Al in de 15e eeuw houden rijke Hollanders er een vinkenbaan op na. Omdat de vogels in de herfst naar het zuidwesten trekken, staan vinkershutten altijd met de opening naar het noordoosten. Zo kunnen de vinkers hun prooien al van verre zien aankomen. De vogels worden gelokt met soortgenoten die aan een plankje zijn vastgemaakt en met uitgestrooide elzenproppen. Zijn de vogels geland, dan klapt een groot net dicht en zitten ze gevangen. De vangst wordt in de hut bijgehouden. Soms wel tienduizend vogels in een seizoen! In 1912 maakt de Vogelwet een eind aan het deze bedenkelijke hobby.
Categoriearchief: Architectuur
De tuin van Hofwyck en Constantijn Huygens geschilderd door Nicolaes Maes (1634-1693)
Hofwyck is een goed voorbeeld van een villa op het platteland, geïnspireerd op de Italiaanse villa suburbana, gebouwd volgens de ideeën van Vitruvius, die zelf weer bekend is van zijn boeken over architectuur, getiteld ‘De Architectura libri X’. De bouwheer was Constantijn Huygens, (1596-1687), dichter, musicus, kunstkenner, secretaris en raad- en rekenmeester van de Prins van Oranje. Onderstaand portret van hem is onlangs geschonken aan het Haags Historisch Museum.

Huygens heeft in 1619 als lid van een gezantschap een reis naar Venetië gemaakt en daar langs de Brenta de villa’s (o.a. Villa Foscari of Malcontenta te Mira, zie hieronder) van onder anderen de bouwmeester Andrea Palladio bewonderd. In 1639 kocht Huygens een stuk grond te Voorburg, tussen de Vliet en het Westeinde, om hierop een villa te bouwen. Ten behoeve hiervan hebben Huygens en de architect Jacob van Campen de geschriften van de antieke bouwmeester Vitruvius bestudeerd in een vertaling die zij speciaal voor hun gebruik hadden laten maken door Huygens’ vriend Johan Brosterhuysen, die als opzichter van de medische tuin in Breda, Huygens en later ook Jacob van Campen op Randenbroek adviseerde ten aanzien van de beplanting. Het classicistische ontwerp van huis en tuinen is van Huygens zelf (vanaf 1641). Jacob van Campen leverde de ideeën en Pieter Post voerde ze uit. De naam Hofwyck duidt op het ontvluchten van het Haagse hof.

Huygens beschrijft in zijn hofdicht ‘Vitualium of Hofwyck’ uit 1653 dat de symmetrie (of de verhoudingen) van de tuin gebaseerd is op zijn eigen lichaam. Vitruvius zegt dat de verhoudingen van het menselijk lichaam, in die tijd beschouwd als een afspiegeling van Gods gelijkenis, zó harmonieus zijn, dat de architectuur haar verhoudingen daarop moet inspireren. Huygens heeft zich op Hofwyck dan ook heel duidelijk door Vitruvius laten leiden. Waarschijnlijk heeft hij bij het ontwerpen van de tuinen van Hofwyck eerst het menselijk lichaam ingepast. In de Renaissance had men namelijk een vast geloof in de mathematisch-harmonische structuren van de schepping. Om de bouwkunst tot de rang van vrije kunsten te verheffen, moest ze van een mathematisch (in dit geval muzikaal) fundament worden voorzien.

