Categoriearchief: Architectuur

Prenten in de salon van buitenplaats Brakestein (Texel)

(213). Brakestein is een kleine buitenplaats, gelegen tussen Oudeschild en Den Burgh. In 1683 werd Gerrit Barmentlo, commies ter recherche van de Admiraliteit, de nieuwe eigenaar. Brakestein wordt dan omschreven als een ‘huijs staende bij de pedt [put] onder hoogebergh, sijnde twee woningen genaempt Braecken Stee met een beplanten Boomgaert Tuijn ende Vijver met omtrent xvi roeden landt’ [225 m2]. In 1703 laat Gerrit het huis na aan zijn dochter Zara, die omstreeks 1699 getrouwd was met Adriaan Jansz Braeck (1660-1706). Na het overlijden van haar echtgenoot Adriaan, hertrouwt Zara in 1711 met Jacob van Muiden en vertrekt zij met haar zoons Gerrit en Jan Adriaansz naar IJsselstein. In een boedelbeschrijving (1711) valt te lezen dat het huis bestaat uit een voorhuis, klein voorhuis, grote zaal, voorkamer, achterkamer, keuken en eetzaaltje.  In de papieren van de boedelscheiding [regionaal Archief Alkmaar] worden de aanwezige roerende en onroerende goederen opgesomd. Opvallend zijn twee kaarten, een van Het Loo en een van het park van Angiers [Angers? Anguien of Edingen?]. Het meest waarschijnlijke is dat het hier gaat om twee prenten van Romeyn de Hooghe, hieronder afgebeeld. Ter nadere informatie: Anguien is een middeleeuws kasteel in de provincie Henegouwen. Het park is ten dele nog herkenbaar en te bezoeken. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Park_van_Edingen

Romeyn de Hooghe ca. 1695, ’t Konings Loo. Ook is de centrale prent apart uitgegeven zonder randprenten
Naar Romeyn de Hoogte. ’t Vermaarde Park van Anguien. Ca..1685
Romeyn de Hoogte. Park van Anguien. Ca. 1680

Damplantsoen geopend in 1925. Amsterdam

Vandaag las ik op LinkedIn over een nieuwe aanwinst van Kunsthandel Bijl-Van Urk B.V., namelijk een schilderij van Cornelis Vreedenburgh, gedateerd 1927. Op LinkedIn werd de vraag gesteld: “wat zien we voor soort ‘tuin’ of ‘volkstuin’ op de voorgrond?”

Mijn antwoord was dat het hier een tuin in zogenaamde “Oud-Hollandse” stijl betrof, passend / aansluitend bij het gebouw, voorheen het stadhuis van Amsterdam, gebouwd/ontworpen door Jacob van Campen vanaf 1648 en gereed in 1665.

Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis van Amsterdam), 1927. Kunsthandel Bijl-Van Urk, Alkmaar

We zien op het schilderij op de voorgrond een verdiepte tuin, opgebouwd uit grasvlakken en rechtlijnige bloemenborders. De tuin is verdiept en ontworpen langs een as van symmetrie, die aansluit op de middenas van het paleis. De tuin wordt ontsloten door een trappartijtje, gelegen in het midden van de dwarsas (voor de tram) en ook zijn dergelijke trapjes te vinden in het midden van de lengte-assen rond het middenperk. Op de hoeken van de lange perken en in het centrum van kleine vierkante perken staan taxussen geplant. De lange perken zullen nog met bloemen gevuld moeten worden, net zoals de perken aan beide zijden van de eerste trappartij. Het grote centrale rechthoekige grasvlak ligt binnen een wandelpad van flagstones en wordt daarbuiten afgesloten door (waarschijnlijk) buxusranden. Het beplantingsontwerp is volgens de rubriek Chronologie van het Stadsarchief Amsterdam (Onderwerp De Dam als plaats van herinnering) gemaakt door de gemeentelijke tuinarchitect Ir. J.R. Koning jr. .

De stijl van ontwerpen doet erg denken aan de stijl van Leonard Springer. Hij is in 1925 (toen de werkzaamheden begonnen) 70 jaar, en alhoewel is gebleken dat hij nog lang niet aan stoppen dacht in dat jaar, is de opdracht hem toch niet gegund. In de Springer Collectie Wageningen Library is wel enige summiere documentatie te vinden, namelijk een rijmpje uit het Haarlems Dagblad van T. de Rijmer, een krantenartikel uit De Telegraaf (1930-04-09) en een krantenfoto van het Damplantsoen.

Ik zal eens verder zoeken op naam van J.R. Koning, om er achter te komen bij welke projecten hij nog meer betrokken was in Amsterdam.

Aanleg Damplantsoen, Bouwput 1925, vlak voor de aanleg van het plantsoen.. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Op bovenstaande foto zien we de omschutte bouwput van het toekomstige plantsoen, maar eigenlijk was het een ruimte die vrijgekomen was door de afbraak (1912) van het voormalige Commandantshuis ( D’Ailly’s Historische Gids van Amsterdam. Bewerking H. F. Wijnman. 1968) en de sloop van de westzijde van de Warmoesstraat. Er was een plan om hier een hotel te bouwen, maar dat is niet doorgegaan. Het Damplantsoen was bedoeld als tijdelijke tussen-oplossing. Zie  https://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/277/middendam-kromhout.html

12 september 1925. Officiële opening van het Damplantsoen 1925. Zicht over het Damplantsoen van Hotel Krasnapolsky naar Het Paleis. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Hier is goed te zien dat de paden aan de voet van de borders en rondom het centrale grasperk uit flagstones bestaan. NB de tram die hier te zien is, staat ook op het schilderij afgebeeld. Coll. Stadsarchief Amsterdam

Met dank aan Walther Schoonenberg en Hans Krol

TEGELTABLEAU: TUIN IN NEDERLANDS INDIË

Tuin in Ned.Indië met Waringinboom. Coll. Princessehof Leeuwarden. Foto R. Dessing

Op Facebook kwam ik deze prachtige tuin tegen, die is afgebeeld op een tegeltableau, aanwezig in Museum Het Princessehof te Leeuwarden.

