Categorie archief: Onderzoek

Wie wint de Carla Oldenburger-Ebbers Penning?

De Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2017 wordt  21 juni as. voor de tweede maal uitgereikt. Wie de winnaar is zal die middag op buitenplaats De Leemcule in Dalfsen bekend worden gemaakt.

In 2009 heeft de Stichting Tuinhistorisch Genootschap CASCADE de Carla Oldenburger-Ebbers Penning ingesteld. Cascade riep daarmee een prijs in het leven, genoemd naar haar oud-voorzitter en bedoeld om jong wetenschappelijk talent te stimuleren (jong is leeftijdsloos). De prijs gaat vergezeld van een bescheiden geldbedrag.

Voor de Carla Oldenburger-Ebbers Penning
komen onderzoekers in aanmerking die aan het
begin van hun (nieuwe) loopbaan staan en die een opmerkelijke wetenschappelijke scriptie, artikel of andere publicatie hebben uitgebracht die betrekking heeft op de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur en die aansluit op de doelstellingen van Cascade. De kwaliteit wordt getoetst aan de voor de universiteiten en hogescholen gebruikelijke normen.

In september 2016 ging een oproep voor kandidaten uit en op 21 juni 2017, tijdens de Cascade MidZomerNacht bijeenkomst, wordt de winnaar bekend gemaakt. In het navolgende worden de zes genomineerden en hun onderzoeken in willekeurige volgorde aan u voorgesteld.

Anna van Gerve

Anna van Gerve (1986) studeerde Beeldende Kunst aan de Gerrit Rietveld Academie en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 behaalde zij aan dezelfde universiteit haar diploma van de research-master Art Studies met een scriptie over de openbaar groen projecten van Louis G. le Roy in de jaren zeventig.

Een nieuwe dialoog met de natuur.
De positie van Louis le Roy in de ontwikkeling van natuurlijker openbaar groen in de jaren zeventig. Artikel in Stadsgeschiedenis, 2014.

In de jaren 1970 werd Louis G. le Roy (1924-2012) bekend vanwege zijn ecologische experimenten in de openbare ruimte. Zijn autonome project de Eco-kathedraal, waar hij zich vanaf 1983 volledig aan wijdde, heeft echter veruit de meeste aandacht gegenereerd in de vakliteratuur. Dit brengt het gevaar met zich mee dat Le Roy als eenling en buitenstaander wordt neergezet en niet in de context van de tuin- en landschapsarchitectuur wordt bekeken. Het is zeer de vraag of deze karakterisering van Le Roy wel voldoende recht doet aan zijn werk en motivaties. Op basis van drie vergelijkende analyses (met heemparken, natuurparken en wijkgroen) laat deze studie zien hoe Le Roy’s theorie en praktijk zich verhielden tot het denken over en omgaan met natuur in de stedelijke omgeving in de jaren 1970. Op die manier kan een beter begrip verkregen worden van Le Roy’s plaats in de tuin- en landschapsarchitectuur en van de waarde van zijn gedachtengoed voor de hedendaagse samenleving.

Gerrit van Oosterom

Gerrit van Oosterom (1975) studeerde landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen waar hij in 2015 cum laude afstudeerde. Als PhD onderzoeker is hij sindsdien verbonden aan het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen voor zijn onderzoek naar de rol die boerderij en buitenplaats binnen de ontwikkeling van de buitenplaatscultuur in de driehoek Leiden-Amsterdam en Utrecht. Daarnaast is hij als landschapsarchitect werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

Gronden van vermaak. Een reconstructie van de ontwikkeling van buitenplaatscultuur en het buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht (1600-1900). Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

In de zeventiende en achttiende eeuw ontstaat er langs de oevers van de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht een buitenplaatslandschap van meer dan 125 buitenplaatsen. Twee eeuwen later zijn de meeste al weer gesloopt of omgevormd tot boerderijen. Dit reconstructieonderzoek levert voor het eerst een overzicht van de ruimtelijke opzet en de ontwikkeling van dit buitenplaatslandschap als totaal en de gebied specifieke factoren die de ontwikkelingsgeschiedenis bepaalden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de invloed van kleiwinning op zowel een versnelde afbraak als de opkomst van een nieuwe groep eigenaren. De sterke verwevenheid tussen boerderij en buitenplaats die tot in de negentiende eeuw hier als volwaardige buitenplaats blijkt te kunnen voortbestaan geeft eveneens het gebied een eigen signatuur. Het onderzoek laat daarmee zien dat er in de buitenplaatscultuur van de Republiek en het jonge Koninkrijk ook binnen West Nederland grote regionale verschillen waren waardoor de hegemonie van de Vechtstreek als nationaal referentiemodel voor andere gebieden mogelijk aan nuancering toe is.

Willem Weiland

Willem Weiland (1940) behaalde zijn doctoraal economie in 1964 en deed de master culturele wetenschappen in 2015. Werkzaam was hij als reserve officier Koninklijke Luchtmacht, senior organisatieadviseur bij Bakkenist, Spits en Co. en algemeen directeur van de papiergroothandel Proost en Brandt. Hiernaast vervulde hij diverse nevenfuncties op nationaal- en Europees niveau in de papierbranche. In zijn vrije tijd tennist, wandelt en fietst hij, en speelt hij trompet.

