Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

 Korte Biografie Feddo Hans Frits Oldenburger (1937-2017)

Feddo Oldenburger, 2007

Feddo Hans Frits Oldenburger (*Sanga Sanga Dalam / Borneo, Ned. Indië, 1 juli 1937 – +Rhenen, 22 november 2017) was een Nederlandse bioloog, die zijn leven heeft gewijd aan botanisch wetenschappelijk onderzoek in de tropen (Suriname, Brazilië, Indonesië) en aan natuurbehoud in Nederland.

Kinderjaren en studietijd
Feddo Oldenburger is geboren op de evenaar, in het dorp Sanga Sanga Dalam, bij een boorterrein van de B.P.M. (Oost-Borneo), in de delta van de rivier de Mahakam. Zijn ouders, Frederik Oldenburger (1899-1975) en Ronesca Elisabeth Groustra (1901-1969), waren van Groningse afkomst. Vanaf 1928 woonden zij op Borneo (Kalimantan).
In januari 1942 viel Japan het eiland Tarakan voor de kust van Noord-Borneo aan; het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger) capituleerde begin maart 1942. De vierjarige Feddo kwam met zijn moeder en zusje in het interneringskamp Tjihapit in Bandung terecht; zijn vader in een krijgsgevangenkamp langs de Birma-Siamspoorweg. De laatste oorlogsmaanden verbleef Oldenburger wegens ziekte alleen in kamp St. Vincentius en werd later weer verenigd met het gezin in kamp Kampong Makassar, beide in Batavia.
Tijdens de oorlogsjaren heeft hij geen onderwijs genoten totdat hij begin 1946 in Nederland arriveerde. Daar volgde hij op verschillende scholen (op Texel en in Hilversum) lager onderwijs tot de familie eind 1947 naar hun oude woonplaats in Indonesia terugkeerde en hij op de school in Sanga Sanga Dalam zijn laatste lagere-schooljaren doorbracht. Voordeel voor zijn latere leven was dat hij met Indonesische kinderen in de klas heeft gezeten en ongemerkt de beginselen van Bahasa Indonesia zich heeft eigen kunnen maken.
In 1949 keerde Oldenburger alleen naar Nederland terug om daar zijn middelbare schoolopleiding te beginnen (Instituut Hommes in Hoogezand). In 1957 behaalde hij zijn diploma gymnasium β aan het Montessori Lyceum Herman Jordan in Zeist.
Hij koos voor een studie biologie aan de RU (Rijksuniversiteit Utrecht, nu UU) en het was al gauw duidelijk dat hij na het behalen van zijn doctoraal examen (in 1967) in de tropen zou gaan werken.

Werkverbanden
Oldenburgers toekomstdromen speelden zich altijd in de tropen af. Zijn afstudeeronderwerpen werden met dat doel geselecteerd:
– phytogeografie (vegetatiekartering van de duinen van Voorne), bij prof. J. Lanjouw; –  bodemkunde (bodemonderzoek in het Argonne-gebied / Lorraine), bij prof. F.A. van Baaren; ethologie (onderzoek naar het gedrag van twee groepen Java-apen / Macaca irus, onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden), bij (de latere prof.) J.A.R.A.M. van Hooff.

Z-sleeping. Tekening Feddo Oldenburger

De opgedane kennis werd later met certificaten voor Luchtfotografie-interpretatie, bij prof. I.S. Zonneveld (ITC in Enschede), en met cursussen Braziliaans-Portugees en Bahasa Indonesia uitgebreid.
In 1968 trad Oldenburger in dienst bij ZWO (later NWO)-WOTRO (stichting Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen) met de opdracht de flora en vegetatie van het Sipaliwini-savannelandschap  in Zuid-Suriname nader te bestuderen, planten te verzamelen voor het Herbarium in Utrecht, uitmondend in de verslaglegging van het onderzoek en later in de website www.sipaliwinisavanna.com.

Impressie van de Sipaliwini savanne. Tekening Feddo Oldenburger

Tussen 1970 en 1972 werden nog aanvullende expedities ondernomen. Hierna startte een dienstverband aan de Rijksuniversiteit Utrecht (nu UU) met het doel een afdeling Landschapsecologie op te starten, en in 1975 werd hij medewerker van prof. George Eiten aan de Universidade de Brasilia. Daar werd gewerkt aan het project Cerrado Vegetation of Brasil. Helaas is dit werkverband eerder gestopt dan de bedoeling was omdat een nieuwe regel aan de universiteit werd ingesteld die inhield dat buitenlanders niet meer in dienst mochten worden genomen.
Vanaf 1980 werkte Feddo zelfstandig vanuit huis aan verschillende projecten in de regio.

Maatschappelijke en politieke activiteiten
Na enkele jaren in het historisch centrum van Utrecht gewoond te hebben verhuisde Oldenburger in 1970 met zijn echtgenote Carla Ebbers (*1939), eveneens bioloog, en twee dochters naar Heukelum, Dit stadje, gelegen tussen Gorinchem en Leerdam aan de rivier de Linge, was volgens hem het oudste stadje van Holland. Hier maakte hij  kennis met de middeleeuwse structuur van een kleine historische stad, met het Lingelandschap en met het boeren- en dorpse leven. In 1973 verhuisde het gezin opnieuw,  naar een boerderij in het dijkdorp Spijk (ook gemeente Heukelum), waar zij ruim 20 jaar bleven wonen.
Van meet af aan heeft hij zich voor de omgeving en de plaatselijke gemeenschap ingezet, o.a. voor het behoud van de historische kern van Heukelum i.v.m. een bestemmingsplan (sloopplan) ‘Kern Heukelum’ (1972). Samen met Han Denninger was hij oprichter, auteur en redacteur van de Heukelomse Kroniek, later Heukelumse Kroniek / De Spijker. Ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Heukelum (1980) deed hij onderzoek  in het Nationaal Archief ten behoeve van het schrijven van een historiestuk over Hendrik Sar, die tot de doodstraf was veroordeeld omdat hij Heukelum in 1772 grotendeels in de as had gelegd.

Feddo Oldenburger in ‘Middeleeuwse kledij’ tijdens het 750-jarig bestaan van de stad Heukelum in 1980

Daarnaast was Oldenburger redacteur van de D66-Krant voor de toekomstige ‘kwartetgemeente’ (nr. 1 verscheen in 1982) en organiseerde hij een referendum over de op handen zijnde gemeentelijke herindeling voor de gemeenten Asperen, Heukelum, Vuren, Herwijnen (in 1986 gerealiseerd).
Bij het natuur- en landschapsbehoud is hij zijn hele leven betrokken gebleven. Langdurige projecten betroffen het behoud van het landschappelijke en culturele erfgoed in de Vijfheerenlanden; het behoud van het natuurgebied De Koornwaard (gem. Heukelum); het Landschapsplan Tielerwaard-West; het behoud van de Vurense Uiterwaardennatuur (terrein van de voormalige steenfabriek van de firma Heuff).