Drs. Karin Gaillard, conservator Keramiek Europa in dat museum, berichtte me het volgende: ‘Het tegeltableau behoort inderdaad tot onze collectie en hangt in de vaste opstelling. Het is gemaakt door Plateelbakkerij De Distel in Amsterdam omstreeks 1910, de naam van de fabriek is rechtsonder op het tableau te zien. De voostelling is een Indische tuin, maar de precieze locatie is niet bekend en ook weten we niet wie de tekening heeft gemaakt. Zou de voorstelling in sepiakleuren getekend zijn naar een foto? In 1977 is het tableau door de Ottema-Kingma Stichting gekocht bij de firma Focke & Meltzer in de Amsterdamse Kalverstraat en in bruikleen gegeven aan het Princessehof.’ Helaas is er niet meer over de afbeelding en over de kunstenaar bekend.

In de tuin zijn enige ronde perken met palmen en bloemen te onderscheiden. In het midden van de tuin, op het tableau helemaal rechts staat een grote Waringin boom (een treurvijg of Ficus Benjamin), een typische parkboom in Indonesia.

Verder zoekend op tegeltableau en Princessehof kwam er nog een tuin boven water. De afbeelding ziet er uit als fantasie-tuin ergens in Europa. . 9 (breed) x 6 (hoog) tegels bevattende.

Met dank aan René Dessing

Hollandse tuin. Coll. Princessehof Leeuwarden. Foto R. Dessing

Parkaanleg rond Huis Landfort bij Megchelen

Onderstaande tekst zal in aangepaste vorm in Zochers OnLine worden opgenomen.

De buitenplaats Huis Landfort te Megchelen is altijd een beetje onbekend gebleven in de Nederlandse tuingeschiedenis. Waarschijnlijk is de ligging direct tegen de grens van Duitsland, daar debet aan. Nu huis, tuin en park worden gerestaureerd en het koetshuis herbouwd, wordt het zo langzamerhand tijd ook op deze plaats eens wat meer over het buitenplaatscomplex Huis Landfort te vertellen.

Huis Landfort gelegen op een huis-eiland omgeven door een aftakking van de Oude IJssel. Links boven de visvijver. Links boven het huis de voortuin en rechts onder het huis de achtertuin op het zuiden. De vorm van de gracht heeft een karakteristieke Zocher-vorm. Buiten de (brede) gracht, boven in de foto stroomt de Oude IJssel. Bron: Google Earth

Huis Landfort is gelegen in een flauwe bocht van de Oude Ijssel nabij het dorp Megchelen. Het huis wordt voor het eerst in 1434 in een verkoopakte genoemd. Het terrein stond al bekend onder de naam ‘Lanckvoort’, wat zeer waarschijnlijk duidt op een ‘voorde’ (doorwaadbare plaats) in een rivier. Heden ten dage vormt het goed een fraaie combinatie van een huis (omstreeks 1825 verbouwd) met een park in landschapsstijl uit dezelfde tijd, voorzien van oude, bijzondere bomen. In 1996 waren hiervan nog aanwezig een moerascipres, tulpenboom, vederbeuk, ginkgo, weymouthden, dwergcipres en een Catalpa. Het goed heeft vele eigenaren gekend, maar naar hen is nog geen uitputtend onderzoek gedaan. De Amsterdamse medicus en botanicus Johann Albert Luyken (1785-1867) kocht met hulp van zijn 21 jaar oudere zuster Stiencke Christina Waltmann-Luyken in 1823 de oude buitenplaats op een veiling. Direct in datzelfde jaar gaf hij de architect-aannemer Johann Theodor Übbing (1786-1864) uit Anholt (aan de overkant van de Oude IJssel) de opdracht het oude huis en de omgeving rondom het huis te veranderen naar de smaak van de tijd.

Huis Landfort in 1720. Jan de Beijer? Bron Wikipedia

Maar hoe zagen huis en tuin er uit? Het huis had in de 18de eeuw een vierkant hoofdhuis met op iedere hoek een toren met helmdak. Aan het eind van de achttiende eeuw werden de hoektorens gesloopt. De houten kap uit de zestiende eeuw is in het huidige huis nog bewaard gebleven. Het omsingelde terrein en de percelen waren omstreeks 1816 nog rechthoekig van aard.

Situatiekaart met rechthoekig omsingeld terrein van Huis Landfort, schuin tegenover Anholt. Casparus Muller, 1816. De grens Nederland – Duitsland is met kruisjes weergegeven. Duidelijk is te zien dat de grond-indeling rechthoekig van karakter is. Noorden boven. Bron: TopoTijdreis

Volgens plan van Luyken en Übbing werden aan de zuidkant van het huis twee kwart-holronde vleugels aangebouwd (links een inpandige oranjerie). In dezelfde tijd werd een achthoekige ‘Moorse’ duiventoren met gotische ramen en een uivormige toren gebouwd, eveneens naar ontwerp van Übbing. Twee bruggen zijn ontworpen door Carl August Wilhelm Luyken. Zij dateren uit omstreeks 1870.

Opmetingskaart Huis Landfort J.Th. Übbing, 1823.
Huis op huiseiland, rechthoekig van vorm en binnen dubbel grachtenstelsel; moestuinen achter het huis verdeeld in vier kwadranten, ingesloten door deels rechte grachten en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein in rechthoekige nutstuinen, weiden en akkers verdeeld. Linksboven visvijver ten zuiden van de koetshuizen. Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort J.Th. Übbing, tussen 1823 en 1825
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland binnen dubbel grachtenstelsel; tuinen achter het huis in kleinschalige landschapsstijl, ingesloten door grachtenstelsel met lange rechte delen en aan korte tuinzijde een kwartcirkelvormig grachtdeel; hele terrein verdeeld in rechthoekige of ruitvormige nutstuinen, weiden en akkers. Linksboven visvijver ten zuiden van koetshuis en stallen en omgeven door nutstuinen (?). Midden-onder sterrenbos (jachtbos kleinwild ?); rechtsonder het ‘Schipbosch’, een wandelbos in landschapsstijl dat men volgens dit nieuwe ontwerp kon bereiken via een slingerpad vanaf het huiseiland. Noorden linksboven.
Coll. kcal.nu
Ontwerp Huis Landfort. J.D. Zocher jr. toegeschreven, [1825]
Huis met uitwaaierende vleugels op huiseiland met heesterpartijen, omgeven door een slingerend riviervormig grachtenstelsel. Akkers of in stroken gedeelde moestuinen (gestreepte ruimtes) ten zuiden van visvijver en huiseiland. Ruimte rond visvijver geheel omsloten door meesterpartijen. Hele terrein in afgeronde ellipsvormige, niervormige en ovaalvormige ruimtes (akkers en weides) verdeeld. Midden-onder waterpartij met (graf)eiland en sterrenbos. Sterrenbos en voormalige Schipbos via paden rondom open weide verbonden. Noorden linksboven. Coll. kcal.nu

