Categoriearchief: Onderzoek

Prachtige Nieuwe Opstelling van het Lam Gods in de St. Baafs- Kathedraal Gent

Jan en Hubert van Eyck. Nieuwe opstelling in de St. Baafs Kathedraal / Sacramentskapel te Gent. Foto: Cedric Verhelst

(236) Het altaarstuk ‘Het Lam Gods’ van Jan en Hubert van Eyck is verplaatst en voorzien van een glazen ombouw die perfecte klimatologische omstandigheden (14-16 gr. C. ), luchtvochtigheid en lichtinval garandeert.

Zelf heb ik het altaarstuk diverse malen in tamelijk donkere omstandigheden gezien. Het veelluik behoorde tot een verzameling schilderijen die ik bestudeerde voor mijn doctoraalexamen. Het onderwerp van deze studie was ‘De plant op Middeleeuwse schilderijen van Noord- en Zuid-Nederlandse Meesters’. Door de planten eerst te determineren en hun kruidkundige en iconologische betekenis te achterhalen, werd gezocht naar meer achterliggende betekenis van de schilderijen.

Dit is een goede reden om deze doctoraal-scriptie (hoofdvak), naast mijn andere twee doctoraal-scripties (tweede hoofdvak en bijvak) uit 1965/’66/’67 bij mijn publicaties op te nemen, ook al zijn zij alleen in typoscript voor handen en niet gepubliceerd. Zie onder ‘Literatuurlijst Carla S. Oldenburger-Ebbers‘, de eerste drie items (onderaan de lijst).

DIASHOW HISTORISCHE STADSTUINEN renoveren of reconstrueren BIJ HUIZEN UIT DE 17DE / 18DE EEUW ?

Historische huizen en tuinen

(293 x bekeken op Slideshare.nl)

(232) De VRAAG die in deze diashow wordt uitgewerkt: Is de architectonische eenheid tussen huis en tuin nog bepalend voor een nieuw tuinontwerp in de 21ste eeuw?

N.a.v. drie rijksmonumenten (met tuin) in Amsterdam en één in Den Haag wordt voorlopig een eerste conclusie getrokken.

Overzicht Oldenburgers.nl-2020

VILLA KRUISHEIDE HILVERSUM

(224) Vroeger in mijn functie als conservator van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Landbouwuniversiteit) moest ik altijd in januari een verslag / overzicht van projecten van het afgelopen jaar maken. Dat werd dan weer in het jaarverslag van de Bibliotheek Landbouwuniversiteit opgenomen en gepubliceerd. Sinds 2000 gebeurde dat als e-uitgave.

Een dergelijk jaarverslag is de afgelopen jaren soms wel en soms niet opgemaakt over de werkzaamheden van Bureau Binnenstad & Buitenleven (Oldenburgers.nl). Een verslag over dit afgelopen jaar willen wij weer eens graag aan onze lezers en klanten voorleggen.

2020-Projecten Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven:

ONTWERP TUIN BRAKESTEIN TEXEL. JULIET OLDENBURGER, 2019/2020.
  • Wassenaar Backershagen ontwerp vroeg-20ste eeuwse tuin bij entree, in de geest van L.A. Springer. Afgeleverd en aanvaard). Part. Uitvoering wordt vervolgd.
  • Heemstede  Groenendaal, advisering reconstructie Belvédère. I.s.m. KPG Architecten. Winnend ontwerp. Gem. Heemstede. Wordt vervolgd. 
  • Wieringerwaard, vóór-onderzoek en offerte voor 17de eeuws tuinontwerp bij Polderhuis. Part. Wordt vervolgd. 
  • Hilversum Villa Kruisheide (rijksmonument). Tekst redengevende omschrijving tuin Villa Kruisheide opgesteld. Gem. Hilversum. Afgeleverd. Gevolgd door advisering. 
  • Amsterdam Vondelpark. Cultuurhistorisch onderzoek (uitgevoerd door Walther Schoonenberg) naar de geschiedenis van Het Groot Melkhuis. 34 p. Via Rod’or Advies. Afgeleverd.
ONTWERP GROOT MELKHUIS. OF BOERDERIJ, L.P. ZOCHER, 1874. COLLECTIE PANDENARCHIEF, STADSARCHIEF AMSTERDAM
  • Amsterdam begraafplaats St. Barbara. Ontwerp urnenmuur. In opdracht van Begraafplaats St. Barbara. I..s.m. Coen van der Heiden, architect. Oriëntatie, wordt vervolgd in 2021. 
  • Amsterdam Claes Claesz.Hofje. Kleurontwerp schilderwerk Hofzijde, in opdracht van St. Diogenes. Het schilderen begint in januari 2021.

2020-Artikelen:

Artikel JO: ‘Der Garten als Spiegel der Welt’, in: ‘Historische Gärten und Gesellschaft. Kultur-Natur-Verantwortung’. p. 302-308. Berlin (Stiftung Preussische Schlösser und Gärten, Berlin Brandenburg, Schnell + Steiner), 2020. Eveneens engelse uitgave.

Artikel CO: ‘Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’. 13 p. Cascade Bulletin 2020, p. 33 t/m 44. (verschenen in nieuw format jan. 2021).

Artikel JO: ‘Iepen bedreigd door kademuurrenovatoe?’ Binnenstad 296 (jan./febr.2020), p. 8-10. 

Artikel JO: ‘Iepen toch bedreigd’. Binnenstad 298 (mei/juni 2020), p.37.