Privé
Naast natuur hadden ook geschiedenis, kunst en filosofie Oldenburgers  grote interesse. Hij reisde de hele wereld rond om conferenties, natuur(parken) en tentoonstellingen te bezoeken, altijd op zoek naar ‘Hollandse’ architectuur en andere ‘Hollandse’ connecties uit het verleden.

Oldenburger was een oorspronkelijk en idealistisch denker. Zonder dat hij zich daarvan bewust was streefde hij vergelijkbare idealen na als zijn grootvader Harmannus Groustra (1861-1944), die in Noord-Groningen een bekend multatuliaan was, aanhanger van de utopische Vrijlandbeweging [noot 1] en voorzitter van de SDAP-federatie Slochteren. Door de oorlog hebben beide elkaar niet of nauwelijks gekend, maar de utopische idealen van grootvader lijken op kleinzoon Feddo te zijn overgedragen.

Noot 1.  Harmannus Groustra vertaalde en bewerkte het boekje Freiland ein sociales Zukunftsbild geschreven door Theodor Hertzka (Leipzig, 1889) in het Nederlands tot ‘Vrijland en de Vrijlandbeweging’ (Amsterdam, 1893). De tekst van dit boekje heeft hij rijkelijk van noten en citaten voorzien.

Oldenburgers interesses blijken ook uit zijn jarenlange lidmaatschappen van o.a.:
– UBV (Utrechtse Biologen Vereniging). In dit verband richtte hij samen met anderen het Kiemblad voor Biologen op en organiseerde hij als lid van de UBV-kampcommissie het biologenkamp op Ameland; – NIBI (Nederlands Instituut voor Biologie/Bionieuws); – D66, bijna vanaf de oprichting tot aan zijn dood; – Ver. Natuurmonumenten; – Ver. Lingelandschap; – NWG (Natuurwetenschappelijk Gezelschap Wageningen); – Tong Tong (Indische culturele organisatie) / KJBB (Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap); tenslotte was hij ‘adviseur’ van de Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen.

Trivia
Op zoek naar de hem onbekende vulkaanflora beklom Oldenburger twee onmogelijke ‘bergen’:
– de Gunung Api op Banda (Indonesië), vulkaantop 666 m. Door het bedwingen van deze lava-berg werd hij tot  ‘Ereburger van Banda / Molukken’ benoemd (zie bijgevoegd certificaat).

Certificaat Feddo Oldenburger ereburger van Banda / Molukken, 1991.

– de Mount Scenery op Saba (Ned. Antillen), een slapende vulkaan, 887 m. Hoogste top van het Koninkrijk der Nederlanden.
– Feddo Oldenburger en de Groningse schilder Otto Eerelman (1839-1926), ook wel de ‘Rembrandt van het Noorden’ genoemd, waren verre familie van elkaar. Om die reden had hij speciale aandacht voor Eerelmans werk, o.a. voor diens familieportretten en voor diens kunstalbum Paardenrassen (waarin ook een afbeelding van het Oldenburger paard was opgenomen).

Publicaties in chronologische volgorde (zie ‘Library WUR’ en www.sipaliwinisavanna.com)
* Oldenburger, F.H.F., Een globale vegetatiekartering van de duinen van Voorne, rapport, 1963.
* Oldenburger, F.H.F., Een beschrijving van een onderzoek naar het gedrag van 2 groepen Java-apen (Macaca iris) onder ‘vrije’ kooi-omstandigheden, rapport, 1965.
* Oldenburger, F.H.F., Biologics ’66-’67, eigen uitgave met biologische filosofische overpeinzingen.
Biologics (1966):
nr. 1 The ‘catch’ or ‘introducing New China’.
nr. 2 (Evolunatics I). ‘De wereld draait zoals wij dat willen’. (Galileo Galilei).
nr. 3 Critics.
nr. 4 Critics on Critics.
nr. 5 (Evolunatics II). Vervolg van E.1.
nr. 6 Biopolitics I.
nr. 7 Biopolitics II.
nr. 8 Evolunatics III.
nr. 9 Biopolitics III.
nr. 10 Cogistics.
nr. 11 Evolunatics IV.
Biologics (1967):
nr. 12 / 1967 UBV Kiemblad jrg. 1, nr. 1. ‘De jacht op het punt ‘nul’.
nr. 13 De Noordzee Confederatie.
nr. 14 Zero.
nr. 15 Zero—–Point.
De nummers 13, 14 en 15 zijn ook apart samengebonden.
* Tetsuo Koyama en Feddo H.F. Oldenburger, ‘Diplacrum africanum newly found in tropical America’ in: Rhodora 73, 1971, p. 159-160.
* Oldenburger, F.H.F; R. Norde en H.T. Riezebos, Ecological investigations on the vegetation of the Sipaliwini – savanna area (Southern Surinam), rapport, 1973.
* Oldenburger, F.H.F., ‘Het savanneprobleem en de Sipaliwini savanne in Suriname (Z-Am.) in het licht van de algemene Biostasie-Rhexistasie theorie’ in: Berichten Fysisch Geografische Afdeling, 1973, p. 2-11. (Ook vertaald in het Portugees en Engels onder de titels:
‘El problema de las sabanas y de la Sabana de Sipaliwini en al Surinam (America del Sul) a la luz de la teoria Universal Biostasia-Rhexistasia’ en ‘The savanna problem and the Sipaliwini-savanna in Surinam (S. America) in view of the general Biostasy-Rhexistasy Theory’).
* Oldenburger, F.H.F. en R. Norde, 200 Sipaliwini-savanne planten, uitgave in eigen beheer, 1973.
* Eiten, George et al. [F.H.F Oldenburger, R. Norde en H.T. Riezebos], ‘Delimitation of the cerrado concept’ in: Vegetatio, vol. 36, 1978 (3), p. 169-178.
* Oldenburger, F.H.F., Landschapsplan Tielerwaard-West, rapport, 1982.
* Oldenburger, F.H.F., Dit vinden wij ervan: reacties van insprekers op de evaluatie van het Streekplan Zuid-Holland Oost, 1983.
* Oldenburger, F.H.F., J.G.W.J. Eilerts de Haan, Marga C.M. Werkhoven en C.C. Käyser, Algemene inleiding op de Toemak-Hoemak-, Suriname- en Corantijn-expeditie van resp. 1907, 1908, en 1910-1911; gevolgd door een samenvatting van de Suriname expeditie van 1908; ‘In Memoriam Baas Schmidt van Gansee (1898-1992)’; een samenvatting van de Corantijn-expeditie van 1910-1911 (2 delen); ‘Korte biografie van Luitenant C.C. Käyser’, uitgave in eigen beheer, 2014.
* Oldenburger, F.H.F en R. Norde, website Sipaliwini Savanna (zie screenshot hieronder).

