Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur, tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.
Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.
Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.
Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water, maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.
Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.
Bostuin langs de Levendaalseweg. Foto Carla Oldenburger
Na heerlijke belevenissen in Parijs, nu even weer met beide voeten op de Rhenense grond van ‘De Laarschenberg’. Dit is een landgoed van Utrechts Landschap, eigenlijk een deel van de Grebbeberg, maar dan aan de noordkant van de Grebbeweg in Rhenen. Het bos op de Grebbeberg is een afwisselend bos, loofbomen en naaldbomen en eikenhakhout en daar tussen door kronkelpaadjes en open plekken (ook wel laar genoemd). Aan de noordzijde aan de rand van het bos heb je prachtig uitzicht richting Veenendaal, het lijkt wel Frankrijk, zei een kleuter eens toen ze hier met mij ging wandelen. Ook ter afwisseling historische graanakkers en graften, walletjes waarop eikenhakhout staat.
Vanuit Rhenen loopt de Levendaalseweg (een statige beukenlaan, naar het vroegere Huis Levendaal) het bos in. Langs dit bospad ligt een stukje grond, mijn tuin, die ik dus een zo passend mogelijke beplanting heb gegeven, een bostuin met veel inheemse bosplanten, maar ook met hier en daar een rododendron of een krentenboompje, om de tuin wat accenten te geven. Geen last van droogte of wateroverlast, maar vlinders, insecten en vogels nog niet genoeg naar mijn zin, laten we hopen dat ze nog komen. Wellicht plaats ik nogmaals een mooie foto van deze tuin met libellen of hommels en bijen?
Huis Levendaal (uit de 14de eeuw) op de Laarschenberg te Rhenen. Op de achtergrond de Gelderse Vallei
Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren
Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht
Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.
Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
–open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.
In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag, ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).
Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….
Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht. Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.
Plattegrond Haagsche Bosch, 1645
In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.
P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos
Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.
I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch, 1825, met wegen en paden en de grote waterpartij
In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.
Als eerste-klassertje op het stedelijk gymnasium in Utrecht (1953/1954) vond ik Griekse mythologie heel erg moeilijk. Ik kon die moeilijke vreemde namen van goden en godinnen maar niet onthouden, maar uiteindelijk wist ik gelukkig toch voldoende resultaat te behalen.
Catalogus van de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum
Nu word ik uitgedaagd door de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijksmuseum (6 februari t/m 25 mei 2026). De tentoonstelling is uiteraard geïnspireerd op de gedichten van Ovidius. Als deskundige op het gebied van historische tuinen en bloemen en landschappen vraag ik me nu af, welke planten en bomen en tuinen komen er eigenlijk in de Metamorphosen voor en in welke Metamorphosen spelen zij een rol?
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste bloemen, planten, bomen en tuinen (met behulp van AI) :
BLOEMEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES
Narcis uit de hoogmoedige jongeling Narcissus die verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld en verandert in de wit-gele bloem die naar hem vernoemd is.
Hyacint uit de jongeling Hyacinthus geliefd door Apollo. Nadat hij per ongeluk door een discus wordt gedood, verandert Apollo zijn bloed in de hyacintbloem.
Apollo en Hyacinthus
Anemoon ontstaan uit het bloed van Adonis, de geliefde van Venus, nadat hij door een zwijn is gedood.
Saffraankrokus ontstaan uit de sterveling Crocus, die door Mercurius (Hermes) in een bloem werd veranderd na een tragisch ongeval.
Viooltjes en rozen: worden vaak genoemd in de context van bloemenkransen of als beschrijving van weiden.
BOMEN EN STRUIKEN ONTSTAAN UIT PERSONAGES
Laurier (Laurus nobilis): Daphne verandert in een laurierboom om te ontsnappen aan de amoureuze achtervolgingen van Apollo.
Moerbei (Morus): De vruchten van de moerbeiboom verkleuren van wit naar donkerrood (zwart) door het bloed van de tragische geliefden Pyramus en Thisbe.
