Maandelijks archief: oktober 2025
Brief aan de stad Amsterdam 750
Mijn brief aan de stad
Ik doe mee aan Project ‘Brief aan de stad’ [Amsterdam], een onderdeel van Project ‘Schrijven naar de Toekomst’.
26 oktober werden deze brieven in het Stadsarchief aangeboden en het is de bedoeling dat ze over 50 jaar pas weer geopend worden.
ingestuurd door Carla Oldenburger (1939).
Mijn biografie van groen-Amsterdam
Als kleuter droomde ik vaak van een autoped met luchtbanden en van vlinders in onze tuin. Maar er was geen enkele kans op die autoped want het was oorlog en we hadden niet eens genoeg geld om te eten. Buitenspelen vond ik ook eng, ik was bang voor de Duitse soldaten die in de school tegenover het huis van mijn oma en opa waren ingekwartierd. Mijn speelruimte was dus voornamelijk beperkt tot binnen, thuis op de Geuzenkade (wel gelukkig een tuin en ’s winters op het ijs van de Kostverlorenvaart) en bij mijn grootouders in de Bonairestraat en de Pieter Langedijkstraat.
Vandaar dat ik heel graag met een van mijn beide ouders op pad ging, eendjes voeren in het Vondelpark met mijn moeder of op de fiets richting de Nieuwe Meer met mijn vader, naar het volkstuincomplex Ons Buiten. En of dat nog niet genoeg was, naar de fazanten en kalkoenen en de mooie tuin met vlinders in de Geuzenhof (Ontwerp Mien Ruys).

Op deze plaatsen, in het Vondelpark, en Ons Buiten en de Geuzenhof, liggen mijn groene Amsterdamse roots. Belangrijk voor mij omdat ik later bioloog ben geworden en ik eigenlijk nu pas (in mijn 86-ste levensjaar) besef dat stadsgroen als inspiratiebron niet onderdoet voor natuurbeleving in de Franse Alpen of in het tropisch regenwoud. Met veel belangstelling heb ik de laatste jaren dan ook de renovatie van de Geuzenhof gevolgd en evenzo die van het Vondelpark een paar jaar geleden.
Eén fietsroute herinner ik me nog als de dag van gisteren. Vóór op de fiets van mijn vader reden we van huis uit over de Geuzenkade en de Baarsjes (langs de Kostverlorenvaart), vervolgens over de Sloterkade en het Jaagpad (langs de Schinkel) naar het volkstuincomplex Ons Buiten aan de Nieuwe Meer. Onderweg was het altijd mijn vurige wens om over alle putdeksels te rijden omdat die telkens zo’n heerlijke muzikale klik-klak gaven als je daar over heen reed. Ik kan dat geluid nu nog duidelijk horen. Als we langs de Schinkel het trappetje naderden, dat toegang gaf tot Begraafplaats Huis Te Vraag, begon mijn vader sterke verhalen over zijn grootvader Laurens Vogelesang te vertellen (hij en zijn vrouw Johanna Hendrika Maris liggen op Te Vraag begraven).

Deze opa had de beroemde Jac. P. Thijsse goed gekend. Opa Laurens was namelijk hoofdonderwijzer geweest (periode 1890-1911) op de Koningin Emmaschool aan de Passeerdersgracht en heel toevallig was de beroemde natuurbeschermer Thijsse in die periode ook hoofdonderwijzer (1892-1898) op een school aan de Passeerdersgracht, namelijk op de school die onder één dak was gebouwd met de Kon. Emmaschool. Helaas heb ik geen bewijzen van hun kennis aan elkaar, maar in onze familie werd wel veel en lovend over Thijsse gesproken en nog steeds hebben we alle Verkade-albums en andere boeken van zijn hand in bezit. Naar het graf van Opa Laurens ben ik nog wel eens op zoek geweest, maar de begraafplaats wordt tegenwoordig zó ‘romantisch’ onderhouden, dat de meeste graven onherkenbaar verdwenen zijn onder het overhangende loof. Door toedoen van kunstenaar en bewoner van de voormalige aula, Leon van der Heijden (1938-2020), is een uniek gravenpark ontstaan, dat zijn weerga niet kent. Leon heeft wat je noemt zijn ziel in het park gelegd en daardoor zijn alle graven natuurhistorische monumentjes geworden.
Ook het Vondelpark (naar ontwerp van de bekende tuinarchitecten Jan David en Louis Paul Zocher) was in mijn eerste levensjaren een bekende plek voor mij. In 1943, toen ik vier maal jarig was geweest, werd het park gesloten door de Duitse Wehrmacht, maar vóór die tijd wilde ik heel graag met mama ‘uit, uit, uit’ om daar de eendjes te voeren en tegen de zwanen en de roeken en de reigers te praten. Er waren nog geen halsbandparkieten, die had ik vast ook heel mooi gevonden, die knalgroene vogels met hun rode snavels.
In het Amsterdamse Bos (Boschplan, ontwerp Jacoba Mulder) leerde ik mijn eerste wilde planten kennen. Mijn vader was altijd op jacht naar nieuwe soorten die hij nog niet kende, met het gevolg dat ook ik op mijn manier met die planten kennis maakte. Fietsen naar het Boschplan stond eigenlijk ook altijd op mijn wensenlijstje.