J.D. Zocher jr. heeft in 1825 Landfort bezocht en een nieuw ontwerp-voorstel gedaan aan de heer Luyken. Ook zijn broer Carel G. Zocher schijnt hieraan zijn medewerking te hebben verleend. Waarschijnlijk fungeerde hij als opzichter. Uit correspondentie tussen Jan Zocher en J. Bondt (een zaakwaarnemer van Johann Luyken) blijkt dat Zocher die zomer ‘in de buurt’ (op Biljoen te Velp) moest zijn en dat bezoek zou kunnen combineren met een bezoek aan Huis Landfort om een oculaire inspectie uit te voeren voordat hij zich zou wagen aan een plan voor een belangrijke beek (de omgrachting van het huiseiland en/of van het grafeiland, in Zocherstijl ). Verschillende tuinen, weiden en akkers werden nu door de Zochers tot één landschappelijk en samenhangend plan verenigd. De paden kregen een veel natuurlijker verloop met ruime bogen en het oude formele grachtenstelsel werd vergraven tot een karakteristieke Zocheriaanse slingerende waterpartij (‘beek’ in flauwe M- / W-vorm). Slechts vóór de bijgebouwen bleef een kleine omsloten rechtlijnige aanleg rondom de langwerpige visvijver gehandhaafd. Dat het ontwerp van de Zochers werkelijk is uitgevoerd, wordt bevestigd op de Topografische Kaart van 1843. In grote lijnen is de landschappelijke indeling van het terrein en het karakteristieke Zocheriaanse grachtenstelsel hier duidelijk op terug te vinden.

Topografische Kaart 1843

Huis, koetshuis, park en omliggende landerijen zijn in zwaar verwaarloosde toestand in 1970 aan St. Geldersch Landschap verkocht. Zichtlijnen werden open gekapt, nieuwe borders en waterpartijen werden aangelegd en de visvijver hersteld. Het huis werd alleen uitwendig gerestaureerd. In 2017 is het hele complex in eigendom overgegaan op Stichting Erfgoed Landfort. Deze stichting ziet restauratie van het huis, de herbouw van de bijgebouwen en de revitalisatie van het park als haar belangrijkste doel.

In 2020 wordt een nieuwe moestuin aangelegd en het park gerenoveerd. Het is de bedoeling dat In de toekomst huis en tuinen voor bezoekers worden opengesteld.

Literatuur: Heimerick Tromp, Landfort revisited: Nieuw licht op een oude buitenplaatsDe Woonstede door de eeuwen heen 121 (1999), pag. 16-25.

Website: erfgoedlandfort.nl

Archief: De archieven Familie Luyken op Landfort te Megchelen en Stichting Rhijngeest als eigenaar van Huize Landfort te Megchelen zijn respectievelijk in 2016 en 2013 ondergebracht bij het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers (Doetinchem). De inventarissen van genoemde archieven en foto’s van Landfort zijn in te zien op www.ecal.nu


Neercanne terrassenkasteel

Op 14-07-2020 stond een bericht van Fons Habets op LinkeIn: “Onlangs heb ik in opdracht van MH1 Architecten en Van der Valk tuinhistorisch onderzoek gedaan naar de terrassentuin van Kasteel Bloemendaal in Vaals. Een leuke klus. De terrassentuin is een van de weinige terrassentuinen in Nederland, zo niet de enige terrassentuin met een formele aanleg en met 18e eeuwse tuinornamenten, die goed bewaard is gebleven. Bijzonder zijn een rij van tamme kastanjes (castanea savita) van ca 130 jaar oud en twee even oude zomereiken (quercus robur).”

Kasteel Neercanne. Ph. van Gulpen. 1836. Deze schildering accentueert meer de landschapsstijl, terwijl de barokke terrassenaanleg niet te zien is

Ik vroeg Fons Habets of Neercanne dan niet meetelde als terrassenkasteel. Zeker, was zijn antwoord.

Daarom, zie nogmaals het vorige Bericht, dat ik heel toevallig (?) net had geplaatst, echter zonder deze prachtige schildering van Ph. van Gulpen.

Neercanne kweeperentuin

n.a.v. de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg

Neercanne ca. 2020. Luchtfoto. Buiten de muren van het kasteel een boomgaard en een wijngaard

3 juli jl: “We staan met de voeten in de klei bij een van de nog onontdekte parels van Limburg”, sprak Iris Bakker van Visit Zuid-Limburg bij de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg. De bijeenkomst vond plaats in de Kweeperentuin (de Gaard) van Neercanne. Doel van de actie is vakantiegangers te verleiden naar onontdekte parels in de zuidelijke regio te gaan. De corporate pr functionaris doelde daarbij niet alleen op de gaard van het château, maar ook op de geleverde krachtsinspanning door de marketingorganisaties van Noord-Limburg, Midden-Limburg, Zuid-Limburg en Maastricht.

Ik wist helemaal niet dat er een Kweeperentuin was, behorend bij Neercanne. In 2000, voor de aanleg van deze tuin, maakte ik een beschrijving van de tuinen van Neercanne voor de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (Rotterdam, 2000). De Kweeperentuin is later toegevoegd. Mijn tekst luidde in 2000:

“Tegen de dalwand van de Jeker, op de oosthelling van de Cannerberg, ligt vlak voor de grens met België kasteel Neercanne. Het tegenwoordige kasteel dateert uit 1698. Het werd in classicistische stijl gebouwd in opdracht van generaal Daniel Wolff Baron den Dopff, gouverneur van Maastricht. Den Dopff liet midden voor het kasteel drie terrassen aanleggen.