Screenshot van de website www.sipaliwinisavanna.com, opgesteld door Feddo Oldenburger en Reinoud Norde

Feddo Hans Frits Oldenburger is 22 november 2017 overleden. Zijn nalatenschap betreffende de Sipaliwini-savanne, in de vorm van boeken, rapporten, documenten, manuscripten, (lucht)foto’s, vegetatiekaarten en dia’s is 5 januari 2018 overgedragen aan en opgenomen in Naturalis Biodiversity Center in Leiden.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Claude Monet, tuinhuisjes, bollenvelden

Vorige week (24 oktober 2017) keek ik met veelgenoegen naar de TV-aflevering van ‘Het geheim van de Meester”, die dit maal het geheim achter het schilderij ‘Het Kamperhoofd en de Oude Waal’ (1874) van Claude Monet behandelde.

Het Kamperhoofd en de Oude Waal (Amsterdam). Coll. Van Gogh Museum

Bekend is dat Monet een aantal maanden van het jaar 1871 in de Zaanstreek schilderde. Als tuinhistoricus denk ik dan meteen aan de karakteristieke tuinhuisjes langs de Zaan en inderdaad ook Monet was daarvan onder de indruk getuige zijn schilderijen ‘Tuinhuizen aan de Achterzaan’ (Coll. Metropolitan Museum of Art); ‘Huizen aan de Achterzaan’; Tuinhuis aan de Zaan.

Tuinhuizen aan de Achterzaan. Coll. M.M.A. New York

Na zijn verblijf in Zaandam en omgeving, bracht Monet nog twee maal een bezoek aan Nederland. In 1874 verbleef hij in Amsterdam en in 1886 verbleef hij in Den Haag en schilderde bollenvelden nabij Rijnsburg en Sassenheim.

Bloembollenvelden bij Sassenheim. Coll. Clark Art Institute Williamstown (Mass.)

Dat Claude Monet de eerste impressionist wordt genoemd moge uit deze Nederlandse voorbeelden duidelijk zijn. Hij schilderde in Nederland ruim veertig schilderijen. Ik zou ze wel eens in een tentoonstelling allemaal willen zien.

Is dit een idee voor het Van Gogh Museum?

AMSTERDAM MUSEUM WERD GESTICHT ALS LUCIA-KLOOSTER.

St.Luciaklooster aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Kopie naar Le Long, Isaac. Historische beschryvinge van de Reformatie der stadt Amsterdam’. Amsterdam, 1729.  Afgebeelde situatie anno 1544. Tekening Jacobus Stellingwerff (1667-1727). Noorden rechts beneden.

 Het  ANP Nieuws dat ik vandaag (11 okt. 2017) las luidt als volgt:

Citaat: “Vijf architectenbureaus buigen zich over de vraag of een verbouwing van de historische panden van Amsterdam Museum haalbaar is. Het museum en de gemeente Amsterdam selecteerden de bureaus uit zestien aanmeldingen.

 De keuze is gevallen op de Neutelings Riedijk Architecten, Cruz y Ortiz Amsterdam, Felix Claus Dick van Wageningen Architecten en de combinaties Office Winhov/Inbo en AL_A/NEXT/1meter98.

Mocht een verbouwing inderdaad mogelijk zijn, dan gaat de opdracht ook naar een van de vijf gegadigden. In de loop van 2018 wordt duidelijk of de verbouwing doorgaat.

Weeskinderen

Doel van de eventuele verbouwing is Amsterdam Museum toegankelijker en inspirerend te maken, maar ook de rijke geschiedenis van het complex te belichten.

Het voormalige klooster aan de Kalverstraat kent een lange geschiedenis als Burgerweeshuis. Vanaf 1580 vingen regenten er weeskinderen van overleden Amsterdammers op.

Sinds 1975 is het Rijksmonument de thuisbasis van Amsterdam Museum, dat destijds nog het Amsterdam Historisch Museum heette”.

Einde citaat.

Het St. Luciaklooster

Het valt me op dat in de berichtgeving wel gesproken wordt over het voormalige weeshuis (sinds 1578), maar niet over haar voorganger in datzelfde gebouw, het Luciaklooster (sinds 1414). Hierover is in de tegenwoordige literatuur niet al te veel te vinden. Het werd voor het eerst genoemd in 1414. Het klooster was gewijd aan de Heilige Lucia, en werd aanvankelijk bewoond door ‘Zusters van het Gemeenen Leven”( Modrne Devotie), die zich in 1416 aansloten bij de Derde Orde der Franciscanen. Zij hadden een sterk verzorgende taak in de stad.

St. Lucia was ondermeer patroonheilige van de blinden en beschermheilige van zieke kinderen. Mogelijk hebben de kloosterzusters vanwege hun heilige taak zieke kinderen te beschermen bij de Alteratie in 1578 de stad gevraagd dit klooster tot weeshuis te bestemmen.

Sint Lucia door Francesco del Cossa, National Gallery of Art (Washington DC). Olieverf en bladgoud, iets na 1470. Beschemheilige van blinden en zieke kinderen.

Omdat deze weblog toch het liefst als hoofdthema het Groene Erfgoed wil behandelen, nog even iets over decentrale kloostertuin op de eerste hier afgebeelde prent. We zien hier dat de binnenhof of pandhof in twee delen is gedeeld en dat rondom de twee afzonderlijke tuindelen een pad loopt. Deze kruisgang of pandhof werd waarschijnlijk gebruikt als breviegang (waar de zusters tijdens gebed rond het centrale grasveld wandelden. Tegelijkertijd deden  de twee tuindelen waarschijnlijk dienst als bleekveld en kerkhof. Het kleinere bleekveld lag langs de zuidvleugel van het klooster; het grotere veld langs de kerkmuur ving de meeste zon.
Na de Alteratie werd het gebouw in gebruik genomen door het BurgerWeeshuis.

Boombeplanting in Amsterdam

Boombeplanting

In alle beschrijvingen uit de 17e eeuw wordt Amsterdam geroemd om zijn bomen. Als één van de eerste Europese steden werd vanaf het einde van de 16e eeuw op grootschalige en systematische wijze de boomaanplant ter hand genomen. Om een dergelijke operatie in goede banen te leiden werden vanuit stadswege houtvesters en stadsgaardeniers in dienst genomen om erop toe te zien dat alles goed verliep.

Voordat men overging op de systematische beplanting stonden er her en der in de stad losse bomen. Daarnaast stonden er bomen in de talloze kloostertuinen. Deze gang van zaken veranderde met de eerste grote stadsuitbreiding aan het einde van de 16e eeuw. De buitenkade van de stadssingel (het tegenwoordige Singel) werd toen met ‘blaeuwe arduyn-steen beleydt, en de straten met loof-rijcke linde-boomen beplant’. Vanaf die tijd werden op de kades van nieuw aangelegde grachten steevast bomen geplant. Harman Barentsz werd in het begin van 1600 benoemd tot opzichter van de stadswallen. Zijn hoofdtaak was toezicht houden op het hout dat op de stadswallen was opgeslagen. Zo moest hij de ‘walhuur’ innen en erop toezien dat verkocht hout binnen 24 uur van de wallen was gehaald. In het laatste punt van zijn instructie werd hij ook geordonneerd om goede opsicht te hebben op alle geplante boomen deser stede, aengaende dat se niet gequest ofte geschoffiert en werden, zoveel hem doenlijck is.

