Categoriearchief: Binnenstad & Buitenleven

Op Statenbolwerk Haarlem: Begraafplaats De Punt en later Villapark van L.P. Zocher

Vogels biohistorisch beschouwd (in relatie tot de tentoonstelling ‘Birds’ in het Mauritshuis)

Een paar Berichten geleden (zie website oldenburgers.nl) schreef ik n.a.v. de tentoonstelling ‘Metamorfosen’ in het Rijksmuseum, over bloemen, planten, bomen, tuinen en dieren in het werk van Ovidius. Dat was mijn specifieke benadering van het onderwerp.

Een week later werd de tentoonstelling ‘Vogels’ (‘Birds’) in het Mauritshuis geopend. Het onderwerp van deze tentoonstelling is de relatie tussen mens en vogels, een typisch biohistorisch onderwerp, want volgens de uitvinder van het biologisch vakgebied ‘biohistorie’, Prof. Frans Verdoorn (1906-1984), is de betekenis van het woord biohistorie: de relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis.

Historicus  Simon Schama is gastconservator van de tentoonstelling en werkte voor deze tentoonstelling samen met kunsthistorica Adrienne Quarles van Ufford. Schama verkende al eerder de onderlinge verbondenheid tussen mens en natuur in zijn boeken Landscape and Memory (1995) en Foreign Bodies: Pandemics, Vaccines, and the Health of Nations (2023). Verdoorn en Schama hebben elkaar niet gekend en Schama zal zich geen biohistoricus noemen, maar ikzelf bekijk juist als biohistoricus en leerling van Verdoorn hier graag enkele voorbeelden van deze tentoonstelling.

Mijn eigen biohistorische kijk dus op dit onderwerp, geen recensie  op de tentoonstelling, maar een korte biohistorische blik op enkele wel en niet op de tentoonstelling aanwezige kunstvoorwerpen.

De tentoonstelling onderzoekt de relatie tussen mens en vogel door de eeuwen heen en is opgedeeld in zeven thema’s:
1) vogels als huisdier, 2) voedsel, 3) symbool van vrijheid, 4) schoonheid, 5) als symbool van liefde, 6) spiritualiteit en 7) hemelse boodschapper. Op het eerste gezicht mis ik de kijk op vogels als deel van de levende natuur. We zien voorwerpen op de tentoonstelling van de antieke Egyptische en Griekse oudheid, via Leonardo da Vinci  (tekening vogelvleugel, 1512) en Rembrandt en Fabritius tot moderne en hedendaagse kunst.
Net als in het Bericht over Ovidius’ Metamorphosen zal ik als biohistoricus in deze beschouwing zelf ook enige voorbeelden aandragen, die de betekenis van vogels nader belichten. We kennen allen de zwaan als symbool voor de eeuwige liefde, de duif als symbool voor vrede, de adelaar als symbool voor kracht en de uil als symbool voor wijsheid. Waar komen deze symbolen vandaan?
Voor mij is Ovidius’ verhaal over de verleiding van Leda, koningin van Sparta, door de Griekse god Zeus, vermomd als een zwaan, het startpunt. Het beeld van Michelangelo, in gravure gebracht door Cornelis Bos, is voor de tentoonstelling ook vergroot tot muurdecoratie. Men denkt dat zwanen monogaam leven (dat is niet altijd het geval overigens), en dat is de reden dat ze al heel vroeg als symbool van eeuwige liefde werden gezien, maar hebben zwanen in de kunst altijd deze betekenis? In de biohistorie gaat het veel om vergelijken in eenzelfde tijdsperiode.  En als we dat doen dan zien we dat de ‘Bedreigde Zwaan’ in het werk van Jan Asselijn (ca. 1650) volgens de kunsthistorie een heel andere betekenis heeft. De zwaan staat dan voor de Nederlandse staat (of Johan de Witt), die haar nest (Holland)  verdedigt. Ook wordt gedacht aan de eeuwige liefde tussen de raadpensionaris en Holland, en dan wordt het beeld van Ovidius weer duidelijk.
Cornelis Bos (gravure naar verdwenen schilderij van Michelangelo). Leda en de Zwaan. c. 1544 / 1545. Coll. Mauritshuis