Het ontwerp van Hofwyck laat heel duidelijk zien dat er een verband bestaat tussen de lengte van bepaalde tuindelen – of zoals Pythagoras al zei: ‘De lengte van een in trilling gebrachte snaar’ – en onderling welluidende klanken, namelijk een octaaf en een kwint (de voortuin). De muzikale harmonie gold in de Renaissance als een afspiegeling van de hemellichamen en van de kosmische harmonie op aarde. In de tuinen van Hofwyck zijn de volgende muzikale verhoudingen te onderscheiden: een prime (verhouding 1:1); een octaaf (verhouding 1:2); een kwint (verhouding 2:3); een kwart (verhouding 3:4); een grote sext (verhouding 3:5); een duodecime (verhouding 1:3); en de grote en kleine terts (4:5 en 5:6). Op de plattegrond zijn genoemde verhoudingen na grondige bestudering af te lezen. De gebruikte modulus of basiseenheid is waarschijnlijk de afstand tussen de voordeur en het midden van het voorplein. Deze afstand is 10 Rijnlandse Roeden.
De plattegrond van de tuinen is naar Hollands classicistische ideeën samengesteld, namelijk streng symmetrisch en rechthoekig omgracht. De oude plattegrond geeft het volgende beeld: voor het huis ligt een vierkant plein met esdoorns beplant, recht daarachter een vierkant omgracht eiland met vier perken fruitbomen, vier priëlen en aan weerszijden twee moestuinen. Aan beide zijden van het huis lagen eilanden met mastbossen, door rechte paden doorsneden. De as van symmetrie verdeelde het huis, de boomgaarden en vervolgens de aangeplante bossen in het overbos in gelijke delen. Midden op het tweede eiland lag een bergje met een toren.
Door de aanleg van een spoorlijn is dit overbos geheel verdwenen. Na de dood van Constantijn Huygens verbleef zijn tweede zoon Christiaan ’s zomers veel op Hofwyck. Hij werkte hier aan zijn wetenschappelijke publicaties over microscopen, telescopen en andere instrumenten. In 1750 werd het huis door de laatste bewoner van het geslacht Huygens verkocht.
Na een periode van verwaarlozing kocht de Vereniging Hofwyck het huis, met het doel het verwaarloosde bezit terug te brengen in de oorspronkelijke staat, voorzover de inmiddels opgerukte verstedelijking dat mogelijk maakte. Tijdens de eerste restauratie (1925-1928) werd naast het huis ook het overgebleven deel van de tuinen voorzover mogelijk in de oude staat hersteld, onder leiding van de tuinarchitect D.F. Tersteeg. Een tweede restauratie van het gebouw vond plaats in 1954. Een derde restauratie betrof weer de tuinen en werd in het voorjaar van 1988 opgeleverd. Hoewel het terrein aanzienlijk kleiner is dan oorspronkelijk, is de inrichting van de tuinen gebaseerd op die uit de tijd van Huygens. In 1996 is aan de zijde van de Vliet, het vroegere Rijn-Schiekanaal, een zogenaamde ‘uitzit’ gerealiseerd, zoals die ook in de oorspronkelijke tuin aanwezig was. Huygens beschreef deze ‘uitzit’ in zijn boeken als een rustplaats om uit te zien over de Vliet. Het huis is thans ingericht als museum. Behalve kleine wisselende exposities vinden er ook kamermuziekuitvoeringen plaats.
Meer lezen?
Bulletin KNOB 1983 (82), nr. 3/4, pp. 116-123.
Carla S. Oldenburger, Anne Mieke Backer, Eric Blok. Gids voor de Nederlandse Tuin – en Landschapsarchitectuur. Deel 3. Rotterdam, 1998.
Mijn dagelijkese uitje tijdens de oorlogsjaren, naar de Geuzenhof
De Geuzenkade was de plaats waar mijn wieg heeft gestaan. We woonden begane grond en we hadden een eigen tuin met zandbak en bloemenperken, maar toch wilde ik als peuter en kleuter elke dag met mijn vader de kippen en fazanten en pauwen bezoeken en een blaadje sla gaan brengen.
We woonden precies in de bocht van de Geuzenkade en vanaf hier was de Geuzenhof om de hoek, een binnentuin binnen het complex flatwoningen aan de Geuzenstraat. DE TUIN WAS TOEN OPENBAAR TOEGANGKELIJK, NU NIET MEER, MAAR VANDAAG STAAT DE POORT OPEN WANT HET IS OPEN TUINEN DAG.
Geuzenhof, (bouwdeel 1, voltooid 1935). Architect Jacob Dunnebier. Tuinarchitect Mien Ruys. Volière met pauwen, kalkoenen, of fazanten en kippen. Stadsarchief Amsterdam
In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998), tekst Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, schreven we de volgende tekst:
“In de wijk De Baarsjes ligt een grote, langgerekte binnentuin ontworpen door Mien Ruys met allerlei speelvoorzieningen. De aanleg is uitgesproken architectonisch van opzet en toont eerder een late Jugendstil dan de van haar bekende modernistische signatuur. Er komen veel halfronde vormen in voor en afgeronde hoeken en twee symmetrische, gekromde paden. De tuin bestaat eigenlijk uit twee delen, die in elkaars verlengde liggen en die behoren bij de woonblokken Geuzenhof 1 en Geuzenhof 2, die de tuin bijna geheel insluiten. Als voorzieningen zijn twee zandbakken opgenomen, een speelplaats, een volière en zelfs een telefooncel. Volgens Ruys hadden deze tuinen een opvoedende werking. Zij voorzagen niet alleen in een gezonde vorm van buitenspelen, maar waren ook een stimulans voor de esthetische beleving van het groen. Zij zag tuin en architectuur als onafscheidelijke eenheden. In ‘de 8 en Opbouw’ van 1942 schreef zij onder meer over gemeenschappelijke tuinen: ‘Deze gemeenschappelijke tuinen kunnen vooral in arbeiderswijken een grote sociale verbetering brengen. […] Een juist aangebrachte beplanting kan de architectuur van het gebouw accentueren, maar het is ook mogelijk het karakter, de zuivere lijn van een huis te schaden door een verkeerde groepering.’ Zij was wars van het gebruik van hekken en voorzag dat spelende kinderen vanzelf belangstelling en waardering zouden krijgen voor de beplanting. Het geheel is nog grotendeels volgens de oorspronkelijke opzet en wordt gerestaureerd door de gemeente Amsterdam.”