Losse relevante adviseringen, uitgewerkt in weblogs: 1) Kaart van de Hofstede Adrichem. Uitgewerkt in weblog: ‘Huis Adrichem, is dit een ontwerp van J.G. Michael?’; 2) Welke Zocher ligt begraven op Kerkhof NH Kerk te Bloemendaal? Uitgewerkt in weblog: ‘Zocher-grafsteen op het kerkhof in Bloemendaal’;  3) Tuinontwerpen in de Collectie Six? Uitgewerkt in weblog: ‘Ontwerp rond Huis Mereveld van Johannes Montsche (1734-1799)? 4) N.a.v. een toegezonden notaris-advertentie omtrent Zocher en de buitenplaats Rosorum. Uitgewerkt in weblog: ‘Nieuwe Zocher (J.D. en L.P.) gedetecteerd’. 5a) Vraag over de aanwezigheid van een historisch doolhof-patroon op Texel. Uitgewerkt in weblog: ‘Het Bosch van Engelsteen op het eiland Texel’; en 5b) ‘Het Bosch van Engelsteen of ’t Bossie heden ten dage (2). 6) N.a.v. de vraag welke tuin bedoeld zou kunnen zijn met een prent genoemd Angiers (in de salon van Brakestein), genoemd in de boedelscheiding van 1711?  Uitgewerkt in weblog: ‘Prenten in de salon van Buitenplaats Brakestein te Texel’. 7) N.a.v. een vraag van de ‘St. Historische Behangsels en Wanddecoraties’, een artikeltje voor hun Nieuwsbrief over ‘bloemschilderen’.

Dia-Presentatie: Waar is de voortuin van de Amsterdamse Hortus?

(425 x bekeken op Slideshare)

(221) Een aantal jaren geleden maakte ons bureau in opdracht van de Amsterdamse Hortus een herontwerp voor de voortuin van deze hortus. ‘De meeste mensen lopen of fietsen hier met oogkleppen op aan voorbij en kunnen ook vaak de ingang van de hortus niet vinden’, klaagde de directie. Hier moest toch iets aan gedaan kunnen worden. In bovenstaande presentatie is te zien hoe wij tot het nieuwe ontwerp van de voortuin zijn gekomen. Het advies dat we deden om een kunstwerk te plaatsen nabij de ingangspoort is helaas niet gerealiseerd.

Planten van de Sipaliwini Savanna (het grensgebied van Suriname en Brazilie)

(220) Tussen 1968 en 1972 deed mijn man Feddo H.F. Oldenburger (1937-2017) in opdracht van ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) onderzoek naar de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname. Hiertoe verzamelde hij tijdens een expeditie planten voor het ‘Botanisch Museum en Herbarium’ van de Universiteit Utrecht. In 2008 werd het Utrechts Herbarium gesloten en overgedragen aan Naturalis, vanaf 2010 Naturalis Biodiversity Center.

Naturalis Biodiversity Center, Leiden, 2019

In 2010 ontving Naturalis Biodiversity Center 13 miljoen euro om de collectie te digitaliseren. Hiermee is in 2011 begonnen. Het project is medio 2015 succesvol afgerond. Zeven miljoen objecten (waaronder het Nationaal Herbarium Nederland) zijn gedigitaliseerd en opgeslagen in een database die voor iedereen online beschikbaar is, zodat onderzoek op afstand mogelijk is. Digitalisering van oude collecties vindt naar behoefte plaats.

Na deze gigantische operatie wil ik wel eens weten hoe het met Feddo’s planten staat in Leiden. De herbarium-collectie van Naturalis is te raadplegen via bioportal.naturalis.nl. Ik zoek eerst maar eens heel eenvoudig (niet het uitgebreide formulier). Ik vul alleen een plantennaam in, namelijk Oxandra krukoffii, omdat ik weet dat deze soort een paar jaar geleden is gereviseerd door een jaargenoot-bioloog van mijn man, Prof. Paul Maas e.a. Zie: L. Junikka, P.J.M. Maas, H. Maas-van de Kamer en L.Y.Th. Westra. Revision of Oxandra (Annonaceae). Blumea 61 (2016), p. 215-266 (Oxandra krukoffii p. 229-233).

Oxandra krukoffii R. E. Fr. Dit exemplaar werd verzameld door F.H.F. Oldenburger, R.Norde en J.P. Schulz, dd. 29-11-1968 . Coll. Naturalis Biodiversity Center

Dit is niet een erg zeldzame soort, maar de collectie ON (Oldenburger / Norde) is wel de enige collectie van die soort uit de 3 Guiana’s en dat is dus best weer wel bijzonder. Ik kom uit bij een stuk of twintig Oxandra krukoffii-exemplaren, maar slechts één uit het zuiden van Suriname, nl. registratienummer U.1610309. Dit exemplaar werd verzameld tijdens een expeditie waar F.H.F. Oldenburger, R. Norde en J.P. Schulz aan deelnamen. De verzameldatum staat op 29-11-1968. Daarnaast is de locatie precies aangegeven op het etiket (zoom uit) met  “N. of ‘4-Gebroeders’ Mts., in ‘Sea-horse’ forest”.

Sipaliwini Savanna is groene vlekje op kaart, op de Zuid-grens van Suriname en Brazilië

Ook is het mogelijk uitgebreid te zoeken, bijvoorbeeld door de naam van de plant in te tikken en dan te combineren met de naam van verzamelaar Oldenburger. Het resultaat voor Oxandra krukoffii is dan dat inderdaad 1 ex. is gevonden door Oldenburger e.a. En dan volgt de vraag, hoeveel plantensoorten zijn in Zuid-Suriname verzameld door Oldenburger? Typ dan alleen achter Verzamelaar Oldenburger in, en het blijken er 1277 te zijn, die alle met naam en toenaam en locatie worden beschreven. De meeste van deze vondsten zijn niet alleen door Oldenburger verzameld, maar in gezelschap van R.Norde en J.P. Schulz. In 1975 werd ook in de buurt van de stad Brasilia (Brazil) door Oldenburger verzameld, maar dit gebeurde in opdracht van de Universiteit van Brasilia en deze planten zijn dus niet als herbarium-exemplaren voor Naturalis B.C. bewaard.