In de kloostertuinen stonden bomen, in tegenstelling tot de rest van de stad (1544).

In de kloostertuinen stonden bomen, in tegenstelling tot de rest van de stad (1544).

Systematische boomaanplant tijdens de eerste uitleg. De toren linksonder is de Jan Rodenpoorttoren (1597).

Systematische boomaanplant tijdens de eerste uitleg. De toren linksonder is de Jan Rodenpoorttoren (1597).

Uit de stadsrekeningen valt op te maken dat de aanplant van bomen in het begin van de 17e eeuw in hoog tempo toenam. In 1610 werd 1817 gulden betaald voor de aanschaf van bomen en de kosten voor het planten. In 1611 werd 573 gl. uitgegeven. Daarnaast werd in 1611 aan IJbrant Ben 300 gulden betaald voor de coop ende tplanten van seckere boomen die montelbaensburchwall (Oude Schans). Gardenier Willem Jansz. kreeg ruim 42 gulden arbeidsloon voor het planten vande boomen op diversche plaetsen. Albert Lucasz. ontving 357 gulden voor het planten van bomen langs de burchwallen deser stede. Bomen stonden niet als aparte rubriek in het stedelijk kasboek: de campagne om de stad te beplanten viel onder de ‘extraordinaris zaecken’. Pontanus beschreef in 1614 de bomen op de burgwallen als een betrekkelijk nieuw verschijnsel. De aanplant was nog jong: aan de grachten stonden ‘hier ende daer […] lustighe boomkens aen den cant van ’t water in bequame orden’, hetgeen leidde tot ‘groote vermakinge van den genen die daer voor by passeren’.

1625

De Nieuwmarkt en de Kloveniersburgwal waarbij de systematische boombeplanting goed te zien is (1625).

Tijdens de derde uitleg, waarbij de grachtengordel en Jordaan werden aangelegd, vond de aanplant van bomen op grote schaal plaats. Niet alleen de luxe woongrachten werden van bomen voorzien maar ook de Jordaan. Daar werden alle grachten beplant behalve de Passeerder- en de Looiersgracht. Men zal op deze grachten af hebben gezien van beplanting gezien de beperkte levensvatbaarheid van de bomen door de verontreinigde industrie die aan beide grachten was gehuisvest. Ook de Goudsbloemgracht bleef boomloos door de zeer smalle kades die aan weerszijden van de gracht gelegen waren. Er was simpelweg niet genoeg ruimte om bomen te plaatsten. Niet alleen de nieuw gegraven grachten werden voorzien van bomen. Ook in de oude stad werd een inhaalslag gemaakt. Op de plattegrond van Balthazar Florisz van Berckenrode uit 1625 waren niet alleen de oude burgwallen beplant, ook de grachten in de Lastage en een deel van de kades op Uilenburg, Valkenburg en Rapenburg waren van bomen voorzien. Een opvallend verschijnsel is de beplanting op de Nieuwmarkt. De bomenrij markeert het oude tracé van de Sint-Anthonisbreestraat.

In 1621 werd Gerrit Gerritsz als nieuwe opzichter van de stadswallen aangesteld. Zijn instructie is exact dezelfde als de werkbeschrijving in 1600 voor Harman Barentsz., inclusief zijn naam. De schrijver was blijkbaar niet helemaal bij de les. In een keur van 1624 wordt gesproken over twee commissarissen op ’t planten van bomen. Onder het toezicht van deze commissarissen, ook wel houtvester genoemd, stond de stadsgaardenier. Op 16 januari 1627 werd een instructie opgesteld voor de stadsgardenier, Geurt Arentsz. genaamd. Hij had de zorg voor het planten, de instandhouding en verbetering van de stadsbomen, bijgestaan door zijn arbeiders. Daarnaast diende hij ervoor te zorgen dat de stadsstratenmaker op de hoogte werd gesteld als de gardenier ergens bomen zou gaan planten. De stratenmaker kon daarna ervoor zorgen dat de straten terstont wederom aengevult ende gemaeckt worden.

Het planten van bomen, Jan Luyken, 1660 - 1712

De stedelijke boomkwekerij bevond zich aan de Overtoom bij de Pestsloot. In het begin van de 17e eeuw werden voornamelijk linden geplant maar het aandeel van iepen werd in de loop van de 17e eeuw steeds groter. Iepen waren sterker, brachten meer schaduw teweeg en hadden een langere levensduur. Jonge bomen werden altijd voorzien van boomkokers of palen die de aanplant moest beschermen. Dit gold ook voor sommige volwassen bomen om ze te beschermen tegen aanrijdingen of vandalisme. Al die bomen diende niet alleen als sieraad voor de stad, er lagen ook praktische zaken aan ten grondslag. De boomwortels zorgden voor een stabiliserend effect op de kades. De grond tussen de wortels werd bijeen gehouden wat ervoor zorgde dat er minder materiaal wegspoelde. Dit verklaart tevens dat ook de Jordaan, waar esthetische overwegingen nimmer een rol hebben gespeeld in de stedelijke besluitvorming, van bomen werd voorzien. Daarnaast zorgden de bomen voor een aangenamer klimaat in de zomer. De bomen op het Singel waren geplant tot ciraat van de stad ende het schutten van de son. Op alle marktpleinen werden bomen geplant, niet alleen ten behoeve van het vee dat niet te lang in de zon kon staan, maar ook om bederfelijke producten uit de zon te houden. De marktmeester van de Reguliersmarkt (nu het Rembrandtplein) moest blijkens een keur van 24 juli 1669 erop toezien dat de marktkramers niet de boomen aldaer staende te behangen, te besette of andersints […] te mishandelen.

asdf

De kokers rondom de jonge bomen zijn duidelijk zichtbaar. In de gracht zwemmen twee stadszwanen, links is de hondenslager aan het werk.

Dat de overheid van Amsterdam van oudsher zeer gesteld was op haar bomen blijkt uit de lange lijst van keuren die opgesteld werden ter bescherming van de bomen. Op 12 april 1454 werd eenieder die bomen opte vesten quest, scillet of scoffiert door het gerecht gevonnist met het verlies van de rechterhand of 20 pond boete. Op 11 april 1525 werd degene die bomen ande veste oft anderssins binnen deser stede oft buyten inden vrijheyt staende queste, schilde off schoffierde openbaar gegeseld of moest een boete van zes pond betalen. Daarnaast klommen kwajongens in de bomen en smeerden de takken met vogellijm in om uilen en vogels te vangen. De kokers die om de jonge bomen werden geplaatst waren ook niet veilig voor enkele onverlaten in de stad. In een keur van 1631 werd de straf op het beschadigen of wegnemen van deze kokers verhoogd. Daarnaast werd de gardenier gemachtigd om boetes uit te delen. Blijkbaar hielp dit keur niet aangezien op 7 maart 1679 de straf opnieuw werd verhoogd. De heren van de Gerechte besloten dat niemand sig hebben te vervorderen […] de kokers vande boomen af te rucken en weg te dragen op pene, […] sonder eenige verschooninge opentlick met geesselinge aenden lijve sullen werden gestraft. Een geseling was geen pretje, toch werd op 2 juni 1684 een nieuwe keur uitgevaardigd om de bomenschenders aan te pakken.