Groen erfgoed: het Volkspark De Leidse Hout in Leiden Functies en gebruik van het park 1931 – 2014. Masterscriptie Open Universiteit, 2015

In de negentiende eeuw waren de leefomstandigheden van de lagere klassen slecht. Gaandeweg werden er initiatieven ontplooid ter verheffing van het volk.
In Leiden kwam rond 1900 de wens naar een volkspark naar voren waarbij de bevordering van de volksgezondheid een belangrijke reden was. Het eerste Volkspark werd in 1921 in gebruik genomen en omgedoopt tot Kooipark. Dit park was 1,8 ha groot, maar al in 1919 werd een plan ingediend voor een groter park van 20 ha. Passend in het uitbreidingsplan van Pieter Verhagen ontwierp landschapsarchitect Klaas van Nes een park voor sport en spel: De Leidse Hout. In 1931 werd het wandelpark geopend, het sportpark volgde negen jaar later. Een bospark met openluchttheater werd in 1958 toegevoegd aan het oorspronkelijke ontwerp. Decennialang werd het begrip “volkspark” niet voor De Leidse Hout gebruikt. Pas met het verlenen van de gemeentelijke monumentenstatus in 2009 werd het park omschreven als het “Volkspark De Leidse Hout”.

Dit volkspark vervulde maatschappelijke en biologische functies. Bij de maatschappelijke functies kwamen aan de orde: de recreatieve-, de educatieve-, de sociale -, de decoratieve-, de rituele- en de commerciële functies. De functies veranderden niet in de loop van de tijd maar het gebruik binnen een bepaalde functie wel. Het lijkt alsof er geen grenzen zijn aan wat mensen bedenken voor de besteding van hun vrije tijd. De biologische functies waren altijd al aanwezig maar zijn relevant geworden door de toegenomen aandacht voor het leefmilieu en de klimaatverandering.

Fenny Ramp

Fenny Ramp (1990) studeerde in 2016 af als architectuurhistorica aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens haar stage bij de afdeling Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam groeide haar fascinatie voor stedenbouw en landschapsarchitectuur van de twintigste eeuw, door haar onderzoek naar het Sloterpark. Tegenwoordig werkt ze bij Architectenbureau Office Winhov en doet ze onderzoek naar L.S.P. Scheffer, hoofd Stadsontwikkeling 1928-1952, voor een toekomstige publicatie van Paul Scheffer.

‘Ten gerieve des volks’. Een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van een uniek volkspark: het Sloterpark. Masterscriptie Universiteit van Amsterdam, 2016

Groen werd binnen het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (AUP) uit 1934, voor het eerst in de Amsterdamse geschiedenis als een voorziening voor het volk gezien. Het Sloterpark lag, als het groene hart, centraal in de westelijke uitbreiding van het AUP. Het park werd door Cornelis Van Eesteren en Jakoba Mulder ontworpen als een groot volkspark met een breed scala aan recreatievoorzieningen, zodat alle standen van de samenleving hier vrij konden recreëren. Er is naar gestreefd alle parkstroken, die wijken doorsneden, te verbinden met het Sloterpark. Dit zorgde voor een groene dooradering van de Westelijke Tuinsteden.

In deze masterscriptie wordt onderzocht hoe vroeg twintigste-eeuwse moderne opvattingen over stedelijke groenvoorzieningen het ontwerp voor het Sloterpark bepaald hebben. Twee thema’s in de ontwikkeling van de Amsterdamse groenvoorzieningen van de negentiende en twintigste eeuw blijven steeds terugkeren in dit onderzoek. Dat is enerzijds de toepassing van het concept ‘volkspark’, anderzijds is dat de ontwikkeling van stedelijk groen tot een fijnmazige groenstructuur dat als integraal onderdeel in stadsplanning werd opgenomen. Beïnvloed door de internationale kennisuitwisseling duiken beide thema’s voor het eerst in Amsterdam op in de negentiende eeuw en ontplooien zich begin twintigste eeuw tot geaccepteerde concepten in de Amsterdamse stedenbouw. Het ontwerp voor het Sloterpark belichaamt een uniek moment in de geschiedenis van de Amsterdamse groenvoorzieningen, omdat beide thema’s in het ontwerp voor dit park worden vertegenwoordigd. Er was nog nooit zo systematisch en grootschalig over aanleg van groen nagedacht.
De ontstaansgeschiedenis voor het Sloterpark wordt in deze scriptie in een brede historische en theoretische context geplaatst. Op deze manier wordt getracht de actuele discussie over herbestemming, behoud, beheer, restauratie en bescherming van het Sloterpark en volksparken uit de wederopbouwperiode in het algemeen, te bevorderen.

Ietse-Jan Stokroos

Ietse-Jan Stokroos studeerde in 2015 af als landschapshistoricus. Tijdens zijn studie richtte hij zich vooral op het doen van onderzoek naar kleinschalige groenelementen binnen de tuin- en landschapsarchitectuur, zoals tuinen, parken en begraafplaatsen. Op dit moment is hij werkzaam bij Landschapsbeheer Groningen. Hier houdt hij zich met name bezig met de inrichting van monumentale boerenerven en slingertuinen.

Graven in het Landschap. Vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum.  Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

‘Graven in het landschap’ is de titel van een onderzoek naar de vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum, de periode tussen beide wereldoorlogen. Dit was een periode van veranderingen op maatschappelijk en cultureel vlak en op het gebied van ontwerpstijlen binnen de tuin- en landschapsinrichting.

Het onderzoek geeft de geschiedenis van de lijkbezorging door de eeuwen heen weer. Naast begraven is het cremeren aan de orde gesteld. De periode waarnaar onderzoek is verricht, het interbellum, is beschreven aan de hand van verschillende belangrijke thema’s voor die periode. Tussen 1918-1940 zijn 271 begraafplaatsen van verschillende signaturen aangelegd. De inrichting en vormgeving van deze begraafplaatsen is geanalyseerd. Dit heeft tot een indeling in typen geleid. Verschillen zijn te vinden in inrichting, bouwwerken, beplanting en symboliek. Per begraafplaats is een tekening gemaakt waar in een grove schets de situatie is weergegeven.