 

In 1654 schilderde Carel Fabritius een puttertje (Carduelis carduelis), die aan een kettinkje gevangen zit op zijn voedselbak. Het vogeltje wordt al heel vroeg door Plinius de Oude (23 na Chr. – 79) in zijn boekwerk Naturalis historia (77 na Christus) beschreven als slim vogeltje dat zijn eigen waterbakje kan ophalen en zaden uit distels kan peuteren. Albertus Magnus citeert Plinius in zijn  werk Animalibus Libri XXVI (1250 – 1260). Deze beschrijvingen maakten dat het puttertje het symbool werd van vindingrijkheid en vernuft.

Fabritius laat door het kettinkje heel duidelijk zien dat de vogel gevangen zit en de 17de eeuwse aanschouwer van het schilderij zal dan ook direct aan de betekenis vrijheid en gevangenschap denken. Maar een geletterde  aanschouwer was zich in de nadagen van de Renaissance ook bewust van klassieke en christelijke waarden. Zij kenden de beschrijving van de putter uit Plinius’ werk en  hoewel de putter niet in de bijbel voorkomt, wordt hij toch door Christenen in die tijd gezien als vooraankondiging van het lijden van Christus (denk aan de doornenkroon) omdat hij gemakkelijk zaadjes uit distel-bloemen weet op te pikken en de prikkende bladeren van deze plant doen denken aan de doornenkroon.

Carel Fabritius (1622-1654). Het puttertje of distelvink, 1654. Coll. Mauritshuis

Naast het schilderij van Fabritius, zijn er al eerder 16e eeuwse schilderijen met een putter of distelvink geschilderd, als vooraankondiging van het naderende lijden van Christus. Een daarvan is het beroemde schilderij in het Uffizi met het kindje Jezus, die een puttertje in de hand houdt, Madonna del cardellino, geschilderd door Raphael (1483-1520). Jammergenoeg niet op de tentoonstelling. Het stelt Maria voor en twee jongetjes, Jezus (l.) met een putter in zijn hand en Johannes de Doper (r.).

Raphael (1483-1520). Madonna del cardellino, 1505-1506. Coll. Uffizi

Als derde schilderij met een putter en als bewijs dat de putter toch echt een bijzondere betekenis had in de 16e eeuw, wil ik wijzen op een Madonna en kind met puttertje van Tisi Benvenuto, ook bekend als Garofalo (1476-1559). Het schilderij dateert uit ca. 1517, en is niet op de tentoonstelling in Den Haag aanwezig.

Als het om puttertjes gaat, zien we voornamelijk schilderijen van Vlaamse Primitieven en Italiaanse Renaissance schilders, die dit onderwerp behandelen. Waarschijnlijk omdat deze schilders op de hoogte waren van de beschrijvingen van Plinius d. O. en de monnik, theoloog en filosoof Albertus Magnus.

Garofalo (1476 -1559). Madonna met kind en puttertje. Ca. 1517. Galleria Borghese
Putters, zwanen, pauwen, uilen, duiven en adelaars, we kennen ze nog steeds uit bijbelverhalen, van diverse schilderijen en tekeningen, uit de mode, menagerieën en dierentuinen, als lekker hapje en uit de natuur. Maar de oorsprong van de legenden en verhalen zijn we voor een groot deel kwijt geraakt. En dat is jammer en vraagt om onderzoek. Een duif bijvoorbeeld wordt nog steeds als boodschapper gezien maar waar komt dat vandaan? Plinius de Oude beschrijft het mozaïek van Sosus van Pergamon met een prachtige duif (Naturalis historia, boek XXXVI), maar hier wordt niet gesproken over de olijftak als vredessymbool in zijn bek.
Rembrandt van Rijn (1606/1607-1669). Stilleven met twee dode pauwen en een meisje, ca. 1639. Coll. Rijksmuseum

