
Kasteel Oud- Poelgeest en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave
Zaterdag 31 januari zal op initiatief van de Stichting Erfgoed Oud-Poelgeest de kapel op de buitenplaats Oud-Poelgeest te Oegstgeest na restauratie worden heropend. Vanaf mei 2026 is het dan mogelijk het gebouwtje te huren. De kapel is een rijksmonument, gebouwd in 1857, gelegen aan de Haarlemmertrekvaart en een bijzonder voorbeeld van 19e-eeuwse neogotische architectuur.

De buitenplaats en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave werden al eerder kort door mij beschreven in de ‘Gids voor de tuin- en landschapsarchitectuur’ (1998):
Het huis Oud-Poelgeest ligt aan het eind van een oprijlaan, omringd door een parkbos met uitzicht op de aangrenzende polder. Hoewel de geschiedenis teruggaat tot in de veertiende eeuw, toen het omringende land in cultuur werd gebracht en hier een versterkte hof werd gebouwd, zijn de torens, die het huis het kasteelachtig uiterlijk geven, ontsproten aan de negentiende- eeuwse fantasie.
In de zeventiende eeuw was Oud-Poelgeest een sober classicistisch huis, gebouwd in opdracht van Maria Catherina Sohier de Vermandois door de architect Erasmus den Otter. Het stond toen nog, zoals een verdedigbaar riddergoed betaamt, vrij in het water.
Professor Herman Boerhaave (1668-1738) kocht in 1724 dit kasteel.

Hij was arts in Leiden en werd in 1701 lector in de geneeskunde en in 1709 zowel hoogleraar in de geneeskunde als in de botanie. Door zijn vele internationale contacten wist Boerhaave de Leidse Hortus Botanicus aanzienlijk te verrijken, zodat het een belangrijk centrum voor botanische studie werd. In 1710 werden er nog 3700 verschillende plantvormen in de Leidse Hortus waargenomen; in 1720 kwamen er al 5846 in de index van de Leidse Hortus voor en in 1728 sprak men van 7500 plantvormen, alles door toedoen van Herman Boerhaave. Boerhaave woonde zestien jaar op Oud- Poelgeest en richtte daar het eerste arboretum van Nederland in. In 1855 vermeldde W.J. Hofdijk in zijn ‘Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leyden’, dat van de vele uitheemse gewassen die Boerhaave op Oud-Poelgeest had aangeplant er nog slechts ‘één ouden, wegmolmenden tulpenboom’ restte.
Boerhaave’s kleindochter huwde met H.W. baron van Leyden. Via hem kwam het goed aan mr. Alexander baron van Rhemen van Rhemershuizen. Hij liet de gracht aan de zijde van de oprijlaan dempen en de ophaalbrug kwam toen te vervallen.
In begin jaren zestig van de vorige eeuw kwam Gerrit Willink, Ambachtsheer van Bennebroek op Oud- Poelgeest wonen. Hij had in Bennebroek vanaf 1861 ervaring opgedaan met de tuinarchitecten J.D. en L.P. Zocher en al vóór hij eigenaar werd van Oud-Poelgeest gaf hij in 1862 wederom J.D. en L.P. Zocher de opdracht een vernieuwingsplan voor het park te maken. Hij liet ook aan de vaart achter het huis, als romantisch tuinsieraad een kleine kapel in neogotische trant bouwen. In deze kapel hield hij voor zijn personeel diensten van de ‘Vergadering van Gelovigen’. Het ontwerp van de Zochers is helaas nooit teruggevonden, zodat het ook niet duidelijk is of het is uitgevoerd. De neogotische kapel zal waarschijnlijk ook van de hand van J.D. Zocher jr. geweest zijn, daar zijn architectuurontwerpen vaak in neogotische stijl werden uitgevoerd. Willink liet Oud-Poelgeest na aan zijn dochter, die in 1866 met een neef trouwde. Dit jonge echtpaar Willink-Willink liet het huis verbouwen tot het huidige imitatie-kasteel en verlegde de oprijlaan, die tijdens de veranderingen in landschapsstijl (in een bocht) was gelegd, weer op de as van het huis. De Firma J.D. en L.P. Zocher werd gevraagd hiervoor een ontwerp te maken. Aan de weg werd een monumentaal inrijhek geplaatst.
