N.a.v. de digitale uitgave van het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens (Dododnaeus)

 

Vorige maand (juni 2026) las ik  dat het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens van de UVA (Allard Pierson Museum) digitaal beschikbaar is gemaakt.  Dit in verband met de reconstructie van een ‘hortus medicus’ bij het Allard Pierson Museum. Vgl. de Clusius- tuin in de Hortus van de UL.

Dat dit boek van Dodoens is gedigitaliseerd is heel bijzonder te noemen omdat het boek uit 1554 dateert en uit bijna 1000 pagina’s met planten-afbeeldingen bestaat. Dit prachtige interessante boek was het eerste historische boek van het Biohistorisch Instituut RUU dat ik als jonge onderzoeker in handen kreeg, omdat het samen met andere kruidenboeken uit die tijd hèt bronmateriaal vormde voor mijn studie over planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Mijn focus lag aanvankelijk op planten uit de 16de eeuw, maar breidde zich al snel uit naar de 17de eeuw, omdat de tuinen die in die jaren gerestaureerd werden in Nederland, meestal in de 17de eeuw waren ontworpen en aangelegd.

Het volgende artikel is als een korte samenvatting van mijn studenten-onderzoek over planten op schilderijen van Vlaamse Primitieven te beschouwen.

Hierna volgden artikelen in Vakblad GROEN. Het eerste artikel van mijn hand over historische planten verscheen in Vakblad GROEN (1975, nr. 10). Zie eerste genoemde artikel hieronder. Het artikel werd direct opgepikt in kringen van ICOMOS in verband met het onderwerp ‘restauratie van historische tuinen’. En zo kwamen in de jaren zeventig als eerste de tuinen van Huis Beeckestijn in Velsen, de tuin van Hofje de Bruntenhof in Utrecht en de tuinen van Paleis Het Loo op mijn pad.

Het is een beetje een omweg, maar uit bovenstaande blijkt dat een studie naar 16de eeuwse planten die voorkomen in het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens  (en andere boeken uit dezelfde tijd) kan leiden tot een studie naar tuinplanten uit de 17de eeuw. Deze studie  naar 16de en 17de eeuwse tuinplanten leidde uiteindelijk tot een Advies aan de Werkgroep Tuinaanleg Paleis het Loo, waarin planten, bomen, heesters en  vruchtbomen werden genoemd die in 1684 in Nederlandse tuinen werden toegepast en dus geschikt geacht werden voor de beplanting van de nieuwe tuinen van Paleis Het Loo, die in 1984 werden geopend.

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

Museum Koningshuis Schiermonnikoog

3 juli 2026, het was die dag echt weer voor een fikse strandwandeling op Schiermonnikoog. Niet te warm en niet te koud, wel een beetje stormachtig. Juliet, Walther en Lune gingen dus op pad richting paal 10 en ik bleef hangen in het dorp om eens uitgebreid  het museum (in Beheer bij Cultuurhistorische Vereniging ’t Heer en Feer) te bezoeken.

Het Koningshuis Schiermonnikoog. Foto Carla Oldenburger

Dit museum bevindt zich in het voormalige woonhuis van de onderwijzer en laatste bewoner Henk Koning (1930-2018) en wordt om die reden ook het Koningshuis genoemd. Er is van alles te zien en te leren, o.a. over de geschiedenis van de boerderijen en scholen op het eiland, over de Zeevaartschool (mooie oude scheepsmodellen), en over de historische begraafplaats Het Vredenhof.  Vele historische kaarten verhelderen de geschiedenis van het eiland.

Een voor mij bijzondere tekening hing in het gangetje aan de achterkant van het huis,  een duinlandschapje van G. Draaijer, dat door zijn zoon en onze goede vriend Luuk Draaijer aan het museum was geschonken.

Schiermonnikoog duinlandschap, G. Draaijer. Geschonken aan Museum Koningshuis te Schiermonnikoog, door Luuk Draaijer

Mooi laag duinlandschapje met een ‘Hollandse lucht’ er boven, zoals we die dagen  zo vaak hebben kunnen beleven. Het enige dat ik mis zijn enige vogels.

Terugblik op de buitenplaats De Lathmer in Wilp

Ik las onlangs over zorglandgoed (een voormalige buitenplaats) De Lathmer in Wilp (Zorginstelling Zozijn). Op de website vond ik niets over de historie van deze buitenplaats. Misschien dat  een korte groene historie van De Lathmer daarom hier wel op zijn plaats is.

Voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur‘ schreef ik in 1996 het volgende:

Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is te zien dat De Lathmer toentertijd te bereiken was middels een lange oprijlaan vanuit de richting van Voorst. Ten westen van het kasteelterrein lag een driehoekig perceel met sterrebossen. Ten oosten en ten westen van het huis lagen moestuinen en achter het huis, aan de overzijde van de gracht, was een groot rechthoekig weiland. Ook op De Lathmer had de aanleg in 1783 dus nog een regelmatige vormgeving, zoals op zovele andere buitenplaatsen, terwijl de landschapsstijl zijn intrede toch al had gedaan. Het terrein ten oosten van het huis was op dat moment waarschijnlijk nog niet ontgonnen. In dit gedeelte zijn op de kaart van landmeter De Man (1812) slingerende paden afgebeeld. Dit deel is dus tussen 1783 en 1812 in landschappelijke stijl uitgevoerd, waarbij een vierkant bouwland was uitgespaard. Vervolgens werd ook de verdere terreinaanleg in landschapsstijl veranderd, zoals blijkt uit de topografische kaart die verkend werd in 1865 (herzien in 1908). Het huis is dan omgeven door een min of meer slingerend grachtenstelsel. Achter het huis lagen moestuinen en een vijver en ten oosten van het huis is een klein landschappelijk park afgebeeld. In 1913 werd er een nieuw huis gebouwd door het architecten-bureau van de gebroeders Van Nieukerken.

Ontwerp tuinen en rosarium De Lathmer, L.A. Springer, 1913

De tuinen daaromheen werden ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer, die vaker met het bureau van Van Nieukerken samenwerkte. De tuinen liggen op het huisterrein, dat door een rechthoekig grachtenstelsel is omgeven. Ten oosten van het huis ontwierp Springer vier moderne geometrische bloementuinen en ten zuidwesten van het huis een rosarium. Uit de kasboeken van de firma Copijn te Groenekan blijkt dat zij in 1917 en 1918 bomen en heesters voor De Lathmer leverden. Hoewel de invulling van de verschillende tuinen is veranderd, is de structuur van de oude aanleg nog aanwezig. Het is ook bekend dat in 1954 het Tuinarchitectenbureau Buys-Meyers-Warnau  op De Lathmer heeft gewerkt.

Rapport van H.R. van Diessen, 1980; H. v.d. Wijck, 1983, p. 125; Kasboeken Copijn, 1917 en 1918 (levering aan de heer Crommelin).

Klimaarverandering treft ook het groene erfgoed (VPHB)

Naar aanleiding van de aanhoudende bosbranden in Zuid-Frankrijk, heeft de VPHB een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.
Wij steunen deze zienswijze van harte.

(overgenomen):
Klimaatverandering raakt niet alleen gebouwen en infrastructuur, maar ook het groene erfgoed. Toch dreigt juist dat onderbelicht te blijven in het nieuwe klimaatbeleid.


VPHB heeft een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.

Om welke omvang gaat het? Nederland telt bijna 7.700 rijksmonumentale objecten bij 553 historische buitenplaatsen en kastelen. Samen vormen zij ruim 8 procent van het totale rijksmonumentenbestand, en met ruim 18.000 hectare beslaan zij 23,4 procent van het totale groene monumentenoppervlak. Na de verdedigingswerken de grootste categorie.

De gevolgen zijn nu al zichtbaar. Monumentale bomen sterven af door droogte en hitte, historische watersystemen vallen droog en funderingen worden aangetast door veranderingen in de grondwaterstand. Zonder aanvullende maatregelen is verdere aantasting, of zelfs verlies, van onderdelen van dit erfgoed aannemelijk.

Juist dit groene erfgoed levert een brede maatschappelijke bijdrage. Het vormt ecologische stapstenen, draagt bij aan biodiversiteit, dient als waterberging en verkoeling bij hitte, en is voor miljoenen Nederlanders toegankelijk of zichtbaar. De waarde reikt daarmee veel verder dan het individuele monument.

VPHB vraagt daarom om rijksbeschermd groen erfgoed expliciet op te nemen in de strategie, zodat het meetelt in beleid en uitvoering. 

Steeds meer grijze zeehonden in de Waddenzee

Grijze zeehond. Beeld Geert Aarts

Gisteren 1 juli 2026 berichtte ‘Nature Today’ dat er steeds meer grijze zeehonden worden geteld in de Waddenzee en dat de populatie steeds meer opschuift naar het oosten.  Op deze gedenkwaardige dag (verjaardag Feddo Oldenburger) vertoefden we toevallig op De Balg, de oostelijke zandplaat van Schiermonnikoog, en zagen we grote groepen zeehonden liggen op Simonszand, een zandplaat tussen Schiermonnikoog en Rottummerplaat. Een enkele grijze zeehond  waagde het naar ons toe te zwemmen en nieuwsgierig als hij was te laten zien dat hij een grijze zeehond was (met een spitsere snuit en een plattere kop dan de gewone zeehond).

Nog enige mooie Balg-foto’s (Lune Moonen en Carla Oldenburger)

Crustacea

Kompaskwal