Buitenplaats / Herberg ‘Meerhuizen’, later de ‘Pauwentuin’, aan de Amsteldijk

Juliet bekijkt hierboven een nieuwe aanwinst, een prent van de Paauwentuin aan de Amstel, getekend door Adolf van der Laan (ca.1720 – 1730). De tuin staat pas bekend onder de naam Paauwentuin vanaf 1642, toen deze naam in een verkoop-akte werd vermeld. De naam was afgeleid van de vorige eigenaar Michael Paauw. Uiteindelijk is deze verkoop niet doorgegaan. Het huis langs de Amsteldijk, met zijn karakteristieke toren werd als buitenplaats gebouwd tussen 1605 en 1626, onder de naam Meerhuizen. De tuin achter het huis werd in de tijd van eigenaar Michael Paauw gebruikt als ’theetuin’ (zie de geknipte schaduwboom en de berceau op de prent) en voor het kolfspel, waarbij de bal met een slaghout tegen een paal wordt geslagen (zie de palen links en rechts in het veld). Ook deed het huis dienst als herberg. Op de Amstel ziet men veel zeilboten die in formatie zeilen als een soort vlootschouw, ook Admiraalzeilen genoemd.

De uitspanning trok bezoekers uit heel Amsterdam en ook Rembrandt zou er te gast zijn geweest. Rond 1850, na talloze wisselingen van eigenaar, werd de herberg gesloopt.
Topografische Kaart Nederland van Nederland, 1894. In het midden, op linker-oever van de Amstel, de buitenplaats Meerhuizen, even ten noorden van de Berlage-brug
Veel artikelen uit onze tijd vermelden dat het Huis Meerhuizen of de Paauwentuin was gevestigd op de hoek van de Amsteldijk en de Ceintuurbaan, op de plaats waar later de Willibrorduskerk werd gebouwd, die ook al weer is afgebroken. Topografische kaarten van Nederland laten echter zien dat Meerhuizen (of de Paauwentuin) even ten noorden van de Berlagebrug was gelegen, ongeveer op de plaats van Roeivereniging Nereus, op de linkeroever van de Amstel. Ook de Meerhuizenstraat en het Meerhuizenplein liggen precies op die hoogte. Op de plaats van de Willibrorduskerk stond vóór de bouw van deze kerk -langs de Amstel, op de hoek van de Ceintuurbaan- Herberg Beerebijt.
De kolom ter herinnering aan de slag bij Waterloo in het Amerongse Bos

