Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek bracht en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. Voyage au Jardin Des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverde het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (West- en Oost)Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’.

Berthe Hoola van Nooten, geboren 1817 in Utrecht in een bijgebouw van de Latijnse school

(ged. overgenomen van tekst van het Universiteitsmuseum)

In 2024 kreeg ik op mijn verjaardag van mijn jongste dochter en haar man een bijzonder boek cadeau, getiteld Berthe Hoola van Nooten 1817-1892, en geschreven door David Apollonius Coppoolse. Het boek bevat een biografie van Berthe, gecombineerd met een onderzoek over de betekenis van haar werk. Zij wisten niet dat ik het oorspronkelijke boekwerk Fleurs, fruits et feuillages choisis : de la flore et de la pomone de l’île de Java (1863) van Berthe wel kende, omdat ik dit als conservator van de Bibliotheek WUR van 1980 tot 2000 heb beheerd. Maar over het leven van Berthe wist ik niets, ik had alleen het 19de eeuwse boek en de latere edities (ook aanwezig in de Bibliotheek WUR) wat doorgeglansd en geconstateerd dat de tekeningen (ook van Berthe) veel deden denken aan die van Maria Sibylla Merian, alleen 150 jaar later gedateerd.

Dit Pinksterweekend (2026) is het werk van Hoola van Nooten opnieuw tot leven gebracht in de Botanische Biografie van Utrecht, een tentoonstelling in de Oude Hortus van de Universiteit Utrecht. Gezamenlijk gaven lokale kunstenaars een eigentijdse interpretatie aan het originele werk, en deze tekeningen zijn nu tentoongesteld.

Utrecht is de eerste provicie die een bijdrage leverde aan de De Botanische Biografie van Nederland. Uiteindelijk zullen alle 12 biografieën een online en offline expositie vormen, waarin lokale kunstenaars het verhaal van een voormalige botanische kunstenaar vertellen.

Het nieuwe boek (uit 2024) begint met een korte biografie van Berthe Hoola van Nooten en wat blijkt, zij is geboren in Utrecht (12 october 1817) en wel in een van de bijgebouwen van de Latijnse School aan de Kromme Nieuwe Gracht, de voorloper van mijn gymnasium. Zie voor een herinnering aan het Utrechts Stedelijk Gymnasium het Bericht Terugblik op mijn klassieke opleiding. Ik begrijp nu ook waarom men spreekt van de Botanische Biografie van Utrecht, echter de tekeningen op zichzelf hebben niets met Utrecht te maken. Het is een mooi gebaar om de schitterende botanische tekeningen van Berthe Hoola van Nooten op deze manier aan Utrecht te koppelen, hoewel een koppeling aan Wageningen Universiteit en Research misschien logischer zou zijn geweest.

Mme de Sévigné en haar liefde voor tuinen en bloemen

Manuscript met bloementekeningen en gedichten, gemaakt als verjaardagsgeschenk voor Julie d’Angennes (1641). Gezien in Musée Carnavalet

In de brieven van Mme de Sévigné komen heel regelmatig bloemen en planten voor, als uitdrukking van haar gemoedstoestand. Ook het hier boven geplaatste  manuscript, dat op de tentoonstelling in Musée Carnavalet werd getoond (zie eerder Bericht) sluit aan bij het gevoelsleven van welgestelde dames in 17de eeuws Parijs. Met behulp van AI geef ik hier een lijstje van bloemen die zij benoemt in haar brieven en die ook ongetwijfeld deel uitmaakten van haar tuin bij Chateau Les Rochers in Bretagne. Haar brieven tonen liefde voor de bloemen van die tijd en een “tuinierster” die geniet van het planten van bomen, het aanleggen van lanen en het genieten van de veranderende seizoenen. 

Ook op het schilderij van Jean Nocret (Nancy, 1615 – Paris, 1672), dat in Musée Carnavalet hangt, is Mme de Sévigné met een guirlande van bloemen in haar hand te zien.