Feddo’s nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 deels overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center Leiden en deels aan Universiteit van Utrecht / Copernicus Instituut.

Een korte biografie over Feddo Oldenburger is elders op deze website te vinden. Zoeken binnen de website op Biografie Feddo…

Snipper Zocher-geschiedenis toegevoegd

Onlangs vertelde Mw. Joan Patijn mij dat er in Bloemendaal (rondom de oude Dorpskerk ) een oud kerkhof ligt en dat een zekere mevrouw C.J. Louisse in de jaren 1986-1990 een inventarislijst had samengesteld van grafstenen, die daar nog steeds aanwezig zijn.

Jan David Zocher geschilderd door Woutherus Mol, ca. 1830. Coll. Frans Hals Museum

Eerst iets over de kerk en de begraafplaats (overgenomen en aangevuld van de website van Vrienden van de Dorpskerk / dorpskerkbloemedaal.nl):

“De Bloemendaalse Dorpskerk kent een lange geschiedenis. In 1632 besloten bezitters van buitenplaatsen een kerk in het dorp te bouwen, speciaal voor de protestantse erediensten. Ook de dorpelingen zelf wensten een ‘Predikhuys’. Op 25 maart 1636 werd de eerste eredienst gehouden. Vanaf die tijd werden de leden van de kerk begraven in de kerk en op het kerkhof dat rondom de kerk is gelegen. … … Bijzonder in het interieur zijn de 17e-eeuwse gebrandschilderde ramen van de Haarlemse ‘glasschrijver’ Pieter Holsteyn I, schenkingen van de kerkstichters en de Heer van Brederode, de Staten van Holland en de steden Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Dordrecht, Beverwijk en Leiden. Andere historische elementen zijn de preekstoel met daarvoor het doophek, de herenbanken en enkele graf- en gedenkstenen. Ook de luidklok uit 1637 is nog in de toren aanwezig. Als monument in een monument prijkt het orgel van de 18e-eeuwse Leidse orgelbouwer Pieter Assendelft, dat voorheen in Groningen in de kerk van Baflo stond. Het onderhoud van de kerktuin is in handen van een team enthousiaste vrijwilligers.”

Naast een bijzondere glazenier was Pieter Holsteyn (1585-1662) ook een bekend schilder en tekenaar. Vooral zijn tekeningen van insecten en vogels zijn bekend gebleven. De Bibliotheek Wageningen UR bewaart ook enkele van zijn tekeningen, waaronder deze verzameling vlinders.

Pieter Holsteyn I. Blad met verzameling vlinders. Coll. Bibliotheek WUR / Speciale Collecties

Joan Patijn en haar man zijn twee van die enthousiaste vrijwilligers. Zij nam contact met mij op omdat op de lijst van de grafstenen “Jan David Zocher, overleden 1827”, voorkomt. De grafsteen zelf hebben zij nog niet her-ontdekt, deze ligt nu nog onder het zand, maar iedere zaterdagmiddag worden grafstenen schoongemaakt en hoopt men deze steen te kunnen fotograferen en te vergelijken met de gegevens op de lijst. Een foto van de Jan David Zochersteen hoop ik ter zijner tijd te mogen ontvangen.

Oude Dorpskerk (PKN) Bloemendaal met rondom de tuin met kerkhof

Maar de verstrekte gegevens stellen mij toch voor een raadsel. De grafsteen van J.D. Zocher jr. is reeds bekend. Zie foto hieronder. Deze staat op de begraafplaats Kleverlaan (de oude buitenplaats Akendam) te Haarlem.

Joan Patijn legt een Cascade-kransje bij grafsteen van J.D. Zocher op begraafplaats Kleverlaan te Haarlem. Foto Niek Steenbergen, 2013

We nemen dus aan dat de grafsteen in Bloemendaal J.D. Zocher sr. zal betreffen. Hij overleed in 1817 (en niet in 1827) op Soestdijk. Heeft Mw. Louisse zich misschien vergist of is de Bloemendaalse steen mogelijk deels onleesbaar, zodat zij het jaartal 1827 gelezen heeft in plaats van 1817? Maar waarom zou Zocher sr. begraven liggen in Bloemendaal? In 1817 woonde J.D. Zocher sr. voorzover we weten buiten de Kennemerpoort, op de kwekerij Rozenhagen. Het gezin van J.D. Zocher jr. woonde in 1827 op de buitenplaats Akendam, gelegen in de gemeente Schooten, ten noorden van Haarlem en ten oosten van de gemeente Bloemendaal. Als het werkelijk zo is dat het jaartal 1817 niet goed leesbaar is en men om die reden 1827 heeft genoteerd, dan zou deze grafsteen de steen van J.D. Zocher sr. kunnen zijn, want zijn graf en steen zijn tot heden niet teruggevonden.

Te mooi om waar te zijn zou je bijna zeggen. Ik deed verder onderzoek naar het jaar 1827 en de geschiedenis van Bloemendaal. Waarom werd er een Jan David Zocher begraven in Bloemendaal in 1817 of 1827? De familie woonde toch helemaal niet in Bloemendaal. Het zou ook een her-begrafenis kunnen zijn van Jan David senior, die misschien eerder in Soestdijk was begraven?

