Categoriearchief: Vogels etc.

Vogels biohistorisch beschouwd (in relatie tot de tentoonstelling ‘Birds’ in het Mauritshuis)

Een paar Berichten geleden (zie website oldenburgers.nl) schreef ik n.a.v. de tentoonstelling ‘Metamorfosen’ in het Rijksmuseum, over bloemen, planten, bomen, tuinen en dieren in het werk van Ovidius. Dat was mijn specifieke benadering van het onderwerp.

Een week later werd de tentoonstelling ‘Vogels’ (‘Birds’) in het Mauritshuis geopend. Het onderwerp van deze tentoonstelling is de relatie tussen mens en vogels, een typisch biohistorisch onderwerp, want volgens de uitvinder van het biologisch vakgebied ‘biohistorie’, Prof. Frans Verdoorn (1906-1984), is de betekenis van het woord biohistorie: de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis.

Historicus  Simon Schama is gastconservator van de tentoonstelling en werkte voor deze tentoonstelling samen met kunsthistorica Adrienne Quarles van Ufford. Schama verkende al eerder de onderlinge verbondenheid tussen mens en natuur in zijn boeken Landscape and Memory (1995) en Foreign Bodies: Pandemics, Vaccines, and the Health of Nations (2023). Verdoorn en Schama hebben elkaar niet gekend en Schama zal zich geen biohistoricus noemen, maar ikzelf bekijk juist als biohistoricus en leerling van Verdoorn hier graag enkele voorbeelden van deze tentoonstelling.

Mijn eigen biohistorische kijk dus op dit onderwerp, geen recensie  op de tentoonstelling, maar een korte biohistorische blik op enkele wel en niet op de tentoonstelling aanwezige kunstvoorwerpen.

De tentoonstelling onderzoekt de relatie tussen mens en vogel door de eeuwen heen en is opgedeeld in zeven thema’s:
1) vogels als huisdier, 2) voedsel, 3) symbool van vrijheid, 4) schoonheid, 5) als symbool van liefde, 6) spiritualiteit en 7) hemelse boodschapper. Op het eerste gezicht mis ik de kijk op vogels als deel van de levende natuur. We zien voorwerpen op de tentoonstelling van de antieke Egyptische en Griekse oudheid, via Leonardo da Vinci  (tekening vogelvleugel, 1512) en Rembrandt en Fabritius tot moderne en hedendaagse kunst.
Net als in het Bericht over Ovidius’ Metamorphosen zal ik als biohistoricus in deze beschouwing zelf ook enige voorbeelden aandragen, die de betekenis van vogels nader belichten. We kennen allen de zwaan als symbool voor de eeuwige liefde, de duif als symbool voor vrede, de adelaar als symbool voor kracht en de uil als symbool voor wijsheid. Waar komen deze symbolen vandaan?
Voor mij is Ovidius’ verhaal over de verleiding van Leda, koningin van Sparta, door de Griekse god Zeus, vermomd als een zwaan, het startpunt. Het beeld van Michelangelo, in gravure gebracht door Cornelis Bos, is voor de tentoonstelling ook vergroot tot muurdecoratie. Men denkt dat zwanen monogaam leven (dat is niet altijd het geval overigens), en dat is de reden dat ze al heel vroeg als symbool van eeuwige liefde werden gezien, maar hebben zwanen in de kunst altijd deze betekenis? In de biohistorie gaat het veel om vergelijken in eenzelfde tijdsperiode.  En als we dat doen dan zien we dat de ‘Bedreigde Zwaan’ in het werk van Jan Asselijn (ca. 1650) volgens de kunsthistorie een heel andere betekenis heeft. De zwaan staat dan voor de Nederlandse staat (of Johan de Witt), die haar nest (Holland)  verdedigt. Ook wordt gedacht aan de eeuwige liefde tussen de raadpensionaris en Holland, en dan wordt het beeld van Ovidius weer duidelijk.
Cornelis Bos (gravure naar verdwenen schilderij van Michelangelo). Leda en de Zwaan. c. 1544 / 1545. Coll. Mauritshuis

 

In 1654 schilderde Carel Fabritius een puttertje (Carduelis carduelis), die aan een kettinkje gevangen zit op zijn voedselbak. Het vogeltje wordt al heel vroeg door Plinius de Oude (23 na Chr. – 79) in zijn boekwerk Naturalis historia (77 na Christus) beschreven als slim vogeltje dat zijn eigen waterbakje kan ophalen en zaden uit distels kan peuteren. Albertus Magnus citeert Plinius in zijn  werk Animalibus Libri XXVI (1250 – 1260). Deze beschrijvingen maakten dat het puttertje het symbool werd van vindingrijkheid en vernuft.