Alsoo mijne heeren van den Gerechte der stad Amsterdam in ervaringe komen, dat, niet tegenstaende bij verscheide willekeuren, voor desen expresselijk ten dien eijnde gemaekt, verboden is eenige boomen te scheuren, ofte schenden, eger nog dagelijx veel menschen sig niet en ontsien de boomen soo in de nieuwe plantagie, als op andere plaetsen binnen deze stad ende de vrijheid van dien, te beschadigen ofte te verderven, t welk is streckende niet alleen tot vilipendie van de voorseide keuren, maer ook tot merkelijke ontcieringe ende nadeel vande stad

Iemand die het toch waagde om de stadsbomen ’t sij met schillen, snijden, afhouden, schudden, uittrecken, afbreken van de kokers ofte andersins moetwilliglijk te schenden ofte beschadigen liep het risico om zijn rechterhand kwijt te raken, openbaar gegeseld te worden of uit de stad verbannen te worden. Daarnaast werd in de keur een probleem aangehaald dat tegenwoordig ook nog steeds veel overlast veroorzaakt. Ende dewijl de experientie leert, dat door de scherpheit van het water ofte pissen, de boomen seer beschadigt werden, en eijndelijk komen te versterven en uijt te gaen. Soo werd een iegelijk verboden sijn water tegen ofte aen eenige boomen te maken, op een boete van dertig stuijvers.

Jan Wijnants 1660

In Amsterdam staan tegenwoordig ruim 75.000 iepen. Nergens anders in een andere Europese stad staan zoveel iepen als in Amsterdam. Hoewel de iepenziekte op de loer ligt, is de stad er alles aan gelegen om deze monumentale boom te behouden voor de stad. Het kan niet anders dat de grote waardering voor deze boomsoort ontsproten is uit de grootschalige boomaanplant in de 17e eeuw.

Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:

5023.2.205 (1600)

5023.2.205 (1600)

5023.2.206 (1600)

5023.2.206 (1600)

5023.3.51 (16-1-1627)

5023.3.51 (16-1-1627)

5023.3.52 (16-1-1627)

5023.3.52 (16-1-1627)

5020.18.69 (2-6-1684)

5020.18.69 (2-6-1684)

5020.18.70 (2-6-1684)

5020.18.70 (2-6-1684)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur:

Abrahamse, J.E., De grote uitleg van Amsterdam, 2010

Nierop, L. van, De houtvesterij, Amstelodamum JG. 48 (1961)

(overgenomen van en met dank aan amsterdamsverleden.nl (Ilja Mostert)

Zie ook het bericht Gekokerde bomen

Geplaatst op de Cascade weblog (cascade1987.nl/weblog)

DOM Hans van der Laan. Tentoonstelling in Antwerpen.

(overgenomen van architectenweb.nl

Tent. Dom Hans van der Laan in deSingel in Antwerpen

Dom Hans van er Laan. Foto Frans de la Cousine

Komend najaar wordt in kunstencentrum deSingel in Antwerpen een grote tentoonstelling over de Nederlandse architect en monnik Dom Hans van der Laan georganiseerd. Met de expositie Een huis voor de geest wil het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) de theorie en praktijk van de invloedrijke architect tastbaar maken voor een breed publiek.

In de tentoonstelling zullen originele maquettes, modellen, meubels en tekeningen van Dom Hans van der Laan (1904-1991) te zien zijn, evenals projecten van oud-leerlingen zoals Jan de Jong. Het is voor het eerst dat zoveel archiefstukken uit Van der Laans oeuvre worden samengebracht, meldt het VAi.

Voor een groot deel is dit te danken aan de bereidheid van de monniken van de Abdij van Vaals, de beheerders van het Van der Laan-archief. “Dat zij zo veel vrijgaven is gerust uitzonderlijk te noemen en zal waarschijnlijk niet snel meer gebeuren”, zegt curator van de tentoonstelling Caroline Voet, architect en Van der Laan-expert.

Van der Laan heeft een vrij bescheiden, maar invloedrijk gebouwd oeuvre gerealiseerd. Wellicht van nog grotere betekenis is zijn theorie. Zijn traktaat De Architectonische Ruimte, met het plastisch getal als belangrijkste instrument, is het bekendst en vormde de basis voor de Bossche School. Daarnaast vormt het voor hedendaagse architecten nog een belangrijke referentie.

Schaal

Misschien wel het grootste verschil tussen van der Laan en zijn modernistische tijdsgenoten is de benadering van het begrip ‘schaal’, zegt het VAi. “Waar de modernisten het groots zagen en in stedelijke termen dachten, werkte Van der Laan aan een menselijke architectuur. Een architectuur die eerder horizontaal is opgevat dan verticaal, met dik metselwerk, klassieke kolommenreeksen, dynamische open perspectieven en een uitgesproken ritmiek. Niet voor niets noemde zijn biograaf Richard Padovan hem een ‘ modern primitive ’”, aldus het VAi.

Om alle archiefstukken in een passend decor te kunnen plaatsen, wordt de expozaal van deSingel flink onder handen genomen. “Om te beginnen zijn de verhoudingen van Van der Laan sterk voelbaar in de scenografie. De grote en hoge witte doos die de exporuimte van deSingel is, hebben we herleid tot een ruimte die meer beantwoordt aan de menselijke schaal die Van der Laans architectuur typeert”, vertelt curator Voet.

Bezoekers bevinden zich enerzijds in een open atrium waar hij zich kan vergapen aan de vele maquettes en 3D-objecten. Daarnaast kunnen ze zich letterlijk terugtrekken in een reeks intiemere nissen om de aanwezige documenten te bestuderen. Met zijn atrium en studiolo’s of cellen is de scenografie van ‘Een huis voor de geest’ in feite een knipoog naar de structuur van een basiliek, aldus het VAi.

Zintuiglijke architectuur
Naast zijn strakke verhoudingsleer was het scheppen van een bepaalde sfeer voor Van der Laan cruciaal. “Je kan Van der Laans werk het beste omschrijven als zintuigelijke architectuur, waar beleving centraal staat.” vertelt Voet.

In de tentoonstelling wordt daarom ruimte gegeven aan drie kunstenaars die werk tonen dat refereert naar het tactiele karakter van zijn oeuvre:

De Duitse fotografe Friederike Von Rauch toont een reeks foto’s die ze maakte naar aanleiding van een verblijf in de Abdij van Roosenberg.

Ingel Vaikla, een filmmaakster uit Estland, laat een ontroerend portret zien van de zusters tijdens hun laatste dagen in Roosenberg.

