ANTONI VAN LANGELAER HOVENIER OP BUREN (1685)

ANTONI  VAN LANGELAER UIT BUREN (1685)

Afgelopen dagen correspondeerde ik met een collega over haar onlangs verschenen artikel in Bulletin KNOB. Helaas niet op Internet te lezen, maar ik geef hierbij de titelbeschrijving:

Lenneke Berkhout. Jan van der Groen, hovenier van de Prins van Oranje: nieuwe archiefgegevens over zijn leven. Bulletin KNOB 116 (2017), nr. 2.

Jan van der Groen is zou men kunnen zeggen tot heden de bekendste 17de eeuwse hovenier, en het is dan ook heel belangrijk in het kader van de geschiedenis van de Nederlandse tuinkunst dat meer gegevens over het leven van hoveniers en over de tuinkunst in het algemeen boven water komen.

Hierboven: Zou dat prachtige monogram (uit te voeren in buxus neem ik aan) bedoeld geweest zijn voor de tuin in Buren?

Het artikell van Berkhout noemt ook andere hoveniers die voor de prins van Oranje werkten, o.a. Anthoni van Langelaer. Ook hij schreef een boek, dat nooit is gedrukt maar wel als een boek is samengebonden. Het kreeg de titel mee (in later handschrift geschreven):

Verzameling, van afbeeldingen van bloem en grasperken, doolhoven, tuinhuizen, lustprieelen, latwerken, boomen, bloemen en planten. [Buren], 1685.

Omdat ik met vakantie ben en omdat het komkommertijd is, twee  mooie illustraties  uit dit manuscript. En ik kan het natuurlijk niet nalaten te zeggen, ga dit kunstwerk vooral eens bekijken in de Bibliotheek Wageningen UR.

Ook zal het hele manuscript binnenkort op Internet te bewonderen zijn. Houd het dus in de gaten.

 

 

Vacantietripje Kasteeltuin Doornenburg

Zo maar een tochtje langs de Waal, even net doen alsof we met vakantie zijn. We bezochten Kasteel Doornenburg, uiterst oostelijke Betuwe. Echt kasteel, maar geheel herbouwd na de Tweede Wereldoorlog.

Opvallende zaken:

  • de tuinvakken op de voorburcht, alleen vierkante grasvlakken, maar heel mooi, omdat het kasteel  daardoor heel duidelijk de ruimte krijgt;
  • de lakenvelders in de kasteelweide;
  • de sinds kort verboden Reuzen Bereklauw in de kasteelgracht (die moet echt verwijderd worden!!!);
  • de prachtige hoogstamboomgaard en wat niet goed te zien is op de foto’s, het schitterende landschap rondom het kasteel.

Het raadsel van de ceder op Leeuw en Hooft.

Anja Kroon stuurde mij het navolgende artikel toe. Het is gepubliceerd in Heerlijkheden 173, 2017. Op de weblog van Cascade Tuinhistorisch Genootschap vroeg Leo Goudzwaard al in een weblog van 1 september 2009 wie er meer wist over deze ceder. Het raadsel werd toen niet opgelost, maar nu wel, al is nog niet alles duidelijk.

HET RAADSEL VAN DE CEDER

Anja Kroon (Zij vraagt commentaar!)

Met excuus voor het weglaten van de illustraties.

Over de libanonceder in de tuin van Bronsteeweg 59 in Heemstede doen veel verhalen de ronde. Hij zou geplant zijn door Carl Linnaeus of, als hij niet zo oud kon zijn, wellicht door de bekende tuinarchitect J.D. Zocher. Wat is waar? Historisch onderzoek naar de plek waar de imposante boom sinds mensenheugenis staat, bracht verrassende feiten aan het licht.

In het tijdschrift Bomennieuws verscheen in de zomer van 2016 het artikel ‘De Libanonceder van Heemstede.

Geplant door Carl Linnaeus?’ waarin de schrijfster aan de hand van verschillende theorieën probeerde de leeftijd van de boom te bepalen. Want wat zou het mooi zijn als deze ceder een van de oudste van Europa zou zijn, zoals het verhaal gaat. Ceders worden als bij- zondere bomen gezien, hun mythische geschiedenis en afmetingen spreken tot de verbeelding en dat verklaart wellicht de belangstelling tot op de dag van vandaag voor deze bomen.