In Kerk-Avezaath is een, voor het interbellum, bijzondere begraafplaats aangelegd. Door zijn diagonale lijnenspel valt deze dodenakker op. In een detailstudie wordt uit de doeken gedaan hoe het proces van planvorming en uitvoering tussen 1935-1938 tot stand is gekomen.

Jorinde Nijhuis

In 2009 begon Jorinde Nijhuis haar opleiding kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Haar interesses liggen op het gebied van tuinen, landschap en funeraire architectuur. Naast andere werkzaamheden schrijft ze artikelen over deze onderwerpen. Meest recent verscheen een artikel over de Lijnbaanhoven van Rotterdam in het tijdschrift Puntkomma.

De tuinen van Beeckestijn, een onderzoek naar feit en fictie in de geschiedenis van het ontwerp. Masterscriptie Vrije Universiteit Amsterdam, 2014.

De tuinen van Beeckestijn worden vaak beschreven als een uniek stuk erfgoed waarin twee bijzondere stijlen naast elkaar zijn te zien: een geometrische tuin naar Frans voorbeeld en een meer natuurlijk Engels landschapspark. In de twintigste eeuw werd besloten om deze tuinen te herstellen naar voorbeeld van een opmeting van architect J.G. Michael (1738-1800), overgeleverd in een kopergravure uit 1772. In twee restauratiefases, begonnen in respectievelijk 1959 en 1996, werden de tuinen gerestaureerd dan wel gereconstrueerd naar voorbeeld van deze gravure. Doel was het ontwerp van Michael in zijn glorie te herstellen. Ook in de literatuur die over de historie van Beeckestijn is verschenen vormt de gravure van 1772 vaak het uitgangspunt. Het is opvallend dat één bepaalde gravure zo centraal staat in zowel de geschiedschrijving van Beeckestijn als in de restauratie van de tuinen. In haar scriptie wordt daarom onderzocht welke rol de opmeting van Michael heeft gespeeld in de historiografie van Beeckestijn en in de omgang met de tuinen in de twintigste eeuw. Hoewel de gravure van 1772 een belangrijk object van onderzoek is, is er wellicht een al te bepalende betekenis aan gehecht. Enige nuance is op zijn plaats. Welke status aan de gravure moet worden toegekend is niet zeker. Is het een ontwerp, een weergave van een werkelijke situatie of een ideaalvisie? Bovendien zijn ook andere fasen in de ontwikkelingsgeschiedenis van de buitenplaats van belang voor het karakter van Beeckestijn.

(samenvattingen overgenomen van http://www.cascade1987.nl/documenten/Cascade%20-%20genomineerden%20COE%202017.pdf/)

Ontwerp en Beplantingsplan van L.P. Zocher in Rhenen

L.P. Zocher in Rhenen: Ontwerp en beplanting van Noorderplantsoen (Kon. Elisabethplantsoen)
L.P. Zocher in Rhenen. Ontwerp en beplanting van Noorderplantsoen (Kon. Elisabeth Plantsoen). In het tijdschrift OUD RHENEN (JG  36, nr. 2 - mei 2017) van de Historische Vereniging  Oudheidkamer Rhenen en Omstreken zal deze week een artikel van onze hand verschijnen, getiteld L.P. Zocher en de Noordwal in Rhenen. Hierbij onze lezers al vast aangeboden.

Kon. Elisabeth Plantsoen met op de achtergrond de Panoramamolen te Rhenen.  Omstreeks 1910. Part. Coll.

 

Zochers OnLine Nieuwe editie April 2017

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Na ruim vijf jaar is de Zochers OnLine editie uit 2011 eindelijk herzien en vermeerderd. De structuur van deze Internet-publicatie is veranderd; persoonlijke gegevens zijn aangescherpt; enkele Zocherparken zijn uitgewerkt; nieuwe belangrijke illustraties zijn toegevoegd, o.a. het schilderij van Wybrand Hendriks ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’, uit 1799 en een belangrijke kaart van de locatie van de Bloemisterij op Rozenhagen uit 1882; vele aktes en contracten omtrent Rozenhagen, afkomstig uit een particulier familie-archief zijn toegevoegd; de projectenlijst is qua jaartallen en opdrachtgevers aangevuld en bijgesteld. Zonder fouten is het document beslist niet. Aanvullingen en commentaren zijn daarom uiterst welkom.

We zijn erg blij met alle belangstelling voor dit document. In talloze onderzoeksrapporten zien we zinnen uit dit geschrift terug (met of zonder bronvermelding, foei); in Haarlem/Bloemendaal  werd het na overleg gehanteerd als uitgangsdocument voor lezingen en fietsroutes;  in Zuid-Holland werd het in overleg gebruikt als onderlegger voor hun ‘Handreiking bij beheer en herstel’ van Zocherparken .  Ook vele Zocher-onderzoekers en instituten namen onze biografische en geografische Zocher-gegevens graag over.

We hopen dat ook andere provincies met veel Zocherparken (Noord-Holland, Gelderland, Utrecht) in overleg met ons bureau onze studie gaan gebruiken.

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Soestdijk: 200 jaar geleden Zocher sr. hier ontslapen en nu buitenplaats voor de toekomst

200 JAAR GELEDEN, OP 15-05-1817, HEEFT JOHANN DAVID ZOCHER SR. ZIJN LAATSTE ADEM UITGEBLAZEN  IN EEN DAGLONERSWONING OP SOESTDIJK.  We komen hier de komende tijd elke week even op terug.