Begraafplaats Kleverlaan, aangelegd en ontworpen door Jan David Zocher jr. Uitbreidingen van Louis Paul Zocher (ontwerp 1879) en Leonard A. Springer (ontwerp 1915)

Nader onderzoek wees uit dat Jan David Zocher jr. en zijn vrouw Amy May (weduwe van Arnoldus Martinus Penninck Hoofd en voor de tweede maal in 1819 gehuwd met Jan David Zocher jr.) geruime tijd na het overlijden van Penninck Hoofd (1818) op de buitenplaats van Pennink Hoofd hebben gewoond (L.P. Zocher werd in 1820 op Akendam geboren), totdat zij de plaats moesten verlaten omdat zij deze hadden verkocht aan de gemeente Haarlem, om er een buiten-begraafplaats te realiseren, naar ontwerp van Zocher jr. zelf. Waarschijnlijk is het gezin Zocher-May in 1827 vertrokken naar een huis op de kwekerij Rozenhagen te Haarlem (even buiten de Kennemerpoort). Als het jaartal 1827 wel correct is overgenomen, is het begrijpelijk dat er in 1827 niet begraven kon worden op Akendam, omdat Akendam vanaf die tijd op de schop ging.

Het nader onderzoek bracht ook nog een geheel andere kijk op de zaak naar voren, die mogelijk tot de meest logische oplossing leidt. Jan David en Amy May kregen in 1820 een zoon, de eveneens bekende tuinarchitect Louis Paul Zocher. Een paar jaar later kreeg Louis Paul een zusje, genaamd Amy Zocher (geboren 10-01-1825 en overleden 27-04-1827). Zou de grafsteen op de oude begraafplaats te Bloemendaal haar grafsteen kunnen zijn en zouden op die grafsteen ook de namen van haar vader en moeder zijn gehakt en zouden die nu bijna 200 jaar later grotendeels onleesbaar zijn geworden? Mogelijk zijn die namen dan maar half en half te lezen geweest en heeft Mw. Louisse alleen het jaartal van overlijden en de naam van de vader kunnen noteren? Het lijkt een logische oplossing; we wachten rustig af tot de vrijwilligers de steen vinden en fotograferen. Wordt vervolgd.

IS BEETHOVEN ECHT IN DE FRANSCHE TUIN IN ZUTPHEN GEBOREN?

Ludwig van Beethoven geschilderd doorJoseph Karl Stieler, 1820. Coll. Beethoven haus Bonn. Beethoven schrift hier in het manuscript van de Missa Solemnis opus 123 (1818-1823)

In het Nieuws is dezer dagen nogal eens iets te lezen over Ludwig van Beethoven (Bonn? 16 december 1770? – Wenen 26 maart 1827) in verband met zijn 250ste geboortedag. Het jaar 2020 is zelfs uitgeroepen tot een Internationaal Beethovenjaar. In verband hiermee was gisteren 3 maart 2020 op Omroep Gelderland een documentaire te zien, getiteld Ludwig van Beethoven: sporen van het verleden.

In de loop der eeuwen is er nogal eens getwijfeld aan Beethoven’s geboortejaar (1770) en zijn geboorteplaats (Bonn). In een brief (boekje) aan de burgemeester van Bonn, getiteld Lettre à Monsieur le bourgmestre de la ville de Bonn, contenant les preuves de l’origine hollandaise du célèbre compositeur Louis van Beethoven, geschreven door W. van Marsdijk (Amsterdam, 1836), staat geschreven dat Ludwig van Beethoven geboren is in 1772, dat hij een Nederlander is, en geboren in Zutphen in de herberg ‘ De Fransche Tuin’. Over de Fransche tuin in Zutphen is helaas niets meer te vinden. In 1836 schijnt deze al verdwenen te zijn. Hoe het precies zit volgens de jeugdvriend van Beethoven Franz Gerhard Wegeler, is door hem opgetekend in zijn boek Biographische Notizen über Ludwig van Beethoven, tweede deel door Ferdinand Ries (Koblenz, 1838).

Zie ook de advertenties voor het boekje van Van Marsdijk, in de kranten Oprechte Haarlemsche Courant en Journal de la Haye (1836).

Uittreksel (1810) van het doopboek der Remigiuskerk te Bonn. Geboortebewijs van Ludwig van Beethoven

In Bonn bevindt zich een uittreksel uit het doopboek der Rooms-Katholieke Remigiuskerk te Bonn, uit 1810. Beethoven had Franz Gerhard Wegeler, professor in de medicijnen in Bonn, gevraagd dit certificaat voor hem te regelen omdat hij dit nodig had in verband met zijn voornemen in het huwelijk te treden met Therese Malfatti, voor wie Beethoven naar wordt aangenomen in 1810 de Bagatelle ‘Für Elise‘ heeft gecomponeerd.

Therèse Malfatti. Anoniem pastel in Beethovenhuis Bonn

Het huwelijk is niet doorgegaan, maar het doopbewijs is wel geleverd en bewaard. Het is opgesteld in het frans (want Bonn behoorde destijds tot Frankrijk). Hierin worden de doopdatum (17 december 1770), de namen van Beethoven (Ludovicus) en die van zijn vader (Joannes van Beethoven) en moeder (Helena Keverichs) genoemd en die van zijn peetvader (Laedevicus van Beethoven, zijn grootvader) en peetmoeder (Gertrudis Müllers dicta Baums, de buurvrouw). Het document is afgegeven op het gemeentehuis van Bonn, 2 juni 1810, ter bevestiging van zijn doop op 17 december 1770.

Keerzijde van hetzelfde doopbwijs van Ludwig van Beethoven
Keerzijde (detail) van doopbewijs, met aantekening van Beethoven zelf dat dit document ‘nicht richtig’ zou zijn.