Fabritius laat door het kettinkje heel duidelijk zien dat de vogel gevangen zit en de 17de eeuwse aanschouwer van het schilderij zal dan ook direct aan de betekenis vrijheid en gevangenschap denken. Maar een geletterde  aanschouwer was zich in de nadagen van de Renaissance ook bewust van klassieke en christelijke waarden. Zij kenden de beschrijving van de putter uit Plinius’ werk en  hoewel de putter niet in de bijbel voorkomt, wordt hij toch door Christenen in die tijd gezien als vooraankondiging van het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon) omdat hij gemakkelijk zaadjes uit distel-bloemen weet op te pikken en de prikkende bladeren van deze plant doen denken aan de doornenkroon.

Carel Fabritius (1622-1654). Het puttertje of distelvink, 1654. Coll. Mauritshuis

Naast het schilderij van Fabritius, zijn er al eerder 16e eeuwse schilderijen met een putter of distelvink geschilderd, als vooraankondiging van het naderende lijden van Christus. Een daarvan is het beroemde schilderij in het Uffizi met het kindje Jezus, die een puttertje in de hand houdt, Madonna del cardellino, geschilderd door Raphael (1483-1520). Jammergenoeg niet op de tentoonstelling. Het stelt Maria voor en twee jongetjes, Jezus (l.) met een putter in zijn hand en Johannes de Doper (r.).

Raphael (1483-1520). Madonna del cardellino, 1505-1506. Coll. Uffizi

Als derde schilderij met een putter en als bewijs dat de putter toch echt een bijzondere betekenis had in de 16e eeuw, wil ik wijzen op een Madonna en kind met puttertje van Tisi Benvenuto, ook bekend als Garofalo (1476-1559). Het schilderij dateert uit ca. 1517, en is niet op de tentoonstelling in Den Haag aanwezig.

Als het om puttertjes gaat, zien we voornamelijk schilderijen van Vlaamse Primitieven en Italiaanse Renaissance schilders, die dit onderwerp behandelen. Waarschijnlijk omdat deze schilders op de hoogte waren van de beschrijvingen van Plinius d. O. en de monnik, theoloog en filosoof Albertus Magnus.

Garofalo (1476 -1559). Madonna met kind en puttertje. Ca. 1517. Galleria Borghese
Putters, zwanen, pauwen, uilen, duiven en adelaars, we kennen ze nog steeds uit bijbelverhalen, van diverse schilderijen en tekeningen, uit de mode, menagerieën en dierentuinen, als lekker hapje en uit de natuur. Maar de oorsprong van de legenden en verhalen zijn we voor een groot deel kwijt geraakt. En dat is jammer en vraagt om onderzoek. Een duif bijvoorbeeld wordt nog steeds als boodschapper gezien maar waar komt dat vandaan? Plinius de Oude beschrijft het mozaïek van Sosus van Pergamon met een prachtige duif (Naturalis historia, boek XXXVI), maar hier wordt niet gesproken over de olijftak als vredessymbool in zijn bek.
Rembrandt van Rijn (1606/1607-1669). Stilleven met twee dode pauwen en een meisje, ca. 1639. Coll. Rijksmuseum

Het schilderij van Rembrandt Stilleven met twee dode pauwen en een meisje (rond 1639) toont twee dode pauwen in een voorraadkamer. In de 17e eeuw waren pauwen een delicatesse, ze werden opgehangen om uit te bloeden. De voorstelling is een jachtstilleven dat de weelde van de veren-kleuren (blauw, groen, geel) en de fijnproeverscultuur van die tijd benadrukt. Plinius schetst het prachtige verenkleed van de pauw, naast de vogel die zich ‘in schaamte en verdriet’ verbergt wanneer hij jaarlijks zijn staartveren verliest, tot ze in de lente weer aangroeien. In de Christelijke cultuur krijgt de pauw misschien hierdoor de betekenis van onsterfelijkheid.

Tronie van een man met gevederde baret (ook bekend als man met een gepluimde muts). Coll. Mauritshuis.

 

Deze tronie uit circa 1635-1640 past in het thema van de tentoonstelling vanwege de vogelveren in de baret van de afgebeelde persoon. Ik heb het schilderij nog niet gezien, maar zou het ook mogelijk zijn aan de veren de vogelsoort te herkennen en dan via de vogelnaam deze vogel terug te vinden in een brontekst of op een ander schilderij? Het is geen argusfazant, maar wat wel? Veren van een struisvogel of pauw? Veren kunnen in de 17de eeuw een bewijs van rijkdom, van sociale status en exotisme uitstralen.

John James Audubon. Birds of America (1827-1838). Coll. Teylers Museum

Vanaf de 18e eeuw (de eeuw van de Verlichting) zien we de eerste encyclopedische vogelboeken verschijnen. Het boek Birds of America (1827-1838) van de natuuronderzoeker en schilder John James Audubon, spant de kroon wat de illustraties betreft. Audubon heeft de vogels goed bestudeerd en de afbeeldingen zijn dan ook zeer realistisch en op ware grootte. Eerder al (1770 -1829) verscheen het boek van onderzoeker Cornelis Nozeman (1720-1786) en tekenaar en graveur  Christiaan Sepp (1739-1811 en zijn zoon J. C. Sepp, . 5 delen), onder de titel Nederlandsche Vogelen. Het is een min of meer compleet werk over Nederlandse vogels, waarin Nozeman zijn eigen waarnemingen met historische bronnen combineerde. Die bronnen laten weer typisch 18de eeuwse  opvattingen over vogels in Nederland zien. Helaas niet op de tentoonstelling.

