

In de brieven van Mme de Sévigné komen heel regelmatig bloemnen en planten voor, als uitdrukking van haar gemoedstoestand. Ook het hier boven geplaatste manuscript, dat op de tentoonstelling in Musée Carnavalet werd getoond (zie vorig Bericht) sluit aan bij het gevoelsleven van welgestelde dames in 17de eeuws Parijs. Met behulp van AI geef ik hier een lijstje van bloemen die zij benoemt in haar brieven en die ook ongetwijfeld deel uitmaakten van haar tuin bij Chateau Les Rochers. Haar brieven tonen een “tuinierster” die geniet van het planten van bomen, het aanleggen van lanen en het genieten van de veranderende seizoenen.
Bloen en planten beschreven in de brieven van Mme de Sévigné:
- Rozen: Ze beschrijft vaak de geur en schoonheid van rozen in haar tuinen.
- Jasmijn: Geliefd om de geur.
- Lelies: Vaak genoemd in de context van de siertuin.
- Oranjebomen (orangers): Ze noemt haar “oranjebomen” (in potten) met zorg en toewijding, wat wijst op een passie voor deze planten.
- Lavendel: Vooral in de context van haar verblijf in de Provence (Grignan).
- Viooltjes: Genomineerd als een van de vroege lenteverschijningen.
Bomen en bosachtige planten:
- Lindebomen (tilleuls): Ze beschrijft vaak het wandelen onder de lindebomen.
- Elzen (aulnes): Geplant op haar landgoed in Bretagne.
- Beuken en eiken: Onderdeel van de “oude bossen” waar ze graag doorheen wandelde, en soms met pijn in het hart zag kappen.
- “Petits bouquets”: Ze spreekt vaak over kleine bosjes of groepjes bomen in het landschap.
Tuin- en Landschapselementen:
- “Allées”: Lange lanen, zoals de Allée des Capucines of de Allée de Livry, worden vaak genoemd als wandelplekken.
- “Bosquets”: Kleine, vaak dichte bosjes in de formele tuin.
- “Charmilles”: Haagbeuklanen of -hagen.