Bloen en planten beschreven in de brieven van Mme de Sévigné (volgens AI):

  • ” Rozen: Ze beschrijft vaak de geur en schoonheid van rozen in haar tuinen.
  • Jasmijn: Geliefd om de geur.
  • Lelies: Vaak genoemd in de context van de siertuin.
  • Oranjebomen (orangers): Ze noemt haar “oranjebomen” (in potten) met zorg en toewijding, wat wijst op een passie voor deze planten.
  • Lavendel: Vooral in de context van haar verblijf in de Provence (Grignan).
  • Viooltjes: Genomineerd als een van de vroege lenteverschijningen.
Bomen en bosachtige planten:
  • Lindebomen (tilleuls): Ze beschrijft vaak het wandelen onder de lindebomen.
  • Elzen (aulnes): Geplant op haar landgoed in Bretagne.
  • Beuken en eiken: Onderdeel van de “oude bossen” waar ze graag doorheen wandelde, en soms met pijn in het hart zag kappen.
  • “Petits bouquets”: Ze spreekt vaak over kleine bosjes of groepjes bomen in het landschap.
Tuin- en Landschapselementen:
  • “Allées”: Lange lanen, zoals de Allée des Capucines of de Allée de Livry, worden vaak genoemd als wandelplekken.
  • “Bosquets”: Kleine, vaak dichte bosjes in de formele tuin.
  • “Charmilles”: Haagbeuklanen of -hagen.”

Bostuin op de Laarschenberg

Bostuin langs de Levendaalseweg. Foto Carla Oldenburger

Na heerlijke belevenissen in Parijs, nu even weer met beide voeten op de Rhenense grond van ‘De Laarschenberg’. Dit  is een landgoed van Utrechts Landschap, eigenlijk een deel van de Grebbeberg, maar dan aan de noordkant van de Grebbeweg in Rhenen. Het bos op de Grebbeberg is een afwisselend bos, loofbomen en naaldbomen en eikenhakhout en daar tussen door kronkelpaadjes en open plekken (ook wel laar genoemd). Aan de noordzijde aan de rand van het bos heb je prachtig uitzicht richting Veenendaal, het lijkt wel Frankrijk, zei een kleuter eens toen ze hier met mij ging wandelen. Ook ter afwisseling historische graanakkers en graften, walletjes waarop eikenhakhout staat.

Vanuit Rhenen loopt de Levendaalseweg (een statige beukenlaan, naar het vroegere Huis Levendaal) het bos in. Langs dit bospad ligt een stukje grond, mijn tuin, die ik dus een zo passend mogelijke beplanting heb gegeven, een bostuin met veel inheemse bosplanten, maar ook met hier en daar een rododendron of een krentenboompje, om de tuin wat accenten te geven. Geen last van droogte of wateroverlast, maar  vlinders, insecten en vogels nog niet genoeg naar mijn zin, laten we hopen dat ze nog komen. Wellicht plaats ik nogmaals een mooie foto van deze tuin met libellen of hommels en bijen?

Huis Levendaal (uit de 14de eeuw) op de Laarschenberg te Rhenen. Op de achtergrond de Gelderse Vallei

Marie de Rabutin-Chantal, Markiezin de Sévigné (1626-1696)

 

Binnentuin Musée Carnavalet Paris. Woonhuis van Mme de Sévigné sinds 1636. Neo-17de eeuwse tuin met gemengd gevulde randbeplanting

Onlangs een prachtige en interessante expositie bezocht in Musée Carnavalet in Parijs. ter gelegenheid van de geboortedag van Madame de Sévigné 400 jaar geleden.

Zij werd geboren in een van de karakteristieke 17de eeuwse huizen op de Place Royale (tegenwoordig Place de Vosges, Marais) in Parijs. Wie is daar niet geweest als toerist om een biertje of een koffie te drinken bij Café Ma Bourgogne in de galerij aan dit plein?

Mme de Sévigné werd hier geboren op de Place Royale (tgw. Palce de Vosges), Paris. Ze woonde hier tot haar 10de jaar, daarna Hotel Carnavalet.
Antoine-Julien Hénard (1812-1837). Woonhuis Mme de Sévigné / Binnenplaats Hotel Carnavalet, 1843. Met standbeeld Mme de Sévigné

In 1644 trouwde Marie met een Bretonse edelman, Henri de Sévigné en samen kregen ze twee kinderen, Françoise Marguerite and Charles. In 1651, op haar 25ste, werd ze weduwe toen Henri een duel niet overleefde. Sindsdien verdeelde ze haar tijd tussen Parijs en haar Chateau des Rochers in Vitré (ten oosten van Rennes). Ze verkeerde in de meest exclusieve literaire kringen en heeft met haar brieven (vnl. aan Francoise die met haar man, Comte de Grignan, verhuisd was naar de Provence) niet een steentje, maar een enorme groot stenen blok bijgedragen aan de Franse cultuur. Met haar brieven aan Francoise is het leven van een edelvrouw in 17de eeuws Parijs voor ons (latere generaties) gaan leven. Ik bewonder haar stijl, haar heerlijke flamboyante (in ons idee) rijke zinnen en het leven in literaire kringen van die tijd, dat zij weet op te roepen.