Realistische Afbeelding van de putter in het boek Nederlandsche Vogelen van C. Nozeman en C. Sepp (1770-1829)

Als we wat meer naar onze tijden opschuiven, denken we natuurlijk heel snel aan de duiven van Picasso als boodschapper van vrede. Picasso tekent vaak duiven met olijftak, maar voor het WereldVredeCongres in 1949 koos Picasso nu net voor een zo realistisch mogelijke duif, zonder olijftak. Waardeerde hij het bekende klassieke mozaïek van Sosus van Pergamon met duiven op een waterbak (zonder olijftak) misschien meer dan de zwarte Vredesduif van Matisse (1948) en de beschrijving van de duif uit de Bijbel, die komt aanvliegen bij de ark van Noach, met een olijftak als bewijs van het zakkende water en de stilzwijgende boodschap dat de zondvloed voorbij is? Hier ben ik nog niet uit. Of moeten we concluderen dat de symboliek niet meer begrepen wordt in de twintigste eeuw?

l. Matisse. Duif met olijftak, 1948.

r. Picasso. Duif op litho voor Wereld Vredes Congres. 1949.

Na deze beschouwing heb ik de tentoonstelling later echt bezocht en 25 maart jl. nog een nader Bericht geschreven.

Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Amsterdam, 2025. 422 pp.

Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.

Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025.  Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums.  Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.

Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk  uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.

Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.

Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven,  was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland.  Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’.  Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.

Jac. (Co) P. Thijsse

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam  en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.

In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie,  naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.

Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.

En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.

Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.

Ik verwijs graag voor nadere kennismaking en eigen onderzoek naar de Ver. Natuurmonumenten, het  Archief van J.P. Thijsse en de Heimans en Thijsse stichting/

Brief aan de stad Amsterdam 750

Mijn brief aan de stad

Ik doe mee aan  Project ‘Brief aan de stad’ [Amsterdam], een onderdeel  van Project ‘Schrijven naar de Toekomst’.

26 oktober werden deze brieven in het Stadsarchief aangeboden en het is de bedoeling dat ze over 50 jaar pas weer geopend worden.

ingestuurd door Carla Oldenburger (1939).

Mijn biografie van groen-Amsterdam

Als kleuter droomde ik vaak van een autoped met luchtbanden en van vlinders in onze tuin. Maar er was geen enkele kans op die autoped want het was oorlog en we hadden niet eens genoeg geld om te eten. Buitenspelen vond ik ook eng, ik was bang voor de Duitse soldaten die in de school tegenover het huis van mijn oma en opa waren ingekwartierd. Mijn speelruimte was dus voornamelijk beperkt tot binnen, thuis op de Geuzenkade (wel gelukkig een tuin en ’s winters op het ijs van de Kostverlorenvaart) en bij mijn grootouders in de Bonairestraat en de Pieter Langedijkstraat. 

Vandaar dat ik heel graag met een van mijn beide ouders op pad ging, eendjes voeren in het Vondelpark met mijn moeder of op de fiets richting de Nieuwe Meer met mijn vader, naar het volkstuincomplex Ons Buiten. En of dat nog niet genoeg was, naar de fazanten en kalkoenen en de mooie tuin met vlinders in de Geuzenhof (Ontwerp Mien Ruys).

Tuin Geuzenhof, met vooraan volière met (vóór WOII) kalkoenen,  fazanten, kippen en .een pauw. Foto Stadsarchief

Op deze plaatsen, in het Vondelpark, en Ons Buiten en de Geuzenhof, liggen mijn groene Amsterdamse roots. Belangrijk voor mij omdat ik later bioloog ben geworden en ik eigenlijk nu pas (in mijn 86-ste levensjaar) besef dat stadsgroen als inspiratiebron niet onderdoet voor natuurbeleving in de Franse Alpen of in het tropisch regenwoud. Met veel belangstelling heb ik de laatste jaren dan ook de renovatie van de Geuzenhof gevolgd en evenzo die van het Vondelpark een paar jaar geleden.

Eén fietsroute herinner ik me nog als de dag van gisteren. Vóór op de fiets van mijn vader reden we van huis uit over de Geuzenkade en de Baarsjes (langs de Kostverlorenvaart), vervolgens over de Sloterkade en het Jaagpad (langs de Schinkel) naar het volkstuincomplex Ons Buiten aan de Nieuwe Meer. Onderweg was het altijd mijn vurige wens om over alle putdeksels te rijden omdat die telkens zo’n heerlijke muzikale klik-klak gaven als je daar  over heen reed. Ik kan dat geluid nu nog duidelijk horen. Als we langs de Schinkel het trappetje naderden, dat toegang gaf tot Begraafplaats Huis Te Vraag, begon mijn vader sterke verhalen over zijn grootvader Laurens Vogelesang te vertellen (hij en zijn vrouw Johanna Hendrika Maris liggen op Te Vraag begraven).