Op weg naar het Berghuis in het Amerongse Bos kom je langs een ‘zuil’ of ‘kolom’ met een bijzondere geschiedenis. Eens was deze kolom te vinden op de hoogste plaats van de Amerongse Berg, midden in het Amerongse Bos, met een vrij uitzicht op het dorp Amerongen. Nu (sinds 1963) staat hij ten zuiden van het huis dat vroeger bekend stond als Berghuis (pannekoekenhuis met speeltuin) en nu de deftige titel ‘Mas Montagne’ (zuid-frans voor huis in de bergen) heeft (restaurant).

Deze kolom werd opgericht door gravin Anna Elisabeth Christina (Annabetje) van Tuyl van Serooskerke (1745-1819), douarière van Frederik Christiaan Reinhardt, Rijksgraaf van Reede, vijfde graaf van Athlone (1743-1808). Zij was een bewonderaarster van het Huis van Oranje en dus ook van de held van Waterloo, Kroonprins Willem van Oranje, vanaf 1840 Koning Willem II der Nederlanden. Na de overwinning op Napoleon Bonaparte liet gravin Anna Elisabeth een gedenkzuil oprichten ter meerdere glorie van kroonprins Willem II in het Amerongse Bos. De schilder Jan van Ravenswaay (1789-1869) heeft hier een tekening van gemaakt die zich in Teylers Museum bevindt.

In 1844 werden de kastelen Amerongen en Zuylestein door de twee dochters van de vijfde graaf van Athlone geërfd. Zij waren even Oranjegezind als hun moeder en lieten de kolom en het hekwerk dat er omheen stond in 1846 restaureren. (Zie gedenkplaat hieronder).

In 1879 erfde graaf G.J.G.C. van Aldenburg Bentick (1857-1940) Kasteel Amerongen en de bijbehorende bezittingen van zijn tante Elisabeth Mary Rijksgravin van Reede; later werd Kasteel Zuylestein ook nog bij zijn bezittingen gevoegd. Onder zijn beheer is de kolom altijd op zijn plaats blijven staan, maar in de crisistijd (jaren dertig) werd een groot deel van de bossen aan een beleggingsmaatschappij verkocht. De kolom werd toen afgebroken en samen met de gedenkplaten begraven. Het zelfde lot trof het theehuisje en de koepel, maar hiervan zijn tot heden geen sporen teruggevonden.
Na het overlijden van graaf van Aldenburg Bentinck ontfermde zijn dochter Elisabeth Mary zich over de verloren gewaande kolom. Er waren in Amerongen kennelijk toch wel mensen die wisten waar deze begraven lag, want na de Tweede Wereldoorlog werden de kolom en de gedenkplaten gevonden, weer opgegraven en voorlopig opgeslagen op Kasteel Amerongen waar Elisabeth Bentinck woonde met haar man Sigurd von Ilsemann, de vleugeladjudant van de Duitse Keizer Wilhelm II. In 1962 werd burgemeester Jhr. Oscar R. van den Bosch tot burgemeester van Amerongen benoemd en ook hij trok zich het lot van de kolom aan.

Het gevolg was dat de inwoners van Amerongen in 1963 een actie op touw hebben gezet om geld te verzamelen voor het opnieuw oprichten van de kolom. Men koos voor een andere plaats, langs de weg naar het voormalige Berghuis en met veel ruimte en zicht rondom. Er is zelfs een bankje naast de kolom geplaatst om even uit te rusten en te genieten van de kolom en het landschap.
De kolom in het Amerongse Bos is een gemeentelijk Monument en 5 jaar ouder dan de Naald van Waterloo bij Soestdijk, die tot rijksmonument is aangewezen. Verdient de Amerongse kolom dan ook niet een rijksmonumenten-status?
De Naald van Waterloo in Baarn/Soestijk heeft eenzelfde geschiedenis, het is een eerbetoon aan bevelhebber Kroonprins Willem II en een herinnering aan de overwinning op Napoleon Bonaparte bij Waterloo (1815). De Baarnse Naald staat in de zichtlijn van Paleis Soestdijk, precies 1 km. van de trappen van het paleis verwijderd. De kolom is ontworpen door architect Abraham van der Hart en geplaatst in 1820.

