Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn. De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof Labyrint
de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *
Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).
Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.
Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.
Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.
Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.
Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962) in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak. Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’ van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.
Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.
Logo Stichting Terebinth in het goud
De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).
We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .
Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay en Albertus Perk, notaris, wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”
De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen, tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij.
Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum
In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.
Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois
(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly. De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.
Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.
Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.
Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.
Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.
Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.
Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’.Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/
Boekbespreking Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.
Als vanouds bomen op de werven van de Oude Gracht in Utrecht. Foto DUIC.
Het duurt even voor je door hebt hoe dit boek in elkaar zit. Het begint met drie maal twee (de eerste zwart-wit uit de vorige eeuw; de tweede in kleur uit deze eeuw) grijzige matte foto’s, over de hele opengeslagen breedte van het boek, van Tuindorp ’t Lansink Hengelo, villapark Wilhelminapark Utrecht en Het Park Rotterdam. Dan volgt de inhoudsopgave, die bestaat uit een introductie en zes hoofdstukken, Wonen, Eten, Ontmoeten, Zorgen, Reizen, Leren, op het eerste gezicht niet direct onderwerpen die gelinkt zijn aan groen erfgoed. Elk van deze hoofdstukken bestaat uit drie delen, een uitgebreide inleiding (auteurs Joosje van Geest, Anne Wolff, Gerrit van Oosterom, Leon Bok, Lotte Dijkstra en Renske Ek) over de geschiedenis en de waarde van het groen binnen het thema, gevolgd door een korte tekst over hoe men vandaag de dag tegen het thema van dit hoofdstuk aankijkt (6 x Steffen Nijhuis) en een kort interview (Lenneke Berkhout).
Grote thema’s die vandaag de dag de aandacht vragen zijn woningbouw en klimaatadaptatie. Keuzes maken voor de toekomst wordt belangrijk. Moet monumentaal groen wijken voor woningbouw en gaan we oude wijken vergroenen? We hebben zo langzamerhand wel geleerd historische gezichten te behouden uit respect voor de geschiedenis, maar kunnen we eeuwenoude gezichten ook veranderen door te vergroenen? Denk eens aan een met bomen beplante Dam bijvoorbeeld.
Stof genoeg om over na te denken lijkt mij zo en dat is nu juist de bedoeling van dit boek
Achterin het boek zijn vier registers opgenomen: Noten, Literatuur, Plaatsregister en Illustratieverantwoording. Helaas geen Personenregister. Zou wel handig geweest zijn in een boek dat gaat over Groen Erfgoed en waarin bijbehorende namen van (tuin)architecten, botanici, kwekers, etc. ook figureren.
Het boek sluit af zoals het begonnen is, met drie maal twee grijzige matte foto’s, dit maal van Het Malieveld, de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam en de Catharijnesingel te Utrecht, ter hoogte van de Oud-Katholieke Kerk, anno 1973 (gedempt) en anno 2025 (hersteld).
Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto
In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.
Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van ‘Mooi Noord-Holland’. We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.
Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.
📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis
Bassin in Tuinen Staverden richting beeld van de Witte Pauw.
Foto Carla Oldenburger
De BAC/BeheerAdviesCommissie van Geldersch Landschap bestaat 50 jaar. Dat is een mooie gelegenheid om de leden van afgelopen 50 jaar bijeen te roepen op één van de landgoederen van GLK, waar op dit moment iets interessants valt te beleven, zo had de directie gedacht. Dat was dus gisteren (18 november) en we troffen elkaar op Staverden waar de restauratie van het huis (uit ca. 1910, kasteel genoemd) in volle gang is. We werden rondgeleid van kelder tot zolder in het huis, vooral heel interessant om de historische overblijfselen te zien, zoals tegels, profielen, super hoge en brede deuren, prachtige plafonds, veranda en balkons en vooral de ligging ‘in het water’ met uitzicht over het water op de oevers en bomen aan de overkant. Ik was natuurlijk ook erg benieuwd naar de status van de tuinen en het park, een ontwerp van Juliet Oldenburger, naar het ontwerp van P.H. Wattez. Het eiland met Leonora, de gerestaureerde ijskelder met nieuwe toegang, de staat van de berceau, het pauwenverblijf met eigen hof etc. etc., het zag er allemaal fantastisch uit.
Dank aan GLK voor deze geweldige middag.
Zie ook Welkom-pagina voor enkele foto’s en Groen-Ontwerpen
voor het ontwerp.