Ingang Begraafplaats  Huis Te Vraag. Huisje voor de grafkransen. Foto Carla Oldenburger

Deze opa had de beroemde Jac. P. Thijsse goed gekend. Opa Laurens was namelijk hoofdonderwijzer geweest (periode 1890-1911) op de Koningin Emmaschool aan de Passeerdersgracht en heel toevallig was de beroemde natuurbeschermer Thijsse in die periode ook hoofdonderwijzer (1892-1898) op een school aan de Passeerdersgracht, namelijk op de school die onder één dak was gebouwd met de Kon. Emmaschool. Helaas heb ik geen bewijzen van hun kennis aan elkaar, maar in onze familie werd wel veel en lovend over Thijsse gesproken en nog steeds hebben we alle Verkade-albums en andere boeken van zijn hand in bezit. Naar het graf van Opa Laurens ben ik nog wel eens op zoek geweest, maar de begraafplaats wordt tegenwoordig zó ‘romantisch’ onderhouden, dat de meeste graven onherkenbaar verdwenen zijn onder het overhangende loof. Door toedoen van kunstenaar en bewoner van de voormalige aula, Leon van der Heijden (1938-2020), is een uniek gravenpark ontstaan, dat zijn weerga niet kent. Leon heeft wat je noemt zijn ziel in het park gelegd en daardoor zijn alle graven natuurhistorische monumentjes geworden.

Ook het Vondelpark (naar ontwerp van de bekende tuinarchitecten Jan David en Louis Paul Zocher) was in mijn eerste levensjaren een bekende plek voor mij. In 1943, toen ik vier maal jarig was geweest, werd het park gesloten door de Duitse Wehrmacht, maar vóór die tijd wilde ik heel graag met mama ‘uit, uit, uit’ om daar de eendjes te voeren en tegen de zwanen en de roeken en de reigers te praten. Er waren nog geen halsbandparkieten, die had ik vast ook heel mooi gevonden, die knalgroene vogels met hun rode snavels. 

In het Amsterdamse Bos (Boschplan, ontwerp Jacoba Mulder) leerde ik mijn eerste wilde planten kennen. Mijn vader was altijd op jacht naar nieuwe soorten die hij nog niet kende, met het gevolg dat ook ik op mijn manier met die planten kennis maakte. Fietsen naar het Boschplan stond eigenlijk ook altijd op mijn wensenlijstje. 

Boschplan. Brug over kanaal tussen Bosbaan en Nieuwe Meer.  Foto Wikipedia

In de winter van 1944/1945 veranderde er veel in mijn kleuter-leventje. Mijn ouders maakten zich toen ernstig zorgen over mijn gezondheid, omdat er nauwelijks genoeg te eten was in de stad. Vele moeders gingen ‘de boer op’ om eigendommen te ruilen tegen vlees en boter en aardappelen. Ik werd dan ondergebracht bij mijn oma en opa in de Bonairestraat, dáár vooral liggen mijn oorlogsherinneringen. Nog jaren lang heb ik gedroomd van marcherende soldaten, die mij de grond instampten als ze terugkeerden in hun hoofdkwartier. Tenslotte werd ik ‘naar de boeren’ gebracht in Dirkshorn, waar de familie Duinkerken mij als hun eigen kind heeft opgevangen. Ik vond het fantastisch omdat ik nu opeens broertjes en zusjes had en van hen een heleboel kon leren zoals melken en karnen en helpen de dieren te verzorgen, vooral kippen voeren vond ik erg leuk, werken in de moestuin en in de bessengaard met rode en zwarte bessen en kruisbessen, groenten schoon maken en verwerken enz. enz. De korenbloemen en klaprozen bloeiden nog op de akkers en als ik me goed herinner gingen we nog met paard en wagen naar de molen om graan te brengen en meel te halen voor het brood. Ik was dus weer in het groene leven terecht gekomen, nu -voor even- buiten Amsterdam.

korenbloemen en kamille op een akker. Foto Wikipedia

Nu tachtig jaar later, is de stad Amsterdam toch voor mij een groene levensbron gebleken. Ik idealiseer natuurlijk, maar vanuit de groene beelden die ik altijd in mijn hoofd heb bewaard en vanuit de kennis die ik in al die jaren erna heb opgedaan, doemen beelden op van een groene toekomst voor de stad. Amsterdam is altijd een groene stad geweest, denk aan de iepen langs de grachten en de keurtuinen tussen de grachten, maar is al dat groen wel voldoende voor de aankomende hete en natte zomers? Er lopen al allerlei projecten om straten meer schaduwrijk te maken en om bij nieuwbouwplannen naast open speelpleinen in de zon ook vooral aandacht te schenken aan beschaduwde paden en pleinen (door lindes en platanen) en koele waterpartijen. Is het ook mogelijk en wenselijk de binnenplaatsen van het Burger Weeshuis (Amsterdam Museum) of de Dam te vergroenen? We denken dan gauw aan zitjes bedekt door het loof van dakplatanen of andere dakbomen…Toch maar liever niet zou ik zeggen. De Dam is vanouds een open plein, het centrum van de stad. Door die openheid komt de architectuur van het voormalige stadhuis (later veranderd in koninklijk paleis) prachtig tot uiting en dat willen we graag zo houden. Wel zou het misschien mogelijk zijn de Dam aan de kant van de Bijenkorf te vergroenen, daar heeft tenslotte tussen 1925 en 1947 al eens eerder een plantsoentje gelegen. En laten we niet vergeten, het Rode Loper Project is van kleur veranderd (klinkers van rood naar grijs), maar voor mij zou vooral groen de kleur van de loper moeten zijn.