Op de keerzijde (hierboven) wordt vastgesteld dat dit bewijs legaal is. Door Beethoven zelf is bovendien aangetekend (zeer moeilijk te lezen op zelfde keerzijde maar omgedraaid) “1772 / Es scheint der Taufschein nicht richtig, da noch ein Ludwig vor mir [vóór Ludwig was inderdaad in april 1769 een Ludwig Maria geboren. CO]. Eine Baumgarten war glaube ich mein Pathe [= peetvader. Beethoven is hier in de war met de meisjesnaam van zijn peetmoeder die Baum heette. CO], Ludwig von Beethoven”.

Het is inderdaad mogelijk dat de vader van Beethoven in de jaren zeventig in de Hanzestad Zutphen is geweest. In die stad werd jaarlijks in augustus een jaarmarkt gehouden, waar ook vader Beethoven met een muziekgezelschap wel naar toe getrokken kan zijn om in zijn onderhoud te voorzien. Gedurende die jaarmarkt zou Beethoven (volgens Van Marsdijk dus in herberg ‘De Fransche Tuin’) geboren zijn. Maar vonden jaarmarkten ook in de maand december plaats, de maand waarin hij werd gedoopt en waarin men aanneemt dat hij geboren werd? Of is hij gedoopt in december (in Bonn) en geboren in de zomer (in Zutphen)?

Het zou begrijpelijk zijn dat Beethoven, indien geboren in Zutphen, niet in Zutphen gedoopt is want het was zo wie zo moeilijk om rond 1770 kinderen Rooms-Katholiek te laten dopen in het protestante Zutphen, in een tijd dat officieel de Rooms-Katholieke godsdienst in Nederland verboden was. Wel weten we dat er in Huis Wildeman een R.K. schuilkapel was ingericht. Er wordt gesuggereerd dat het geboortebewijs van zijn vóór hem geboren (overleden) broer met dezelfde naam toen is gebruikt als Beethovens geboortebewijs. Maar dan klopt het jaartal natuurlijk niet.

In 1841 vermeldt A.J. van der Aa in zijn Geschied- en Aardrijkskundige Beschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden… op p. 180: “Zutfen is de geboorteplaats van de beroemde componist Lodewijk van Beethoven”, maar helaas in een volgende druk in 1851 is deze mededeling verdwenen. In het Algemeen Handelsblad van 8-08-1886 is het hele verhaal over de geboorte van Ludwig van Beethoven (geschreven door J.G.F.) nog eens uitgebreid na te lezen, maar zonder eindoordeel.

Kortom, men is er nog niet helemaal uit, dat is duidelijk. Spannend is het wel, maar waar zijn nog meer bewijzen te halen? We zullen er niet uitkomen in 2020. Maar wie weet kunnen we in 2022 weer Beethovens 250-ste geboortedag vieren.

Huis Adrichem. IS DIT EEN ONTWERP van J.G. Michael?

Het Museum Kennemerland heeft onlangs een kaart aan haar collectie kunnen toevoegen, getiteld:Kaart van de Hoffstede Adrichem geleegen in de Banne van Wijk aan Duyn met alle toe behoorende Bosse, Bouw, Hooi en Wijlanden, gemeeten en geteekent door C.C. Kanne, …den Here van Holland… 1777.

ZOU DIT EEN ONTWERP VAN MICHAEL KUNNEN ZIJN?

Kaart van de Hoffstede Adrichem geleegen in de Banne van Wijk aan Duyn met alle toe behoorende Bosse, Bouw, Hooi en Wijlanden, gemeeten en geteekent door C.C. Kanne … den Here van Holland 1777. Noorden rechts. Ten oosten van de oprijlaan een regelmatige aanleg te zien; ten westen een landschappelijke aanleg achter een slingerlaantje. Collectie Museum Kennemerland, Beverwijk
Op deze gravure (tekening H. de Leth, 1715) is duidelijk de ronde kasteelgracht te zien aan het eind van de toegangslaan. Zie ook deze ronde gracht op de bovenstaande kaart.

Landmeter Kanne is een onbekende kaartmaker. Dit beeld van hem wordt echter in reacties op een Cascade-weblog bijgesteld. Hij wordt niet genoemd in het Repertorium van Marijke Donkersloot. O.a. om die reden nemen we niet aan dat hij ook de ontwerper van de aanleg rond Huis Adrichem omstreeks 1777 is geweest. Maar wie dan wel? Op zoek naar meer gegevens over Huis Adrichem en de bijbehorende tuin- en parkaanleg komen we terecht bij twee secondaire bronnen die de aanleg rond Adrichem noemen, nl. 1) het standaardwerk van Jhr. H.W.M. van der Wijck, De Nederlandse Buitenplaats (Delft, 1974. p. 196-198). Hij haalt aantekeningen aan van Gijsbert Karel van Hogendorp (Familie Archief Van Hogendorp in Nationaal Archief gedurende de jaren 1795 t/m 1797); en 2) het uitgebreide artikel van Ton van Oosterom, Johann Georg Michael (1738-1800) en zijn zoon Johan George Michael (1765-1858). (Ledenbulletin HGMK 33 /2010, p. 7-28).

Ik citeer hieronder de woorden van Jhr. van der Wijck in standaard letters, die van de woorden van G.K. van Hogendorp in cursieve letters:

Nadat Gijsbert Karel van Hogendorp Adrichem uit de boedel van zijn schoonmoeder had overgenomen, maakte hij gedurende de winter 1795/96 plannen voor een rendabeler beheer van het goed. Door de ongunstige tijd gedwongen moest ingekrompen worden; de menagerie met exotische vogels, duur in onderhoud, werd aan Obdam overgedaan, de planten uit de kassen zouden in het voorjaar verkocht worden.