NIEUWE PLANNEN: Zocher’s plannen zijn nog goed waarneembaar op Soestdijk en worden alom gewaardeerd zodat niet alleen het paleis maar ook de tuinaanleg tot rijksmonument werden verklaard. Maar hoe gaan de mensen met zo’n oude aanleg tegenwoordig om, en hoe willen we mensen in de toekomst bij dit prachtige ensemble van voormalig paleis en park en tuinen betrekken? ‘Consortium Buitenplaats Soesdijk’ was een van de drie groepen die vorig jaar uitverkoren werd om toekomstplannen in te leveren en dat heeft tot prachtige resultaten geleid. Een impressie hiervan is te zien in onderstaand filmpje.

Filmpje gemaakt in opdracht van ‘Consortium Buitenplaats Soestdijk’. Zie voor gedetailleerdere plannen buitenplaatssoestdijk.nl

Vincent van Gogh en ingepakte rozen? Wie helpt?

Ingepakte rozen of wat tekende Vincent van Goch hier?   Wie helpt?

Wintertuin, 1884. achter de pastorie te Nuenen. Vincent van Gogh, potlood, pen in inkt, op papier. Van Gogh Museum, Amsterdam

Alweer bereikte ons een spannende vraag, die we gaarne uitwerken in een ‘Bericht’, voor een Amerikaanse onderzoeker. Van Gogh heeft op boven afgebeelde tekening  de achtertuin getekend van het pastoriehuis in Nuenen, met een uitzicht op de kerk aldaar. Heel duidelijk zien we een afgeperkte tuin met in het achterste deel drie grote kale moestuin- of bloemenbedden en voorin een deel met 2 vruchtbomen (peren?) en een bosje ingepakte planten. Het Van Gogh Museum zegt in haar informatie over deze tekening dat de planten met stro zijn ingepakt tegen de kou en de onderzoeker suggereert mij dat het misschien om planten gaat die gewikkeld zijn in jute.  Om welke planten het gaat wordt niet duidelijk.

Het fenomeen komt bij van Gogh meer malen voor. Ook de volgende schilderijen vertonen dezelfde ingepakte planten.‘Pastorietuin in de sneeuw’ uit 1885 (The Norton Simon Museum Pasadena California). Ingepakte planten links

De pastorie te Nuenen: Tuin in de sneeuw. Verblijfplaats schilderij onbekend. Ingepakte planten rechts

Het zullen toch niet al te exotische planten zijn, in zo’n ‘boerentuin’ in Nuenen, maar welke planten we ons nu precies moeten voorstellen? Stamrozen misschien? Hoge planten komen het meest in aanmerking. Welke plantenkenner, plantenkweker of tuinbouwkundige heeft een goed idee en helpt onze Amerikaanse onderzoeker verder?

Jan D. Zocher geschilderd als lid van het Haarlems Teekencollegie

Adriaan van der Willigen (1766-1841), bekend schrijver en vriend van Zocher jr., vermeldt in zijn  boek Les artistes de Harlem; notices historiques avec un précis sur la gilde de St. Luc (1870), Zocher sr. als architect. Bekend is dat Zocher sr. op 14 juli 1789, de dag van de bestorming van de Bastille, werd ingeschreven in het St. Lucasgilde te Haarlem. Of hij als enige architect bij dit gilde lessen kon volgen in bouwkundig tekenen, is de vraag, maar wellicht heeft hij een netwerk kunnen opbouwen en kwam hij door dit lidmaatschap aan zijn eerste opdrachten. Het is ook mogelijk dat hij  bouwkundig onderwijs (bouwkunde en perspectiefleer) ontving op de Haarlemse Tekenacademie, die in 1772 in Haarlem was opgericht en evenals het Haarlemse St.Lukasgilde in 1795 werd opgeheven.

Wybrand Hendriks. Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie. 1799. Coll. Teylers Museum

In 1796 bleek Haarlem toch niet zonder tekenonderwijs te kunnen, zodat een nieuwe academie werd opgericht, nu Teekencollegie genaamd.

Adriaan van der Willigen schrijft in zijn Geschiedenis der Vaderlandse Schilderkunst (1830-1840) over Jan David Zocher jr... … (hij) werd door zijnen vader tot het aanleggen van tuinen en lustplaatsen opgeleid, en tevens in de Bouw- en Teekenkunde onderwezen. Lang hebben we niet geweten waar deze laatste bijzin op sloeg. Nu is er toch een tipje van de sluier opgelicht.

Jan David jr. werd namelijk lid van het Haarlems Teekencollegie. Omstreeks 1807/1808 werd hij, 16 of 17 jaar jong, toegelaten. Vader Zocher was in die tijd tot hofarchitect van Koning Lodewijk Napoleon benoemd en heeft wellicht zijn invloed aangewend. Wybrand Hendriks, een van de directeuren van het collegie, maakte in 1799 het schilderij  ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’ (Collectie Teylers Museum). Adriaan van der Willigen was toen nog geen directeur en Jan David Zocher zeker nog geen lid, maar toch staan zij op dit schilderij afgebeeld. Zij  moeten zijn toegevoegd na 1807, toen Adriaan tot directeur was benoemd en Zocher jr. lid was geworden. Adriaan van der Willigen staat met hoge hoed, links van de schoorsteen, wijzend naar de pleister-beelden op de schoorsteen. Zijn vriend Zocher staat achter hem. Moeilijk te zien, maar zijn kapsel doet wel denken aan het portretje van Johan Coenraad Hamburger hieronder.

(Literatuur: B.C. Sliggers. Augustijn Claterbos: opleiding en werk van een Haarlems kunstenaar. 1750-1828. Zwolle, 1990).

