Categoriearchief: geschiedenis

Honthorst’s portretten van de Winterkoningin en haar drie dochters

Een Bericht voor Rhenenaren over de schilder Gerard van Honthorst

Gerard van Honthorst. Elisabeth Stuiart de Winterkoningin. 1642. Coll. National Gallery London

“Gerard van Honthorst – In alles anders dan Rembrandt”  is de titel van een uitgebreide tentoonstelling over deze schilder in het Centraal Museum in Utrecht, nog te zien t/m 13 september.

Van Honthorst (1592-1656), geboren, getrouwd en gestorven in Utrecht was een tijdgenoot van Rembrandt. Hij vertrok al vroeg naar Rome en raakte onder invloed van Caravaggio, die bekend is door zijn licht/donker contrasten.  In 1620 is hij weer in Utrecht te vinden. Er zijn veel schilderijen en tekeningen van hem bewaard. Op de tentoonstellingen zijn ca. 60 schilderijen (veel portretten) en 30 tekeningen te bewonderen.

Gerard van Honthorst. Elisabeth Prinses van de Palts. 1636. Coll. Alexander Palace, Tsarskoje Selo

Hij kreeg veel opdrachten uit hofkringen, van het Hof in Den Haag, maar ook van vorsten en adellijke opdrachtgevers aan het Engelse hof van Karel I van Engeland en van  Frederik V van de Palts, de Winterkoning en zijn gemalin de Winterkoningin Elizabeth Stuart, die als balling in 1621 in Den Haag werden opgevangen door Prins Maurits en vanaf 1631 een paleis lieten bouwen in Rhenen.

Ook schilderde Honthorst de drie oudste dochters van Winterkoning; de oudste was Elisabeth van de Palts (1618-1680); de tweede dochter Louise Hollandine van de Palts (1622-1709), die zelf ook portretschilder was en les had gehad van Honthorst, en hun derde dochter Henriëtta Maria Charlotte van de Palts (1626-1709). Zie oudrhenen.nl/  

Gerard van Honthorst. Louise Hollandine Prinses van de Palts als Diana. 1643. Coll. Centraal Museum Utrecht. Foto Adriaan van Dam

Atelier Gerard van Honthorst. Henriette Maria Prinses van de Palts

Twee dochters van het echtpaar werden bovendien nog afgebeeld op een zeldzame tekening, getiteld De tekenles, nu in Teylers Museum.

Gerard van Honthorst. De tekenles. Ca. 1640. Aangenomen wordt dat dit twee dochters zijn van de Winterkoning en -koningin. Coll. Teylers Museum.

In Rhenen kennen alle inwoners het paleis van de Winterkoning en -koningin. De plaats van de moestuinen en boomgaarden kan iedereen aanwijzen. In het Stadsmuseum Rhenen kan men een digitale rondwandeling door het paleis maken en ook door de paleistuinen, die een aantal jaren geleden door ons bureau zijn gereconstrueerd. Zie virtuele rondleiding door huis en tuinen van Koningshuis Rhenen.

De gardenesque stijl en de tuin van het Bartholomeï-Gasthuis

Plattegrond van Bartholomeï Gasthuis, gemeeten en geteekend 1863, door S.A. van Lunteren. Noorden beneden. Coll. HUA

Vlak na de Tweede Wereldoorlog verhuisde ik als kleuter van Amsterdam naar Utrecht. Ik kwam toen tegenover het Bartholomeïgasthuis (en de Geertekerk) te wonen. Mijn kamer keek uit over de Catharijnesingel en op het gasthuis. Iedere dag huppelde ik door de Smeestraat naar school en wuifde ik naar de bejaarden die achter de ramen genoten van de bedrijvigheid in de straat.

Toen besefte ik niet dat er ook nog een tuin achter het gasthuis was gelegen. Het gaat om een tuin die in 1863 werd ontworpen door de Utrechtse (tuin)architect Samuel A. van Lunteren (1813-1877).

