgenote van Jan David Zocher, Johanna Jacoba Ratelband (fotograaf Ch. Binger & Co uit Haarlem).

nl-hlmnha_218_10_53-1Louis Paul Zocher (1820-1915)

nl-hlmnha_218_10_50-1Johanna Jacoba Ratelband, Weduwe de Waal Malefijt, tweede echtgenote van Jan David Zocher (1805-1891)

unknownJan David Zocher,  geschilderd door zijn vriend Wouter Mol (ca. 1820)

54-00463010-1Louis Paul Zocher met (geleide)hondje (1820-1915)