Nogmaals de vogelvlucht van Sparrendaal Driebergen, om nauwkeurig te bestuderen
Prachtige vogelvlucht van SPER-EN-DAAL te Driebergen, 1758, vier jaar na de aanleg. Zie voor een korte beschrijving het vorige Bericht.
In dit tweede bericht wordt de vogelvlucht in hogere resolutie weergegeven. Nu geschikt om de kleine taferelen te bestuderen. Zie de toegangslaan die achter het huis doorloopt als zichtlaan, de vele andere lanen, boomgaarden, moestuinen, akkers en sterrenbos ver achter het huis.
Dank aan de Ver. Hendrick de Keijser!

DAG met het handje tegen Bestemmingsplan Landgoed Paleis Soestdijk
|
De door ons bureau ondergetekende petitie (2-11-2020) ‘Geen nieuwbouw in het Borrebos bij Paleis Soestdijk‘ heeft een antwoord opgeleverd. HET ANTWOORD Op 24 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het complete Bestemmingsplan Landgoed Paleis Soestdijk vernietigd. De MeyerBergman Erfgoed Groep liet daarop op 15 maart 2024 weten vooralsnog af te zien van het aanvragen van een nieuw omgevingsplan. Bron: Baarnsche Courant, 15 maart 2024 en Gooi en Eemlander, 16 maart 2024 REACTIE PETITIONARIS Beste Carla Oldenburger, De stichting Behoud het Borrebos is verheugd te kunnen melden, dat de eigenaren van het Landgoed Paleis Soestdijk MeyerBergmanGroep hebben besloten af te zien van alle nieuwbouwplannen voor het binnen het Natuurwerk Nederland gelegen landgoed. Tezelfdertijd is aangekondigd dat er na komende zomer wordt gestart met de restauratie van het paleis. Met dit opzienbarende nieuws kan er een punt worden gezet achter de petitie ‘Geen nieuwbouw in het Borrebos bij Paleis Soestdijk’. Voor meer achtergrondinformatie verwijzen wij u naar een op de website van Behoud het Borrebos geplaatste column van onze voorzitter. Het spreekt voor zich dat wij de meer dan 5.700 ondertekenaars van de petitie zeer erkentelijk zijn voor de door hen betuigde steun aan onze inspanning voor het behoud van de natuur op het Landgoed Paleis Soestdijk! Met vriendelijke groet, de Initiatiefgroep ‘Behoud het Borrebos’ EINDE REACTIE |
Buitenplaats Oostergeest in Warmond overgegaan naar Hendrick de Keyser
Huis Oostergeest, 2024. Foto Hendrick de Keyser
Het gebied rond Warmond, gelegen aan de rivier de Leede, was in vroeger tijden voor families uit Leiden, Den Haag en Rotterdam een geliefd oord voor het vestigen van een buitenplaats. Via de Leede kon men de steden gemakkelijk bereiken en het water vormde een aantrekkelijk uitzicht en recreatiepunt.
In 1651 kocht Cornelis van Rosenburgh, schout en baljuw van Warmond, een huis met land, het latere Oostergeest. Het bestaande huis werd vervolgens afgebroken en door een nieuw vervangen.