Het laagste terras aan de kasteelzijde van de weg, bestond uit een rijke parterre de broderie met in het centrum een bassin. Aan de overzijde van de weg werden de tuinen voortgezet met een breed bassin, afgesloten met een halfronde ‘exedra’ en een zichtlaan. Rondom graasden koeien. Overblijfselen in de vorm van een poel zijn hier nog terug te vinden. De tuinen van Neercanne waren in 1717 zo beroemd, dat Tsaar Peter de Grote het bos en de hof kwam bezichtigen.

G. de Bruyn. Neercanne. Gravure 1715

Aan het eind van de zeventiende eeuw was Neercanne in de eerste plaats een ‘villa rustica’: een economisch landbouwbedrijf waar bovendien het plezier van het buitenleven gecombineerd werd met dat van de kunsten. De economische functie werd door klassieke tuinbeelden gesymboliseerd, zoals die van Mercurius, het symbool van welvaart en voorspoed; Diana, symbool van de jacht en Ceres, symbool van de landbouw. In het heldendicht van Francois Halma uit 1715, getiteld ‘Het Kasteel van Aigermont…‘ kunnen we lezen dat de economie van Neercanne was gebaseerd op landbouw (korenvelden), fruitcultuur (boomgaarden en fruit tegen de hoge warme mergelmuren op het tweede terras), houtcultuur (sterrebossen), wijncultuur (ook tegen de muren), bijenteelt en veeteelt (in de overtuin en ook in de omliggende velden graasden koeien). Deze landbouwactiviteiten spelen ook een belangrijke rol in Vergilius’ ‘Georgica’ waarin het leven op het land wordt verheerlijkt. Het is dan ook niet toevallig dat Vergilius in het gedicht van Halma een rol speelt in de persoon van ‘de Mantuaan’, de man uit Mantua. Deze combinatie van landbouwbedrijf en buitenplaats doet ook denken aan de landbouwbedrijven in de Veneto, waarvan sommige gebouwd werden door de bekende bouwmeester Palladio.

Halma noemt Neercanne ook een ‘lusthof van vermaak’. Sierelementen die hij beschrijft zijn parterres de broderie, geknipte taxusbomen, planten in potten, tuinbeelden, waterkommen en fonteinen, een obelisk, een belvédère en twee paviljoens. Deze zijn ook te vinden op de gravure van G. de Bruyn die Halma als illustratie opnam.

Uit de negentiende eeuw zijn twee tekeningen bekend, een van J. Lefebure uit circa 1840 en een anonieme uit 1848, waarop heel duidelijk de bomen en vaste planten die toen op het tweede en derde terras groeiden zijn te onderscheiden. Enige jaren geleden is een deel van de tuinen van Neercanne gerenoveerd, naar de laat-zeventiendeeeuwse situatie. Dit was niet eenvoudig, omdat over de originele tuinen weinig gegevens beschikbaar waren. Bij de renovatie is men uitgegaan van het behoud van de hoofdstructuren van de tuinen. Ook de oude begroeiing van de hoge warme mergelmuren met druiven, abrikozen, perziken, witte en rode rozen, achtte men naast de wilde begroeiing van gele helmbloem, belangrijk.

Voor het benedenterras langs de weg heeft de tuinarchitect W.J.A. Snelder een nieuw, modern ontwerp gemaakt, gebaseerd op de zeventiende-eeuwse parterre de broderie. De centrale parterres rond het bassin werden in strakke, moderne vormen uitgevoerd. De middenas van Neercanne, die doorloopt in de overtuin, was waarschijnlijk gericht op Huis Lichtenberg aan de Maas. Deze overtuin is eigendom van de Stichting Het Limburgs Landschap en is niet in de renovatie meegenomen.

Boven het kasteel ligt het Cannerbos. Een dergelijk hellingbos is een typisch Zuid-Limburgs verschijnsel. Het bos volgt in een smalle strook de steile dalwanden van de Jeker en is botanisch zeer interessant. Omstreeks 1700 lag hier een sterrebos met aan de rand een tuinkoepel.

Kasteel Neercanne en het Cannerbos zijn nu een geliefd recreatief doel voor de inwoners van Maastricht. In het Cannerbos groeien veel voorjaarsbloemen en er is een rijke vogelstand. Ondergronds bevinden zich uitgestrekte mergelgroeven waar vleermuizen huizen. Heden ten dage is nog steeds de combinatie van economie en vermaak de reden van Neercanne’s bestaan. Het huis doet dienst als hotel en vergadercentrum, terwijl de gerestaureerde tuinen zijn opengesteld voor het publiek.”

Huis Anton de Kom restauratie noodzakelijk

(overgemnomen artikel van Armand Zunder in STAR NIEUWS, 22-02-2015; afbeeldingen ingelast):

Huis nationale held Anton de Kom vervallen tot krot.

Het huis in Paramaribo waar Anton de Kom in 1898 is geboren

Wie langs de hoek Hofstraat / Anton de Komstraat in Paramaribo rijdt, fietst of loopt komt het zeker tegen. Het is één van de talrijke krotten die onze hoofdstad nog ontsieren.

Voor het huis staat een zuil waarop ter gelegenheid van 22 februari 1985 de volgende inspirerende tekst gegraveerd staat:

‘SRANANG | MIJN VADERLAND | EENMAAL HOOP IK | U WEER TE ZIEN | OP DE DAG WAAROP | ALLE ELLENDE | UIT U | WEGGEWIST ZAL ZIJN’

Een groot deel van de passanten kennen de achtergrond van dit vervallen huisje niet. Een deel kent het wel en misschien laat het hen koud. 

Op 22 februari is het vanuit de optiek van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (NRCS) wel van belang om even bij de achtergrond van dit al jaren vervallen gebouw in onze binnenstad stil te staan. In dit gebouw is namelijk 117 [122] jaar geleden [in 1898] op deze datum de activist, vakbondsleider, auteur van o.a. de klassieker ‘Wij slaven van Suriname’, dichter en verzetsstrijder Anton de Kom geboren. Op deze plek hield hij in 1933 zijn spreekuren om de belangen van de talrijke ‘mofinawans’ uit alle etnische groepen die hem bezochten te behartigen. Anton de Kom is inmiddels in Suriname in ieder geval na zijn dood uitgegroeid tot een nationale held, die op bankbiljetten prijkt. In het geschiedenisonderwijs vanaf de lagere school is zijn verhaal prominent aanwezig. Op het Universiteitscomplex heeft hij een borstbeeld staan en bij Staatsolie ligt er al een aantal jaren een standbeeld van hem in een loods. 

