Vorige maand (juni 2026) las ik dat het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens van de UVA (Allard Pierson Museum) digitaal beschikbaar is gemaakt. Dit in verband met de reconstructie van een ‘hortus medicus’ bij het Allard Pierson Museum. Vgl. de Clusius- tuin in de Hortus van de UL.
Dat dit boek van Dodoens is gedigitaliseerd is heel bijzonder te noemen omdat het boek uit 1554 dateert en uit bijna 1000 pagina’s met planten-afbeeldingen bestaat. Dit prachtige interessante boek was het eerste historische boek van het Biohistorisch Instituut RUU dat ik als jonge onderzoeker in handen kreeg, omdat het samen met andere kruidenboeken uit die tijd hèt bronmateriaal vormde voor mijn studie over planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Mijn focus lag aanvankelijk op planten uit de 16de eeuw, maar breidde zich al snel uit naar de 17de eeuw, omdat de tuinen die in die jaren gerestaureerd werden in Nederland, meestal in de 17de eeuw waren ontworpen en aangelegd.
Het volgende artikel is als een korte samenvatting van mijn studenten-onderzoek over planten op schilderijen van Vlaamse Primitieven te beschouwen.
- C.S. Oldenburger-Ebbers, ‘The “scientific” study of nature reflected in the composition of the vegetation in late-medieval paintings’ in: JANUS, Revue internationale de l’histoire des sciences, de la médecine, de la pharmacie et de la technique, vol. 60 (1973), (Communicationes Biohistoricae Ultrajectinae no. 47), p. 59-73.
Hierna volgden artikelen in Vakblad GROEN. Het eerste artikel van mijn hand over historische planten verscheen in Vakblad GROEN (1975, nr. 10). Zie eerste genoemde artikel hieronder. Het artikel werd direct opgepikt in kringen van ICOMOS in verband met het onderwerp ‘restauratie van historische tuinen’. En zo kwamen in de jaren zeventig als eerste de tuinen van Huis Beeckestijn in Velsen, de tuin van Hofje de Bruntenhof in Utrecht en de tuinen van Paleis Het Loo op mijn pad.
- Carla S. Oldenburger, ‘Sierplanten in de 16de- en 17de-eeuwse tuinen: een bijdrage tot het restaureren van “historische beplantingen” in: Vakblad GROEN 31 (1975), nr. 10, p. 307-313.
- C.S. Oldenburger-Ebbers and J. Heniger, ‘Ornamental plants in the 16th and 17th century gardens’ in: a) U.B.I. Wendingen, nr. 2 (aug. 1975), (Communicationes Biohistoricae Ultrajectinae no. 59), 68 p.; b) Proceedings of the third International Symposium on protection and restoration of Historic Gardens, Zeist (International Council of Monuments and Sites – ICOMOS) 1975, p. 33-75.
- C.S. Oldenburger-Ebbers en D. Spanjaart ‘Reconstructie van “historische beplantingen”. Voordracht gehouden op de studiedag van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur, Paleis Het Loo, 1 oktober 1976’ in: Vakblad GROEN 33 (1977), nr. 5, p. 153-159. (Communicationes Biohistoricae Ultrajectinae nr. 69)
- Carla S. Oldenburger-Ebbers, ‘Inleiding tot de Lijst van Nederlandse literatuur over tuin(sier)planten tussen 1600 en 1900’ in: Vakblad GROEN 34 (1978), nr. 11, p. 437-440.
- C.S. Oldenburger-Ebbers, ‘Pflanzungen in Gärten des 16. – 18. Jahrhunderts, lezing gehouden op het congres van de Duitse vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur te Ludwigsburg op 26 en 27 september 1978’ in: Vakblad GROEN 34 (1978), nr. 12, p. 457-460.
Het is een beetje een omweg, maar uit bovenstaande blijkt dat een studie naar 16de eeuwse planten die voorkomen in het Cruijdeboeck van Rembert Dodoens (en andere boeken uit dezelfde tijd) kan leiden tot een studie naar tuinplanten uit de 17de eeuw. Deze studie naar 16de en 17de eeuwse tuinplanten leidde uiteindelijk tot een Advies aan de Werkgroep Tuinaanleg Paleis het Loo, waarin planten, bomen, heesters en vruchtbomen werden genoemd die in 1684 in Nederlandse tuinen werden toegepast en dus geschikt geacht werden voor de beplanting van de nieuwe tuinen van Paleis Het Loo, die in 1984 werden geopend.











VPHB heeft een zienswijze ingediend op de Ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026. De strategie besteedt aandacht aan cultureel erfgoed, maar benoemt de bijzondere kwetsbaarheid van rijksbeschermd groen erfgoed, zoals historische buitenplaatsen, kastelen en landgoederen, onvoldoende expliciet.
Om welke omvang gaat het? Nederland telt bijna 7.700 rijksmonumentale objecten bij 553 historische buitenplaatsen en kastelen. Samen vormen zij ruim 8 procent van het totale rijksmonumentenbestand, en met ruim 18.000 hectare beslaan zij 23,4 procent van het totale groene monumentenoppervlak. Na de verdedigingswerken de grootste categorie.
De gevolgen zijn nu al zichtbaar. Monumentale bomen sterven af door droogte en hitte, historische watersystemen vallen droog en funderingen worden aangetast door veranderingen in de grondwaterstand. Zonder aanvullende maatregelen is verdere aantasting, of zelfs verlies, van onderdelen van dit erfgoed aannemelijk.
Juist dit groene erfgoed levert een brede maatschappelijke bijdrage. Het vormt ecologische stapstenen, draagt bij aan biodiversiteit, dient als waterberging en verkoeling bij hitte, en is voor miljoenen Nederlanders toegankelijk of zichtbaar. De waarde reikt daarmee veel verder dan het individuele monument.
VPHB vraagt daarom om rijksbeschermd groen erfgoed expliciet op te nemen in de strategie, zodat het meetelt in beleid en uitvoering.