Op een tekening in het huisarchief uit circa 1730 is dit nieuwe huis afgebeeld met de bijbehorende plattegrond. De gevel vertoont duidelijk kenmerken van het Hollands classicisme: symmetrie, soberheid en een hoog schilddak. De deur- en raamomlijstingen zijn van later tijd. De tuin was, volgens een akte van 1667, aan alle zijden omheind met ‘houten of doornen [= meidoornen] heiningen’ en met de zogenaamde ‘kloostermuur’. In 1726 werd het huis eigendom van Cornelis Schrijver, vendumeester van de Admiraliteit te Rotterdam. Zijn zoon, Paridanus Schrijver, was predikant te Warmond en bewoonde het huis van 1726 tot zijn dood in 1733. Vanaf die tijd wordt het huis Oostergeest genoemd. Na een uitbreiding van de gronden in 1729 liet Schrijver een geometrische tuin aanleggen. Deze tuin is afgebeeld op genoemde tekening uit circa 1730.
De huisplaats was bereikbaar via een lange oprijlaan met bomen die gericht was op het midden van de voorgevel van het huis en uitkwam op een met bomen beplant voorplein. Opzij van het huis en ook achter het huis lagen parterres de broderie en enkele kleine boomgaarden. De oorspronkelijke huisplaats werd omgeven door een grotere boomgaard opzij van het huis met daarachter waarschijnlijk een warmoezerij, die op Franse wijze diagonaalsgewijs was verdeeld. De nutstuinen waren door een lange kavelsloot afgescheiden van een drietal, met elkaar verbonden bosketten, waarvan de middelste een qua vorm zeer apart bassin herbergde. Dit bassin werd door hagen en paden omgeven en vertoonde ook ‘oversteken’ door het water. Waarschijnlijk is deze plek de ‘menagerie met een groote gemetselde waterkom’ waarvan sprake is in de verkoopadvertentie van 1733. Omdat deze waterkom door paden of vlonders in kleinere bassins werd verdeeld en omdat er vier terrasachtige oeverplaatsen in deze bassins uitstaken, lijkt het waarschijnlijk dat men vanaf hier de watervogels voedde en misschien ook wel het in die tijd geliefde Naumachia-spel met bootjes speelde, een nagebootst scheepsgevecht in het klein, dat reeds bekend was bij de Romeinen. Verder spreekt de advertentie van een speelhuis en een oranjerie, parterres, een moestuin, visrijke vijvers (onder andere rondom de bosketten), boomgaarden en wilde plantagieën. In de bosketten met hakhout liepen wandelpaadjes en stonden tuinvazen of tuinbeelden opgesteld. Ook langs de weg bij de ingang lag nog een bosket in de vorm van een sterrebos. Verder sprak men in de advertentie nog van ‘een fraaye party Oranges en Bijgewassen, veelerhande Water- en ander Gevogelte, gelyk ook een Speel- Schuytje’. Dit laatste is het scheepje dat men gebruikte bij het hiervoor genoemde Naumachiaspel. De indeling van het terrein was duidelijk ondergeschikt aan het oorspronkelijke kavelpatroon van de polder. Na 1733 is er een tijd lang niet veel gebeurd op Oostergeest, althans voor wat betreft de tuin.
Uit een verkoopadvertentie in de Leidsche Courant van 30 september 1839 krijgt men een beeld van hoe de tuinen er toen uitzagen. Men spreekt van een menagerie, boomgaarden, een ‘Engelsche Partij’, een goudviskom, een bergje, een moestuin, bijzondere bomen, onder andere een Magnolia glauca, bosjes en ‘fraaye wandelingen’ en ten slotte een ’tent aan den Heerenweg’. Hieruit blijkt dat er intussen veranderingen in landschapsstijl hadden plaatsgevonden. De Topografische kaart van Nederland geeft pas een grote slingerende waterpartij aan vanaf 1895. Dat zou betekenen dat men deze waterpartij pas een jaar of 5 tot 10 daarvóór heeft aangelegd.