Nieuw onderzoek

Wat opviel in het artikel was dat er vooral botanische of tuinhistorische argumenten gebruikt werden en er
nog geen historisch onderzoek gedaan was naar de plaats waar de ceder nu staat. Het verhaal was voor een deel op veronderstellingen gebaseerd, wat een goede aanleiding was om deze te toetsen aan de feiten. Was de tuin een deel van de buitenplaats Bronstee geweest zoals gezegd werd of maakte hij deel uit van Bosch en Hoven, zoals iemand anders opperde? Geen van beide bleek waar. Het perceel waar de ceder nu staat, was meer dan honderd jaar de overtuin van buitenplaats Leeuw en Hooft.

Het perceel aan de westkant van de Bronsteeweg op de hoek van de Crayenestervaart heeft tot 1802 toebehoord aan verschillende kleerblekers die hier hun bedrijf uitoefenden. We mogen aannemen dat daar toen geen ceder stond. Ceders waren nog zeldzame bomen die te bijzonder waren om in gewone tuinen te planten. Alleen eigenaren van buitenplaatsen en parken konden zich zo’n exotische boom veroorloven.

In 1802 werd het perceel gekocht door de Haarlemse koopman Pieter Kops Goedschalksz. Hij had in 1798 de buitenplaats Leeuw en Hooft aangekocht en wilde een vrij zicht vanuit zijn bezit op de bocht van de Binnenweg. Hij liet de gebouwen van de blekerij die in de weg stonden afbreken en vanaf 1802 was het perceel van de voormalige kleerblekerij de overplaats van Leeuw en Hooft.

Nu overleed Pieter Kops in 1803, dus in hoeverre hij tijd had voor zijn tuinplannen is niet bekend. Zijn weduwe zal de overtuin als moes- of teeltuin hebben gebruikt, zoals de grond kadastraal geregistreerd stond. Weduwe Kops, geboren Van Oosten de Bruijn, verkocht in 1828 de buitenplaats en de overtuin aan Walrave van Heukelom. De familie Van Heukelom had het buiten en de overtuin in bezit tot het eind van de 19de eeuw.

Zij heeft de tuinen van de buitenplaats opnieuw laten ontwerpen en aanleggen. Schilder en tekenaar Petrus Josephus Lutgers (1808-1874) schreef rond 1840 dat J.D. Zocher de tuinarchitect van Leeuw en Hooft was. Maar wat hebben de Van Heukeloms met de ceder te maken?

Op 14 oktober 1881 raasde er een orkaan over Nederland die in het hele land veel schade veroorzaakte. In het Stadsarchief van Amsterdam is hierover een briefje uit 1882 bewaard gebleven van Henriëtte Adriana van Heukelom (1816-1894). Zij woonde met haar zuster Louise Victoire (1818-1891) na het overlijden van hun ouders, in de zomermaanden op Leeuw en Hooft. In deze notitie schreef zij dat bij de zware storm de ceder op Leeuw en Hooft was omgewaaid. Henriëtte die juist die dag jarig was, betreurde de val van de boom. Zij besloot als herinnering aan de geliefde ceder uit het hout een aantal salontafeltjes voor de familie te laten maken. De tafeltjes werden een jaar later verstuurd op 5 december, vergezeld door een toepasselijk sinterklaasgedichtje:

’k Werd op Leeuw en Hooft geboren   ’k Zag veel jongens in mijn kruin Welk lot is mij thans beschoren  Nadat ik viel in haren tuin.

Als meubel zie ’k my herleven Des Ceders van den Libanon Wil my nu een plaatsje geven In ’t hoekje van un stads Salon. 5 december 1882

De volgende morgen aan het ontbijt ontving Henriëtte al een paar bedank- briefjes. Neef Jan Boissevain stuurde een bedankje in dichtvorm. Hij haalde herinneringen op aan de zomers in het gastvrije witte huis, waar de kinderen ravotten in de tuin of de kippen en de herten voerden. Hoe grootvader stoeide met ‘het vroolijk klein gespuis’ en hij zijn ‘wein’ge lessen leerde halfweg in ’s Ceders kruin’. Hij bedankte zijn tante voor haar lieve geschenk dat uit de oude ceder was gemaakt.

Op de prent van Lutgers is goed te zien dat aan de noordkant van de Crayenestervaart een veranda is gebouwd, vanwaar de bewoners een mooi uitzicht hadden. Die veranda stond er op dat moment nog niet zo lang, want pas in 1837 was het huisje van weduwe Timmer dat daar stond, aangekocht en gesloopt. Dat wijst erop dat Walrave van Heukelom bezig was zijn tuin te verfraaien, hoewel er op het moment dat Lutgers de prent maakte, op het overstuk nog niet veel van een tuinaanleg te zien was.