Emmanuel Dolivet (1854-1911). Model voor een beeld van Mme de Sévigné voor Parc Vitré/ Bretagne

Voor mensen die zich meer in het leven van Mme de Sévigné willen verdiepen, raad ik aan te lezen:

  • Ben Rekers (vertaald en bezorgd). Madame de Sévigné Brieven. Serie Privé-domein. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
  • Gerda Munk. Madame de Sévigné et madame de Grignan. Dans la correspondance et dans la critique. Utrecht, 1966. Gerda Munk (*1920- ?) was een achternicht van mijn moeder.

Nog meer aandacht voor vogels: vogel-eieren

N.a.v. de tentoonstelling ‘BIRDS’ in het Mauritshuis (t/m 7 juni as) maakte ik al twee ‘Berichten’ op onze website voor en na het bezoek aan deze tentoonstelling. Ik liet al doorschemeren dat ik het toch jammer vond dat vogels alleen kunsthistorisch zijn belicht en dat er nauwelijks aandacht is besteed aan de vogel als natuurverschijnsel.

Zie Vogels biohistorisch beschouwd  en Tentoonstelling BIRDS nader bekeken.

Nu wil ik nog een aspect toevoegen dat misschien ook niet erg bekend is onder kunsthistorici, namelijk het vogelei.

A.A. van Pelt Lechner. Oologia Neerlandica: de eieren der in Nederland broedende vogels. Den Haag, 1910-1913. 2 delen

Nederlandse (inheemse) vogeleieren worden voor het eerst beschreven door  Arnold Anton van Pelt Lechner (1863-1950) in zijn boek:  OOLOGIA NEERLANDICA: DE EIEREN DER IN NEDERLAND BROEDENDE VOGELS (2 delen). Den Haag, 1910-1913, met 617 afbeeldingen in kleurendruk en 50 in heliotype op 191 platen, naar voorwerpen uit de verzameling van de schrijver zelf. Er zijn 250 exemplaren van dit boek gedrukt waarvan 50 in het nederlands en 100 in het engels. Uiterst zeldzaam. (Herdrukken van de engelse uitgave in 2016/2018/2023).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1899 werd Van Pelt Lechner, die tot dan toe burgemeester van Zevenhuizen (ZH) was geweest, benoemd tot bibliothecaris van de Rijks Hóogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool (nu Wageningen University & Research), dit bleef hij tot 1916. Hij heeft dit boek dus geschreven in de tijd dat hij bibliothecaris was in Wageningen. Het is dus duidelijk hoe dit boek in de bibliotheek van WUR terecht is gekomen. Ik beschouw Van Pelt Lechner graag als mijn collega. Maar eigenlijk was hij een collega van de tuinarchitect Leonard Springer, die van 1897 tot 1900 leraar tuinkunst was aan dezelfde school.

Tentoonstelling ‘Birds’ nader bekeken.

Museum Het Mauritshuis heeft sinds 12 februari zijn deuren geopend voor een hele bijzondere tentoonstelling ‘BIRDS”. Het museum probeert hiermee bezoekers te trekken die niet zo gauw binnen zullen lopen omdat alles wat er te zien is voornamelijk uit de 17de eeuw en eerder afkomstig is en de jeugd van tegenwoordig minder in dat tijdvak is geinteresseerd. Met deze tentoonstelling hoopt men nu het grote (en jonge) publiek te bereiken.

Vorige maand deed ik al als voorbereiding op mijn bezoek een vooronderzoekje. Ik heb de tentoonstelling nu bezocht en wil daar nog (kort) op reageren.

Nederlandsche Vogelen. 1770. Koninklijke Bibliotheek. Grutto of Griet onze Nationale Vogel

De tentoonstelling is niet zoals we meestal gewend zijn chronologisch gerangschikt, misschien is dat even wennen, maar het is ook een verademing voor mensen die niet van geschiedenis houden. Alle voorwerpen zijn voorbeelden van een van de zeven thema’s, waaruit de tentoonstelling is opgebouwd.  Allemaal duidelijk, hoewel ik als bioloog de ‘vogel als deel van de levende natuur’ wel erg mis. Over onze Nationale Vogel de Grutto (en waarom deze vogel tot Nationale Vogel van Nederland is gekozen) wordt niet gerept.

Hopelijk kunnen heel veel mensen deze originele tentoonstelling, als Wunderkammer ingericht zoals men zegt,  gaan zien. Ik wil hier enige voorwerpen noemen die voor mij persoonlijk er uitspringen en die mij persoonlijk hebben geraakt.