Op Oud-Poelgeest staan enkele fraaie oude bomen, zoals de solitairen op de weide achter het huis. Het parkbos heeft rechte en slingerende lanen met oude bomen en een ondergroei van hulst.
Genomineerden voor de Gouden Terebinth (o.a. de buiten-begraafplaats Hilversum)
Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.
Logo Stichting Terebinth in het goud
De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).
We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .
Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.
Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen
De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen, tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij.

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly. De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.
Mirafiori Italiaans restaurant van weleer (jaren vijftig tot 2001)

Binnenkant visitekaartje Restaurant Mirafiori. Chianti Bucalossi aanbeveling. Part. Coll.
Het Italiaanse Restaurant Mirafiori is waarschijnlijk al voor de oorlog gevestigd in Amsterdam; in ieder geval is het sinds de jaren vijftig bekend op adres Hobbemastraat nr. 2. Directeur was Giorgio Hadley. Het woningencomplex waartoe Hobbemastraat 2 behoort, is een ontwerp van de ingenieur-architect Isaak Gosschalk (1838-1907) en is gebouwd in 1879, nu rijksmonument. In 2001 is Restaurant Mirafiori gesloten wegens faillissement.
De aanleiding van dit Bericht is dat ik op Kerstavond (2025) van mijn nichtjes een nostalgisch cadeautje kreeg, een visitekaartje van Restaurant Mirafiori (met mooie interieur-foto), met de naam en datum van ons bezoek met potlood erop geschreven, nl. 26-12-1957, dat is dus nu precies 68 jaar geleden.
Hobbemastraat 2, hoek Vossiusstraat. Amsterdam. Ingang naar belétage Mirafiori links (in Hobbemastraat), in derde travee van de hoek. Rechts de bomen van het Vondelpark. Foto Stadsarchief 1988
In mijn beleving was dit etablissement het eerste Italiaanse restaurant in Amsterdam. Ik kwam er geregeld als ik bij mijn oom en tante en mijn twee nichtjes logeerde. Tijdens deze logeerpartijen werden wij kinderen altijd verschrikkelijk verwend; elke dag trokken we er op uit, naar de bibliotheek (we lazen elke dag de hele ochtend in bed), naar een taartjeswinkel of naar een film in Tuschinski en daarna direct oversteken naar de Cineac waar je net zo lang kon blijven zitten als je zin had want de film begon gewoon weer opnieuw. In ons geval werden we aan het eind van de middag opgehaald. In kerstvakanties bezochten we het Kerstcircus in Carré. Ook de poffertjeskraam in het Leidse Bosje stond steevast op het programma.
Interieur Restaurant Mirafiori. Foto op achterkant bovenstaand visitekaartje. Part. Coll.
Maar nu even terug naar Mirafiori. In mijn herinnering leidde een trap vanaf het straatniveau naar de belétage en hoger, waar het restaurant zich bevond. Langs de muren hingen allemaal grote foto’s van filmsterren (Sophia Loren als Aida?) en andere bekende personen. Niet dat die allemaal daar gegeten hadden, denk ik niet, maar het was een spannende muurdecoratie. Het interieur zei me niet zoveel, want daar had ik toen nog geen verstand van, maar het was er gezellig (zie foto interieur) en er waren aardige obers (o.a. Ober Giovanni Raggio, foto van hem in Stadsarchief) in keurige pakken met vlinderdas die ons altijd elegant in het Italiaans bedienden en ons hielpen met het kiezen van de toen onbekende Italiaanse gerechten. In wijnen waren wij kinderen natuurlijk niet geïnteresseerd, maar aangezien de naam Chianti Bucalossi (uit Certaldo, Firenze) op het visitekaartje wordt aanbevolen zal het toen wel een goeie wijn geweest zijn. Later werd deze wijn in mandflessen van mindere kwaliteit geacht.