Esther Venrooy, een Nederlandse geluidskunstenares, ontwikkelde een soundscape die het leven in de abdij door middel van geluid weergeeft.

Abdij Roosenberg

Abdij Roosenberg Waasmunster. Foto Jeroen Verrecht

Van der Laan realiseerde vier kloosters en een woning. De abdij Roosenberg, die in het Vlaamse dorp Waasmunster is gelegen, vormt onderdeel van de tentoonstelling. Volgens Voet is dit gebouw nog altijd een goed bewaard geheim, maar ook het project waarbij Van der Laan zijn theorie ten volle heeft kunnen uitvoeren. Tevens is het een voorbeeld van hoe een gebouw dat in een religieuze context is ontworpen, kan worden aangepast voor andere doeleinden.

De abdij, die oorspronkelijk is gebouwd voor twaalf zusters en 25 gasten, wordt verbouwd tot een internationaal studiecentrum en onderkomen van de KU Leuven. Momenteel werken studenten van de Faculteit Architectuur aan een studie rond deze functiewissel. Het resultaat, in de vorm van maquettes en tekeningen wordt onder de titel ‘Singing Silence’ tentoongesteld in Abdij Roosenberg.

Opening 13 oktober
Deze kleine tentoonstelling, workshops met oud-leerlingen van Van der Laan en een reeks rondleidingen in en rond de abdij lopen gelijktijdig met de tentoonstelling in deSingel.

De expositie is van 13 oktober 2017 tot 14 januari 2018 te bezoeken. Ruim dertig jaar geleden, in 1986, was er ook een tentoonstelling over Van der Laan, die was meer gericht op een vakpubliek. In 2008 was in het toenmalig Nederlands Architectuurinstituut een tentoonstelling over Van der Laan te zien.

/ RONNIE WEESSIES Redacteur

Zie ook ons eigen werk m.b.t. Dom Hans van der Laan: www.oldenburgers.nl/dom-van-der-laan/

Revolutie in de monumentenzorg? Studiedag KNOB


Het KNOB (Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond) heeft voor iedereen die maar geïnteresseerd is in historische bouwkunst en monumenten (ook groene monumenten vallen hieronder) een studiedag in petto (3 november 2017), waarvoor ik vandaag een
uitnodiging kreeg, die ik van harte wil aanbevelen. (zie hieronder).

Kent u het KNOB? Dit is een eerbiedwaardige vereniging die in 1899 is opgericht. Ook sinds 1899 wordt  het KNOB Bulletin uitgegeven. Onlangs verscheen Jg. 116 (2017) nr.3. De vereniging bestaat dus al 118 jaar en telt op dit moment ca. 600 leden.

Laatste nummer KNOB BULLETIN Jg. 116, no.3

De inhoud van de Bulletins is zeer divers. Voor geïnteresseerden van  groene monumenten is er niet altijd wat te vinden. Maar dat kan volgens mij makkelijk veranderen, want iedereen die een wetenschappelijk verantwoord artikel kan aan bieden is welkom. Op het multidisciplinaire gebied van  (tuin- en landschaps)architectuur, (kunst)geschiedenis en landschap, is dit het enige Nederlandse ‘peer-reviewed’ tijdschrift (in het nederlands met een engelse samenvatting). Voor lezers en schrijvers (op wetenschappelijk niveau) dus de moeite waard. Ik zou alle jong afgestudeerden willen oproepen om lid te worden en mee te doen.

Juliet was met groot genoegen van 2003-2010 studentlid  van het KNOB-bestuur.

Zelf schreef ik in het verleden de volgende artikelen in het Bulletin:

UITNODIGING STUDIEDAG OVER DE ACTUALITEIT VAN 100 JAAR GRONDBEGINSELEN VOOR DE OMGANG MET GEBOUWD ERFGOED

3 november 2017

Locatie: Lipsiusgebouw, zaal 005, Universiteit Leiden, Cleveringaplaats 1, 2311 BD Leiden

Tijd: 09.45 – 18.00 uur
Kosten: € 25 – € 60
Direct aanmelden

Geachte heer/mevrouw,

De Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB) in samenwerking met de Universiteit Leiden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodigen u van harte uit voor de studiedag ‘Revolutie in de monumentenzorg? De actualiteit van 100 jaar Grondbeginselen voor de omgang met gebouwd erfgoed’

De studiedag vindt op vrijdag 3 november a.s. plaats bij de Universiteit van Leiden. U kunt zich t/m 27 oktober a.s. inschrijven voor de studiedag Grondbeginselen.

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond grondbeginselen formuleerde voor de omgang met waardevolle historische gebouwen. In een tijd waarin er nog geen wetgeving was voor monumenten en geen Rijksbureau voor de Monumentenzorg (de voorganger van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) formuleerden vooraanstaande leden van de bond een aantal Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken. Alle 31 Grondbeginselen werden in 1917, met een inleiding van Jan Kalf, gepubliceerd in Leiden. De studiedag op 3 november gaat over de context waarin de Grondbeginselen tot stand kwamen en de manier waarop wij vandaag de dag met historische gebouwen omgaan. De studiedag markeert de pensionering van prof.dr. Marieke Kuipers (TU-Delft en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) die decennialang actief is geweest op het gebied van de monumentenzorg, herbestemming en restauratie-ethiek.

PROGRAMMA

9.45 uur Opening en inleiding: de Grondbeginselen van 1917 door drs. Henri Lenferink, voorzitter van de KNOB en Burgemeester van Leiden

Ochtenddeel
Voorzitter: prof.dr.ing. Dirk Jan de Vries, Universiteit Leiden – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

10.00 uur Dr. Wies van Leeuwen, vh. Provincie Noord-Brabant: Vader en zoon Cuypers. Een generatieconflict in de monumentenzorg

10.30 uur Dr. Eric Caris, Gemeente Roermond: De Munsterabdij in Roermond, behoud ging niet helemaal voor vernieuwen

11.00 koffiepauze

11.30 uur Drs. Marieke Knuijt, Geldersch Landschap en Kasteelen: ’t Kan verkeren. De restauratiegeschiedenis van kasteel Doorwerth

12.00 uur Prof.dr. Thomas Coomans, Katholieke Universiteit Leuven: Van Ieper tot Athene: de uitdagingen van de Belgische monumentenzorg in het Interbellum

12.30 uur Dr.ir. Wido Quist, TU Delft: Grip op de materie

13.00 uur lunch

Middagdeel
Voorzitter: drs. Michaëla Hanssen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

14.00 uur Ir. Annette Marx, Marx & Steketee architecten: Oude gebouwen, nieuwe vormen. Interventies in de praktijk

14.30 uur Ir. Job Roos, Bureau Braaksma & Roos/ TU Delft: Leren luisteren naar gebouwen

15.00 uur theepauze

15.30 uur Nicholas Clarke, Arch.Pr. promovendus, TU Delft: Amsterdams Jeruzalem en de effecten van decentralisatie

16.00 uur Prof.dr. Marieke Kuipers, TU Delft/ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ®evolutie in de monumentenzorg?