Het schilderij van Rembrandt Stilleven met twee dode pauwen en een meisje (rond 1639) toont twee dode pauwen in een voorraadkamer. In de 17e eeuw waren pauwen een delicatesse, ze werden opgehangen om uit te bloeden. De voorstelling is een jachtstilleven dat de weelde van de veren-kleuren (blauw, groen, geel) en de fijnproeverscultuur van die tijd benadrukt. Plinius schetst het prachtige verenkleed van de pauw, naast de vogel die zich ‘in schaamte en verdriet’ verbergt wanneer hij jaarlijks zijn staartveren verliest, tot ze in de lente weer aangroeien. In de Christelijke cultuur krijgt de pauw misschien hierdoor de betekenis van onsterfelijkheid.

Tronie van een man met gevederde baret (ook bekend als man met een gepluimde muts). Coll. Mauritshuis.

 

Deze tronie uit circa 1635-1640 past in het thema van de tentoonstelling vanwege de vogelveren in de baret van de afgebeelde persoon. Ik heb het schilderij nog niet gezien, maar zou het ook mogelijk zijn aan de veren de vogelsoort te herkennen en dan via de vogelnaam deze vogel terug te vinden in een brontekst of op een ander schilderij? Het is geen argusfazant, maar wat wel? Veren van een struisvogel of pauw? Veren kunnen in de 17de eeuw een bewijs van rijkdom, van sociale status en exotisme uitstralen.

John James Audubon. Birds of America (1827-1838). Coll. Teylers Museum

Vanaf de 18e eeuw (de eeuw van de Verlichting) zien we de eerste encyclopedische vogelboeken verschijnen. Het boek Birds of America (1827-1838) van de natuuronderzoeker en schilder John James Audubon, spant de kroon wat de illustraties betreft. Audubon heeft de vogels goed bestudeerd en de afbeeldingen zijn dan ook zeer realistisch en op ware grootte. Eerder al (1770 -1829) verscheen het boek van onderzoeker Cornelis Nozeman (1720-1786) en tekenaar en graveur  Christiaan Sepp (1739-1811 en zijn zoon J. C. Sepp, . 5 delen), onder de titel Nederlandsche Vogelen. Het is een min of meer compleet werk over Nederlandse vogels, waarin Nozeman zijn eigen waarnemingen met historische bronnen combineerde. Die bronnen laten weer typisch 18de eeuwse  opvattingen over vogels in Nederland zien. Helaas niet op de tentoonstelling.

Realistische Afbeelding van de putter in het boek Nederlandsche Vogelen van C. Nozeman en C. Sepp (1770-1829)

Als we wat meer naar onze tijden opschuiven, denken we natuurlijk heel snel aan de duiven van Picasso als boodschapper van vrede. Picasso tekent vaak duiven met olijftak, maar voor het WereldVredeCongres in 1949 koos Picasso nu net voor een zo realistisch mogelijke duif, zonder olijftak. Waardeerde hij het bekende klassieke mozaïek van Sosus van Pergamon met duiven op een waterbak (zonder olijftak) misschien meer dan de zwarte Vredesduif van Matisse (1948) en de beschrijving van de duif uit de Bijbel, die komt aanvliegen bij de ark van Noach, met een olijftak als bewijs van het zakkende water en de stilzwijgende boodschap dat de zondvloed voorbij is? Hier ben ik nog niet uit. Of moeten we concluderen dat de symboliek niet meer begrepen wordt in de twintigste eeuw?

l. Matisse. Duif met olijftak, 1948.

r. Picasso. Duif op litho voor Wereld Vredes Congres. 1949.