Nieuwe toegang naar gerestaureerde ijskelder.
Foto Carla Oldenburger
Uitleg over nieuwe heester-aanplantbij de ijskelder. v.l.n.r. Rob Schouten, Rienk-Jan Bijlsma en tuinarchitecte. Foto Carla Oldenburger
Uitzicht vanaf balkon Kasteel Staverden naar het noorden. Foto Carla Oldenburger
Vandaag een praatje in Het Parool over de Hofdames van de Harmoniehof. Dit is een straat die deel uitmaakt van een huizencomplex, maar wel aan de openbare weg gelegen. Het hoofdaccent van de tuin bestaat uit drie centraal gelegen bloemenperken die door lange smalle kanaaltjes worden verbonden. Langs de straat liggen lange smalle randperken. In het midden van de 8-kantige centrale vijver staat een dierenfontein van Louise Beijerman. Architect van het complex was J.C. van Epen (werkend in de stijl van de Amsterdamsche School), in samenwerking met architect M.J.E. Lippits.
Harmoniehof Amsterdam, Oud-Zuid. Gezicht over de centrale tuin. Foto Wikipedia
De woonblokken zijn gebouwd tussen 1919 en 1922 in opdracht van de Amsterdamsche Coöperatieve Woningvereeniging ‘Samenwerking’. Dit jaar wordt het honderdjarig bestaan herdacht. De tuin wordt onderhouden door een aantal dames uit de buurt, die 2x in de week genieten van de tuinwerkzaamheden en elkaar. Het totale complex is een rijksmonument.
De Harmoniehof Amsterdam, Oud-Zuid, 1915. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Suggesties voor beplanting zijn te vinden in het boek ‘Decoratieve Tuinbeplanting’ (1913), geschreven door de hortulanus van de Amsterdamse hortus, Adriaan van Laren.
Landgoed Baest in de Gemeente Oirschot bestaat 800 jaar. Het wordt gerekend tot een van de mooiste en oudste landgoederen van Brabant. Om landschap Baest ook voor de toekomst te behouden, hebben de provincie, gemeente, waterschap en betrokken organisaties hun samenwerking rond landgoed Baest bevestigd, zodat ook de komende 800 jaar generaties kunnen genieten van al het moois dat Baest te bieden heeft.
Foto Het Klaverblad, gemeente Vught
In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur,(Rotterdam, 2000, deel 4 Brabant, Zeeland en Limburg) is over Baest te lezen:
“Landgoed Baest, dat in het dal van de Grote Beerze ligt, heeft een geschiedenis die in ieder geval teruggaat tot aan het begin van de dertiende eeuw. In stukken uit 1225 wordt het bos van Baest vermeld als een bezit van de abdij van Berne. Samen met een aantal hoeves, de watermolen op de Kleine Beerze en de windmolen van Baest komt het in de loop van de veertiende eeuw in bezit van de abdij Tongerlo. Vanaf die tijd wordt het gebied langzaam in ontginning gebracht. Het huis Baest wordt in de zestiende eeuw door Maarten van Rossum geplunderd en uitgebrand, waarna het in 1548 wordt herbouwd. Korte tijd later, in 1560, wordt Baest aangewezen voor het persoonlijk onderhoud van de bisschop van het nieuw gestichte bisdom ‘s-Hertogenbosch en zal het vermoedelijk als uithof en buitenplaats voor deze bisschop zijn gaan dienen.
In 1648 werd het bisdom opgeheven en kwamen de onroerende goederen van deze kerkprovincie voor korte tijd in eigendom van de Staten-Generaal. Door verkoop werd Baest in 1659 particulier eigendom. Twee jaar later werd een kaart gemaakt waarop het omgrachte huis als centrum van het landgoed is afgebeeld. Een rechte laan, onder een hoek op het huis gericht, zorgde voor de ontsluiting. De gracht stond in directe verbinding met het riviertje de Grote Beerze. Vanuit de twee tot het goed behorende boerderijen zal het complex van akkers op de iets hogere gronden ten zuidwesten van het huis zijn bewerkt. Het noordelijk gedeelte van het bezit is aangeduid als beemden, natte wei- of hooilanden. De omringende heidevelden waren in het traditionele akkerbouwsysteem ongetwijfeld betrokken als terrein voor het weiden van schapen en het leveren van plaggen voor de potstal. Opgaande bomen kwamen alleen langs de Grote Beerze voor, mogelijk in ontginning van het gebied in de daaropvolgende eeuw voortgezet, aangezien het geheel aan het eind van de achttiende eeuw bestond uit een klein, omgracht herenhuis temidden van een uitgestrekt lanenstelsel met bossen en heidevelden.