Rhenen augustus 2025.

Lune in Leipzig

Het laatste Familie-bericht (12 september) was van Lune en ging over het jachtgedrag van buizerds in de leefgebieden van de wilde hamster.  Dit was een presentatie op de Radboud. In Leipzig werd deze lezing nog een keer herhaald voor een internationaal gezelschap van hamster-deskundigen. Lune schrijft hierover op Linkedin:

 

“…Het begon met een dierentuinbezoek en een rondleiding langs het hamsterfokstation achter de schermen. Leuk om inmiddels drie verschillende fokstations bezocht te hebben, en ze onderling te kunnen vergelijken.
De volgende dagen waren er voordrachten over alle thema’s rondom hamsters die je maar kunt bedenken: van beheermaatregelen tot updates over populaties, en van genetisch onderzoek tot relaties met andere diersoorten.
Ook ik kreeg de kans mijn onderzoek te presenteren. Vorige maand had ik al een “generale repetitie” op de Radboud University, en nu, met een paar aangepaste resultaten, kreeg ik weer een kans. Ik was best zenuwachtig (want zo vaak heb ik nog niet gepresenteerd voor ruim 100 mensen, in het Engels…), maar het ging prima!
Een van de andere hoogtepunten was toch wel het bezoek na sluitingstijd aan de inmiddels donkere jungle-hal van de dierentuin. Geweldig om in plaats van alle zingende vogels nu alle kwakende en schreeuwende kikkers te horen.

En natuurlijk kon ik niet naar huis komen voordat ik nog even de Thomaskerk van Johann Sebastian Bach had gezien.

Hartelijk dank aan (v.l.n.r.) Gerard Müskens, Dr. Maurice La Haye, (Lune Moonen), Anke Brouns en Eva Fiori voor de begeleiding en de gezelligheid.”

Lune en het jachtgedrag van buizerden in de leefgebieden van de wilde hamster

Cricetus cricetus. Wilde Hamster of Korenwolf.
Foto De Zoogdierenvereniging
Op 9 september 2025 kreeg ik (Lune Moonen, student Toegepaste Biologie 2023, Aeres Hogeschool Almere) de kans om een eerste versie van mijn onderzoek te presenteren op een research meeting van de Radboud University.
Afgelopen maanden heb ik voor mijn stage hard gewerkt aan een onderzoek naar het jachtgedrag van buizerden in de leefgebieden van de wilde hamster (Cricetus cricetus), om uiteindelijk het hamsterbeheer te kunnen verbeteren, en daarmee de bedreigde wilde hamster nog beter te kunnen beschermen.
Het was een leerzame ervaring om dit onderzoek nu te kunnen presenteren voor medewerkers en studenten van de afdeling Ecologie. Vooral het feit dat het in het Engels moest en het feit dat de resultaten nog niet helemaal waren wat ik had gewild, gaven de dagen vooraf wat stress… Maar het is gelukt, en ik kreeg interessante vragen en fijne feedback waar ik weer mee verder kan. Nu nog even verder puzzelen met de resultaten (die keer op keer ingewikkelder blijken te zijn dan eerst het geval leek…) en dan mag ik eind september dit onderzoek nog een keer presenteren op de International Hamster Workgroup Meeting in Leipzig!
Ik wil mijn begeleiders Andrea Kölzsch en Gerard Müskens alvast hartelijk bedanken voor al hun hulp afgelopen tijd.
Zie ook het Linkedin Bericht: https://www.linkedin.com/in/lune-moonen-1636182a1/   en   ‘connectie maken‘ (op LinkedIn-profiel Lune Moonen) of ‘reactie geven’ mag natuurlijk ook altijd.
Geen ALT-tekst opgegeven voor deze afbeelding

Kunst en Wetenschap combineren

Leonardo da Vinci (Vinci 1452 – Amboise 1519). De Aankondiging, 1472. Museum Uffici, Florence

Kunst en (exacte) Wetenschap combineren heeft me altijd al geboeid. Eigenlijk uit pure onkunde en wanhoop. Ik had een diploma gymnasium B in mijn zak, maar wilde eigenlijk altijd al kunstgeschiedenis studeren. Maar een Beta – diploma werd in de tijd dat ik eindexamen deed niet voldoende geacht om (kunst)geschiedenis  en oude en moderne talen te gaan studeren, dus ik werd gedwongen een andere meer exacte richting te kiezen. Dat heb ik gedaan en het was een groot geluk voor mij dat in Utrecht in  1959 net een nieuwe richting binnen de Biologiestudie was opgericht, namelijk het vak Biohistorie, dat door Professor Frans Verdoorn vanuit de US (Boston/Waltham MA.) in Nederland was geïntroduceerd.. Hij had dit begrip als volgt gedefinieerd: “de relaties tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis.”