Na deze beschouwing heb ik de tentoonstelling later echt bezocht en 25 maart jl. nog een nader Bericht geschreven.

Tentoonstelling over 450 jaar bescherming Haagse Bos (2 maart t/m 9 april 2026)

In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag,  ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).

Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….  

Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht.
Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.

Plattegrond Haagsche Bosch, 1645

In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.

P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos

Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.

I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch,  1825, met wegen en paden en de grote waterpartij

In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.

Bloemen, bomen, landschappen in ‘Metamorphosen’ van Ovidius

Als eerste-klassertje op het stedelijk gymnasium in Utrecht (1953/1954) vond ik Griekse mythologie heel erg moeilijk. Ik kon die moeilijke vreemde namen van goden en godinnen maar niet onthouden, maar uiteindelijk wist ik gelukkig toch voldoende resultaat te behalen.

Catalogus van de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum

Nu word ik uitgedaagd door de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum (6 februari t/m 25 mei 2026). De tentoonstelling is uiteraard geïnspireerd op de gedichten van Ovidius. Als deskundige op het gebied van historische tuinen en bloemen en landschappen vraag ik me nu af, welke planten en bomen en tuinen komen er eigenlijk in de Metamorphosen voor en in welke Metamorphosen spelen zij een rol?

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste bloemen, planten, bomen en tuinen (met behulp van AI) :
BLOEMEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES
Narcis uit de hoogmoedige jongeling Narcissus die verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld en verandert in de wit-gele bloem die naar hem vernoemd is.

Hyacint uit de jongeling Hyacinthus geliefd door Apollo. Nadat hij per ongeluk door een discus wordt gedood, verandert Apollo zijn bloed in de hyacintbloem.

Apollo en Hyacinthus

Anemoon ontstaan uit het bloed van Adonis, de geliefde van Venus, nadat hij door een zwijn is gedood.

Saffraankrokus ontstaan uit de sterveling Crocus, die door Mercurius (Hermes) in een bloem werd veranderd na een tragisch ongeval.

Viooltjes en rozen: worden vaak genoemd in de context van bloemenkransen of als beschrijving van weiden

BOMEN EN STRUIKEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES

Laurier (Laurus nobilis): Daphne verandert in een laurierboom om te ontsnappen aan de amoureuze achtervolgingen van Apollo.

Moerbei (Morus): De vruchten van de moerbeiboom verkleuren van wit naar donkerrood (zwart) door het bloed van de tragische geliefden Pyramus en Thisbe.

Pyramus en Thisbe bij de moerbeiboom

Cipres (Cupressus): Kyparissos, die per ongeluk het hert van de nimfen doodde en ontroostbaar was, wordt door Apollo veranderd in een cipres.

Linde en Eik: Het gastvrije, oude echtpaar Philemon en Baucis verandert na hun dood in een linde en een eik, die met hun stammen in elkaar verstrengeld raken.

Mirre (Myrrha): Veranderde in een mirreboom nadat ze zwanger was geworden van haar eigen vader.

Zwarte den (Pitys): De nimf Pitys werd in een zwarte den veranderd om te ontkomen aan Pan.

Waterriet (Calamus): De nimf Syrinx veranderde in waterriet toen ze werd achtervolgd door Pan.

Heliotroop/Zonnebloem (Clytie): De nimf Clytie, verliefd op de zonnegod Sol, veranderde in een bloem die haar gezicht naar de zon draait.

TUINEN EN LANDSCHAPPEN

De Tuin van Pomona: Een centrale plaats in Boek XIV. Pomona is de nimf/godin van de boomgaarden en tuinen, die zich opsluit in haar tuin en bemind wordt door Vertumnus.

Vertumnus en Pomona in tuin door Peter Paul Rubens. Coll. Prado Madrid

De Tuin van de Hesperiden: Bekend van de gouden appels, bewaakt door een draak.