Op het schilderij dat P.J.C. Gabriel (1828-1903) in 1851 maakte, blijkt de veranda in een paar jaar tijd geheel over- groeid. Nu is ook de overtuin herschapen in een fraai aangelegd plantsoen.

Het lijkt aannemelijk dat de familie Van Heukelom, toen de tuin eenmaal compleet was aangelegd en aangeplant, Gabriel opdracht heeft gegeven het resultaat in olieverf vast te leggen. Maar helaas, ook op dit schilderij staat geen ceder afgebeeld.

Een ander argument dat ervoor pleit dat de ceder bij het huis zelf stond, is een beschrijving van een wandeling
in het Haarlemsch Advertentieblad op 29 december 1880. De wandeling ging langs Leeuw en Hooft, waarbij de verslaggever opmerkte: ‘Nauwelijks is men dit brugje [Blauwe Brug] 100 pas-

Waar stond de oude ceder?

Er is dus inderdaad een oude ceder op Leeuw en Hooft geweest, maar die is in 1881 omgewaaid. Er zijn verschil- lende redenen om aan te nemen dat de boom niet in de overtuin stond, maar
in de tuin van Leeuw en Hooft zelf. Een daarvan is dat de boom niet weergege- ven is op twee 19de-eeuwse afbeeldingen van het overstuk, zoals het ook genoemd werd.

In 1840 maakte Petrus Lutgers een prent van het huis en de overtuin die, naar het noorden gezien, links van de huidige Bronstweeweg lag. Op de prent Leeuw en Hooft vanuit het zuiden gezien, rond 1840 gete­ kend door Petrus Josephus Lutgers (1808­1874). Op de overtuin, links van de sloot, is van tuinaanleg nog geen sprake. (Detail van de oorspronkelijke afbeelding.)

sen over gewandeld of men krijgt een verrassend uitzicht op een kleine maar allerliefsten aanleg bij dit buitenverblijf behorende, die het bewijs levert dat een man van smaak noch veel ruimte noch veel hulpmiddelen nodig heeft om in een tuinaanleg iets werkelijks schoons te scheppen, een vroeger onaanzienlijke sloot en een smalle 10 à 15 schreden brede strook lands zijn hier in een sierlijke en smaakvolle aanleg herschapen’. Ook hier geen woord over een ceder, die een jaar voordat hij omwaaide toch een monumentale grootte moet hebben gehad.

Tot slot vermelden de kadastrale kaarten voor dit perceel tot 1853 als bestemming moes- en teelgrond.

Fabelachtige leeftijd

Wie de ceder die in 1881 omwaaide heeft geplant, is niet bekend. Toen Jan van Heukelom, geboren in 1836, zijn lessen leerde halverwege de kruin, moet hij al groot zijn geweest. Een aanplant door J.D. Zocher jr. is dus onmogelijk. Henriëtte schrijft in haar versje dat de ceder op Leeuw en Hooft is ‘geboren’, dus als klein boompje is aangeplant. Heeft Pieter Kops dat rond 1800 gedaan? Of Jacob Abraham van Lennep misschien, die de plaats, nog zonder overtuin, bezat van 1783 tot 1798. Of, maar ook dat is speculatie, Diederik Smith, eigenaar vanaf 1744, die in 1753 druk bezig was de tuin rond zijn buitenplaats te verfraaien door er ruimtelijke doorkijkjes te laten plaatsen (zie HeerlijkHeden 172). Hij zou door zijn wereldwijde handelscontacten zeker in staat zijn geweest een ceder aan te kopen. Ceders waren al bekend, de eerste libanonceder werd in 1638 in Engeland geïntroduceerd.

Een aanplant door Smith zou de mythe kunnen verklaren dat de Heemsteedse ceder de oudste van Nederland zou zijn. In Haarlems Dagblad van 3 oktober 1927 verscheen een artikel waarin J.F.Ch. Dix van het blad Floralia werd geciteerd. Dix had vernomen dat de ceder 175 jaar oud zou zijn en dus geplant rond 1752. Niets van dit alles is tot nu toe bewezen.