Wat direct opvalt aan  het ontwerp is de indeling van de tuin in zeven lobvormige grasperken die gevormd worden door een min of meer gebogen padenstelsel en die zijn opgesierd met bloemrijke heesterpartijen. Via twee ingangen vanuit de achtergevel aan de zuidkant van het gebouw is de tuin te bereiken. Er bevinden zich in de tuin verscheidene welputten en regenbakken (tegen buitengevels). De tuin is duidelijk bedoeld als binnentuin, om een klein wandelingetje in te maken en een frisse neus te halen. De tuin biedt geen uitzichten naar buiten. De kleurrijke heesterpartijtjes langs de paden nodigen uit tot kleine rondwandelingetjes. Van Lunteren heeft in zijn ontwerp  geen zitbanken getekend. Misschien vond hij de plaats aanwijzen van bankjes niet zijn werk?.  Een tuin verdeeld in dergelijke perken met fleurige bloem- en heesterpartijen noemen we een tuinaanleg in gardeneske (gardenesque) stijl.

De term en het verschijnsel gardenesque tuinstijl komen uit Engeland en werden geïntroduceerd door John Loudon (1832). Hij gebruikte de termen ‘picturesque’ en ‘gardenesque’ tuinen. Omdat hij bang was dat het principe van ‘picturesque planting’ (natuurlijk lijkende beplanting) niet voldoende herkend zou worden als kunst, wilde hij die herkenning als kunst wel bereiken met de ‘gardenesque planting’.  Bij gardenesque beplantingen ligt de nadruk meer op uitheemse planten  (denk aan rododendrons) en op gekweekte planten en ook op de manier van aanplant. Hier gaat het om een landschapsstijl verrijkt met tuinplanten, vaak in geometrische bedden en niet in lossere natuurlijke vormen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd deze manier van beplanten ook  in Nederland veelvuldig toegepast, vooral in de nabijheid van het huis, om van de schoonheid van de bloemen met volle teugen  te kunnen genieten. Dat was dus het geval in de tuin van het Bartholomeus gasthuis, genieten van uitheemse en gekweekte kleurige planten, dichtbij  de wandelaar, langs de paden, die zelf wel in een natuurlijk patroon (gebogen paden) waren aangelegd.

Jan de Beijer, 1744. Bartholomeus Gasthuis. Rechts gezicht op de stadsmuur en de Geertekerk

J. H. Verheijen. Stadswal langs de westgevel van het Bartholomeï Gasthuis tot de Geertekerk. Ca. 1850 (want muur al geslecht)

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

Dit is Bericht (weblog) nr. 500 van Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven. Altijd de moeite waard om te lezen.

(overgenomen van Historisch Museum De Scheper, Eibergen)

 

C.H.Hein. (1815-1879). De Wildeborch Lochem. Tekening tweede helft 19de eeuw? Coll. Museum De Scheper Eibergen

Expositie Staring: bodem, water en rentmeesterschap

De familie Staring heeft een stevig stempel gedrukt op de geschiedenis van de streek met invloed tot over de landsgrenzen. Nog tot en met 19 september 2026 is er in museum de Scheper te Eibergen een expositie over vier leden van deze familie: Anthonie de bekende dichter, zijn zoons Willem en Winand en diens zoon Johan Alexander. 

Anthonie Christiaan Winand (1767–1840) was een veelzijdig man. Hij woonde op de Wildenborch en is vooral bekend om zijn gedichten. Toen zijn vader Damiaan overleed, stopte hij zo’n twintig jaar met dichten en richtte zich volledig op de inrichting, het beheer en de uitbreiding van het landgoed de Wildenborch. Anthonie bekommerde zich om de waterproblemen in het stroomgebied van de Berkel en het onderwijs in de omgeving. Hij was ook lokaal en provinciaal politicus. Naar Anthonie werd het Staringinstituut genoemd, centrum voor de Achterhoekse cultuur en taal.