Stinkende Gouwe of Cheledonium majus (Fam. Papaveraceae), uit ‘Gart der Gesundheit’, 1485.

In dit vak ben ik na mijn afstuderen doorgegaan (hoewel ik ook afgestudeerd was in planten-ecologie), zodat de relaties  tussen Kunst en Wetenschap mij altijd zijn  blijven boeien. Die relaties tussen Kunst en Wetenschap zijn natuurlijk van velerlei aard en iedereen kan een richting kiezen die hem interesseert. Ik begon met de betekenis van planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven en gaf daarbij colleges in de geschiedenis van botanie door de eeuwen heen, beginnend met Theophrastus en ‘De Materia medica’ van Dioscorides (1ste eeuw na Chr.).

Dat resulteerde weer in een opdracht van de Stichting Experimenten in Kunst en Technologie / E.K.T. die ik samen met Pieter Smit (†) heb uitgevoerd (verwerkt tot een lijvig geschrift) en getiteld is ‘Wetenschap en Kunst in de Levenswetenschappen: enkele aspecten van hun onderlinge samenhang’, gepubliceerd als deelschrift van het EKT-rapport ‘Orientatie Materiaal over Wetenschap en Kunst’ onder redactie van C. Blok, P.H. van de Poel en C. Tempelaars, en tegelijkertijd in Communicationes Biohistoricae Ultrajectinae nr. 57 (zomer 1975), p. 147-255.

Sindsdien zijn er vijftig jaar voorbij en ben ik nu op een punt gekomen om me nog eens verder te verdiepen in die mysterieuze richting Kunst en Wetenschap. Ik vroeg me net af of daar tegenwoordig ook cursussen in gevolgd kunnen worden, toen mijn kleindochter vertelde dat ze een (andere) online cursus had gevolgd (en deze had gevonden via ‘Coursera’, een platform waar online opleidingen van internationaal erkende universiteiten worden aangeboden). Ik begon te zoeken of er iets voor mijn gading bij was. Misschien Agroforestry bij de Universiteit van Florida? Het is maar net waar je op zoek naar bent. De keuze die Lune maakte was Paleontology: Theropod Dinosaurs and the origin of Birds, bij de University of Alberta. Plus een certificaat op naam, van de University of Alberta. Feliciteren mag, reactie, commentaar , repost op Linkedin mag ook..

Genoeg voedsel voor de vogels in de tuin?

Vandaag (1 oktover 2024, begin van de herfst) wordt de tuin eens nauwkeurig geïnspecteerd op voedsel-aanwezigheid voor vogels. Is mijn tuin wel aantrekkelijk genoeg voor vogels? Zijn er genoeg struiken met bessen en zaaddragende vaste planten?  Belangrijk in dit verband is natuurlijk dat we de planten niet hebben verwijderd of gesnoeid vóór de winter, maar de bloemschermen hebben laten staan.

Rode Kornoelje (Cornus sanguinea). Foto Wikipedia

In mijn tuin staan genoeg van de volgende soorten: Klimop (Hedera helix), krentenboompjes (Amelanchier lamarckii), vlier (Sambucus nigra), hulst (Ilex aquifolium) en lijsterbes (Sorbus aucuparia), maar toch kan er in een hoekje misschien best nog een Gelderse Roos (Viburnum opulus) of een Rode of Gele Kornoelje (Cornus) worden bijgeplant voordat de winter intreedt. Gelukkig groeien er in het aangrenzende bos genoeg eiken, beuken en hazelaars.

Grote kaardenbol (Dipsacus fullonum). Foto Wikipedia

Meer aandacht moet ik misschien wel besteden aan vaste planten zoals:  Grote Kaardenbol (Dipsacus fullonum), Teunisbloemen (Oenothera biennis), en niet-inheems uit VS: Zonnebloemen (Helianthus annuus),  Rudbeckia / Echinacea en Kogeldistel (Echinops ritro).

Kogeldistel (Echinops ritro). Foto Wikipedia

De laatste jaren ben ik niet toegekomen aan een kruidenhoekje, maar wilde Tijm (Thymus serpyllum)  en wilde Marjolijn (Origanum vulgaire) zijn natuurlijk voor de vogeltjes (de zaden) en voor de mens (de blaadjes) niet te versmaden.

Kortom, na de inspectie, de vogels kunnen zich wel laven, maar het moet nog beter.

Leiduin en Vinkenduin te Aerdenhout. Wat is een vinkenbaan?