Pyramus en Thisbe bij de moerbeiboom
Cipres (Cupressus): Kyparissos, die per ongeluk het hert van de nimfen doodde en ontroostbaar was, wordt door Apollo veranderd in een cipres.
Linde en Eik: Het gastvrije, oude echtpaar Philemon en Baucis verandert na hun dood in een linde en een eik, die met hun stammen in elkaar verstrengeld raken.
Mirre (Myrrha): Veranderde in een mirreboom nadat ze zwanger was geworden van haar eigen vader.
Zwarte den (Pitys): De nimf Pitys werd in een zwarte den veranderd om te ontkomen aan Pan.
Waterriet (Calamus): De nimf Syrinx veranderde in waterriet toen ze werd achtervolgd door Pan.
Heliotroop/Zonnebloem (Clytie): De nimf Clytie, verliefd op de zonnegod Sol, veranderde in een bloem die haar gezicht naar de zon draait.
TUINEN EN LANDSCHAPPEN
De Tuin van Pomona: Een centrale plaats in Boek XIV. Pomona is de nimf/godin van de boomgaarden en tuinen, die zich opsluit in haar tuin en bemind wordt door Vertumnus.
Vertumnus en Pomona in tuin door Peter Paul Rubens. Coll. Prado Madrid
De Tuin van de Hesperiden: Bekend van de gouden appels, bewaakt door een draak.
Wildernis en bossen: Ovidius beschrijft vaak de ‘wildernis’ (locus amoenus of juist angstaanjagend bos) als de plek waar nimfen worden opgejaagd of metamorphoses plaatsvinden.
DIEREN
Op de dieren in de Metamorphosen ben ik in eerste instantie niet ingegaan. Misschien wijd ik daar nog een tweede Bericht aan? Ik vroeg daarom AI mij te helpen met het samenstellen van een kort overzichtslijstje. Hieronder volgen enkele van de belangrijkste dieren en transformaties in het werk van Ovidius:
Koe/Vaars: De nimf Io wordt door Jupiter in een witte koe veranderd om haar te verbergen voor Juno.
Herten:Actaeon wordt door Diana in een hert veranderd nadat hij haar naakt heeft gezien, waarna hij door zijn eigen jachthonden wordt verscheurd.
Ijsvogels (Halcyonen):Alcyone en Ceyx veranderen in ijsvogels na een tragische verdrinking.
Olifant, Leeuw, Aap, Hond, Koe: Deze dieren worden genoemd als voorbeelden in de context van de mythologische verhalen en de illustraties daarvan.
Slang/Draak: Cadmus doodt een draak en later veranderen hij en zijn vrouw in slangen.
Vogels (diverse):
Koekoek: Jupiter vermomt zich als koekoek om Juno te verleiden.
Adelaar: Jupiter neemt vaak de gedaante van een adelaar aan.
Zwaan: Jupiter vermomt zich als zwaan (bij Leda).
Raven/Kraaien: Worden in verschillende verhalen genoemd (o.a. in het verhaal van Apollo en Coronis).
Spinnen:Arachne wordt door Minerva in een spin veranderd na een weefwedstrijd.
Dolfijnen: Mensen die in dolfijnen veranderen (o.a. de zeerovers in het verhaal van Bacchus).
Mieren: De Myrmidonen (mensen ontstaan uit mieren).
Wolf: Lycaon wordt door Jupiter in een wolf veranderd.
Bezoek aan de tentoonstelling warm aanbevolen: Sculpturen van Cellini, Bernini, Rodin en Bourgeois staan naast schilderijen van Titiaan, Correggio, Caravaggio, Arcimboldo en Rubens.
De tentoonstelling heeft 353.000 bezoekers getrokken.
Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum
Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk. Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude) eenentwintigste eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.
Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL
In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:
“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.
Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw.
De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”
Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn. De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof Labyrint
de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *
Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).
Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.
Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.
Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.
Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.
Zaterdag 31 januari zal op initiatief van de Stichting Erfgoed Oud-Poelgeest de kapel op de buitenplaats Oud-Poelgeest te Oegstgeest na restauratie worden heropend. Vanaf mei 2026 is het dan mogelijk het gebouwtje te huren. De kapel is een rijksmonument, gebouwd in 1857, gelegen aan de Haarlemmertrekvaart en een bijzonder voorbeeld van 19e-eeuwse neogotische architectuur.