Mien van de Geijn, Mien Ruys en de natuurhistorie in Maastricht

In augustus 2016 brachten wij een bezoek aan het historisch groen van Maastricht.  Zie onze weblog van 20 augustus 2016. Servé Minis, adviseur Cultuurhistorie van de gemeente Maastricht, leidde ons rond. We leerden veel, o.a. over de ‘Twee Mienen’. We bezochten o.a. de tuin van het Natuurhistorisch Museum en achteraf begrepen we pas dat de moeder van Servé daar zo’n belangrijke rol bij had gespeeld. Onze zoektocht naar moeder Mien, die Mien Ruys uitnodigde om de tuin van het Natuurhistorisch Museum te renoveren, leverde een artikel op van Eric Wetzels in de Heimans en Thijsse Nieuwsbrief december 2016, p.4-5. Genoemde auteur en de Heimans en Thijsse Stichting waren zo vriendelijk ons toestemming te geven dit artikel op onze website over te nemen. Voor de Heimans en Thijsse stichting, zie http://www.heimansenthijssestichting.nl

Wilhelmina (Minis-) van de Geijn, conservator van het
Natuurhistorisch Museum Maastricht van 1939 tot 1948

Links Rector Jos. Cremers (1873-1951), eerste conservator (directeur) van het Natuurhstorisch Museum van Maastricht van 1912 tot 1939; rechts dr. Wilhelmina van de Geijn, zijn opvolger

Eli Heimans en Jac P. Thijsse hebben zeer veel voor de natuurbeleving en natuurhistorie in Nederland betekend. Maar zij waren niet de laatsten. Velen traden in hun voetsporen: bekenden en minder bekenden. In dit bericht aandacht voor een vrouw in het Maastrichtse in de eerste helft van de twintigste eeuw: Wilhelmina (Minis-)van de Geijn.

Wilhelmina Anna Eleonora van de Geijn werd op 21 februari 1910 geboren in Puiflijk (Druten), in het land van Maas en Waal. Na het gymnasium in Venray ging ze eind jaren 1920 in Leiden studeren. “Verliefd worden, dat deed je niet. Dat mocht pas als je afgestudeerd was”, sprak Mien Minis-van de Geijn uit in een interview over haar studententijd voor de nieuwsbrief van de Leidse Universiteit in 2007. Al op 27-jarige leeftijd promoveerde zij op 2 december 1937 aldaar tot doctor in de paleontologie op het onderwerp: ’Das Tertiär der Niederlande mit besonderer Berücksichtigung der Selachierfauna’, waarin zij onder andere over de haaientanden van Elsloo publiceerde. Fossielen die tevoorschijn waren gekomen bij het graven van het Julianakanaal en die in 1932 door de beroemde huisarts en onderzoeker Dr. Beckers uit Beek waren verzameld. Een bètavrouw die promoveerde in 1937 was een zeldzaamheid. Haar datering van de zgn. Elsloo-lagen uit het onderzochte sediment is nog steeds gekend.
Twee jaar later in 1939 volgde – toen nog – mejuffrouw van de Geijn, Rector Cremers op als conservator van het museum. Cremers was een van de stichters van het Natuurhistorisch Genootschap (opgericht in 1910) en eerste conservator van het museum (opgericht in 1912) en oorspronkelijk kapelaan en leraar in Rolduc. De stad Maastricht stelde in 1912 aan het Natuurhistorisch Genootschap het voormalige Grauwzustersklooster beschikbaar, dat bestond uit een kapel, enige kloosterruimtes, een tuin en een huis voor moeder-overste (het ’Huis op den Jeker’), om daarin het ’Provinciaal Museum der Natuurlijke Historie’ onder te brengen. Het Huis op de Jeker was de dienstwoning ten tijde van het klooster en fungeerde daarna als woning van de conservator van het museum.
De benoeming van Mien van de Geijn was nog ‘een dingetje’: genootschap en gemeenteraad wilden haar graag als conservator (toen: conservatrix!), maar het Maastrichtse college van B&W had een andere voordracht. Dit leidde tot onenigheid, met het einde van de personele unie tussen gemeente en genootschap tot gevolg. Hierna werd een commissie van toezicht ingesteld, waarin raads- én genootschapsleden zitting hadden. Helemaal goed kwam het hierna nooit meer tussen gemeente en genootschap. Maar Wilhelmina van de Geijn werd benoemd per 16 mei 1939!
Mien van de Geijn betekende veel voor het museum,  in de negen jaar dat zij leiding gaf aan de kleine museumstaf. In een rede bij het 50-jarig bestaan van het museum in 1962, roemde Genootschapsvoorzitter Eugène Kruytzer veel van haar inspanningen: zij was jarenlang bestuurslid van het genootschap, was van 1945 tot 1953 (en daarna van 1967 tot 1973) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad, initiator van de reeks Publicaties van het Genootschap (een reeks naast het maandblad). Zij had de bibliotheek opnieuw opgezet, het museum gemoderniseerd en de tuin heringericht. Het genootschap besloot daarom om haar (tevens het moment van haar zilveren promotie-jubileum) tot ’lid van verdienste’ te benoemen. Haar museale inzet richtte zich met name op het vertalen van wetenschap ten behoeve van een groot publiek, door bijvoorbeeld reconstructietekeningen van landschappen aan de opstelling toe te voegen, waarmee de educatieve waarde groeide. Normaal voor nu, maar bijzonder voor toen. Bovendien heeft zij delen van de collectie wetenschappelijk geordend en beschreven, stimuleerde anderen om dat te doen en het maandblad won aan wetenschappelijke waarde door haar inzet.
Gedurende de oorlog gebeurde er veel in het museum: er waren verschillende onderduikers, de nazi’s ‘vereerden’ het museum meermaals met een bezoek ter inspectie van de collecties en in 1943 werd zo de belangrijke entomologische Wasmann-collectie ‘veilig gesteld’ in Berlijn, vanwege zijn grote importantie. Het was de Amerikaanse legerofficier en professioneel entomoloog (insectendeskundige) John Bailey, die de Wasmann-collectie hoogstpersoonlijk, en buiten alle protocollen om, naar het museum terug bracht, waar deze op 29 september 1945 door een gelukvolle conservatrix in ontvangst werd genomen.
Meteen na de oorlog werd de museumtuin, al sinds 1913 onderdeel van de museumcollectie, opnieuw onder handen genomen. Wilhelmina van de Geijn betrok de bekende tuinarchitect Mien Ruys om hier vorm en inhoud aan te geven. De essentie van het plan was een tuin in terrassen en van grote eenvoud en helderheid en voorzien van inheemse, vooral lokale planten. De tuin moest een goed beeld geven van de biologische omgeving van het krijtlandschap. Uit de tuin van huisarts en botanist August de Wever haalde Mien van de Geijn een jonge kastanjeboom op, die zij achterop de fiets van Nuth naar de museumtuin bracht. Tegenwoordig staat deze jonge scheut er nog steeds, maar nu als majestueuze en monumentale boom, met wijd gespreide takken.
Enige jaren later, op 15 augustus 1948, kreeg zij ontslag toen (omdat) zij in het huwelijk trad met Toine Minis, de latere gemeentesecretaris van Maastricht. Zij moest haar formele werk beëindigen, maar het betekende niet het einde van haar inzet voor de natuurhistorie. Bij het genootschapsjubileum in 1960 schreef zij een eerste wordingsgeschiedenis van het genootschap en jaren later werd zij (voor de tweede keer) hoofdredacteur van het Natuurhistorisch Maandblad (1967-1973).
In feite was mw. Minis directeur van het museum, maar pas sinds 1953 werd de functie ook als zodanig benoemd. Geboren in het oprichtingsjaar van het genootschap, heeft zij een heel groot deel van de geschiedenis van genootschap en museum meegemaakt. Bewust meegemaakt, want tot op hoge leeftijd volgde zij ’s lands politiek en de mondiale ontwikkelingen. Zij las de kranten en wist mee te praten over vele onderwerpen. Ver in de negentig, bezocht zij nog culturele bijeenkomsten en bleef zij helder en geïnteresseerd. Tot op hoge leeftijd woonde ze zelfstandig in het Huis op de Jeker te Maastricht, het huis waarin zij sinds de jaren veertig van de twintigste eeuw woonde, met een kleine privé-tuin, die grensde aan de museumtuin. Het was in dit huis – waarin zij ook na haar dienstjaren kon blijven wonen – waar zij uiteindelijk ten val kwam, waarna zij op 19 november 2009 op 99-jarige leeftijd overleed. De jubilea van het genootschap (2010) en museum (2012) heeft zij helaas niet meer mee mogen maken.
Het Natuurhistorisch Museum Maastricht beschouwt haar als een kundig expert, die het museum en de collectie door de oorlogsjaren heen heeft getrokken en daarbij in de museale taken heeft volhard en de collectie weer bijeen wist te brengen en deze wist te behouden. Ook heeft ze het museum in de jaren daarna in het goede spoor gekregen. In die geest probeert het Natuurhistorisch Museum Maastricht haar inzet levend te houden.