De buitenplaatsen Leyduin en Vinkenduin vormen samen met Woestduin een aaneengesloten complex van buitenplaatsen in Aerdenhout/Bloemendaal, op de overgang van de strandvlakte naar de duinen.
Aerdenhout Bloemendaal). Huis Vinkenduin. 2017.
Leyduin is voor het eerst vermeld in 1596 en was oorspronkelijk een hofstede met boomgaarden eromheen. In 1798 werd de plaats beschreven als een park met een hermitage (kluizenaarshut) op een heuvel, een beek, een cascade (waterval, aangelegd in 1759), een menagerie (dierenverblijf) en een vinkenhuis, boomgaarden en moestuinen. Van deze oudste aanleg dateren nu nog de neogotische hermitage en de grenspalen uit 1701 met de naam Johan van Romswinckel, die thans bij de oprit naar het huis staan. Ook het nog gave lanenstelsel met enorme beuken vormde een onderdeel van de toenmalige aanleg. Het oude herenhuis op Leyduin werd in het begin van de negentiende eeuw afgebroken. In 1874 werd een nieuw huis gebouwd dat in 1920 echter zo bouwvallig was geworden dat ook dit werd afgebroken. Uit die tijd resteren nog wel een koetshuis en koetsiers- en tuinmanswoningen.
Tot 1900 liep een duinrel, een afwatering vanuit de duinen, door de beek en over de cascade op Leyduin. Het water was bestemd voor de drinkwatervoorziening van Amsterdam. Toen er waterleidingbuizen gelegd werden, zijn de beek en de cascade drooggevallen.
Nadat in 1919 een deel van Leyduin was afgescheiden, namelijk het tegenwoordige Vinkenduin, werden op beide delen nieuwe huizen gebouwd naar ontwerp van architect  A.A. de Maaker, Leyduin in 1921 en Vinkenduin in 1924.
De tuinarchitect L.A. Springer ontwierp de aanleg bij beide huizen. Vinkenduin werd gekarakteriseerd door een zicht vanuit het huis in west-zuidwestelijke richting naar de duinen.
Oude vinkenbaan in het Noord-Hollands Duinreservaat. Collectie PWN
Vinkenduin dankt zijn naam aan de vinkenbaan die hier in 1752 werd aangelegd.  Hier ving men vinken die gebruikt werden voor consumptie. De baan is in het terrein nog te herkennen aan hoge aarden wallen, die een veldje met lindebomen omsluiten. De woning op Vinkenduin langs de Vogelenzangseweg is een oud vinkenhuis. Zie verdere beschrijving onder deze tekst.
Het gebied is zeer rijk aan broedvogels en kent een uitgebreid scala aan stinseplanten, met onder meer gevlekte aronskelk, wilde hyacint, wilde narcis en bosanemoon. De half in de grond gelegen appelkelder is in 1980 gerestaureerd en is nu een geliefde verblijfplaats van vleermuizen.
In 1993 is het terrein rondom het huis gerenoveerd door de landschapsarchitect Victor van Boven. Ook het bureau Bruine Beuk van Lia en Jorn Copijn heeft hier in deze tijd  ontwerpvoorstellen gedaan. De ontwerpen van Copijn en Leonard Springer worden bewaard in Speciale Collecties Wageningen UR.(https://library.wur.nl//WebQuery/tuin?q=vinkenduin)
Het Openluchtmuseum meldt over vinkenbanen en vinkenhuisjes:

Al in de 15e eeuw houden rijke Hollanders er een vinkenbaan op na. Omdat de vogels in de herfst naar het zuidwesten trekken, staan vinkershutten altijd met de opening naar het noordoosten. Zo kunnen de vinkers hun prooien al van verre zien aankomen. De vogels worden gelokt met soortgenoten die aan een plankje zijn vastgemaakt en met uitgestrooide elzenproppen. Zijn de vogels geland, dan klapt een groot net dicht en zitten ze gevangen. De vangst wordt in de hut bijgehouden. Soms wel tienduizend vogels in een seizoen! In 1912 maakt de Vogelwet een eind aan het deze bedenkelijke hobby.

Mijn dagelijkese uitje tijdens de oorlogsjaren, naar de Geuzenhof

De Geuzenkade was de plaats waar mijn wieg heeft gestaan. We woonden begane grond en we hadden een eigen tuin met zandbak en bloemenperken, maar toch wilde ik als peuter en kleuter elke dag met mijn vader de kippen en fazanten en pauwen bezoeken en een blaadje sla gaan brengen.

We woonden precies in de bocht van de Geuzenkade en vanaf hier was de Geuzenhof om de hoek, een binnentuin binnen het complex flatwoningen aan de Geuzenstraat. DE TUIN WAS TOEN OPENBAAR TOEGANGKELIJK, NU NIET MEER, MAAR VANDAAG STAAT DE POORT OPEN WANT HET IS OPEN TUINEN DAG.