Winand Carel Hugo (1808-1877) was naast rentmeester vooral bodemkundige en de eerste geoloog van Nederland. Zijn proefschrift “De bodem van Nederland” werd het standaardwerk voor Nederlandse geologen. Hij maakte ook de eerste geologische kaart van Nederland, deed uitgebreid geologisch onderzoek en schreef daar veel over. Naar hem zijn Het Staring Centrum in Wageningen, de Staringgroeve in Losser en de Staringputjes in Winterswijk genoemd.

Willem Constantijn Arnold (1812-1895) was militair en de man achter de oprichting van het Waterschap van de Berkel. Hij tekende gedetailleerde kaarten van de Berkel, van Billerbeck tot de monding in de IJssel bij Zutphen.

Johan Alexander (1850-1932) was de eerste secretaris van Waterschap de Berkel en bleef dat zo’n 45 jaar lang. Ook hij was beroepsmatig en maatschappelijk zeer actief.

Zie ook vorige weblog 1 augustus 2026.

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

De Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, 1996; Tengbergen, A. & E.J. Tengbergen, 1988 (3e druk). De acht kastelen van Vorden. De Walburg Pers, Zutphen

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Figuratief kaartje  uit 1828, getekend door W. Staring (hoogstwaarschijnlijk Winand C.H.)

Maria Sibylla Merian, documentaire van Susanne Brand

(overgenomen van KB nationale bibliotheek):

Kijktip voor iedereen die houdt van natuurwetenschappelijke kunst in het algemeen – en van natuurwetenschappelijke kunst gemaakt door vrouwen in het bijzonder! Want wist je eigenlijk wel dat het vooral Nederlandse vrouwen waren die in de 17de eeuw de studie naar planten, reptielen en insecten verder brachten?

Afbeelding weergeven

Vorig weekend bracht ARTE hierover de internationale documentaire ‘Flower Power. Dutch women painters of the seventeenth century’ uit, gemaakt door Susanne Brand. Brand kwam ook langs in de KB om onze Collectiespecialist Esther van Gelder te interviewen over de 17e-eeuwse schilder en natuuronderzoeker Maria Sybilla Merian. De KB bewaart namelijk indrukwekkende stukken van Merian in haar collectie. Zo is ‘Metamorphosis insectorum Surinamensium’ (1705) is één van de topstukken van de KB: https://lnkd.in/emW3G9tC

De documentaire is tot 4 september te bekijken op ARTE:

Een aanrader!

#NationaleBibliotheek #Documentaire #MariaSybillaMerian #Collectie

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Vakgebied BIOHISTORIE en oprichter FRANS VERDOORN (1906-1984)