Wildernis en bossen: Ovidius beschrijft vaak de ‘wildernis’ (locus amoenus of juist angstaanjagend bos) als de plek waar nimfen worden opgejaagd of metamorphoses plaatsvinden.

DIEREN

Op de dieren in de Metamorphosen ben  ik in eerste instantie niet ingegaan. Misschien wijd ik daar nog een tweede Bericht aan? Ik vroeg daarom AI mij te helpen met het samenstellen van een kort overzichtslijstje.  Hieronder volgen enkele van de belangrijkste dieren en transformaties in het werk van Ovidius:

  • Koe/Vaars: De nimf Io wordt door Jupiter in een witte koe veranderd om haar te verbergen voor Juno.
  • Herten: Actaeon wordt door Diana in een hert veranderd nadat hij haar naakt heeft gezien, waarna hij door zijn eigen jachthonden wordt verscheurd.
  • Ijsvogels (Halcyonen): Alcyone en Ceyx veranderen in ijsvogels na een tragische verdrinking.
  • Olifant, Leeuw, Aap, Hond, Koe: Deze dieren worden genoemd als voorbeelden in de context van de mythologische verhalen en de illustraties daarvan.
  • Slang/Draak: Cadmus doodt een draak en later veranderen hij en zijn vrouw in slangen.
  • Vogels (diverse):
    • Koekoek: Jupiter vermomt zich als koekoek om Juno te verleiden.
    • Adelaar: Jupiter neemt vaak de gedaante van een adelaar aan.
    • Zwaan: Jupiter vermomt zich als zwaan (bij Leda).
    • Raven/Kraaien: Worden in verschillende verhalen genoemd (o.a. in het verhaal van Apollo en Coronis).
  • Spinnen: Arachne wordt door Minerva in een spin veranderd na een weefwedstrijd.
  • Dolfijnen: Mensen die in dolfijnen veranderen (o.a. de zeerovers in het verhaal van Bacchus).
  • Mieren: De Myrmidonen (mensen ontstaan uit mieren).
  • Wolf: Lycaon wordt door Jupiter in een wolf veranderd.

Bezoek aan de tentoonstelling warm aanbevolen: Sculpturen van Cellini, Bernini, Rodin en Bourgeois staan naast schilderijen van Titiaan, Correggio, Caravaggio, Arcimboldo en Rubens.

De tentoonstelling heeft 353.000 bezoekers getrokken.

Klooster Ter Apel: gezien van de 19de eeuw tot 21ste eeuw

Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door  Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum

Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk.     Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste  eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude)  eenentwintigste  eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.

Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:

“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.

Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw. 

De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. 1995. Zie verder:Tijdschrift Buiten 1910, p. 496-498; 508-512. Cultuurhistorische verkenning, RDMZ, 1995.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.

Kasteel Oud- Poelgeest en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave

Zaterdag 31 januari zal op initiatief van de Stichting Erfgoed Oud-Poelgeest de kapel op de buitenplaats Oud-Poelgeest te Oegstgeest na restauratie worden heropend. Vanaf mei 2026 is het dan mogelijk het gebouwtje te huren. De kapel is een rijksmonument,  gebouwd in 1857, gelegen aan de Haarlemmertrekvaart en een bijzonder voorbeeld van 19e-eeuwse neogotische architectuur.

Kasteel Oud-Poelgeest. Litho naar tekening van G. J. Bos, 1859. Coll. Oud-Poelgeest.

De buitenplaats en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave  werden al eerder kort door mij beschreven in de ‘Gids voor de tuin- en landschapsarchitectuur’ (1998):

Het huis Oud-Poelgeest ligt aan het eind van een oprijlaan, omringd door een parkbos met uitzicht op de aangrenzende polder. Hoewel de geschiedenis teruggaat tot in de veertiende eeuw, toen het omringende land in cultuur werd gebracht en hier een versterkte hof werd gebouwd, zijn de torens, die het huis het kasteelachtig uiterlijk geven, ontsproten aan de negentiende- eeuwse fantasie.