Geuzenhof, (bouwdeel 1, voltooid 1935). Architect Jacob Dunnebier. Tuinarchitect Mien Ruys. Volière met pauwen, kalkoenen, of fazanten en kippen. Stadsarchief Amsterdam

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998), tekst Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, schreven we de volgende tekst:

“In de wijk De Baarsjes ligt een grote, langgerekte binnentuin ontworpen door Mien Ruys met allerlei speelvoorzieningen. De aanleg is uitgesproken architectonisch van opzet en toont eerder een late Jugendstil dan de van haar bekende modernistische signatuur. Er komen veel halfronde vormen in voor en afgeronde hoeken en twee symmetrische, gekromde paden. De tuin bestaat eigenlijk uit twee delen, die in elkaars verlengde liggen en die behoren bij de woonblokken Geuzenhof 1 en Geuzenhof 2, die de tuin bijna geheel insluiten. Als voorzieningen zijn twee zandbakken opgenomen, een speelplaats, een volière en zelfs een telefooncel. Volgens Ruys hadden deze tuinen een opvoedende werking. Zij voorzagen niet alleen in een gezonde vorm van buitenspelen, maar waren ook een stimulans voor de esthetische beleving van het groen. Zij zag tuin en architectuur als onafscheidelijke eenheden. In ‘de 8 en Opbouw’ van 1942 schreef zij onder meer over gemeenschappelijke tuinen: ‘Deze gemeenschappelijke tuinen kunnen vooral in arbeiderswijken een grote sociale verbetering brengen. […] Een juist aangebrachte beplanting kan de architectuur van het gebouw accentueren, maar het is ook mogelijk het karakter, de zuivere lijn van een huis te schaden door een verkeerde groepering.’ Zij was wars van het gebruik van hekken en voorzag dat spelende kinderen vanzelf belangstelling en waardering zouden krijgen voor de beplanting. Het geheel is nog grotendeels volgens de oorspronkelijke opzet en wordt gerestaureerd door de gemeente Amsterdam.”

 

Geuzenhof Amsterdam, 2023 (?). Grind en tegels op de plaats van de voormalige volière. Zie hierboven. Beeld Jakob van Vliet. Overgenomen van Parool-artikel
Geuzenhof Amsterdam West, Ontwerp ca. 1935, opgeleverd met volière, zandbakken en vijvertje.  Stadsarchief Amsterdam

Schiermonnikoog en de storm Poly

Kaart van eiland Schiermonnikoog. Tekening  Lune Moonen, Foto Carla OldenburgerJuliet in de vogelhut op Schier. Foto Walther Schoonenberg

Kleindochter Lune als toekomstig bioloog. Foto Carla Oldenburger

We waren met de familie afgelopen week op Schiermonnikoog. Het eiland is de kleinste gemeente van Nederland en in 1989 als geheel tot Nationaal Park verklaard. Het staat bekend om zijn brede strand, het breedste van Nederland en wordt geroemd om zijn rust en natuur. Twee jaar geleden hebben we ons o.a. gericht op de historie van de buitenplaats Rijsbergen in het dorp Schiermonnikoog, terwijl we nu druk bezig waren met determineren van de duinplanten  en de vogels en de schelpen. Juliet is goed bekend met de duinflora, Lune was een uitstekende vogelaar en samen bestudeerden ze nu met behulp van de Schelpengids de gevonden schelpen.

De storm Poly dwong ons 5 juli binnen te blijven. In de middag (15.00 -16.00 uur) werden hier sterke windvlagen (15-16 m. p/s.) verwacht. Maar het viel erg mee. Het binnenzitten heeft ook zijn charme.  Lezen, schrijven, genieten van het bijzondere vertrouwde hotel (Van der Werff). Hieronder bijpassende foto’s, de mooiste en meest bijzondere  vondsten van afgelopen dagen: Parnassia; Pyrola of Rond Wintergroen; Grauwe Vliegenvanger; Kleine Plevier; een kijkje in het prachtige schelpenmuseum van Thijs de Boer; en enkele historische relicten in Hotel van der Werff. Juliet en Lune hebben alle vondsten in hun flora en vogelgids en schelpengids genoteerd.

Parnassia palustris in vochtige duinvalleien. Foto Walther Schoonenberg

Pyrola rotundifolia in vochtige duinen. Foto Walther Schoonenberg

Grauwe vliegenvanger. Foto Wikipedia

Kleine Plevier. Foto Wikipedia

Boven en onder: Twee gezichten in het Schelpenmuseum. Foto Carla Oldenburger

Prehistorische Stekelhoren. Foto Walther Schoonenberg

Oude foto van Hotel van der Werff. In de gang van het hotel. Foto Carla Oldenburger

Andere documenten in een vitrinekast van het hotel. Foto Carla Oldenburger

Wapensteen van de familie Stachouwer, destijds eigenaar van het eiland. De steen sierde in de 17de eeuw hun kasteel Binnendijken, al waar recht gesproken werd. Na de stormvloed (ca. 1700) verhuisde de steen naar het nieuwe rechthuis (= Hotel van der Werff). Foto Carla Oldenburger

Ook fungeerde het hotel later als wachtlokaal. Foto Carla Oldenburger

Juliet in de lounge/salon van het hotel tijdens de storm Poly. Foto Carla Oldenburger