16.30 uur discussie onder leiding van drs. Henri Lenferink, voorzitter van de KNOB en Burgemeester van Leiden

17.10 uur afsluitende borrel

Kosten deelname
€ 45 KNOB-lid
€ 60 Niet-leden
€ 25 KNOB-studentleden
€ 35 Niet-leden studenten
€ 35 Medewerker RCE (inschrijven met e-mailadres RCE)

SPECIALE ACTIE:
Wordt nu lid van de KNOB voor 2018, krijg het laatste nummer van het Bulletin 2017 cadeau en de ledenkorting op de studiedag voor €105 (studenten € 55).
U kunt zich t/m 27 oktober 2017 inschrijven voor de studiedag ‘Grondbeginselen’.
Overige informatie kunt u vinden op www.knob.nl of door een mail naar info@knob.nl te sturen.

Ooit van Tijdschrift “De Prins der Geïllustreerde bladen” gehoord?(

Familie-bericht voor leden van de familie Oldenburger-Ebbers-Vogelesang-Maris. Doel: delen, vastleggen en bewaren.

Z.K.H. Hendrik, Prins der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg (1876-1934). Titelblad De Prins Jaargang 1 (1901), nr. 1

Ooit van het tijdschrift De Prins der Geïllustreerde Bladen (afgekort De Prins) gehoord? Het was een familieweekblad, voor het eerst verschenen in 1901,  eerst wekelijks, later vanaf ca. 1942 tweewekelijks. Vanaf no. 46, (1940) o.d.t.: Geïllustreerd weekblad De Prins; vanaf 6 juli 1940 o.d.t.: Weekrevue De Prins; en vanaf nr. 28 1942 weer o.d.t.: De Prins der geïllustreerde bladen, vanaf 1946 o.d.t.: De Prins.

Wat schetst onze verbazing, onze voorvader Laurens Vogelesang herdacht 1 mei 1905 dat hij veertig jaar onderwijzer was (Den Haag 1865-1874; Heemstede 1874-1886 Bijzondere Protestantse School, tegenwoordig Nicolaas Beetsschool, opgericht door predikant Nicolaas Beets en kinderboekenschrijver Pieter Vergers; Bolsward 1886-1890 Christelijke Nationale School (CNS);Amsterdam 1890-1911 Koningin Emmaschool aan de Passeerdersgracht)  en staat met portret en beschrijving afgebeeld in De Prins, Jg.4 (zie hieronder).

Foto’s uit De Prins, Jg. 4 (1905) [eerste week van mei 1905]

De Prins, zoals het tijdschrift in de wandelgangen heette, had altijd een bladvullende foto op het omslag (op nr. 1 Prins Hendrik der Nederlanden, die in 1901 trouwde met Prinses Wilhelmina van Oranje). Ook verder stond het blad vol foto’s, bijv. in het nummer van 5 september 1908 ‘het nieuwste portret van H.M. de Koningin’ en wetenswaardigheden over het tien-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

Verder stonden er recensies en vervolgverhalen in (onder andere van Arthur Conan Doyle), overlijdensberichten van hoogwaardigheidsbekleders en andere personalia.

De foto’s stonden kriskras over de pagina’s verdeeld, en het is vaak zoeken naar het artikel waar ze bij horen. Zo ook in dit voorbeeld van Laurens Vogelesang. Zijn foto staat niet bij de tekst, maar een stukje verder.

Uitgever was de Amsterdamse firma N.J. Boon te Amsterdam; boekbinderij J. Brandt en Zoon zorgde voor linnen reliëfbanden naar ontwerp van Johann Georg van Caspel waarin de jaargangen bewaard konden worden. (laatste vier alinea’s overgenomen van EG/KB).

Boombeschermers of boomkokers in de 17de eeuw

Op dit schilderij van Jan van der Heyden (ca. 1660, National Gallery London) van de Westerkerk aan de Keizersgracht te Amsterdam, zien we bomen met boombeschermers rond de stammen.

Is dit zo of lijkt het zo? Zijn die zogenaamde boombeschermers geen meerpalen?  Op kantoor hadden we daar discussie over. Na onderzoek (voor hoge resolutie zie link hierboven) lijkt het in eerste instantie om meerpalen te gaan, die aan deze kant van het water staan, terwijl de bomen zich aan de overkant van de gracht bevinden. Maar bij uitvergroting (zie detail schilderij) zijn er toch hele dunne  stammetjes te zien, waaromheen zich de houten bescherming sluit. Wat een finesses op zo’n schilderij.

Detail schilderij van Jan van der Heyden. Westerkerk Amsterdam. Coll. National Gallery.

Walther Schoonenberg merkte bovendien op dat op de kaart van Amsterdam uit 1625 van Balthasar Florisz. van Berckenrode(na de totstandkoming van de derde stadsuitleg), deze boom-bescherming in honderdtallen is afgebeeld, en hij heeft gelijk. We zien honderden bomen op deze kaart afgebeeld (zie detail van deze kaart hieronder) op de kades langs de grachten, en de stammen zijn niet in zwart als stam aangegeven, maar zo getekend dat het duidelijk is dat die stammen door een “kistje” zijn beschermd. De bomen zijn geplant in verband met genoemde derde uitleg, allemaal nog heel jong mogen we aannemen.

Detail kaart B.F. van Berckenrode, 1625.

De aanleiding van deze discussie was een Cascade-weblog , dd.27 september 2017, met de volgende tekst (overgenomen):

U kent ze wel, die bomen met boombescherming op bouwplaatsen of daar waar wegwerkzaamheden zijn. Met een houten ‘jasje’ om de stam en vaak niet meer dan dat. Boombescherming heet dat dan. Terwijl we allemaal weten dat een boom breder is dan z’n stam en ook verstoring van de bodemstructuur en schade aan boomwortels moet worden voorkomen. De boomposter Werken rond bomen geeft in een oogopslag een beeld (zie ook Norminstituur bomen).

Maar nu even een ietwat ander beeld, van ik noem het ‘gekokerde bomen’.  Zie gravure hieronder: De zeevischmarkt van Rotterdam (1816) / J.A. Langedijk. Ook een mooie gravure van J. van Geel, Blaak – Beursplein Rotterdam (1696) is het bekijken waard (beide (Stadsarchief Rotterdam). De laatste kan ik hier niet afbeelden omdat de Rotterdamse beeldbank gesloten is.

De houten omlijstingen dienen ter  bescherming, dat is duidelijk, maar gezien de vormgeving vast ook met esthetische motivering. Deze ‘boomaankleding’ was me niet eerder opgevallen, maar het is vast weer zo’n voorbeeld van als je het een keer hebt gezien, dan zie je het overal of in ieder geval vaker. Wie kent er meer?
Jan Holwerda

De zeevischmarkt van Rotterdam (1816) / J.A. Langedijk. Stadsarchief Rotterdam. Met “boomkolom”

Dank aan Joost, Jan, Walther en Juliet. Mooie samenwerking.