Drs. Eric P.G. Wetzels
eric.wetzels@maastricht.nl
Oud-directeur Natuurhistorisch Museum Maastricht, Centre Céramique en Kumulus (2006-2015)

L. Minis et al., 2012. Natuurhistorisch Museum Maastricht, Silhouetreeks nr. 80, Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht, pp. 24-25 (uitgegeven bij gelegenheid van het 100 jarig jubileum van het museum).

M. Pluijmen, 2012. ”Verliefd worden, dat deed je niet”. Nieuwsbrief 071127 Universiteit Leiden, zie internet: http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/1949.html.

E. Wetzels, 2010. In Memoriam Mevr. Dr. W. Minis-van de Geijn, in: Natuurhistorisch Maandblad januari 2010, p. 18.

Met dank aan Eric Wetzels en Eddy van der Maarel.

Studiemiddag: Omgaan met kastelen in oorlogstijd en erna

bronbeek

Ontvangen om door te geven:

De Nederlandse Kastelenstichting, Kenniscentrum voor Kasteel en Buitenplaats (NKS) nodigt u van harte uit voor een studiemiddag over ‘Omgaan met kastelen in oorlogstijd en erna:
bescherming, schade, herstel en herbestemming

Zaterdag 3 december | Landgoed Bronbeek Arnhem, Velperweg 147, 6824 MB Arnhem.

Dagvoorzitter: Janneke van Dijk (MA)

Op 3 december sluit de NKS het jubileumjaar af. De afgelopen twaalf maanden zijn vele initiatieven ontplooid om kastelen en buitenplaatsen onder de aandacht te brengen van onderzoekers, beheerders en eigenaren en het brede publiek. Aanleiding voor de oprichting van de NKS was het oorlogsgeweld van 1940-1945. We sluiten NKS 70-jaar daarom ook af met het thema Omgaan met kastelen in oorlogstijd en erna. Op de toepasselijke locatie Bronbeek in Arnhem bieden we u een breed overzicht van het werk van de NKS, door drie lezingen van jonge onderzoekers. Vervolgens schetsen we de ontwikkelingen van kastelen en buitenplaatsen vanaf 1940, waarbij herbestemming centraal staat. We sluiten de middag met een schets van hoe ons erfgoed nu beschermd is voor oorlogs- en ander geweld.

