Categoriearchief: Landschapsstijl

De gardenesque stijl en de tuin van het Bartholomeï-Gasthuis

Plattegrond van Bartholomeï Gasthuis, gemeeten en geteekend 1863, door S.A. van Lunteren. Noorden beneden. Coll. HUA

Vlak na de Tweede Wereldoorlog verhuisde ik als kleuter van Amsterdam naar Utrecht. Ik kwam toen tegenover het Bartholomeïgasthuis (en de Geertekerk) te wonen. Mijn kamer keek uit over de Catharijnesingel en op het gasthuis. Iedere dag huppelde ik door de Smeestraat naar school en wuifde ik naar de bejaarden die achter de ramen genoten van de bedrijvigheid in de straat.

Toen besefte ik niet dat er ook nog een tuin achter het gasthuis was gelegen. Het gaat om een tuin die in 1863 werd ontworpen door de Utrechtse (tuin)architect Samuel A. van Lunteren (1813-1877).

Wat direct opvalt aan  het ontwerp is de indeling van de tuin in zeven lobvormige grasperken die gevormd worden door een min of meer gebogen padenstelsel en die zijn opgesierd met bloemrijke heesterpartijen. Via twee ingangen vanuit de achtergevel aan de zuidkant van het gebouw is de tuin te bereiken. Er bevinden zich in de tuin verscheidene welputten en regenbakken (tegen buitengevels). De tuin is duidelijk bedoeld als binnentuin, om een klein wandelingetje in te maken en een frisse neus te halen. De tuin biedt geen uitzichten naar buiten. De kleurrijke heesterpartijtjes langs de paden nodigen uit tot kleine rondwandelingetjes. Van Lunteren heeft in zijn ontwerp  geen zitbanken getekend. Misschien vond hij de plaats aanwijzen van bankjes niet zijn werk?.  Een tuin verdeeld in dergelijke perken met fleurige bloem- en heesterpartijen noemen we een tuinaanleg in gardeneske (gardenesque) stijl.

De term en het verschijnsel gardenesque tuinstijl komen uit Engeland en werden geïntroduceerd door John Loudon (1832). Hij gebruikte de termen ‘picturesque’ en ‘gardenesque’ tuinen. Omdat hij bang was dat het principe van ‘picturesque planting’ (natuurlijk lijkende beplanting) niet voldoende herkend zou worden als kunst, wilde hij die herkenning als kunst wel bereiken met de ‘gardenesque planting’.  Bij gardenesque beplantingen ligt de nadruk meer op uitheemse planten  (denk aan rododendrons) en op gekweekte planten en ook op de manier van aanplant. Hier gaat het om een landschapsstijl verrijkt met tuinplanten, vaak in geometrische bedden en niet in lossere natuurlijke vormen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd deze manier van beplanten ook  in Nederland veelvuldig toegepast, vooral in de nabijheid van het huis, om van de schoonheid van de bloemen met volle teugen  te kunnen genieten. Dat was dus het geval in de tuin van het Bartholomeus gasthuis, genieten van uitheemse en gekweekte kleurige planten, dichtbij  de wandelaar, langs de paden, die zelf wel in een natuurlijk patroon (gebogen paden) waren aangelegd.

Jan de Beijer, 1744. Bartholomeus Gasthuis. Rechts gezicht op de stadsmuur en de Geertekerk

J. H. Verheijen. Stadswal langs de westgevel van het Bartholomeï Gasthuis tot de Geertekerk. Ca. 1850 (want muur al geslecht)

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

De Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, 1996; Tengbergen, A. & E.J. Tengbergen, 1988 (3e druk). De acht kastelen van Vorden. De Walburg Pers, Zutphen

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Figuratief kaartje  uit 1828, getekend door W. Staring (hoogstwaarschijnlijk Winand C.H.)

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Tentoonstelling over 450 jaar bescherming Haagse Bos (2 maart t/m 9 april 2026)

In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag,  ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).

Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….  

Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht.
Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.

Plattegrond Haagsche Bosch, 1645

In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.

P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos

Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.

I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch,  1825, met wegen en paden en de grote waterpartij

In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.

Tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh

Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto

In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het  heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de  tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.

Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van  ‘Mooi Noord-Holland’.  We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden  is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.

Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.

📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis

Bezoek aan Landgoed Staverden i.v.m. 50 jarig bestand BAC / BeheerAdviesCommissie

Mooie samenkomst op Landgoed Staverden.
Bassin in Tuinen Staverden richting beeld van de Witte Pauw.
Foto Carla Oldenburger

De BAC/BeheerAdviesCommissie van Geldersch Landschap bestaat 50 jaar. Dat is een mooie gelegenheid om de leden van afgelopen 50 jaar bijeen te roepen op één van de landgoederen van GLK, waar op dit moment iets interessants valt te beleven, zo had de directie gedacht. Dat was dus gisteren (18 november) en we troffen elkaar op Staverden waar de restauratie van het huis (uit ca. 1910, kasteel genoemd) in volle gang is. We werden rondgeleid van kelder tot zolder in het huis, vooral heel interessant om de historische overblijfselen te zien, zoals tegels, profielen, super hoge en brede deuren, prachtige plafonds, veranda en balkons en vooral de ligging ‘in het water’ met uitzicht over het water op de oevers en bomen aan de overkant. Ik was natuurlijk ook erg benieuwd naar de status van de tuinen en het park, een ontwerp van Juliet Oldenburger, naar het ontwerp van P.H. Wattez. Het eiland met Leonora, de gerestaureerde ijskelder met nieuwe toegang, de staat van de berceau, het pauwenverblijf met eigen hof etc. etc., het zag er allemaal fantastisch uit.
Dank aan GLK voor deze geweldige middag.
Zie ook Welkom-pagina voor enkele foto’s en Groen-Ontwerpen
voor het ontwerp.
Uitleg over nieuwe heester-aanplantbij de ijskelder. v.l.n.r. Rob Schouten, Rienk-Jan Bijlsma en tuinarchitecte. Foto Carla Oldenburger
Uitzicht vanaf balkon Kasteel Staverden naar het noorden. Foto Carla Oldenburger

Buitenplaats De Voorst

Ik las vandaag een berichtje op Linkedin van Geldersch Landschap en Kasteelen met heel kort een verwijzing met mooie foto’s naar de geschiedenis van Buitenplaats De Voorst (in Eefde bij Zutphen). Ik wil voor de geinteresseerde lezer hier graag wat uitgebreider bij de tuingeschiedenis stil staan. Al in de vroege middeleeuwen wordtDe Voorst genoemd. Het huidige huis werd van 1695 tot 1697 gebouwd voor Arnold Joost van Keppel, graaf van Albemarle en gunsteling van Willem III.
De hofarchitecten Jacob Roman en Daniel Marot waren bij de bouw betrokken. De verdeling van werk tussen beiden is waarschijnlijk dezelfde geweest als op Het Loo en Zeist. Jacob Roman zorgde voor de exterieurs en de uitleg van de tuinen en Daniel Marot voor de decoratie van interieurs en parterres in de tuin. Evenals op Het Loo werd ook hier het huis via colonnades verbonden met de zijpaviljoens. Deze werden overigens in 1847 gesloopt; in 1875 werden de oranjerie en 1909 het noordelijk paviljoen weer opgebouwd.
Op de serie prenten van Petrus Schenk uit ongeveer 1700 zien we dat de tuinen van De Voorst analoog aan die van Het Loo werden ontworpen. Achter het huis lag een verdiepte tuin langs een as van symmetrie, met aan het eind de halfcirkelvormige afsluiting die zo kenmerkend is voor de Frans-classicistische tuinaanleg. In de tuinen bevonden zich acht centrale parterres de broderie, vier zijtuinen, een rond en een achthoekig bassin, twee complexen moestuinen en een loofgangenstelsel met daarin twee paviljoens. Achter de zijpaviljoens lagen bloementuinen.
Omstreeks 1780 vond op De Voorst de eerste verandering in landschapsstijl plaats. Dit gebeurde in het overpark in de hof langs de Berkel. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is in dit gedeelte een rechthoekig park doorsneden door slingerlanen te zien. De formele aanleg rond het huis en de symmetrische bosketten met waterbassins in het overpark waren nog onaangeroerd gebleven. De auteur Van der Aa spreekt in 1848 over een zeer fraai park, binnen grachten gelegen en met gelegenheid tot vissen, jagen en wandelen. Topografische kaarten laten zien dat de tuin nog steeds binnen hetzelfde grachtenstelsel ligt.
De ovale kommen in het voorterrein waren tot landschappelijke vijvers veranderd en de regelmatige tuinvormen achter het huis tot landschappelijke bosschages. De rechte middenas achter het huis was veranderd in een zich afwisselend versmallende en verbredende zichtas. In 1908 werden naar ontwerp van de tuinarchitect L.A. Springer achter de oranjerie een bloementuin en achter het noordelijk zijpaviljoen een rosarium aangelegd, beide nu niet meer aanwezig. In 1912 deed Springer het voorstel de beplante zichtas in het voorterrein weer terug te brengen en het eerste deel van het terrein achter het huis in een golvend gazon te veranderen. Het gazon werd aangelegd, de zichtas niet. Van 1919 tot 1925 gaf de tuinarchitect H.A.C. Poortman verschillende beplantingsadviezen. Het huis is in 1943 afgebrand en de restanten kwamen in 1957 in eigendom van de Stichting Geldersche Kasteelen. Deze liet het huis aan de buitenzijde restaureren in de oorspronkelijke vorm van omstreeks 1700. Het landgoed werd in 1988 eigendom van Het Geldersch Landschap, dat in 1992 de ijskelder restaureerde. Op het landgoed bevinden zich verspreide boscomplexen van loof- en naaldhout te midden van bouw- en weiland.