Knipsel uit
de Katholieke illustratie uit 1926 waarin de leeftijd van de boom op 175 jaar wordt geschat.

 Aan het begin van de 20ste eeuw is de ceder al duidelijk naar één kant gegroeid. Op een andere af­ beelding staat hij ingeklemd tussen andere bomen en struiken, wat die vorm zou kunnen verklaren.

Een nieuwe ceder

Het is goed mogelijk dat Henriëtte van Heukelom na de storm een nieuwe ceder op de overplaats heeft laten planten, waarop de verhalen over de ouderdom van de omgewaaide ceder in de loop der jaren zijn overgegaan. Het betekent dat de huidige ceder helemaal niet zo oud is als sommigen hopen. Afbeeldingen uit het begin van de 20ste eeuw tonen een fraaie, maar vrij kleine boom die beeldbepalend was voor de entree van Heemstede vanuit Haarlem, want vóór de aanleg van de Heemsteedse Dreef was de Bronsteeweg de belangrijkste toe- gangsweg.

Reddingsactie

De mythe over de ouderdom die onlos- makelijk met de ceder verbonden was, zorgde ervoor dat in de winter van 1984 een grote reddingsactie op touw werd gezet toen een zwaar sneeuwdek de boom bijna fataal werd. In januari viel er in vrij korte tijd een laag van twintig centimeter op de kruin. De boom die al een beetje scheef hing, kon het gewicht niet aan en stortte neer. De kranten schreven met enige overdrijving: ‘Heel Heemstede rouwt’ en ‘een monument is ter ziele’, waarbij tegelijk ook de veron- derstelde leeftijd werd bijgesteld naar 400 jaar. Op initiatief van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek werd een reddingsactie op touw gezet. De boom bleek te redden door de kroon drastisch terug te snoeien en een houten constructie te maken die de boom moest stutten. Het benodigde bedrag van 10.000 gulden kwam voor de helft van sponsors en de eigenaar betaalde de rest. De HVHB droeg 1000 gulden bij evenals de gemeente Heemstede.

Monumentenstatus

Ook anno 2017 zijn de meningen over de ouderdom van de boom aan de Bronsteeweg niet eensluidend. Het Landelijk Register Monumentale Bomen van De Bomenstichting noemt de Cedrus libani in 2015 monumentaal en in goede conditie en schat het plantjaar tussen 1750 en 1800. Leo Goudzwaard, verbonden aan de Wageningen Universiteit en gespecialiseerd in bijzondere bomen, mocht de boom in 2009 bekijken voor het schrijven van zijn boek Bijzondere bomen in Nederland. Ook hij ging uit van de gegevens die op dat moment voorhanden waren en schatte het plantjaar tussen 1735 en 1745. Inmiddels is zijn mening veranderd. Gezien de geschiedenis die nu op tafel ligt, verbaast het hem eigenlijk niet dat de ceder niet zo heel oud is. ‘Dit kan zeker een ceder zijn die geplant is aan het eind van de 19e eeuw’. Het is niet eenvoudig te zeggen hoe snel ceders in dikte groeien, dat hangt onder andere af van de bodem waar de boom groeit en van de verhouding licht en schaduw. ‘De beste manier om de leeftijd te bepalen is met een aanwasboor een boorkern van 5 mm dik te monsteren en de jaarringen te tellen. Dit is voor de boom geen probleem omdat cederhout zeer duurzaam is en de boom in 1 jaar het gaatje dicht.’ Daar hebben andere boomdeskundigen bezwaar tegen; een open verbinding met de kern van de boom is volgens hen een bron van schimmels.

Op dit moment wijst alles erop dat de ceder aan de Bronsteeweg aan het eind van de 19e eeuw geplant is en dat betekent dat de boom inmiddels toch een aanzienlijke leeftijd bereikt heeft. Hij is door zijn grootte en vorm mede beeldbepalend voor het aanzicht van het noordelijk deel van de Bronsteeweg. Het raadsel van de ceder is niet onbetwist opgelost, maar de geschiedenis van deze monumentale boom is wel een stukje opgehelderd.

Bronnen

Noord-Hollands Archief, Collectie van archiefstukken afkomstig van eigenaren van buitenplaatsen. Toegang 3877, inv.nr.7.NHA, Collectie van documentatie van Hans Krol betreffende Heemstede (Collectie Heemstede). Toegang 1176,doos 226.

http://nha.courant.nu

Stadsarchief Amsterdam, Archief van
de Familie Boissevain en Aanverwante Families. Toegang 394, inv.nr. 980 en 992.