Borstbeeld Anton de Kom Paramaribo
Anton de Komplein Amsterdam

Welnu elke Surinamer heeft wel op de één of andere manier van Anton de Kom, of van zijn werk gehoord. Is het dan normaal dat het huis waarin deze geweldige Surinamer geboren is en ook deels gewerkt heeft tot een krot moest vervallen? Is er in deze geen sprake van een nationale schande?

Wat denkt o.m de Stichting Stadsherstel Paramaribo over de restauratie van dit monument?

Logo Stadsherstel Paramaribo

Uit goed geïnformeerde bronnen heeft de NRCS vernomen dat er enkele jaren geleden een gedachte door de Gemeente Amsterdam is gelanceerd om dit pand te restaureren en er iets moois van te maken. Dit project is toen niet doorgegaan omdat de Gemeente zich o.a. niet kon terugvinden in de samenstelling van de beheersorganisatie die na de bouw het project zou beheren. De NRCS vindt dit een geluk bij een ongeluk, omdat historische gebouwen in eerste instantie in de onafhankelijke Republiek Suriname door de regering van Suriname en/of door bedrijven en burgers van Suriname in principe zelf moeten worden gerestaureerd en verder goed moeten worden onderhouden.

De NRCS is bereid om samen met anderen het voortouw te nemen om het gebouw waar Papa De Kom is geboren in het kader van het decennium van mensen van Afrikaanse afkomst als project aan te pakken. Wie doet mee? Inmiddels heeft een bekend ingenieurs-bureau al te kennen gegeven dat het kantoor bereid is om het projectdossier voor de restauratie op te stellen en ook mee wil denken over de exploitatie en het beheer.

Wie wenst er meer mee te doen, om als Surinamers in Suriname en in de diaspora aan een gezamenlijke inspanning mee te werken om binnen afzienbare tijd dit pandtje in hartje Paramaribo om te toveren in een prachtig educatief ontmoetingscentrum ter nagedachtenis aan één van onze meest bekende nationale helden, Anton de Kom. Hierna zullen wij verder kijken om de regering voor te stellen om 22 februari in het kader van het proces van natievorming in ons land aan te stellen als Dag van Anton de Kom. Wij willen voor de goede orde à priori stellen dat het in deze niet gaat om een extra vrije dag, want die hebben wij al meer dan genoeg voor een land met zo een kleine economie en met zo een kleine bevolking”.

Naar aanleiding van deze oproep uit 2015 uit STAR NIEUWS, vragen wij ons af of er inderdaad een restauratie van het huis van Anton de Kom op gang is gekomen. Wij willen ons graag inzetten om mee te denken over het stukje cultuurgrond achter het huis. Daar is vast en zeker een waardig echt Surinaams kostgrondje / moestuintje van te maken, zodat men zich ook in de tuin in de tijd van Anton de Kom zal kunnen wanen.

Zie ook het uitstekende artikel op Nieuwsbrief Dodenakkers: https://www.dodenakkers.nl/artikelen-overzicht/beroemd/politiek/kom-anton-de.html?utm_source=Laposta&utm_campaign=Nieuwsbrief+juli+2020+&utm_medium=email

Onze band met Suriname bestaat al meer dan vijftig jaar, zie het onderzoek van Feddo Oldenburger en Reinoud Norde 1968.

HOUD VOL: Bericht 200

Aan de corona-tijd hebben wij in onze Website-Berichten nog geen aandacht besteed. Toch willen wij op deze plaats allen die getroffen zijn door deze vreselijke ziekte, direct of indirect, een hart onder de riem steken met een nieuw Bericht. We hopen allemaal dat er spoedig een vaccin gevonden zal worden en dat deze situatie snel achter ons komt te liggen. De Engel met de glimlach en ‘gebalde vuist’ bij de ingang van de kathedraal van Reims wenst u allen sterkte: HOUD VOL.

De engel met de glimlach. Kathedraal van Reims. Foto Carla Oldenburger.

De ziekte treft ons persoonlijk gelukkig tot heden niet en heeft ook niet direct veel invloed op ons werk, alhoewel het onderzoek natuurlijk toch wel bemoeilijkt wordt door gesloten archieven, reisbeperkingen en annuleringen van lezingen en symposia.

Het thema van dit Bericht is HOUD VOL Dat geldt voor ons allen, we zijn er nog lang niet. Maar dit thema geldt ook voor het schrijven van ‘Berichten’ op deze website. Het eerste bericht verscheen op onze vernieuwde website in november 2015. Wij schrijven een Bericht als we onze lezers attent willen maken op iets dat ons is opgevallen en dat we graag willen delen. Het opvallende van dit Bericht is dat het nummer 200 is. Dat willen we vieren met een paar momenten uit de afgelopen periode waarin we deze Berichten schreven (eind 2015 tot heden).

Vanaf 2016 begeeft Bureau Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven zich op twee onderzoeksterreinen: architectuur en landschap, met drie specialisaties groen erfgoedkleurgebruik in de architectuur en architectuurtheorie (Dom van der Laan en de Zochers). 

Kleurkaarten in Heemkundig Museum Baron van Brakell. Foto Carla Oldenburger

De richting ‘Kleur’, waar we sinds 2016 aandacht aan besteden is de afgelopen tijd tot uiting gekomen in de aandacht voor en artikel over een nieuw [rood] raam in de Heilig Grafkapel in de Oude Kerk van Amsterdam en in een artikel over het ‘houten’ van kerkbanken in de Noorderkerk van Amsterdam.

Primula’s in tuin van Paleis Het Loo, uitgestald in het aurikeltheater. Foto Paleis het Loo.

Het onderwerp ‘Groen Erfgoed’ wordt ieder jaar vorm en gezicht gegeven in de tuinen van Paleis Het Loo. In het zogenaamde aurikeltheater (zie foto hierboven), in de beschutting van de berceau, worden talloze primula-soorten tentoongesteld.

Uitstalling van potplanten op de trappen in Caltagirone, Sicilië. Foto Carla Oldenburger

Zouden de trappen in Caltagirone op Sicilië (zie hierboven, 2019) of de uitstalling van planten in de tuin bij het huis van Pilatos in Sevilla (hieronder, 2018) de inspiratie hebben gevormd voor het aurikeltheater? (Grapje).