Gijsbert Karel wijdde zich in deze tijd geheel aan het beheer; schriftelijk heeft hij zijn ideeën en beleid vastgelegd. Wat een buitenplaats in het einde der 18de eeuw behoort op te leveren beschrijft hij als volgt:

…”Met de vruchten is het nog eenvoudiger gesteld, want vroege aardbijen en late druiven, is al wat men nodig heeft, om geduurig verversching te genieten, en dan kan er nog een kast perziken en een kast ananassen bijkomen, voor de lekkernij en pragt”.

Wat de oude aanleg betreft:
…”de Plaats was op onderscheiden tijden aangelegd en men trof er den ouden en nieuwen smaak aan.
Er waren agter het Huis groote breede laanen, die veel tijd wegnamen om schoon te houden, en verlooren grond waren. Men ging er zelden of nooit wandelen. Opzij van het huis waren twee Parterres, een Beeld en zogenaamde Tempel, en dergelijken meer. Op den Geest stonden aan de regter zijde breede laanen, waarvan de boomen in twintig jaaren schier niet gegroeid waren”.

Over de nieuwe aanleg:

Detail van de Kaart van de Hoffstede Adrichem, 1777. Noorden rechts. Boven de hoofdas de nieuwe landschappelijke aanleg (het Zuiderbosch); onder de hoofdas de oude geometrische aanleg

…”Anders was het onderhoud van de nieuwerwetsche partijen, en voornamelijk van de menagerie, die een morgen of vijf besloeg en geheel omrasterd was [vak XXXI?}. Daar deed het vee ook veel kwaad aan het gras en de randen van het waterstuk. In het Zuiderbosch stonden zes groote klompen Engelsche Planten [bloeiende heestergroepen], die veel plaats en tijd wegnamen. Er waren groote openplaatsen, daar schier niets stondt en de zon zeer heet was. …Wijders gaven wij onze gedagten op aan Michel [tuinarchitect en kweker J.G. Michael] om meer partij van den grond te trekken, de wandeling teffens te vermeerderen en een geheel van alle de onderscheiden aanleggen te maken. Volgens zijn Plan, welke nu uitgevoerd wordt, zullen die oogmerken zo wel bereikt worden”.

Gijsbert Karel schatte de kosten van veranderingen aan het park op ƒ 2000 –.
Daarenboven is er veel gewonnen in de wijze op welke het nieuw Plantsoen aangelegd is want nu komen de groote boomen meestal op zig zelven, in groote klompen te staan en het hakhout blijft wederom op zig zelven, zodat de hooge boomen het klein hout niet benadelen. Eindelijk komen nu de mooie en opgesmuckte partijen digt bij huis en de bloemen slegts op de boorden van het uitspringend hakhout, alles onder bereik van den tuinman, zijnde al wat buiten het gezigt van het huis is tot wandeling en profijt met één woord de tuin is om en bij het huis en het verdere is bosch. De veranderingen derhalve, al waren ze geen verfraaiingen zouden een waare Bezuiniging zijn.
Opzet van de oude aanleg vooral achter en opzij van het huis de grond zodaanig met regte laanen door te snijden, dat hij zeer klein leek en vandaar kwam ook dat wie de plaats uit het huis zag en van alle kanten, of de wei of den dijk gewaar werdt, in de verbeelding geraakte, dat er een morgen of twee beplant was”.

Nu lijkt de plaats veel groter, “de wandeling 3x zo groot, vroeger werd in de gezichten éénvormigheid nagestreeft, nu is de verandering van voorwerpen zodaanig in agt genomen dat men, al wandelende geduurig andere gezigtpunten krijgt, terwijl men nergens het geheel overzien kan. Wij hebben daarenboven in het vereischte werk tot deze verfraaiing den geheelen winter door veel vermaak geschept, door de levendigheid op de Plaats zonder welke een winterverblijf buiten verveelend zou geweest zijn. April 1796“.

Najaar 1796. Gijsbert Karel vervolgt:
Een grote en 2e bloemenkas zijn afgebroken, er komt een heining voor Aprikoozen in plaats. Nu blijven er nog veel bloemen over zodat de Oranjerie vol is, dog geen van allen vereischt stooken en zij staan allen zomers in klompen op het grasperk terzijde en agter het huis.
De nieuwe tuinknegt legt zig toe op de bezorging van dezelven en leert van den meesterknegt van
Michel (l).

29 Dec. 1797.
Michel (l) heb ik niet meer gebruikt omdat hij mij geduurig liet zitten en de helft van het beloofde werk deedt zodat ik altijd buiten komende ongenoegen hadt van mijne verwagting teleurgesteld te vinden. Eindelijk vroeg ik hem in February, wat hij aannam gereed te krijgen, schreef het op en las het hem voor, dog toen ik hem ditzelfde papier in Juny wederom vertoonde, zweeg hij beschaamd. Nu doe ik zelf hetgeen hij verrigte en heb er nut en vermaak van.
Hiertoe was een goed tuinman vereischt die ik denkelijk in een Duitser gevonden heb die te Berlijn, Darmstadt, in den Elzas, in Braband en ook in Holland als Knegt en Baas gewerkt heeft en eindelijk bij
Michell (l) geraakt was, onder wien hij hier op de Plaats het opzigt voerde. Hij heeft kennis van tuinderij en bos en kan zelf een nieuwe aanleg bestieren mits men hem of een tekening of een klaare beschrijving op de grond geeve”

12 April 1798
“Ik zet deeze beschrijving voort een week of 3 na het overlijden van Baas George. Ik heb toen het werk opgevat en voer het uit, De broeierij is een ondragelijke last en die vooral in deeze tijden geheel niet paste”. Einde Citaat Jhr. Henri van der Wijck over G.K. van Hogendorp.