Veronica van Amerongen, ‘De libanonceder van Heemstede Geplant door Carl Linnaeus?’, in: Bomennieuws, zomer 2016 en op

http://groendirectieholland.nl)

https://www.monumentaltrees.com/nl/ Landelijk register van monumentale bomen op http://www.bomenstichting.nl

Met dank aan Carla Oldenburger en Leo Goudzwaard.

 

Erfgoed van de week (19-26 juli), o.a. Amstelrust, zie rapport uit 2003.

Erfgoed van de Week (19-26 juli) | Amsterdamse buitens

(overgenomen van de website Gemeente Amsterdam), met verwijzing naar het rapport van Oldenburgers Historische Tuinen uit 2003:

Amstelrust: historisch overzicht van tuin en park. 

In het kort

Omdat de grachten in de 17de en 18de eeuw enorm stonken zochten welgestelde Amsterdammers in de zomermaanden verfrissing buiten de stad. In Amsterdam zijn twee van deze buitenplaatsen, die nu binnen de stadsgrenzen liggen, bewaard gebleven.

Op deze pagina– Erfgoed van de Week | Amsterdamse buitens

Buitenplaats Amstelrust | foto Gemeente Amsterdam

De grachtengordel werd in de 17de en 18de eeuw alom geprezen om zijn schoonheid, maar had één belangrijk bezwaar: het stonk er enorm. Vandaar de omschrijving van ‘schone maagd met een stinkende adem’. Reden voor welgestelde Amsterdammers om ter verfrissing in de zomermaanden hun grachtenpanden te verruilen voor buitenplaatsen rond de stad.

Een buitenplaats in de polder

In de polders buiten de stadsomwalling verrezen vanaf de 17de eeuw tientallen buitenplaatsen langs de Amstel, de Bullewijk en de Holendrecht, de Haarlemmertrekvaart, de Overtoomsevaart en Schinkel, de Sloterweg en in de Watergraafsmeer. Voor de bouw van een buitenhuis werd vaak een bekende architect ingeschakeld en ook aan de tuinen werd zorg besteed. Deze werden bijvoorbeeld opgesierd met fonteinen, beelden, theekoepels, exotische planten in kassen en bijzondere vogels in volières. Met de komst van de stoomtrein in de 19de eeuw verruilden steeds meer stedelingen hun buitenplaats onder de rook van Amsterdam voor één in de omgeving van Utrecht of Gelderland. De overgebleven buitenhuizen werden eind 19de eeuw opgenomen in de nieuwe uitbreidingswijken van de stad.

Huize Frankendael | foto Gemeente Amsterdam

Amstelrust en Frankendael

Van al deze Amsterdamse buitenplaatsen zijn er slechts twee bewaard gebleven: Amstelrust aan de Amsteldijk en Frankendael aan de Middenweg. Met afmetingen van ca. 12 x  9 m zijn ze 2,5 tot 3 keer breder dan een gemiddeld 18de-eeuws stadshuis. Over de oorspronkelijke tuininrichting van Frankendael is een en ander bekend geworden dankzij archeologisch onderzoek, waarbij een 18de-eeuwse plantenkas of oranjerie is teruggevonden.

Archeologische onderzoek bij Huize Frankendael | foto Monumenten en Archeologie

Rust en Werk

Bij archeologisch onderzoek zijn ook verdwenen buitenplaatsen opnieuw gelokaliseerd, zoals het 17de-eeuwse buitenhuis Rust en Werk dat bij de herinrichting van het terrein van het voormalige Stadsarchief aan de Amsteldijk tussen de Rustenburgerstraat en Tolstraat is opgegraven. Na de sloop van de buitenplaats in 1887 bleef de naam hiervan voortleven in het naastgelegen ‘Rust en Werkspad’, de tegenwoordige Rustenburgerstraat.

Prent van hofstede Rust en Werk uit 1730 | Stadsarchief Amsterdam

Erfgoed van de Week

In de rubriek Erfgoed van de Week staat elke week een bijzondere archeologische vondst, vindplaats, voorwerp, monumentaal gebouw of historische plek in de stad centraal. Via de webpagina amsterdam.nl/erfgoed, Twitter @erfgoed020 en Facebook Monumenten en Archeologie delen de erfgoedexperts van Monumenten en Archeologie het erfgoed van de stad met Amsterdammers én overige geïnteresseerden.