  • Madonna met kind dat met een ‘puttertje’ speelt. Het is een anonym schilderij uit de omgeving van Dieric Bouts, een schilder die tot de Vlaamse Primitieven behoort. Ik ben afgestudeerd op de planten die door de Vlaamse Primitieven op hun schilderijen zijn afgebeeld. De planten op de zodenbank op dit schilderij zijn niet al te duidelijk weergegeven. Deze schilder was niet een nauwkeurige detaillist. Daarom zal ook het puttertje niet de grootste aandacht hebben gekregen, toch zal het zeker deze vogelsoort moeten voorstellen, maar in verhouding te groot. Ik had nog nooit een afbeelding gezien van het Kindje Jezus dat speelt met een vogel aan een touwtje. In de andere hand houdt hij overigens een kers, waarmee hij het vogeltje wil lokken. Achter op de muur zit een pauw.
Anonymus. Omgeving Dieric Bouts. Madonna met kind spelend met een puttertje. Rijksmuseum Twenthe.
  • Het puttertje van Carel Fabritius. Een meesterwerk. Van een podcast heb ik geleerd dat dit een vrouwtje-putter is. De rode vlek op de kop loopt niet verder door achter de ogen, bij een mannetje wel. Zou Fabritius expres gekozen hebben voor een vrouwtje omdat ook het feit dat dit puttertje haar eigen water kan putten in de mensenwereld toch iets vrouwelijks heeft? Zie voor verdere symboliek ook het eerdere onderzoekje.

     

  • De duif van Picasso voor het Wereld Vrede Congres (1949). Ik leerde al over de duif van Matisse en Picasso door mijn onderzoekje. Zie daar.

  • Brancusi Vogel. Een abstracte benadering van de krachtige opstart van een vogel. Het gepolijste brons/koper van dit conceptuele beeld schittert door de hele zaal. Ik zie een vogel die opvliegt, pijlsnel naar boven, op weg naar de hemel. Kracht, schittering en de boodschapper tussen hemel en aarde.

Foto Guggenheim Museum.

Ter verdere informatie:

Martine Gosselink en Simon Schama. Birds: Het puttertje , mens en vogel. Mauritshuis / Hannibal books. 2026.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Op Statenbolwerk Haarlem: Begraafplaats De Punt en later Villapark van L.P. Zocher

Amsterdam Bijna Gesloopt

Even reclame maken voor mijn schoonzoon. Walther Schoonenberg, secretaris van de Vereniging Vrienden Amsterdamse Binnenstad,  schreef een rijk geïllustreerd boek, titel ‘Amsterdam Bijna Gesloopt‘.

Zie hier: Inkijkexemplaar

(Overgenomen van de website van het Grachtenmuseum Amsterdam en bovenmate interessant voor monumentenliefhebbers, #Rijksdienst Cultureel Erfgoed, #Mooi Noord-Holland, leden van #Heemschut, #Hendrick de Keyser, en bovenal #GEMEENTERAAD  AMSΤΕRDAM):

“Waarom stonden de Amsterdamse grachten ooit op het punt om gesloopt te worden? Het boek en de tentoonstelling ‘Amsterdam bijna gesloopt‘ nemen je mee door verschillende plannen voor de stad, nooit eerder getoonde archieffoto’s en je leert hoe Amsterdammers hun stad redden.

Moderne stad van glas en staal

Stel je voor: de grachtenpanden, smalle straatjes en pleinen van de Amsterdamse binnenstad vervangen door een moderne stad van glas en staal. Dit scenario leek in de 20ste eeuw écht te gaan gebeuren. En niet zomaar, want de binnenstad lag er toen vervallen bij. Het plan was er om oude buurten te vervangen door moderne wijken met brede autowegen en grote kantoorgebouwen. Het Grachtenmuseum op de Herengracht 386 was er bijvoorbeeld niet geweest als alle plannen voor verkeersdoorbraken door waren gegaan.

Actievoeren

Gelukkig liep het anders. Amsterdammers kwamen in actie; buurtbewoners, kunstenaars, monumentenliefhebbers vochten in de loop van de twintigste eeuw voor het behoud van hun stad. De tentoonstelling en bijbehorend boek nemen je mee in het verhaal van dreigende sloop, felle protesten en uiteindelijk een volledig herstel. Ontdek hoe Amsterdammers hun stad redden en hoe het komt dat wij daar nu nog elke dag van kunnen genieten. Daarnaast zijn er nooit eerder getoonde archieffoto’s, bijzondere tekeningen, plattegronden en actieposters te zien.

Verdiepend verhaal

De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. Het gelijknamige boek, geschreven door Walther Schoonenberg MA, verscheen 26 februari 2026 bij Uitgeverij Prometheus (Amsterdam) en vormt een uitbreiding op de verhalen uit de tentoonstelling.”