Hierna volgen “Gedagten over Adrichem winter 1800“, het jaar dat de tuinarchitect Michael overlijdt. We weten nu dus met zekerheid dat J.G. Michael op Adrichem heeft gewerkt van 1795 tot 1797. Hij heeft m.n. van Van Hogendorp de opdracht gekregen een eenheid van de aanleg te bewerkstelligen die tot dan toe deels in de oude en deels in de nieuwe smaak verkeerde. Op de kaart van 1777 is dat heel duidelijk te zien. Maar wie was verantwoordelijk voor deze tweeslachtige aanleg uit 1777? Kan dat ook Michael zijn?

In 1776 waren Hesther Hooft en haar man George Henrysz. Clifford eigenaar van Huis Adrichem. Na de dood van George in 1776 nam Hesther de modernisering van de plaats ter hand. Zij was naar we mogen aannemen de opdrachtgeefster van de situatie getekend op de kaart uit 1777. In 1789 huwde Gijsbert Karel van Hogendorp haar dochter Hesther Clifford en hij nam in 1795 zoals we hierboven gezien hebben de boedel van zijn overleden schoonmoeder over.

Plattegrond van Beeckestijn Velsen, naar ontwerp van J.G. Michael, 1772. NB. Achter het huis vóór de dwarsas zien we aan de NW-zijde deeltuinen met een geometrische aanleg en aan de ZO-zijde deeltuinen met een landschappelijke aanleg. Het deel achter de dwarsas is geheel in moderne landschappelijke stijl aangelegd
D. Engelman, Kaart van de buitenplaats Vogelenzang en Teylingerbosch, Bloemendaal. 1794. Oorspronkelijke aanleg 1778. Collectie Huisarchief Vogelenzang. Rechts van de hoofdas een landschappelijke aanleg en links van de hoofdas een regelmatige aanleg.

En aan wie gunde Hesther Hooft in 1777 nu de modernisering van de buitenplaats Adrichem? Ter vergelijking kijken we naar werk van andere bekende tuinarchitecten in die jaren zeventig in Noord-Holland. We komen dan uit bij Johann Georg Michael, die Beeckestijn in vroege landschapsstijl veranderde (zie hierboven) en bij de Amsterdammer Johannes Montsche, die Mereveld in de Watergraafsmeer transformeerde, maar op Meereveld is duidelijk geen sprake van een overgangsstijl, maar wel van een duidelijk andere stijl dan op Beeckestijn en Adrichem. En dan komt de buitenplaats Huis te Vogelenzang in Bloemendaal nog in aanmerking, in 1776 geërfd door Jan van Marcelis jr., die ik al eerder aan Michael heb toegeschreven vanwege de ‘overgangsstijl’ (Zie De tuinarchitectuur van Johann Georg Michael (1738-1800). Bulletin KNOB 90 (1991), nr. 3, p. 73-79).

We kennen nu dus drie situatiekaarten kaarten van buitenplaatsen met een park in overgangsstijl, namelijk Beeckestijn (1772); Adrichem (1777) en Vogelenzang (ca. 1777/1778). Op alle drie de kaarten is aan de ene kant van de hoofdas de geometrische stijl toegepast en aan de andere kant van de hoofdas de landschappelijke stijl. Dit verschijnsel is beslist uniek te noemen en verwijst hoogstwaarschijnlijk naar een en dezelfde tuinarchitect, namelijk Johan Georg Michael. De tekenstijl van de drie kaartmakers is niet dezelfde, dat lijkt ook logisch.

ontwerp ROND HUIS MEREVELD VAN JOHANNES MONTSCHE (1734-1799)?

Arinda van der Does schreef een eerste verkenning betreffende Johannes Montsche, getiteld Johannes Montsche kon zelfs boomen planten daar nimmer boom en stond, uitgegeven door TuinTerTijd, Bureau voor Tuinhistorie, 2002. Montsche leefde en woonde van 1734 tot 1799 in Amsterdam, afgezien van een periode in Duitsland (ca. 1750-1765). In het boekwerkje van Van der Does worden enkele tuinarchitectonische werken aan Montsche toegeschreven, namelijk een ontwerp voor een deel van de buitenplaats Huis te Manpad (ongesigneerd, ongedateerd, tussen 1765 en 1780); werk aan Schloss Ringenberg / Hamminkeln (1777/1778) voor J.F.W. baron van Spaen van Biljoen; mogelijk een deel-ontwerp voor de buitenplaats Toorenvliedt in Middelburg (1797/1798) en mogelijk een deelontwerp voor de buitenplaats Huis Ruurlo (gesigneerd, ongedateerd).

De eerste onderstaande tuinplattegrond (in de Collectie Six Amsterdam) van een deel van de buitenplaats Me(e)reveld in de Watergraafsmeer is onderaan de tekening in een groen vakje ook gesigneerd door Montsche. Tante Totie heeft de naam ter verduidelijking ook nog eens bovenin de tekening geschreven.

Plattegrond tuin Mereveld (Watergraafsmeer) door Johannes Montsche, ongedateerd [Collectie Six noteert ca. 1750, op grond van watermerk].
Combinatie van rechthoekige boomgaard en landschappelijk gevormde bessentuin / Engelse tuin. Collectie Six Amsterdam (CS_00476_0001). Bovenaan de tekening is waarschijnlijk door tante Totie (tante van Jan Six) ter verduidelijking van de ondertekening ook nog eens de naam van de tuinarchitect/kaarttekenaar Johannes Montsche geschreven. Zie ook detail hieronder.
Detail van bovenstaande plattegrond, met regelmatig gevormde boomgaard. Bovenaan de tekening is de naam van Johannes Montsche nogmaals vermeld (door tante Totie). Rechts staat geschreven ‘Zeventien honderd’. Met digitaal watermerk van Collectie Six
Legenda van bovenstaande tekening (zie rechts op detail van de plattegrond van Mereveld): A vakken voor Aardbijen; B voor Besseboomen(?); C voor frambozen; D Engelse Tuijn met bloemdragende boompjes [heesters]. Met digitaal watermerk van Collectie Six
Plattegrond tuin Mereveld. Ongesigneerd, ongedateerd [Collectie Six noteert circa 1751 op grond van watermerk]. Combinatie van regelmatig gevormde nutstuinen en landschappelijk gevormde vakken.
Collectie Six Amsterdam (CS_00398_0001). Onderaan op de tekening staat genoteerd ‘Veranderd Meereveld’. Schermafbeelding van foto Collectie Six