In de winter van 1944/1945 veranderde er veel in mijn kleuter-leventje. Mijn ouders maakten zich toen ernstig zorgen over mijn gezondheid, omdat er nauwelijks genoeg te eten was in de stad. Vele moeders gingen ‘de boer op’ om eigendommen te ruilen tegen vlees en boter en aardappelen. Ik werd dan ondergebracht bij mijn oma en opa in de Bonairestraat, dáár vooral liggen mijn oorlogsherinneringen. Nog jaren lang heb ik gedroomd van marcherende soldaten, die mij de grond instampten als ze terugkeerden in hun hoofdkwartier. Tenslotte werd ik ‘naar de boeren’ gebracht in Dirkshorn, waar de familie Duinkerken mij als hun eigen kind heeft opgevangen. Ik vond het fantastisch omdat ik nu opeens broertjes en zusjes had en van hen een heleboel kon leren zoals melken en karnen en helpen de dieren te verzorgen, vooral kippen voeren vond ik erg leuk, werken in de moestuin en in de bessengaard met rode en zwarte bessen en kruisbessen, groenten schoon maken en verwerken enz. enz. De korenbloemen en klaprozen bloeiden nog op de akkers en als ik me goed herinner gingen we nog met paard en wagen naar de molen om graan te brengen en meel te halen voor het brood. Ik was dus weer in het groene leven terecht gekomen, nu -voor even- buiten Amsterdam.

Nu tachtig jaar later, is de stad Amsterdam toch voor mij een groene levensbron gebleken. Ik idealiseer natuurlijk, maar vanuit de groene beelden die ik altijd in mijn hoofd heb bewaard en vanuit de kennis die ik in al die jaren erna heb opgedaan, doemen beelden op van een groene toekomst voor de stad. Amsterdam is altijd een groene stad geweest, denk aan de iepen langs de grachten en de keurtuinen tussen de grachten, maar is al dat groen wel voldoende voor de aankomende hete en natte zomers? Er lopen al allerlei projecten om straten meer schaduwrijk te maken en om bij nieuwbouwplannen naast open speelpleinen in de zon ook vooral aandacht te schenken aan beschaduwde paden en pleinen (door lindes en platanen) en koele waterpartijen. Is het ook mogelijk en wenselijk de binnenplaatsen van het Burger Weeshuis (Amsterdam Museum) of de Dam te vergroenen? We denken dan gauw aan zitjes bedekt door het loof van dakplatanen of andere dakbomen…Toch maar liever niet zou ik zeggen. De Dam is vanouds een open plein, het centrum van de stad. Door die openheid komt de architectuur van het voormalige stadhuis (later veranderd in koninklijk paleis) prachtig tot uiting en dat willen we graag zo houden. Wel zou het misschien mogelijk zijn de Dam aan de kant van de Bijenkorf te vergroenen, daar heeft tenslotte tussen 1925 en 1947 al eens eerder een plantsoentje gelegen. En laten we niet vergeten, het Rode Loper Project is van kleur veranderd (klinkers van rood naar grijs), maar voor mij zou vooral groen de kleur van de loper moeten zijn.
Rhenen augustus 2025.
Boek over de tuinarchitect Samuel Voorhoeve verschenen (1880-1948)

Gisteren, 17 oktober 2025 zag een nieuw boek het licht bij Uitgeverij Noordboek Gorredijk) over de werken van de tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve. De auteur is Ruud Schaafsma. Zelf besteedde ik voor het eerst aandacht aan Voorhoeve in een artikel in het tijdschrift GROEN in 1984, en weliswaar na 24 jaar, is er nu een boek over zijn werk verschenen.