Landgoederen van Petrus Regout

Landgoederenzône Maastricht – Meerssen. Langs de weg van Maastricht naar Meerssen liggen verspreid een aantal landgoederen, die tussen 1851 en 1865 zijn aangekocht door Petrus Regout, van de bekende aardewerkfabriek De Sphinx. Op deze kaart is het grote familielandgoed Vaeshartelt afgebeeld, en ten zuiden hiervan de  landgoederen  La Grande en La Petite Suisse en ten noordoosten Klein Vaeshartelt. Bekijk de kaart nauwkeurig door de kaart aan te klikken. Mijn volgende column in ‘Kasteel en Buitenplaats’ (Nederlandse Kastelenstichting) gaat over de landgoederen van Petrus Regout en die van zijn 9 kinderen.

Mijn privé ‘xylotheek’

(Behorend bij vorig bericht over de tentoonstelling ‘The secret of wooden books’):

In 2000 kreeg ik bij mijn afscheid als conservator van de Bibliotheek Wageningen UR een houten ‘bomenboek’ cadeau van Jorn en Lia Copijn.  Het is gemaakt door de hout-kunstenares Christine Langerhorst uit Utrecht, waarschijnlijk van Robinia-hout. Ik had lang met hen samen gewerkt, vandaar dat Jorn het de titel Historische samenwerking heeft meegegeven . Het is weliswaar geen xylotheek, maar toch minstens even bijzonder. En het komt goed uit dat het boek van Robinia-hout is gemaakt, want die Robina is eigenlijk mijn lievelingsboom, die hier in de buurt van Rhenen veelvuldig is aangeplant. Als de boom bloeit is de weg van Rhenen naar Elst een weelderige witte bloemenzee.

Mijn privé-xylotheek, bestaande uit 1 houten boek met houten bladzijden. Geschenk van Jorn en Lia Copijn bij mijn afscheid als conservator van de Bibliotheek van Wageningen UR in 2000. Kunstenaar Christine Langerhorst.

The secret of the wooden books (Tentoonstelling)

secret of the wooden books

(overgenomen van universiteitsmuseum Groningen):

The Secret of the Wooden Books. Esthetics, Education, and Ecology

Tentoonstelling 24 juni tot 29 oktober 2017

In de tentoonstelling The Secret of The Wooden Books wordt het mysterie van de drie boomboeken van de Rijksuniversiteit Groningen ontrafeld, waarbij er ook aandacht is voor de esthetische, educatieve en ecologische aspecten van het materiaal hout. De tentoonstelling in het Student Exhibition Lab is gemaakt door masterstudenten Kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit, onder leiding van hoogleraar Ann-Sophie Lehmann.

Boombibliotheken, of xylotheken, werden gemaakt aan het einde van de achttiende eeuw en konden wel 200 boeken van verschillende boomsoorten omvatten. Elk boek was vervaardigd van verschillende onderdelen van één specifieke boomsoort en was bedoeld om mensen te onderwijzen. De boeken getuigen van het toenemende ecologische bewustzijn aan het eind van de achttiende eeuw. Door de boeken als uitgangspunt te nemen, laat de tentoonstelling de esthetische, educatieve en ecologische aspecten van hout zien en toont zij hoe de mensen door de eeuwen heen met het materiaal hebben gewerkt.

Waar komen de drie boomboeken in de collectie van de Rijksuniveristeit Groningen vandaan? Waarom zijn het er maar drie? Lang deden verschillende verhalen over deze boomboeken de ronde. De een beweerde dat ze gestolen waren uit de Universiteit van Franeker, de ander verklaarde dat ze onderdeel waren van een xylotheek waarvan de overige boeken verloren zijn gegaan tijdens de grote brand in het Academiegebouw in 1906. The Secret of the Wooden Books zal het mysterie rond de drie boomboeken ontrafelen.

Adres: Oude Kijk in ’t Jatstraat 7a
9712 EA Groningen

Johannes van den Bosch en de Maatschappij van Weldadigheid

Gesticht voor Kinderen Veenhuizen (Het Tweede Gesticht). H.V. Geelen. Ca. 1825. Litho. Coll. UB Leiden / Bijzondere Collecties

In 1818 wordt in Drenthe de Maatschappij van Weldadigheid opgericht door Johannes van den Bosch. Na de Franse tijd raakte Nederland in verval.  10% van de twee miljoen inwoners leeft onder de armoedegrens en in de grote steden is sprake van wel zo’n 50 %. Mislukte oogsten in 1816 en 1817 maken het nog weer erger.