Uitstalling bloempotten in de tuin van Casa de Pilatos, Sevilla. Foto Carla Oldenburger
Linde langs de Levendaalselaan in Rhenen. Foto Carla Oldenburger

Niets is mooier dan eeuwen oude bomen als bewijs van ‘Groen Erfgoed’. De oude linde aan de voet van de Laarseberg, vroeger behorend bij de buitenplaats Levendaal te Rhenen, is een van de mooiste en oudste voorbeelden. Een herinnering aan de buiten-plaats Levendaal is heden nog de grafsteen van Dionys van Leefdael (1491) in de Cunerakerk, de oudst aanwezige grafsteen in deze kerk.

Prachtig vorm gegeven tentoonstelling over de ‘Grand Tour’. Museum Hermitage Amsterdam. Foto Carla Oldenburger

Momenten van verrukking en schoonheid de afgelopen jaren overvielen ons tijdens tentoonstellingen die wij bezochten. De belangrijkste waren ‘Classic Beauties. Kunstenaars, Italië en de schoonheidsidealen van de 18e eeuw’ (in Museum Hermitage Amsterdam, een expositie die naadloos aansloot bij het werk van de Zochers); en ‘Een huis voor de geest’ (in Kunstencentrum deSingel in Antwerpen en op Buitenplaats Doornburgh te Maarssen) over de theorie en praktijk van het werk van de architect Dom Hans van der Laan.

De eerste tentoonstelling vertelt het verhaal van jonge aristocratische Europeanen, die in de tweede helft van de 18e eeuw een reis naar Italië ondernamen (met als hoogtepunt Rome) om daar de net opgegraven klassieke beelden en bouwwerken te bewonderen. Op onze eigen Grand Tour in december 2018 en mei 2019 (resp. naar Andalusië en Sicilië) beleefden we de kunst van de klassieke oudheid en de barok, getuige enige foto’s in dit Bericht geplaatst.

Op de tentoonstelling over Dom van der Laan en zijn leerling Jan de Jong op buitenplaats Doornburgh kon men de architectuur van de Bossche School als het ware zelf beleven.

Irissen in Jardines de los Reales Alcázares. Sevilla. Foto Carla Oldenburger
Irissen in onze eigen tuin in Rhenen, 12 mei 2020. Foto Carla Oldenburger

Met de bloeiende irissen uit onze eigen tuin sluiten we dit Bericht af. De irissen hebben de corona-crisis overleefd, EN ZO ZULLEN WIJ.

HOUD VOL, HOUD MOED, HOUT MOET (Bericht 200)

De Opkomst van Badplaatsen in Nederland

Mijn vader had voor zijn gezin een vakantieplan uitgestippeld voor de jaren 1946 tot 1953, mijn Lagere School-periode. Dit plan heette ‘Vakantie langs de Nederlandse Kust’ en deed ieder jaar een strand-vakantieplaats aan in een van de kustprovincies, Friesland, NH, ZH, Zeeland. Hij hield niet van mondaine toeristische badplaatsen, maar zocht altijd een vakantiehuis enerzijds in de buurt van het strand en anderzijds dichtbij een natuurreservaat. Zo gingen we naar Vlieland (dichtbij De Vliehors); Schoorl (bij NH-Duinreservaat/vooral niet het mondaine Bergen aan Zee ); Katwijk (vooral niet Noordwijk); Ouddorp (bij De Kwade Hoek/Goeree); Westenschouwen (bij de Domaniale Bossen/vooral niet Renesse); Oostkapelle (bij De Manteling/vooral niet Domburg) en Cadzand (bij Het Zwin/vooral niet Knokke), om te eindigen in Oostvoorne op Voorne-Putten (dichtbij de Natuurreservaten De Beer en Voorne’s Duin), waar we jaren zijn gebleven. Onlangs kwam ik een strandfoto van mijn grootouders (van moeders zijde) tegen (ca. 1920), die een heel ander strandleven laat zien dan ik met mijn vader en moeder beleefde. Met die foto en aangevuld met foto’s en documentatie uit de Afdeling Speciale Collecties / Library WUR, stelde ik een kort overzicht van de opkomst van badplaatsen in Nederland samen.

C. Elandt. Aanleg Scheveningse Zeestraat. Ca. 1666. Coll. Library WUR

Van 1653 tot 1655 werd naar ontwerp van Constantijn Huygens de Scheveningse Zeestraat tussen Den Haag en Scheveningen aangelegd. Dit leidde in de 19de eeuw tot de opkomst van de eerste badplaats in Nederland, Scheveningen Bad.

Het Tolhek aan het begin van de Scheveningseweg in Den Haag. Coll. Library WUR

In de jaren twintig van de 19de eeuw kwam Zandvoort op als kuuroord aan zee. Het nemen van een bad in zee werd zeer goed voor de gezondheid geacht, evenals de frisse zeelucht, het wandelen langs het strand, het genieten van het schouwspel van de branding en de mooie luchten. Het water en het strandleven deden mensen goed en deden zorgen vergeten. Men raakte er van doordrongen dat baden en frisse zeelucht heilzaam waren voor de fysieke en geestelijke gezondheid. Langzaam aan ontwikkelde zich in Nederland het vakantie-strandleven met alles wat daarbij hoorde: een boulevard, hotels, restaurants, een casino, een kurhaus (met een staf van ‘verplegend personeel’), een villapark, en voor de minder bedeelde dagjesmensen de typische strandactiviteiten als paardje rijden, schelpen zoeken, zandkastelen bouwen en balspelen.

Zandvoort, . Links op de boulevard Hotel d’Orange. Ca. 1900. Badstoelen en badtentjes

In de tweede helft van de 19de eeuw groeiden ook andere plaatsen langs de Nederlandse kust uit tot badplaatsen: Bergen aan Zee, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee, Domburg aan Zee. Eerst werd een weg naar zee aangelegd en vervolgens een boulevard met hotels. Een villapark in de duinen completeerde het geheel. Een tram- of spoorlijn vergemakkelijkte natuurlijk de reis vanuit het binnenland aanzienlijk, zoals de aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Zandvoort (1881) en de tramlijn van Haarlem naar Zandvoort(1897). De aanleg van de tram vanuit Amsterdam (1905) was het begin van het dagtoerisme in Zandvoort, terwijl deze plaats eerder juist bekend stond als exclusieve badplaats voor de elite. De bekendste gast in Zandvoort was keizerin Elisabeth van Oostenrijk-Hongarije (Sissy). Zij verbleef in 1884 enkele weken in Hotel Kaufmann (het latere Hotel d’Orange, zie foto hieronder).