Bij een verkoop in 1772 werden de ‘Baaster Goederen’ omschreven als ‘…gelegen onder den Dorpe van Oostelbeers, bestaande in de Huysingen, Hoeven en Landerijen, te weeten De Heere Huysinge genaamd den Spijcker, met zijn Hoven en Gronden van Erven daar bij en aan geleegen onder den Dorpe van Oostelbeers met de Twee Considerablee groote daarbij gehorende Hoeven Lands, van Ouds genaamd de Baaster of Bisschops Hoeven, zijnde Leen- en Tiend-vrij, met de Huysingen, Stallingen, Schuuren, Schoppen kar en Backhuysen, verdere Getimertens ap- en dependentien van dien, mitsgaders alle de daar bij behorende acker, Teul, Hooij, wey, Groes, beemden Heylanden en gronden van Erven, als meede de Beverdoncken op de Logt waarin Moer geleegen is; Voorts met zijn opgaande Boomen en Houtgewassen, Plantagien en verdere toebehoren, regt en geregtigheeden van dien …’.
In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het landgoed door aankopen uitgebreid tot in totaal meer dan 370 hectare. Zoals gebruikelijk bij een landgoed van een dergelijke omvang behoorden diverse boerderijen in die tijd tot het bezit, van waaruit de landbouwgronden bewerkt werden. Deze boerderijen droegen de namen ‘Beukehoef’, ‘Eikehoef’, ‘Lindehoef’ en ‘Mastehoef’. Een goede indruk van het landgoed geeft de in 1818 gemaakte kaart van ‘Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, boschen en landeryen’ (hier afgebeeld). Het landgoed strekt zich daarop aan beide zijden van de Grote Beerze uit en omvat diverse complexen van landbouwgronden en bosgebieden. De bossen zijn ieder apart volgens een rechtlijnig patroon van lanen ingedeeld, maar vertonen, evenals de rechte ontsluitingslanen over het landgoed, niet de onderlinge samenhang die bijvoorbeeld in de Frans classicistische tuinstijl werd toegepast. Wel zijn enkele kenmerkende tuinelementen te onderscheiden, zoals een zogenaamde ‘patte d’oie’, een ganzenvoetstructuur, waarbij drie lanen in een punt bij elkaar komen. Deze ganzenvoet is hersteld.
Huis te Baast met desselvs onderhorige hoeven, bosschen en landerijen, 1818. Coll. Huis Baest Middelbeers
Een klein deel van het terrein vertoont in 1818 een patroon van slingerlanen, passend in de vroege landschapsstijl. Het landhuis zelf werd in 1854 ingrijpend verbouwd en vergroot en kreeg daarbij zijn huidige omvang en aanzien. Het wordt omgeven door een boerderij, een koetshuis, een klein poortgebouw en een bakhuis, die evenals het landhuis alle wit geschilderde muren bezitten. Gedurende de tweede helft van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw werden nog meer omliggende heidegebieden tot ontginning gebracht. De kern van de aanleg veranderde echter niet wezenlijk, zodat er ook nu nog vele achttiende- en negentiende- eeuwse elementen in het terrein zijn terug te vinden. Wel zorgde de aanleg van het Wilhelminakanaal, in het midden van de twintigste eeuw, voor een doorsnijding van het gebied. Aan het eind van de jaren tachtig van detwintigste eeuw werden de tuinen direct bij het huis gerenoveerd en uitgebreid in een formele stijl. Op het terrein bevindt zich nog een negentiende-eeuws tuinhuis en voor het landhuis staat een tuinbeeld van Venus, gemaakt door de beeldhouwer J.B. Xavery in 1725.
In het noordoosten van landgoed Baest ligt verscholen in het bos het processiepark Heilige Eik. De Mariakapel dateert uit 1853 en past goed in de sfeer van een park in landschapsstijl zoals dat in de negentiende eeuw op Baest tot stand kwam. Ook de naast de kapel gelegen slingerende waterpartij past in dit beeld. Achter de Mariakapel ligt nog een kunstgrotje en een kapelletje gewijd aan Sint Anthonius. Baest wordt beschermd als rijksmonument”.