Deze buitenplaats Mereveld in de Watergraafsmeer was in 1719 eigendom geworden van Jan Lups. Volgens A. Speelman (website buitenplaatseninnederland.nl) ligt de buitenplaats Mereveld op kavel 53 in de Watergraafsmeer (zie de kaart van 1719 hieronder). Dit is een hele lange en vrij diepe kavel. Op de kaart van de Watergraafsmeers uit 1725 (ook hieronder) is dan ook te zien dat Jan Lups zijn tuinen snel heeft uitgebreid en dat de aanleg rond het huis twee maal zo groot is geworden.

Na het overlijden van Jan Lups omstreeks 1740 beheerden zijn echtgenote Susanna Hoon en hun kinderen samen de buitenplaats. In 1805 werd deze gesloopt en het afbraakmateriaal verkocht.

Gezicht op de buitenplaats Mereveld (huis en stallen) van Jan Lups, 1719
Detail Kaart Watergraafsmeer / Pieter van den Berg (graveur), 1719. Met kabelnummering. Noorden beneden
Detoil Kaart Watergraafsmeer, 1725. Mereveld is hier aangegeven met de naam van Jan Lups. Tegenover de bezittingen van Jan Lups, aan de overzijde van de Grote Tocht Sloot ligt de buitenplaats Merenburg (niet te verwarren met Merenveld). Noorden beneden

Volgens de informatie in de Collectie Six zijn de eerder genoemde twee plattegronden van Mereveld gedateerd circa 1750, respectievelijk circa 1751 (het watermerk van het papier duidt op 1751) en is de eerste tekening een plattegrond / ontwerp getekend door Johannes Montsche. Ik ben het niet eens met de datering die aan de tekeningen is gegeven door de Collectie Six. Montsche leefde van 1734 tot 1799 en hij is rond 1750 dus pas 16 jaar. Hoogstwaarschijnlijk is de plattegrond door een ander getekend. Bovendien verkeerde Montsche in de allereerste beginperiode van de landschapsstijl (van 1750 tot 1765) in Duitsland, waar hij waarschijnlijk in opleiding was voor tuinman/tuinontwerper en kweker. Het is waarschijnlijker dat de tekening van na zijn Duitsland-periode dateert.

Wat kunnen we afleiden van bovenstaande plattegronden van Mereveld en van eerdere kaarten van de Watergraafsmeer? De buitenplaats van Jan Lups ligt in 1719 op een min of meer vierkante kavel aan de Middelweg en langs de grote Tocht Sloot (kavel 53, onder kavel 52, zie kaart 1719). De tuin ligt achter het huis en is in 1719 in twee delen verdeeld gescheiden door een ‘grand canal’ dat gericht is op het midden van de achtergevel. In 1725 lijken de bezittingen aanzienlijk te zijn uitgebreid langs de Tocht Sloot, tot bijna dubbele oppervlakte. Deze grond kwam gedeeltelijk in gebruik voor moestuinen en boomgaarden, die in regelmatige stijl zijn aangelegd als we de kaart uit 1725 mogen geloven. De plattegronden in de Six Collectie wijzen op een latere gedeeltelijke verandering van de regelmatig gevormde nutstuinen in landschapsstijl. Het ontwerp met golvende perken en de legenda (vakken A, B, C, D) op de eerste plattegrond geven aan dat de nutstuinen in Engelse landschapsstijl zijn veranderd in combinatie met een ‘Engelse tuin met bloemdragende heesters’.

De stijl doet denken aan de tuinarchitecten / kwekers J.G. Michael en zijn schoonzoon J.D. Zocher sr., die omstreeks 1785 verantwoordelijk waren voor de verlandschappelijking en beplanting van de nabijgelegen buitenplaats Voorland (kavel 51 en 52, gelegen tegenover de kavels van Jan Lups) in de Watergraafsmeer, sinds 1784 eigendom van Pieter van Winter (zie het artikel van Henk van der Eijk in de Cascade-bundel Tuingeschiedenis in Nederland III / Verdwenen tuinen (Arnhem, 2019), p. 169-186). Zowel Michael als Zocher sr. pionierden in de landschapsstijl, waarbij zij geometrische deeltuinen en rechte lanen en watergangen menigmaal handhaafden. Dit zien we duidelijk ook op de plattegronden in de Six Collectie.

Voorlopige conclusie: De plattegronden in de Collectie Six zijn hoogstwaarschijnlijk van latere datum dan omstreeks 1750. Dat Johannes Montsche delen van de nutstuinen op Mereveld heeft veranderd in landschapsstijl en deze met ‘Engelse tuinen met bloemdragende heesters’ combineerde is duidelijk, maar dat is dan later gebeurd, waarschijnlijk tussen 1785 en 1799. In die tijd heeft Montsche wel in die trant gewerkt. Misschien was er ook wel een samenwerkingsverband tussen Michael (met hulp van zijn schoonzoon Zocher sr.) en Montsche ontstaan, omdat door onderzoek van H. van der Eijk is vast komen te staan dat ook buurman Pieter van Winter op Voorland deze bekende tuinarchitecten in dienst had genomen.