Zandvoort, Hotel d’Orange. Eind 19de eeuw
Zandvoort, ca. 1920. Mijn grootouders Amse met hun kinderen op het strand. (V.l.n.r.) mijn moeder Mies, Johan en Conrad. Achter de badstoelen is het wiel van een badkoets te zien en achter de rechter stoel een bad-verzorgster.
Noordwijk. D. Wattez, ontwerp villapark in de duinen van Noordwijk, 1883. Coll. Library WUR

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1883 werd de ‘Maatschappij Noordwijk tot exploitatie van Duingronden’ opgericht. Deze verwierf een groot duinterrein aan de zuidzijde van Noordwijk in eigendom om hier een villawijk te bouwen. Voor het ontwerp van deze wijk werd de tuinarchitect D. Wattez uit Bussum aangetrokken.

Zijn plan voorzag in de aanleg van een ruim 1200 meter lange, rechte boulevard langs het strand met hierachter ruim opgezette slingerende wegen waaraan de ruime bouwkavels kwamen te liggen. Reeds in maart 1883 werd met de uitvoering begonnen. In het centrum van de wijk lag een ruime weide met een kunstmatig gevormde duinkloof. Hieroverheen werd een rustieke brug gelegd, die echter na veertien jaar al instortte, waarna men de kloof dichtte. Geheel volgens de romantische idealen werden ook in het park een hertenkamp en een ‘laiterie’ of melkhuis aangelegd, die bijdroegen aan het ideaal van een ‘landelijke’ omgeving. Na de aanleg van de wegen werden in hoog tempo fraaie villa’s gebouwd. De oorspronkelijke opzet van de wijk is nog steeds goed herkenbaar in het karakteristieke verloop van de wegen en de ruime percelen, waarop de huizen omringd door veel groen staan”.

Zeeweg van Bergen naar Bergen aan Zee. Ontwerp L.A. Springer, 1906. Prentbriefkaart

(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1906 werd door de tuinarchitect L.A. Springer de Zeeweg tussen Bergen en Bergen aan Zee aangelegd. Springer maakte in 1907 ook een ontwerp voor villapark Parnassia in Bergen aan Zee. Het oorspronkelijke plan dat Springer indiende, omvatte terreinen aan beide zijden van een rangeerterrein dat het eindpunt zou gaan vormen van de geplande stoomtram naar Bergen aan Zee. Tegenover het station zouden een café, een pension en een hotel worden gebouwd. De twee duinwandelparken, die Springer hieromheen ontwierp, zouden omgeven worden door villa’s of zomerhuizen, zodat er een echte badplaats tot stand kon komen. De opdrachtgever voor dit alles was het echtpaar Jacob van Reenen-Völter, dat het welzijn van de gemeente Bergen hoog in zijn vaandel had staan. Maar het ontwerp van Springer werd niet uitgevoerd.

Bergen aan Zee. Ontwerp Parnassia villapark door L.A. Springer, 1907. Niet uitgevoerd. Coll. Library WUR

In 1911 kwam er een heel ander wandelpark tot stand, waarschijnlijk naar de ideeën van mevrouw Marie A.D. van Reenen-Völter. Dit gerealiseerde park, met een symmetrische opzet, was aangelegd langs een middenas waarop drie cirkelvormige terreinen de concentratiepunten voor bezoekers vormden. In 1911 betrad men via een brede middentrap de duinvallei en kwam men in het eerste rondeel. Het centrum hiervan werd gevormd door een zeventiende-eeuwse vaas, geplaatst op een grasperk met rondom zitbanken.

Bergen, Parnassiapark, ca. 1920, waarschijnlijk naar ontwerp van Marie A.D. van Reenen-Völter. Prentbriefkaar .

Langs de hoofdas verder wandelend bereikte men, tussen de duinen door, het volgende rondeel met in dit geval een in het centrum geplaatste zonnewijzer. In deze ruimte stond ook de muziektent. Verdergaand langs de as liep men opnieuw tussen duinen door en bereikte men een derde groot gazon, omgeven door acht kleinere en versierd met een fontein. Naast deze wandelmogelijkheden zien we ook een speelveld en een stukje natuurlijk bos. De bermen van de wegen waren voorzien van een brede strook schelpen en alle wegen waren belegd met in eigen beheer vervaardigd kalkzandstenen plaveisel, dit alles om het stuiven van het duinzand tegen te gaan. In 1914 werd er op het terrein een botanische tuin aangelegd en een duinmuseum gebouwd. Deze situatie heeft bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog.

In 1953 werd het Parnassipark in Bergen aan Zee , met uitzondering van de tennisbanen, door de gemeente aangekocht en opnieuw ingeplant. Ook werden de paden en het museum opgeknapt. Het park beleefde een korte opbloei, die al spoedig door een periode van neergang werd gevolgd. In 1967 deed men nogmaals een poging het park te redden en werd op de plaats van het derde rondeel een dierenparkje ingericht, terwijl de eendenvijver een nieuwe bevolking kreeg. Dit naoorlogse herstel heeft echter niet meer geleid tot de luister ten tijde van het echtpaar Van Reenen. Wel is er een typerende duinbeplanting aanwezig met onder andere duinroos en duindoorn en de zeldzame Parnassia waarnaar het park is genoemd.”

Natuurreservaat Het Zwanenwater tussen Callantsoog en Petten.

En natuurlijk kennen we nu veel meer Nederlandse badplaatsen, waar uitgestrekte stranden zijn en het prima toeven is. Naast Texel en Vlieland zijn de eilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog veel meer toeristen gaan trekken in de loop van de 20ste eeuw, om nog maar te zwijgen van de stranden van Callants-oog, Petten, Egmond, Castricum, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Kijkduin, Hoek van Holland, Rockanje en Vrouwenpolder, alle nu zeer aantrekkelijke vakantie-oorden.