Mirafiori was een bekend en chic restaurant in de jaren vijftig. De decennia erna werd het minder chic, maar bleef wel goed aangeschreven als echt Italiaans en gezellig. Ik vond op Internet drie bekende Nederlanders die er ook voetstappen hebben liggen, Jan Wolkers, Mensje van Keulen en Johannes van Dam (de culinair journalist).
Jan Wolkers (*1925)
Huwelijksdiner in restaurant Mirafiori te Amsterdam, 1981. Het echtpaar Wolkers-Gnirrep geflankeerd door Remco Campert (rechts) en diens vriendin Deborah Wolf (links). Foto Steye Raviez
Mensje van Keulen (*1946) wordt door Van Dam geciteerd in ‘Ons Amsterdam’, 2004: Hoewel Van Keulen het woord ‘gezellig’ niet graag gebruikt, moet dat er nu toch even uit. Want hier zat voorheen, op nummer 2, het Italiaanse restaurant Mirafiori. “Het hing vol met foto’s van operazangers en andere ‘sterren’ en de obers waren zéér aandoenlijk. Ze begroetten je altijd in het Italiaans en wisten het meest eenvoudige voedsel aan te prijzen alsof het viersterren-gerechten waren.”
Johannes van Dam (*1946) schreef in ‘Ons Amsterdam’, 2005: over De smaak van nostalgie. Ook aan Italiaans restaurant Mirafiori bij het Vondelpark heb ik heel oude herinneringen. Dat kwam vooral omdat mijn lagere school om de hoek stond en een van mijn speelkameraadjes de zoon van de directeur van het Parkhotel was. We speelden soms ook wel in de gangen daar, want je betrad de woonkamer van de familie via een hotelgang. Mirafiori lag daar pal tegenover. Niet dat ik toen de treetjes op ging, langs het idyllische schilderingetje van een Italiaans landschap. Verre van dat. Maar de keuken bevond zich in het souterrain in de Hobbemastraat en de enige afzuiging was toen een ventilator in het souterrainraam, die de geuren van die keuken de Hobbemastraat in dreef. Ik herinner me dat ik het vond stinken, maar wel zo dat de geur me iedere keer weer opnieuw aantrok. Later, veel later, kwam ik er ook eten en ik verbaasde me over de zwierige obers die in groten getale rond je tafel draaiden en je veel te dure slechte wijn aanbevolen. In de keuken stonden nog steeds een veel kleiner aantal bezwete slaafjes de gerechten in elkaar te flansen; de kwaliteit van het eten was duidelijk niet waar Mirafiori op draaide. Met de komst van kwalitatief veel betere Italianen legde Mirafiori dan ook het loodje.
# ons amsterdam, #vondelpark, #stadsarchief Amsterdam
‘Getekend, de natuur’. Tentoonstelling over de relatie tussen mens en natuur.
GETEKEND, DE NATUUR.
In het Centraal Museum Utrecht is een tentoonstelling te zien (t/m 29 maart 2026) over de relatie tussen mens en natuur, aan de hand van de particuliere collectie Munnicks van Cleeff. Deze bestaat uit ongeveer 1.500 landschapstekeningen en -prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarvan zo’n honderd werken in de tentoonstelling te zien zijn. De collectie bevat gedetailleerde afbeeldingen van de provincie Utrecht en vormt een waardevol document voor de regionale geschiedenis.

Zo zijn er prenten te zien die bekende plekken als de Biltstraat in Utrecht afbeelden (van Dirk Verrijk), al zijn ze niet meer te herkennen: waar in de zeventiende eeuw nog akkers waren, is het nu volgebouwd. Naast tekeningen en prenten uit de Atlas zijn ook modernere tekeningen en prenten te zien, o.a. van onze voorvader Willem Maris (1844-1910, bekend van zijn koeien-schilderingen natuurlijk) en van de bekende Utrechter Peter Vos (1935-2010). Hier wordt een tekening van Peter Vos uit ons eigen bezit afgebeeld, die veel overeenkomst vertoont met een tekening van hem op de tentoonstelling.