Programma
13.00-13.30 uur Ontvangst
Thee en koffie

13.30-14.30 uur Rondleiding
Onder begeleiding van een gids door Museum/Landgoed Bronbeek

14.30-15.30 uur Opening en Lezingen
Opening door mw. drs. ir. Heidi van Limburg Stirum, directeur NKS

De NKS biedt ieder jaar aan een aantal jonge onderzoekers de mogelijkheid om aspecten van kastelen en buitenplaatsen in het kader van hun studie nader te onderzoeken. We beginnen met drie lezingen over lopende of net afgesloten studies.

Renaud, redder in nood? Onderzoek naar Renauds bijdrage aan de archeologie van kastelen in Nederland door mw. Annabelle de Gast BA. Annabelle de Gast volgt momenteel de Research master Archaeology aan de Universiteit van Amsterdam. In het kader van haar studie heeft zij onderzocht in hoeverre prof. dr. J.G.N. Renaud, hoogleraar kastelenkunde, heeft bijgedragen aan het archeologisch onderzoek van kastelen.

Beleving van het erfgoed, door mw. Susan de Jong Msc
De termen ‘erfgoed’ en ‘beleving’ worden steeds vaker aan elkaar gekoppeld. Door erfgoed kan het publiek het verleden beleven, een persoonlijke band met de geschiedenis ervaren. Wat bedoelen we eigenljk met ‘beleving’? Wat betekent beleving voor het erfgoed, voor de waardering, behoud en beheer en de rol van monumenten in onze maatschappij? Susan de Jong studeerde Planologie aan de Universiteit van Wageningen.

Hugo Poortman, Tuinarchitect, door mw. Merel Spruit
Rond 1700 werden buitenplaatsen als een ‘Gesamtkunstwerk’ aangelegd. Huis, interieur en tuin werden als een geheel ontworpen. Ook in de negentiende eeuw is sprake van ontwerprelaties tussen interieur en tuinen op buitenplaatsen. Paste de tuinarchitect Hugo Poortvliet die uitgangspunten ook toe en zo ja, hoe zag dat er bij hem uit? Merel Spruit studeert Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.

15.30-15.45 uur Pauze
Thee en koffie

15.45-17.00 uur Vervolg lezingen

Nieuwe functies voor kastelen en buitenplaatsen, . door dr. Fred Vogelzang. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vele kastelen en buitenplaatsen gebruikt door de bezetter en later door de bevrijders. De gevolgen waren vaak zodanig, dat de eigenaren na 1945 hun bezit verkochten. Voor de zo vrijgekomen kastelen en buitenplaatsen werden nieuwe functies gezocht. Dat verschijnsel was niet nieuw, maar de schaal waarop het plaatsvond, was veel groter dan voorheen. In deze lezing wordt een overzicht gegeven van de herbestemmingen die ons monumentaal erfgoed de afgelopen 70 jaar heeft gekregen.

Erfgoed, oorlog en en natuurgeweld, door drs. Edwin Maes
Erfgoed, en zeker monumenten, zijn kwetsbaar. Dat wordt nergens zo duidelijk als tijdens oorlogen en natuurgeweld. Hoe zijn we daar in Nederland op voorbereid? Hoe gaan we in binnen- en buitenland om met erfgoed tijdens gewapende conflicten? Welke afspraken zijn daarover gemaakt? Een historische schets van de internationale bescherming van cultureel erfgoed en de opvallende rol die Nederland daarin speelt. Edwin Maes studeerde cultuurgeschiedenis in Utrecht. Hij is momenteel werkzaam als docent en onderzoeker bij de Sectie Cultuurhistorische Achtergronden & Informatie van de Koninklijke Landmacht en reserve-officier bij de Liaisongroep Cultureel Erfgoed binnen het Commando Landstrijdkrachten.

17.00-17.15 uur Afsluiting en uitreiking boek.
Afsluiting door mw. drs. ir. Heidi van Limburg Stirum

17.15-18.00 uur Borrel.
Napraten met een hapje en drankje.

Aanmelden
U kunt zich aanmelden tot uiterlijk 28 november via deze link.
De kosten voor de studiemiddag bedragen € 37,50 (voor studenten € 27,50). Het boek ‘Nieuwe functies voor kastelen en buitenplaatsen, Een eeuw herbestemming‘ is inbegrepen bij de prijs van de studiemiddag.
De bijdrage voor deze studiemiddag kunt u overmaken op rekening nummer IBAN NL24ABNA0470759267, ten name van de Nederlandse Kastelenstichting, te Wijk bij Duurstede, onder vermelding van ‘Studiemiddag Bronbeek’.

Buxus of Randpalm ziek? Wat nu?

Is zieke Buxus sempervirens of Randpalm vervangbaar?

125900-004-63c3d81bBuxus hierboven als randplant en structuurmaker. Foto Brittanica.com

Buxus sempervirens of Randpalm kennen we als plant die bloemperken afscheidt van gras of paden. De plant is heldergroen, wordt niet te hoog en  geeft een hele duidelijke vorm en structuur aan bloembedden, zoals in het plaatje hierboven aan bedden met lavendel en Santolina (?) en geknipte boompjes.

Helaas heerst er tegenwoordig een schimmelziekte in de Buxus (te herkennen aan bruin blad en zwarte takjes). Deze buxus-ziekte verspreidt zich snel door Nederland en daarbuiten. Het wordt dus tijd dat we serieus over een duurzame vervanger (in plant of ander materiaal) gaan nadenken. Intussen hebben Het Loo, Kasteel Assumburg en Huis Verwolde gekozen voor Ilex crenata (Japanse Hulst). Wij proberen nu samen met GLK (Gelders Landschap & Kastelen) een oplossing voor de tuin van Kasteel Staverden aan te dragen.