Na een inleiding met biografische gegevens volgt een hoofdstuk over zijn opleiding, de karakteristeike kenmerken van zijn werk, de stijl waarin hij werkte en vooral zijn methode hoe bij al zijn ontwerpen het landschap als uitgangspunt te nemen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Oosterbeek en knoopte nauwe contacten met de gemeente aan. Hij was mede-oprichter van de Bond van Tuinkunstenaar is 1922. Over de 100 jaar geschiedenis van deze vereniging verschijnt toevallig volgende week (24 oktober 2025) ook een nieuw boek bij Uitgeverij Blauwdruk.

Na deze inleidende hoofdstukken volgen beschrijvingen van zijn grote bekende werken in Renkum, Oosterbeek, Doorwerth en Vierhouten, zoals Bato’s Wijk, Duno, Lage en Hoge Oorsprong. Na de Tweede Wereldoorlog trof hij een volledig verwoest Oosterbeek incl. zijn eigen werken aan. de weinige jaren die hem nog restten werden vooral aan de Werderopbouw besteed. Al zijn werken worden achterin het boek chronologisch aangeduid met vermelding van naam opdrachtgever, naam project, plaats, jaartallen van uitvoering, verblijfplaats van ontwerpen, en opmerkingen. Het boek is prachtig geïllustreerd ,et ontwerptekeningen, oude en nieuwe foto’s van de locaties etc. en sluit af met een noten-apparaat, een literatuurlijst, en ziet er zeer verzorgd uit.
Een vereniging van tuinkunstenaars. 100 jaar NVTL

(tekst gedeeltelijk overgenomen van de NVTL)
Zie ook Bericht elders op deze website (28 mei 2022) met alle namen van leden in 1923/1924.
‘Een vereniging van tuinkunstenaars’
Het langverwachte boek door Uitgeverij Blauwdruk, gemaakt naar aanleiding van het 100-jarige bestaan van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur komt uit. Er wordt niet alleen teruggeblikt naar de oprichting van de BNT, wie de oprichters waren en wat hen bewoog, maar ook verbinding gelegd met de huidige stand van het vakgebied. De doelstellingen van de vereniging uit 1922 zijn nog verrassend actueel voor de NVTL anno nu.
Eerste ALV 1923 – bron Special Collections, Wageningen University & Research – Library
Het boek bevat een uitgebreide inleiding van Erik A. de Jong, een nawoord van Ben Kuipers, een voorwoord van Young NVTL, foto-essays van Jeroen Bosch en portretten van de leden en bestuursleden van het eerste uur en een selectie van hun projecten in woord en beeld. Het groene erfgoed van een eeuw oud ligt er verrassend genoeg veelal goed bij.
De portretten zijn geschreven door de volgende auteurs:
Pieter Westbroek geschreven door Anja Guinée, Leonard Springer en Henri Hartogh Heys van Zouteveen door Patricia Debie, Hugo Poortman door Anneke Coops, Jacoba Hingst door Sandra den Dulk, Tine Cool door Liesbeth Missel, Wim Sluiter, Jo Bouwens en Anthonij Herman Haarsma van Oucoop door Eric Blok, Jan Jacob Denier van der Gon door Karin Laarakker, Samuel Voorhoeve door Rob Aben en Jeroen Bosch, Jan Bijhouwer door Gerrie Andela, Adriaan van Laren door Carla Oldenburger, Gustav Adolf Overdijkink door Henk van Blerck en Dirk Tersteeg door Gerrie Andela en Anja Guinée.
Het boek is gesponsord door NVTL, Stichting NHBOS en Jaap Harten Fonds.
De mammoethboom (Sequoiadendron giganteum) in het Abraham Ledeboerpark