In de zeventiende eeuw was Oud-Poelgeest een sober classicistisch huis, gebouwd in opdracht van Maria Catherina Sohier de Vermandois door de architect Erasmus den Otter. Het stond toen nog, zoals een verdedigbaar riddergoed betaamt, vrij in het water.

Professor Herman Boerhaave (1668-1738) kocht in 1724  dit kasteel.

Tulpenboom uit de tijd van H. Boerhaave.

Hij was arts in Leiden en werd in 1701 lector in de geneeskunde en in 1709 zowel hoogleraar in de geneeskunde als in de botanie. Door zijn vele internationale contacten wist Boerhaave de Leidse Hortus Botanicus aanzienlijk te verrijken, zodat het een belangrijk centrum voor botanische studie werd. In 1710 werden er nog 3700 verschillende plantvormen in de Leidse Hortus waargenomen; in 1720 kwamen er al 5846 in de index van de Leidse Hortus voor en in 1728 sprak men van 7500 plantvormen, alles door toedoen van Herman Boerhaave. Boerhaave woonde zestien jaar op Oud- Poelgeest en richtte daar het eerste arboretum van Nederland in. In 1855 vermeldde W.J. Hofdijk in zijn ‘Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leyden’, dat van de vele uitheemse gewassen die Boerhaave op Oud-Poelgeest had aangeplant er nog slechts ‘één ouden, wegmolmenden tulpenboom’ restte.

Boerhaave’s kleindochter huwde met H.W. baron van Leyden. Via hem kwam het goed aan mr. Alexander baron van Rhemen van Rhemershuizen. Hij liet de gracht aan de zijde van de oprijlaan dempen en de ophaalbrug kwam toen te vervallen.

In begin jaren zestig van de vorige eeuw kwam Gerrit Willink, Ambachtsheer van Bennebroek op Oud- Poelgeest wonen. Hij had in Bennebroek vanaf 1861 ervaring opgedaan met de tuinarchitecten J.D. en L.P. Zocher en al vóór hij eigenaar werd van Oud-Poelgeest gaf hij in 1862 wederom J.D. en L.P. Zocher de opdracht een vernieuwingsplan voor het park te maken. Hij liet ook aan de vaart achter het huis, als romantisch tuinsieraad een kleine kapel in neogotische trant bouwen. In deze kapel hield hij voor zijn personeel diensten van de ‘Vergadering van Gelovigen’. Het ontwerp van de Zochers is helaas nooit teruggevonden, zodat het ook niet duidelijk is of het is uitgevoerd. De neogotische kapel zal waarschijnlijk ook van de hand van J.D. Zocher jr. geweest zijn, daar zijn architectuurontwerpen vaak in neogotische stijl werden uitgevoerd. Willink liet Oud-Poelgeest na aan zijn dochter, die in 1866 met een neef trouwde. Dit jonge echtpaar Willink-Willink liet het huis verbouwen tot het huidige imitatie-kasteel en verlegde de oprijlaan, die tijdens de veranderingen in landschapsstijl (in een bocht) was gelegd, weer op de as van het huis. De Firma J.D. en L.P. Zocher werd gevraagd hiervoor een ontwerp te maken. Aan de weg werd een monumentaal inrijhek geplaatst.

Op Oud-Poelgeest staan enkele fraaie oude bomen, zoals de solitairen op de weide achter het huis. Het parkbos heeft rechte en slingerende lanen met oude bomen en een ondergroei van hulst.

Genomineerden voor de Gouden Terebinth (o.a. de buiten-begraafplaats Hilversum)

Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.

Logo Stichting Terebinth in het goud

De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).

We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .

Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.

Dit is mijn tekst, die ik in 1998 schreef voor onze Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 3, 1998:
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay  en Albertus Perk, notaris,  wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”

Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen

De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat  het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen,  tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij. 

Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie  afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly.     De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.