Nog meer aandacht voor vogels: vogel-eieren

N.a.v. de tentoonstelling ‘BIRDS’ in het Mauritshuis (t/m 7 juni as) maakte ik al twee ‘Berichten’ op onze website voor en na het bezoek aan deze tentoonstelling. Ik liet al doorschemeren dat ik het toch jammer vond dat vogels alleen kunsthistorisch zijn belicht en dat er nauwelijks aandacht is besteed aan de vogel als natuurverschijnsel.

Zie Vogels biohistorisch beschouwd  en Tentoonstelling BIRDS nader bekeken.

Nu wil ik nog een aspect toevoegen dat misschien ook niet erg bekend is onder kunsthistorici, namelijk het vogelei.

A.A. van Pelt Lechner. Oologia Neerlandica: de eieren der in Nederland broedende vogels. Den Haag, 1910-1913. 2 delen

Nederlandse (inheemse) vogeleieren worden voor het eerst beschreven door  Arnold Anton van Pelt Lechner (1863-1950) in zijn boek:  OOLOGIA NEERLANDICA: DE EIEREN DER IN NEDERLAND BROEDENDE VOGELS (2 delen). Den Haag, 1910-1913, met 617 afbeeldingen in kleurendruk en 50 in heliotype op 191 platen, naar voorwerpen uit de verzameling van de schrijver zelf. Er zijn 250 exemplaren van dit boek gedrukt waarvan 50 in het nederlands en 100 in het engels. Uiterst zeldzaam. (Herdrukken van de engelse uitgave in 2016/2018/2023).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1899 werd Van Pelt Lechner, die tot dan toe burgemeester van Zevenhuizen (ZH) was geweest, benoemd tot bibliothecaris van de Rijks Hóogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool (nu Wageningen University & Research), dit bleef hij tot 1916. Hij heeft dit boek dus geschreven in de tijd dat hij bibliothecaris was in Wageningen. Het is dus duidelijk hoe dit boek in de bibliotheek van WUR terecht is gekomen. Ik beschouw Van Pelt Lechner graag als mijn collega. Maar eigenlijk was hij een collega van de tuinarchitect Leonard Springer, die van 1897 tot 1900 leraar tuinkunst was aan dezelfde school.