Categoriearchief: Tuinarchitectuur

L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Marie de Rabutin-Chantal, Markiezin de Sévigné (1626-1696)

 

Binnentuin Musée Carnavalet Paris. Woonhuis van Mme de Sévigné sinds 1636. Neo-17de eeuwse tuin met gemengd gevulde randbeplanting

Onlangs een prachtige en interessante expositie bezocht in Musée Carnavalet in Parijs. ter gelegenheid van de geboortedag van Madame de Sévigné 400 jaar geleden.

Zij werd geboren in een van de karakteristieke 17de eeuwse huizen op de Place Royale (tegenwoordig Place de Vosges, Marais) in Parijs. Wie is daar niet geweest als toerist om een biertje of een koffie te drinken bij Café Ma Bourgogne in de galerij aan dit plein?

Mme de Sévigné werd hier geboren op de Place Royale (tgw. Palce de Vosges), Paris. Ze woonde hier tot haar 10de jaar, daarna Hotel Carnavalet.
Antoine-Julien Hénard (1812-1837). Woonhuis Mme de Sévigné / Binnenplaats Hotel Carnavalet, 1843. Met standbeeld Mme de Sévigné

In 1644 trouwde Marie met een Bretonse edelman, Henri de Sévigné en samen kregen ze twee kinderen, Françoise Marguerite and Charles. In 1651, op haar 25ste, werd ze weduwe toen Henri een duel niet overleefde. Sindsdien verdeelde ze haar tijd tussen Parijs en haar Chateau des Rochers in Vitré (ten oosten van Rennes). Ze verkeerde in de meest exclusieve literaire kringen en heeft met haar brieven (vnl. aan Francoise die met haar man, Comte de Grignan, verhuisd was naar de Provence) niet een steentje, maar een enorme groot stenen blok bijgedragen aan de Franse cultuur. Met haar brieven aan Francoise is het leven van een edelvrouw in 17de eeuws Parijs voor ons (latere generaties) gaan leven. Ik bewonder haar stijl, haar heerlijke flamboyante (in ons idee) rijke zinnen en het leven in literaire kringen van die tijd, dat zij weet op te roepen.

Emmanuel Dolivet (1854-1911). Model voor een beeld van Mme de Sévigné voor Parc Vitré/ Bretagne

Voor mensen die zich meer in het leven van Mme de Sévigné willen verdiepen, raad ik aan te lezen:

  • Ben Rekers (vertaald en bezorgd). Madame de Sévigné Brieven. Serie Privé-domein. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
  • Gerda Munk. Madame de Sévigné et madame de Grignan. Dans la correspondance et dans la critique. Utrecht, 1966. Gerda Munk (*1920- ?) was een achternicht van mijn moeder.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Klooster Ter Apel: gezien van de 19de eeuw tot 21ste eeuw

Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door  Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum

Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk.     Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste  eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude)  eenentwintigste  eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.

Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:

“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.

Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw. 

De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. 1995. Zie verder:Tijdschrift Buiten 1910, p. 496-498; 508-512. Cultuurhistorische verkenning, RDMZ, 1995.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.

Genomineerden voor de Gouden Terebinth (o.a. de buiten-begraafplaats Hilversum)

Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.

Logo Stichting Terebinth in het goud

De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).

We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .

Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.

Dit is mijn tekst, die ik in 1998 schreef voor onze Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 3, 1998:
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay  en Albertus Perk, notaris,  wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”

Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen

De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat  het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen,  tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij. 

Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie  afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly.     De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.