Johannes van den Bosch start een sociaal plan:  hij wil verpauperde landgenoten een nieuwe basis van bestaan bieden binnen de bescherming van landbouwkoloniën, om vervolgens kansrijk terug te keren in de normale maatschappij. Er wordt gezorgd voor  werk, onderdak, onderwijs en zorg.

De inrichting van de kolonie werd door Van den Bosch zelf bedacht. Eenvoud en een ingetogen beeld in zowel inrichting van het landschap als in de bebouwing zijn het gevolg van de functionaliteit die het geheel in zich moest hebben en de beperkte middelen die beschikbaar waren. De uitgangssituatie bestond uit heide- en veengrond langs de oude weg van Steenwijk naar het esdorp Vledder. Vanuit het oude landgoed Westerbeeksloot werd de ontginning in gang gezet. De systematische ontginning van de woeste gronden resulteerde in een karakteristieke ruimtelijke structuur. Bomenlanen, rechtlijnige wegenpatronen, gelijkvormige bebouwing en kleine landbouwpercelen, maken nog steeds belangrijk deel uit van de landschappelijke karakteristiek. De bebouwing bestond uit open, enkel- of dubbelzijdige bebouwingslinten met kleine koloniehuisjes op regelmatige afstand van elkaar.

Hoewel de totaal-opzet van de complexen dus rechtlijnig is, zien we op bovenstaande litho van de binnenplaats van het ‘Gesticht voor kinderen’ een typisch vroeg-19de eeuwse primitieve landschapsstijl toegepast.  N.B. Zocher jr. maakte voor Johannes van den Bosch in 1836 bij zijn woning Boschlust in Den Haag (op de plaats waar nu winkelcentrum Babylon staat) een landschappelijke aanleg.

Nog steeds beheert de Maatschappij van Weldadigheid de natuur- en cultuurgronden en een deel van de gebouwen rond Frederiksoord, Wilhelminaoord en Boschoord.  De armen kregen bij aankomst een huisje en een perceel grond. Door het ontginnen van deze gronden (mannenwerk) en door huisnijverheid (vrouwenwerk) zouden zij een behoorlijk bestaan kunnen opbouwen.

Tweede Gesticht Veenhuizen (zelfde gebouw als op eerste afbeelding is te zien). De Kolonievaart staat loodrecht op de ingangspoort van het Tweede Gesticht. Foto Siebe Swart

De in Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord ondergebrachte gezinnen waren veelal uit vrije wil gekomen en konden de koloniën ook weer verlaten. Dat was niet het geval in Veenhuizen en Ommerschans: ‘gestichten’ die opgericht werden om landlopers, gestraften, bedelaars, wezen en vondelingen te huisvesten.

(Deels overgenomen van maatschappijvanweldadigheid.nl)

In het kader van UNESCO- Werelderfgoed wordt plaatsing op de lijst van Werelderfgoederen voorbereid (2018 behandeling verwacht, wanneer het 200 jaar geleden is dat de Maatschappij van Weldadigheid is opgericht).

En belangstelling om het theaterstuk ‘Pauperparadijs’ bij te wonen? Dit speelt op de binnenplaats van genoemd Tweede Gesticht in Veenhuizen. Zie: hetpauperparadijs.nl

Theaterstuk Het Pauperparadijs, 28 juni 2017. Foto Carla Oldenburger

De roman (bestseller) waarop het theaterspektakel is gebaseerd is in de boekwinkel verkrijgbaar, thans de 60ste druk (aangevuld).

Ietse-Jan Stokroos winnaar van de Carla Oldenburger-Ebbers penning met ‘Graven in het Landschap’

Zie ook het vorige bericht. Onderstaande foto’s  betreffen de uitreiking van de Carla Oldenburger-Ebbers penning (Stimuleringsprijs voor jonge onderzoekers Tuinhistorie).

De winnende scriptie van Ietse-Jan Stokroos, getiteld ‘Graven in het Landschap’. Foto Niek Ravensbergen

Overhandiging van de Carla S. Oldenburger-Ebbers-penning door Carla Oldenburger-Ebbers aan Ietse-Jan Stokroos, op De Leemcule in Dalfsen, 21 juni 20017. Foto Niek Ravensbergen