In het studiejaar 1961/’62 zat ik in het bestuur van de Utrechtse Biologen Vereniging. Het was toen nog de gewoonte dat het bestuur ter kennismaking alle hoogleraren een bezoek ging brengen en zo was ik als jong studentje (tweedejaars) op een keer op de koffie bij Prof. Frans Verdoorn, die sinds 1959 met zijn beroemde bibliotheek op verzoek van Prof. J. Lanjouw (plantentaxonomie), verhuisd was van Waltham (Mass. USA) naar Utrecht, om daar aan de universiteit een groots programma op te zetten ‘om de geschiedenis te herschrijven vanuit biologisch perspectief’.
Frans Verdoorn (1906-1984). 1965 Gewoon Hoogleraar Biohistorie UU
In 1958 werd  Verdoorn tot bijzonder hoogleraar benoemd  (1965 gewoon hoogleraar). Ik had in 1962 na het bestuursbezoek aan Prof, Verdoorn al besloten verder te gaan in de biohistorie (als hoofd- of bijvak). In 1964 werd ik aangesteld als student-assistent. Mijn specialisatie werd de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis. Het heeft me heel wat zweetdruppeltjes gekost, maar het heeft ook zijn voordelen om onwetend ergens aan te beginnen.
Wat was volgens Frans Verdoorn nu eigenlijk ‘biohistorie’ en hoe kon ik dat vakgebied inzichtelijk maken? Frans Verdoorn’s definitie was niet ‘geschiedenis van de biologie’, maar ‘de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis’, i.e. het leven (mens, plant en dier) benaderen vanuit verschillende disciplines, zodat de biologie in volle omvang wordt belicht. De stafleden (een medicus, een botanicus, een zoöloog, een historicus, een biograficus, een theoloog, een classicus en een mediavist) brachten ieder hun eigen discipline in om de kennis van het leven (bio-logos) te vermeerderen en uit te dragen. Dit is tenminste míjn interpretatie en u als lezer zal begrijpen dat één antwoord op de vraag ‘wat is biohistorie’ niet en nooit een éénduidig antwoord zal opleveren .
FLORA Teutschlands Töchtern geweiht von Freunden und Freundinnen des schönen Geschkechts. Tübingen 1795. Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van Fr. Verdoorn
    Na mijn afstuderen (1968) kwam de definitieve vraag, welke specialisatie past bij mij en past in het onderzoek van het instituut? In het kader van de relatie tussen botanie en kunstgeschiedenis, werd  mijn onderzoeksvraag: ‘wat is de betekenis van de afgebeelde flora op schilderijen van de Vlaamse Primitieven?’ De studie gaat over de periode eind 15-de / begin 16-de eeuw. Wat aan de orde komt is allereerst een beschrijving maken van de scène(s) op het schilderij en daarna het op naam brengen van de planten (op basis van de verschillende kruidenboeken uit die tijd, zoals Clusius, Dodonaeus etc.). Ook de locatie van de planten op het schilderij (in verband met de symboliek), de kleur van de bloemen (denk aan kleurensymboliek), hun christelijk symbolische betekenis, de verspreiding van de planten (plantengeografie) en hun medicinale betekenis zijn belangrijk gebleken . Dit alles zal meer inzicht opleveren in de betekenis van het schilderij, maar ook meer inzicht in de relatie tussen mens en planten in die tijdsperiode. Zo werd mijn specialisatie ‘beplantingsgeschiedenis’ geboren.
L. F. Jauffret. VOYAGE au Jardin des Plantes. Paris, 1799 (sec.ed.). Cadeau gekregen van Mw. J. Verdoorn (01-02-1989). Met handtekening van J(ohanna) G. Verdoorn en daaronder vermelding van Waltham Mass.
    Naast onderzoek werd ook verwacht dat je als staflid jaarlijks een serie colleges of lezingen verzorgde, dat je resultaten van onderzoek publiceerde of op een andere manier naar buiten bracht (zoals medewerking aan tentoonstellingen), en dat je studenten ‘meenam’ in jouw onderzoek.
Mijn publicaties en medewerking aan tentoonstellingen leverden het instituut en mijzelf bekendheid op in de kunst- en tuinenwereld. Bijv. de tentoonstelling “Rondom de Boom”, in 1974 in het Singer Museum en de tentoonstelling  “Stadspark en Buitenplaats”, in 1977 in het Frans Hals Museum. Zo raakte ik ook bij de restauratie van de tuinen van Paleis Het Loo betrokken (beplanting anno1684) en later als spreker op internationale symposia en als beplantingsadviseur voor historische tuinen in (Oost- en West-) Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Italië en Rusland.
Bovenstaande wilde ik graag nog eens duidelijk maken aangezien de betekenis van het woord en het begrip ‘Biohistorie’ heel vaak tot verwarring heeft geleid.
De leerstoelgroep Biohistorie is helaas (mijn mening) in 1988 opgeheven (zelf stapte ik in 1980 over naar WUR) en samengevoegd met het Instituut voor de Geschiedenis van de Exacte Wetenschappen UU. Dit nieuwe samenwerkingsverband werd het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen (IGG),  tegenwoordig de internationale masteropleiding History and Philosophy of Science (HPS) van het Freudenthal Instituut.
Artikelen van mijn hand zijn te vinden onder de knop ‘Publicaties’ op deze website.