Lucas Gassel uit Helmond (c.1488 -1568/69). Vroege landschapsschilder

Wie was Lucas Gassel? Hij staat bekend als landschapsschilder en tijdgenoot van de Zuid-Nederlandse schilders Joachim de Patinir (1480-1524) en Herri met de Bles (1510-1550). Zij schilderden imaginaire landschappen vaak verhuld in een Bijbelse vertelling. De tuinen op de schilderijen worden afgebeeld als realistische details, en doen meteen denken aan de tuinen van Hans Vredeman de Vries ( 1527- ca. 1607). Carel Van Mander zegt in zijn vermaarde Schilderboeck (1604) over Gassel: Hy wrocht seer wel van Landtschap in Oly en Water-verwe: doch hy wrocht niet veel. Hy was een vriendlijck goet Man, en een soet prater.

Lucas Gassel. David en Bthseba in de tuinen van een paleis. Olieverf op paneel. Part. Collectie

Helaas is er weinig over Gassel bekend, slechts 15 schilderijen, 2 tekeningen en 3 prenten, alle gesigneerd met zijn monogram en aanvullend ook menigmaal met een klein hagedisje als soort logo. Verder worden er ook nog enkele ongesigneerde schilderijen en tekeningen aan hem toegeschreven.

Lucas Gassel. Landschp met David en Bathseba, gesigneerd LG en gedateerd 1540, Coll. The Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford.
Lucas Gassel. Andere scène uit het verhaal over David en Bathseba. Coll. The Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford.

Gassel is geboortig uit Helmond, destijds een textielstad, bevolkt door wevers en volders (vollen van laken is het laten vervilten ervan), droogscheerders en bontwerkers. Bekend is dat hij bij de noordelijke stadspoort en later aan de Markt heeft gewoond. Tijdens Gassel’s leven werd het Kasteel Helmond bewoond door de familie van Cortenbach. In 1549 is dit door brand gedeeltelijk verwoest. Gassel heeft het kasteel goed gekend, want het staat midden in de stad. Stoffeerde hij daarom zijn schilderijen zo vaak met kastelen? Als tweede woonplaats heeft Gassel een groot deel van zijn leven waarschijnlijk Antwerpen gehad, waar hij o.a. heeft gewerkt voor de uitgever Hieronymus Cock. Mogelijk heeft hij ook in Brussel gewoond.

Lucas Gassel. Panoramisch Landschap met ‘lusttuin’. Olieverf op paneel. Coll. Galerie de Jonckheere, Paris.

In verband met de afkomst van Gassel uit Helmond en het Kasteel Helmond wat in bovenstaande tekst wordt genoemd, volgt hier nu nog een beschrijving en afbeeldingen van Kasteel Helmond en omgeving uit de Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, deel 4, Rotterdam, 2000.

Luchtfoto Kasteel Helmond. Noorden rechts boven.

Kasteel Helmond dateert uit 1402. Op de hoeken van het kasteel zijn vier ronde torens gebouwd. Het kasteel ligt binnen een vierkante omgrachting en is gesitueerd tussen de ZuidWillems-vaart en het riviertje de Aa. Na een brand in 1549 werd het gebouw met een nieuwe ingangsvleugel verrijkt en in 1683 vond weer een verbouwing plaats. Uit al deze tijden is niets betreffende de tuinen overgeleverd. In 1921 werd het kasteel door de gemeente Helmond gekocht als raadhuis. Het gebouw werd verbouwd door de architect J.W. Hanrath, waarbij door vergroting van de ramen het oorspronkelijke gesloten karakter van het kasteel verloren ging. De tuinarchitect L.A. Springer ontwierp in 1921 een deel van de omringende parkaanleg, die bestemd werd tot een openbaar stadswandelpark. In tegenstelling tot architect Hanrath maakte Springer de omgeving van het kasteel juist weer meer gesloten. Hij plantte het terrein aan de zuidzijde met boomcoulissen dicht, zoals hij ook de huizenblokken aan de noordzijde van het kasteel aan het gezicht onttrok. Vóór het kasteel aan de noordkant – tegenover de zestiende-eeuwse torens – ontwierp Springer twee min of meer vierkante grasparterres en behield hij enkele oude bomen, die hij aanvulde met nieuwe aanplant. De grasperken werden langs de hoofdas waarschijnlijk door taxushagen op barokke wijze omzoomd. Het kasteel bood verder naar de oost- en westzijde uitzicht op gazons met verspreide boom- en heesterbeplanting. We zouden van Springer eigenlijk aan de noordzijde van het kasteel buxusparterres in neorenaissancestijl verwachten, maar waarschijnlijk omdat de parterre-vlakken niet identiek van grootte waren, heeft hij zich hieraan niet gewaagd. Van dit alles is slechts achter het kasteel nog de structuur zichtbaar, maar door het kappen en opnieuw inplanten van bomen en heesters heesters is van de oorspronkelijke opzet weinig bewaard. In 1938 werd op de middenas van de aanleg een fontein geplaatst. Sinds 1982 is het kasteel in gebruik als museum. De gemeentelijke plantsoenendienst ontwierp toen vóór het kasteel, in de schaduw van de bestaande oude kastanjes, een eigentijdse versie van een Renaissancetuin met gesnoeide buxushagen en een loofgang van haagbeuk. Het park naast en achter het kasteel is een open en weids wandelpark in landschapsstijl, voorzien van een grote diversiteit aan bijzondere bomen, grotendeels nog geplant in de tijd van L.A. Springer. Aan weerszijden van het voorplein, dat deel uitmaakt van het wandelpark, staan twee kleine torens, die dateren van na de brand in 1549 en die eens de functie van wachttoren en duiventoren hadden.

L.A. Springer. Ontwerp tuin en omgeving Kasteel Helmond. 1921. Noorden links. Coll. Library Wageningen UR.

De tentoonstelling ‘Lucas Gassel: Meester van het landschap’ was gepland van 10 maart t/m 7 juni 2020 in het Museum Kasteel Helmond. Wegens de corona epidemie is dit museum nu gesloten. Of de tentoonstelling nog open gaat voor 7 juni zal afhangen van de nieuwe maatregelen voor musea, afhankelijk van RIVM.