Een tweede plattegrond in het huisarchief zou uit de late 19de eeuw kunnen dateren. Het park in late landschapsstijl wordt dan gekenmerkt door een lange slingerende ‘beekpartij’ en wandelpaden rond heester-en grasperken (waarschijnlijk gevuld met verschillende soorten rododendrons, azalea’s, hortensia’s etc.)
Oostergeest is een rijksbeschermde buitenplaats en onlangs in eigendom overgegaan op de Vereniging Hendrick de Keyser.
Mijn familie en Louis Paul Zocher en het brongebouw of Kurhaus in Haarlem
Het KURHAUS of BRONGEBOUW in het Frederikspark te Haarlem
Printbriefkaart. Het brongebouw en tuin van Louis Paul Zocher. Ca. 1900
Op zoek naar meer gegevens over het huwelijk (in 1903) van mijn grootouders Johan Carel Willem Amse (1877-1959) en Anna jacoba Vetter (1877-1956), vond ik tot mijn verbazing als getuige opgegeven Jan Johan Carel Munk, broer van mijn overgrootmoeder en oom van mijn grootvader, met vermelding van zijn beroep, ‘directeur van het brongebouw Haarlem’. De naam van deze oud-oom van mijn moeder was mij wel bekend (mijn moeder logeerde wel eens bij Oom Jan en zijn vrouw Christina Leupen, het echtpaar fungeerde als vervangende ’tweede’ ouders van mijn opa, omdat zijn eigen ouders er niet meer waren). Ook wist ik dat Oom Jan boek-, kunst- en muziekhandelaar was (winkel Anegang 38 Haarlem) en als administrateur bekend stond, maar dat hij ook directeur van het brongebouw in het Frederikspark is geweest, was voor mij geheel nieuw en doet mij vermoeden dat mijn familie en de familie Zocher elkaar hebben gekend, mogelijk zelfs samen hebben gewerkt, want het was Louis Paul Zocher, die het parkje met prieeltjes en muziektent rond het brongebouw had ontworpen en aangelegd. Sinds wanneer Oom Jan directeur was van het brongebouw heb ik nog niet kunnen achterhalen, maar mogelijk sinds 1897, toen directeur Klaas Prins zijn huisartsenpraktijk beëindigde. Mijn overgrootvader van vaders kant, apotheker Jan Ebbers, werkte als apotheker tot 1897 samen met Klaas Prins (huisarts en apotheker), zodat we wel mogen aannemen dat Jan Johan Carel Amse, de boekhandelaar en oudoom van mijn grootvader Amse, en Jan Ebbers, de apotheker en vader van mijn grootvader Ebbers, elkaar hebben gekend (terwijl mijn vader en moeder elkaar niet via familiebanden kenden).
Nog even wat plaatjes en krantenbericht opgezocht. Het Leidsch Dagblad bericht in 1892 over het voorgenomen plan tot het bouwen van een Kurhaus in het Frederikspark te Haarlem. De bouw is in 1894 gestart en in 1895 vond de opening plaats. Hier wordt het plan van Zocher genoemd.
Leidsch Dagblad d.d. 10-02-1892
Het gebouw, bekend als Wilhelmina Brongebouw, stond in het Frederikspark (park nu beschermd monument) en heeft van 1894 tot 1932 gefunctioneerd. Het doel was de inwoners van Haarlem te laten profiteren van de heilzame werking van bronwater uit een bron in Vijfhuizen. Er was een ijzeren pijpleiding aangelegd van de bron naar het badhuis in de Badhuisstraat en naar een drinkhal en het Brongebouw in het Frederikspark. Naast het kuuroord fungeerde het gebouw ook als concertzaal, casino, restaurant, salons en badhuis. Ik stel me voor dat de 19de eeuwse sfeer in het parkje te vergelijken was met het vroegere Wertheimpark in Amsterdam en Park Tivoli in Utrecht.