 

SKBL Internationale Summerschool 2018

Wester Amstel klein

Wester-Amstel, Amstelveen

(overgenomen uit de SKBL Nieuwsbrief)

De sKBL Internationale Summer School

Onlangs zijn de voorbereidingen voor de oprichting van de sKBL International Summerschool van start gegaan. Dit initiatief richt zich op de bestudering van onze Nederlandse kastelen en historische buitenplaatsen door een internationaal gezelschap van professionele onderzoekers, (museum)conservatoren, historisch groenexperts, interieurkenners en een ieder die vanuit een relevante professionele achtergrond kennis wil opdoen van ons Nederlandse monumentale erfgoed. Uitdrukkelijk zal de samenwerking worden gezocht met Nederlandse eigenaren van kastelen en buitenplaatsen. Dit initiatief baseert zich op de Engelse Attingham Summer School. Die organisatie biedt in Engeland en al sedert jaren intensieve kennisprogramma’s en excursies aan. Veel Engelse eigenaren werken met plezier mee aan de realisatie van het excursieprogramma, daar telkens blijkt dat het ontvangen van een groep experts voor zowel de deelnemers als voor de gastheer/vrouw verrijkende momenten opleveren.

Het programma, dat jaarlijks zal worden aangeboden en vermoedelijk telkens een lengte van tien dagen zal hebben, zal toegankelijk zijn voor academici met voor KBL relevante professionele activiteiten (onderzoek, advisering, etc.). Ook voor hen die praktische professionele kennis bezitten die het beheer en behoud van KBL ten dienste is, zullen zich kunnen aanmelden. Omdat de organisatie van deze summerschool ervan uitgaat succesvol te zullen zijn, gelden selectiecriteria voor toelating tot de cursus. Gezien de ontvangstmogelijkheden op veel Nederlandse buitenplaatsen zal het maximale aantal deelnemers per cursus onder de 40 personen blijven.

De leden van het curatorium zijn ir. Julia Hennig (architect Rijksvastgoedbedrijf), prof. dr. Johan de Haan (hoofdconservator Paleis Het Loo) en drs. René W.Chr. Dessing (directeur sKBL). Op dit moment worden leden voor een comité van aanbeveling en Raad van Advies aangezocht. Voorts onderzoekt het curatorium de mogelijkheid om beurzen beschikbaar te kunnen stellen voor hen die wegens financiële beletselen niet kunnen deelnemen. Onder een voorbehoud wordt er naar gestreefd om het eerste cursusjaar in 2018 van start te laten. Dat jaar zal het programma betrekking hebben op de Amsterdamse historische buitenplaatsen. De voertaal van de Summer School wordt Engels. Voor vragen, opmerkingen en/of verzoeken mailt u rdessing@skbl.nl

Gereconstrueerde tuin van Kasteel Assumburg gemeentelijk monument

Reconstructie-ontwerp (Nico Brantjes) van Tuin Kasteel Assumburg te Heemskerk

Naar aanleiding van de plaatsing van de tuin van Kasteel Assumburg (Heemskerk) op de gemeentelijke monumentenlijst, vraagt het Erfgoedteam van ‘Mooi Noord-Holland’ zich komende week af of een reconstructie van een verdwenen tuin een monumentale status verdient en welke redenen daarvoor dan zijn aan te geven?

Hieronder volgen twee van de weinige ‘archiefstukken’.  “Zicht op het kasteel vanuit de tuin” en “Zicht op de tuin vanuit het kasteel”, uit Het Zegepralend Kennemerland vertoond in 100 heerlijke gezichten / H. de Leth, en M. Brouërius van Nidek. [1729-1732].

Het lijkt me goed dat in het algemeen eerst de volgende vragen worden gesteld:
* Welke definitie voor “monument” wordt aangehouden door een gemeente? Gaat het alleen om “van groot belang voor de gemeente” of ook om “grote cultuurhistorische waarde”?

De volgende vragen doemen op als de gemeente ook cultuurhistorische waarde meeweegt.
* Wat rest er nog ondergronds uit de aanlegperiode van de tuin? Is er sprake van archeologische tuinresten in de vorm van planten- zaden (meestal alleen boomzaden en boomresten uit een latere periode), historische parterres-steenslag, ceramiek-resten, historische waterleidingen, vloeren van bassins, delen/scherven van tuinbeelden etc.
* Is het grondoppervlak dat in het verleden ingenomen werd gelijk aan het huidige grondoppervlak binnen dezelfde grenzen? En is dit altijd onbebouwd gebleven of ook (misschien gedeeltelijk) in een landschappelijk park omgevormd, eventueel tijdelijk?
* Zijn alle tuinbeelden en tuinvazen die nu in de tuin staan nieuw en zijn de beelden en vazen die we van de gravures kennen alle vervangen door kopieën of moderne beelden of slechts de belangrijkste?
* Zijn de parterres bij de reconstructie in vereenvoudigde vorm gereconstrueerd of (bijna) precies en volledig gereconstrueerd?
* Is Buxus sempervirens door Ilex crenata of door Lonicera nitida vervangen en wat heeft dat voor effect?
* In geval van Assumburg omsluiten de boomgaarden nu de tuin heel mooi, maar dat was niet oorspronkelijk zo. Wat is het effect en het verschil?
* Een rozentuin en een kruidentuin liggen in de tuin van Assumburg op de plaats van de voormalige groentetuinen. Maar een rozentuin als verzameling rozen in bedden werd rond 1730  niet zo toegepast. Dergelijke rozentuinen in Nederland worden pas aangelegd vanaf ca. 1850.

Ik heb de tuin van Assumburg eenmaal bezocht en vond het een geslaagde aanleg, geïnspireerd door de aanleg uit 1730, maar “vlakker”, “minder levendig, minder frivool” dan de oorspronkelijke barokke/rococo tuin.

Het is een geslaagde reconstructie  als je het hebt over een nieuwe aanleg “in de trant van”, een tuin met herinneringen aan het verleden, maar wel een nieuwe tuin met nieuwe materialen en nieuwe beelden, nieuwe hedendaagse ideeën. Om respectvol en zuinig mee om te gaan, dat zeker.  Maar een monumentenstatus?
Mijn advies zou zijn: als de gemeente oordeelt dat de tuinaanleg voor de hele gemeente  van grote cultuurhistorische waarde is of uniek is voor de provincie waarin de tuin is gelegen, dan geen bezwaar, maar wel met een voorwaarde hieraan gekoppeld.

En die voorwaarde is dat de gemeente een onafhankelijke waardestelling laat opmaken waarin ook een vergelijkend onderzoek wordt opgenomen, want een reconstructie als monument waarderen is niet alledaags. Tuinen als die van Paleis Het Loo, Kasteel Staverden, Huis Bergh, Tuinen van Marxveld etc. zijn overeenkomstige gevallen. Hebben die ook een monumentenstatus of is die gewenst en om welke reden? Als daar helderheid over is verkregen,  wordt een beslissing nemen over de vraag van plaatsing helderder en gemakkelijker.