Die vervangende plant zal zoveel mogelijk op de Buxus sempervirens moeten lijken en/of haar eigenschap van afperking en structuurmaker zoveel mogelijk moeten kunnen imiteren. Er zijn twee mogelijkheden waar we aan denken. Of we zoeken naar planten die zich schikken in randen of we zoeken naar historische niet-plantaardige materialen die geschikt zijn voor afperking en de structuur van bloembedden accentueren.

Ook in historische tijden werden in plaats van buxus al andere planten gebruikt, bijvoorbeeld tijm, lavendel en  kleine anjertjes.  Als structuurbepalende materialen gebruikte men aan de buitenzijde van bloembedden en als afscheiding van paden ook op hun kant geplaatste houten planken, die deels in de grond werden ingegraven èn klinkers die op vele manieren geplaatst konden worden, bijvoorbeeld op hun korte of lange kant geplaatst in de aarde, plat liggend op de aarde (in de lengte of in de breedte langs pad of bed), en diagonaal op hun korte kant geplaatst in de aarde.

Bij vervanging speelt anno 2016 ook het dure onderhoud (knippen van de Ilex en onkruidvrij houden van de grond waarin de Ilex wordt geplant) een rol omdat het onderhoud niet meer aftrekbaar is. Het lijkt dus goedkoper om over te stappen op materialen van steen of hout of staal. Maar in dat geval zal het beeld van veel tuinen toch sterk gaan veranderen en steeds meer verloren gaan.

Van alle mogelijkheden zijn wat voorbeelden bijeengezocht:

A. een groepje met andere randplantjes (Ilex crenata, Santolina, Lavendel).

B. een groepje met bakstenen structuurmakers.

A.

7-3-paleis-looTuinbaas Willem Zieleman plant Ilex crenate in de tuin van Paleis Het Loo

Dwarf germander, barberry & santolina Knot garden detail from the herb garden parterre, creating visual effect with patterns of planting design

 

santolinaborder

 

opsluitband-6x30x100-cm-zwart_3_l

 

images-3

B.

rock_edging

 

borders-for-flower-beds

 

images-1

 

lawn-flower-beds-edging-design-ideas-stone-edge-circle-diy

 

flower-bed-edging-with-brick

 

images

 

images-2

 

Beetsterzwaag, een parklandschap met bossen, boeren en adelshuizen

Statig Beetsterzwaag: parklandschap rond een Fries dorp

untitled

een nieuw boek dat 9 oktober a.s. verschijnt bij uitgeverij Matrijs in Utrecht. Het gaat over de geschiedenis van het landschap, de landgoederen, de grootgrondbezitters en het parklandschap van Beetsterzwaag en Olterterp, geschreven door Ronald van Immerseel en Peter Verhoeff.

Weet u wat het woord ‘zwaag’ eigenlijk betekent? Veeweide dus.

Het boek telt vijf hoofdstukken:

  • Ontstaan van het landschap
  • Opkomst van de landgoederen 1600-1800
  • een adelsdorp met grootgrondbezitters 1800-1875
  • Parklandschap Beetsterzwaag en Olterterp vanaf 1875
  • Beetsterzwaag en Olterterp: de ‘Parel van Opsterland’

    Het eerste hoofdstuk gaat uitvoerig in op de vroegste bewoners tijdens de ijstijden, de ontginningen en verkavelingspatronen in het gebied en de aanleg van wegen, reden, paden, waterwegen en vaarten.

    De geschiedenis van de landgoederen begint bij Martinus Fockens, grietman van Opsterland, die in 1616 zijn buitenplaats Fockens of Fockansstate stichtte. Ook Walrich is een vroeg-17de-eeuwse buitenplaats. Beetsterzwaag zelf is in de 17de en 18de eeuw vooral een boerendorp, met naast de ‘kleine’ boeren enkele welgestelde inwoners zoals de families Fockens en Van Teyens.

    images
    Fockensstate

    Rond 1800 veranderde de situatie en werd Beetsterzwaag een welvarend dorp met fraaie buitenplaatsen. Hier hoorde ook de aanleg van ‘moderne’ parken en tuinen bij. Ook de adel ontdekte Beetsterzwaag toen … “in 1778 de Gelderse edelman Rijnhard baron van Lynden trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens, die stamde uit een voorname burgerlijke familie. Geslachten als Van Harinxma thoe Slooten en Lycklama à Nijeholt kwamen door huwelijken met nazaten van het echtpaar Van Lynden-van Boelens in Beetsterzwaag terecht.” De buitenplaatsen Slot Boelens in Olterterp (inclusief de bosbouw) en Lauswolt komen in dit derde hoofdstuk uitgebreid ter sprake, naast het laat-opkomend toerisme.

    historie
    Lauswolt

     

    In het hoofdstuk ‘Parklandschap en Olterterp vanaf 1875’ komen  de vele veranderingen aanbod die de Beetsterzwaagster buitenplaatsen en landgoederen ondergingen: het kappen van bomen t.b.v. uitbreidingen en nieuwe bestemmingen etc., ook  nieuwe siertuinen.

    overtuin_lyndensteyn_beetsterzwaag
    Overtuin Lyndenstein

     

    In de ‘Parels van Opsterland’ wordt gesteld dat  er opvallend veel van de landschappelijke structuren bewaard is gebleven. Ook de sterke structuur van het landschap met zijn langgerekte kavels was hierbij van belang. Maar natuurlijk is ook veel verdwenen of onzichtbaar geworden. Hoopvol is “dat het bijzondere karakter en de maatschappelijke waarde van de landgoederen en het contact tussen landgoedeigenaren en de samenleving steeds vanzelfsprekender wordt, waardoor over en weer meer begrip ontstaat.”

    Een waardevol boek dat voor Beetsterzwaag weer nieuwe kansen biedt.

    Zie ook de cascade-weglog van 26 september 2016