De verkiezing van de Boom van het Jaar 2025 is geworden de Mammoethboom in het Abraham Ledeboerpark in Enschede.
Over de leeftijd en de geschiedenis van de boom gaat het verhaal verder: Hij zou zijn geplant door de familie Ledeboer, die in de tweede helft van de negentiende eeuw het landgoed ’t Wageler in bezit kreeg, wat later het Ledeboerpark zou worden. De textielindustrieel Abraham Ledeboer liet, geheel in de trend van die tijd, op het landgoed een ‘Engelse tuin’ aanleggen…
…De familie Ledeboer was een welvarende textielfamilie, waardoor zij verre reizen kon maken. De mammoetboom zou rond 1890 door de Ledeboers zijn geplant met zaden die de familie had meegenomen uit Californië. … Maar Olaf Visscher, archivaris bij het Archief Twentse Textielfamilies, ontdekte eerder dit jaar dat de boom al sinds 1866 in het park bleek te staan. In een oude factuur, getiteld ‘plantsoen voor uw aanleg rond ’t Wageler’, wordt eerder contact beschreven tussen tuinarchitect Dirk Wattez en Hendrik Jan van Heek, een andere textielfabrikant. De factuur voor de mammoetboom bedroeg 300 gulden. Daarmee is deze mammoetboom niet alleen een van de breedste, maar ook een van de oudste bomen in Nederland.
Abraham Ledeboerpark. Enschede, Foto Wikipedia
Het Ledeboerpark park beslaat een groot deel van de voormalige buitenplaats Het Wageler, in 1865 aangelegd door de tuinarchitect Dirk Wattez, en later werd gereorganiseerd door zijn zoon P.H. Wattez.
De buitenplaats maakt deel uit van het Overijsselse hoeven- of kampenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een kleinschalige afwisseling van akkers, weiden, bos en boerderijen, afgezet door houtwallen.
In 1956 werd Het Wageler door de familie Ledeboer aan de gemeente geschonken, ter nagedachtenis aan Abraham Ledeboer. Bij de overname werd bepaald dat het park uitsluitend een wandelpark zou blijven, dat er geen sportvelden zouden worden ingericht en dat er geen monumenten en geen restaurant zouden worden gebouwd. Het park bestaat uit een grote landschappelijk aangelegde vijver, gazons, fraaie oude houtopstanden en open weiden door bos omsloten. In een dierenweide lopen ezels, wilde zwijnen, damherten, geiten, ponies. Er is een volière met roofvogels. In het park zijn wandelroutes uitgezet. In een Twents Lös Hoes, genaamd ’t Lammerinkswönner, is een bezoekerscentrum ingericht waar permanente en tijdelijke exposities zijn te bezichtigen. Enschede is rijk bedeeld met voormalige buitenplaatsen, die door de eigenaars aan de gemeente geschonken zijn en zo de functie van gemeentepark hebben gekregen. Naast het Ledeboerpark zijn ook het Van Lochemsbleekpark en het Wooldrikpark voormalige buitenplaatsen.
Lune in Leipzig
Het laatste Familie-bericht (12 september) was van Lune en ging over het jachtgedrag van buizerds in de leefgebieden van de wilde hamster. Dit was een presentatie op de Radboud. In Leipzig werd deze lezing nog een keer herhaald voor een internationaal gezelschap van hamster-deskundigen. Lune schrijft hierover op Linkedin:
“…Het begon met een dierentuinbezoek en een rondleiding langs het hamsterfokstation achter de schermen. Leuk om inmiddels drie verschillende fokstations bezocht te hebben, en ze onderling te kunnen vergelijken.
De volgende dagen waren er voordrachten over alle thema’s rondom hamsters die je maar kunt bedenken: van beheermaatregelen tot updates over populaties, en van genetisch onderzoek tot relaties met andere diersoorten.
Ook ik kreeg de kans mijn onderzoek te presenteren. Vorige maand had ik al een “generale repetitie” op de Radboud University, en nu, met een paar aangepaste resultaten, kreeg ik weer een kans. Ik was best zenuwachtig (want zo vaak heb ik nog niet gepresenteerd voor ruim 100 mensen, in het Engels…), maar het ging prima!
Een van de andere hoogtepunten was toch wel het bezoek na sluitingstijd aan de inmiddels donkere jungle-hal van de dierentuin. Geweldig om in plaats van alle zingende vogels nu alle kwakende en schreeuwende kikkers te horen.
En natuurlijk kon ik niet naar huis komen voordat ik nog even de Thomaskerk van Johann Sebastian Bach had gezien.
Hartelijk dank aan (v.l.n.r.) Gerard Müskens, Dr. Maurice La Haye, (Lune Moonen), Anke Brouns en Eva Fiori voor de begeleiding en de gezelligheid.”