Peter Vos, 1973. Part. Coll. Foto Carla Oldenburger
Opvallend voor mij is dat het onderwerp van deze tentoonstelling wordt gedefinieerd als “de relatie tussen mens en natuur, een levende geschiedenis”, terwijl mijn leermeester prof. Frans Verdoorn het begrip ‘biohistorie’ altijd uiteenzette met de woorden “relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis”. Het verschil is dat het begrip natuur veel omvattender is dan alleen plant en dier. De beelden in de tentoonstelling zullen dit hopelijk laten zien.
“Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot”. Jaarboek 2023 van Cuypersgenootschap verschenen.
Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.
Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.
Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.
Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.
Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.
Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’. Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/
KOEKOEKSBLOEM
Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Amsterdam, 2025. 422 pp.
Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.
Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025. Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums. Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.
Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.
Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.
Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven, was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland. Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’. Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.
In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie, naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.
Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.
En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.
Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.
Ik verwijs graag voor nadere kennismaking en eigen onderzoek naar de Ver. Natuurmonumenten, het Archief van J.P. Thijsse en de Heimans en Thijsse stichting/
Boekbespreking. Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.
Boekbespreking Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.
Als vanouds bomen op de werven van de Oude Gracht in Utrecht. Foto DUIC.
Het duurt even voor je door hebt hoe dit boek in elkaar zit. Het begint met drie maal twee (de eerste zwart-wit uit de vorige eeuw; de tweede in kleur uit deze eeuw) grijzige matte foto’s, over de hele opengeslagen breedte van het boek, van Tuindorp ’t Lansink Hengelo, villapark Wilhelminapark Utrecht en Het Park Rotterdam. Dan volgt de inhoudsopgave, die bestaat uit een introductie en zes hoofdstukken, Wonen, Eten, Ontmoeten, Zorgen, Reizen, Leren, op het eerste gezicht niet direct onderwerpen die gelinkt zijn aan groen erfgoed. Elk van deze hoofdstukken bestaat uit drie delen, een uitgebreide inleiding (auteurs Joosje van Geest, Anne Wolff, Gerrit van Oosterom, Leon Bok, Lotte Dijkstra en Renske Ek) over de geschiedenis en de waarde van het groen binnen het thema, gevolgd door een korte tekst over hoe men vandaag de dag tegen het thema van dit hoofdstuk aankijkt (6 x Steffen Nijhuis) en een kort interview (Lenneke Berkhout).
Grote thema’s die vandaag de dag de aandacht vragen zijn woningbouw en klimaatadaptatie. Keuzes maken voor de toekomst wordt belangrijk. Moet monumentaal groen wijken voor woningbouw en gaan we oude wijken vergroenen? We hebben zo langzamerhand wel geleerd historische gezichten te behouden uit respect voor de geschiedenis, maar kunnen we eeuwenoude gezichten ook veranderen door te vergroenen? Denk eens aan een met bomen beplante Dam bijvoorbeeld.
Stof genoeg om over na te denken lijkt mij zo en dat is nu juist de bedoeling van dit boek
Achterin het boek zijn vier registers opgenomen: Noten, Literatuur, Plaatsregister en Illustratieverantwoording. Helaas geen Personenregister. Zou wel handig geweest zijn in een boek dat gaat over Groen Erfgoed en waarin bijbehorende namen van (tuin)architecten, botanici, kwekers, etc. ook figureren.
Het boek sluit af zoals het begonnen is, met drie maal twee grijzige matte foto’s, dit maal van Het Malieveld, de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam en de Catharijnesingel te Utrecht, ter hoogte van de Oud-Katholieke Kerk, anno 1973 (gedempt) en anno 2025 (hersteld).