Prentbriefkaart uit 1905 met brongebouw, muziektent en omringend park naar ontwerp van L.P. Zocher. Architecten: J.A.G.van der Steur en D.E.L.van den Arend.
Buitenplaats Voorzorg aan de Catharijnesingel Utrecht
In de laatste DUIC-krant (De Utrechtse Internet Courant) van 12 januari 2024 (https://www.duic.nl/cultuur/verdwenen-villas-huis-voorzorg-aan-de-catharijnesingel/) schreef Arjan den Boer een artikeltje over de Villa Voorzorg. Deze villa was eigenlijk een 19de eeuwse buitenplaats, gelegen aan de stadsbuitengracht (later Catharijnesingel genoemd) te Utrecht.
N.J. Kamperdijk. Huis Voorzorg aan de Catharijnesingel. 1867. Coll. Het Utrechts Archief
We zien hier de villa in volle zon, met een uitbouw en veranda op het oosten en met de entree op het zuiden. Typisch 19de eeuws zijn enige ronde bloemperken in een grasperk naast het huis. Enige potplanten versieren de portico en het balkon. Een koepel geeft uitzicht over het water op de Smeetoren. Op het onderstaande kaartje (situatie tweede helft 19de eeuw?) is de locatie van de Villa Voorzorg nauwkeurig aangegeven. De villa is gebouwd in 1823 door de eigenaar van de steen- en cementfabriek Jan Hendrik Cazius (1767-1845). Later in 1867 uitgebreid door de Utrechtse architect Nicolaas J. Kamperdijk. In 1900 werd het huis afgebroken en de grond aan de gemeente verkocht t.b.v. woningbouw. Op de plaats van de villa en verder richting ziekenhuis zijn tussen 1901 en 1905 statige (Jugendstil)-huizen gebouwd. Mijn ouderlijk huis is gelegen op het perceel van de hoveniers- en tuinmanswoning, behorend bij de buitenplaats Voorzorg, tegenover de Geertekerk. Toch leuk dat je achteraf er achter komt dat je op een voormalige buitenplaats hebt gewoond.
Arjan den Boer. Plattegrond van gedeelte van de Catharijnesingel in de 19de eeuw. Reconstructie-tekening van de locatie van Villa Voorzorg (rood). Mijn ouderlijk huis Catharijnesingel 75 staat tegenover de Geertekerk, bij rode kruisje. Het rode streepje is de Smakkelaarsbrug. Noorden links
Hieronder de groep huizen ten noorden van de huidige Schröder van der Kolkstraat, Het meest rechtse huis met torentje is nr. 75. Mijn eerste kamer in 1945 was die boven de ingang, ook zat ik graag in het torenkamertje.
Catharijnsesingel 75 t/m 80. Foto Het Utrechts Archief.
Luchtfoto van Catharijnesingel, ter hoogte van nr. 75 (in linker bovenhoek), met aan de overkant van de singel de Geertekerk. Vlak voor de kerk zien we langs de singel de bomen van het Zocherpark. Op het Geertekerkhof ten noorden van de kerk een paard en wagen van de groenten- of schillenboer. Foto Het Utrechts Archief, eind jaren veertig.
P.J. Lutgers. Gezichten in de omgeving van Utrecht. 1869. Coll. Het Utrechts Archief. Buitenplaats Voorzorg.
Op de plaats van de villa is later een ziekenfondsgebouw verrezen. Op de gevel stond te lezen VOORZORG HULP BIJ ZIEKTE. Waarschijnlijk een toeval, dat de villa en het ziekenfonds dezelfde naam voerden. Vele Utrechters die dit rijtje huizen uit de jaren vijftig en zestig hebben gekend zullen een detail missen. Ook op de gevel van nr. 75 stond iets te lezen, namelijk MIJ. GRONINGEN. PAARDEN EN RUNDVEEVERZEKERING. Helaas geen foto gevonden.
Tegenwoordig wonen studenten in dit prachtige huis. Jammergenoeg heb ik nooit foto’s gemaakt van de vestibule. Die was het allermooiste. Dat kan ook heel goed, want duidelijk is te zien dat het huis vijf lagen telt, incl. sousterrein en zolder, maar ook daar waren heerlijke kamers. En vergeet de grote tuin niet en de serre op de belétage en de veranda op de eerste etage, allemaal op het westen gelegen. Bijna zo mooi als Villa Voorzorg misschien wel. Ik had er in ieder geval een heerlijke jeugd.
Mijn ouderlijk huis waar ik woonde van 1945 tot 1966, het eerste huis rechts met torentje en trapgeveltje. Catharijnesingel v.r.n.l. nr. 75 t/m nr.82). Foto Het Utrechts Archief