Kasteel Oud-Poelgeest. Litho naar tekening van G. J. Bos, 1859. Coll. Oud-Poelgeest.
De buitenplaats en zijn beroemdste bewoner Herman Boerhaave werden al eerder kort door mij beschreven in de ‘Gids voor de tuin- en landschapsarchitectuur’ (1998):
Het huis Oud-Poelgeest ligt aan het eind van een oprijlaan, omringd door een parkbos met uitzicht op de aangrenzende polder. Hoewel de geschiedenis teruggaat tot in de veertiende eeuw, toen het omringende land in cultuur werd gebracht en hier een versterkte hof werd gebouwd, zijn de torens, die het huis het kasteelachtig uiterlijk geven, ontsproten aan de negentiende- eeuwse fantasie.
In de zeventiende eeuw was Oud-Poelgeest een sober classicistisch huis, gebouwd in opdracht van Maria Catherina Sohier de Vermandois door de architect Erasmus den Otter. Het stond toen nog, zoals een verdedigbaar riddergoed betaamt, vrij in het water.
Professor Herman Boerhaave (1668-1738) kocht in 1724 dit kasteel.
Tulpenboom uit de tijd van H. Boerhaave.
Hij was arts in Leiden en werd in 1701 lector in de geneeskunde en in 1709 zowel hoogleraar in de geneeskunde als in de botanie. Door zijn vele internationale contacten wist Boerhaave de Leidse Hortus Botanicus aanzienlijk te verrijken, zodat het een belangrijk centrum voor botanische studie werd. In 1710 werden er nog 3700 verschillende plantvormen in de Leidse Hortus waargenomen; in 1720 kwamen er al 5846 in de index van de Leidse Hortus voor en in 1728 sprak men van 7500 plantvormen, alles door toedoen van Herman Boerhaave. Boerhaave woonde zestien jaar op Oud- Poelgeest en richtte daar het eerste arboretum van Nederland in. In 1855 vermeldde W.J. Hofdijk in zijn ‘Gezigten in de omstreken van ‘s-Gravenhage en Leyden’, dat van de vele uitheemse gewassen die Boerhaave op Oud-Poelgeest had aangeplant er nog slechts ‘één ouden, wegmolmenden tulpenboom’ restte.
Boerhaave’s kleindochter huwde met H.W. baron van Leyden. Via hem kwam het goed aan mr. Alexander baron van Rhemen van Rhemershuizen. Hij liet de gracht aan de zijde van de oprijlaan dempen en de ophaalbrug kwam toen te vervallen.
In begin jaren zestig van de vorige eeuw kwam Gerrit Willink, Ambachtsheer van Bennebroek op Oud- Poelgeest wonen. Hij had in Bennebroek vanaf 1861 ervaring opgedaan met de tuinarchitecten J.D. en L.P. Zocher en al vóór hij eigenaar werd van Oud-Poelgeest gaf hij in 1862 wederom J.D. en L.P. Zocher de opdracht een vernieuwingsplan voor het park te maken. Hij liet ook aan de vaart achter het huis, als romantisch tuinsieraad een kleine kapel in neogotische trant bouwen. In deze kapel hield hij voor zijn personeel diensten van de ‘Vergadering van Gelovigen’. Het ontwerp van de Zochers is helaas nooit teruggevonden, zodat het ook niet duidelijk is of het is uitgevoerd. De neogotische kapel zal waarschijnlijk ook van de hand van J.D. Zocher jr. geweest zijn, daar zijn architectuurontwerpen vaak in neogotische stijl werden uitgevoerd. Willink liet Oud-Poelgeest na aan zijn dochter, die in 1866 met een neef trouwde. Dit jonge echtpaar Willink-Willink liet het huis verbouwen tot het huidige imitatie-kasteel en verlegde de oprijlaan, die tijdens de veranderingen in landschapsstijl (in een bocht) was gelegd, weer op de as van het huis. De Firma J.D. en L.P. Zocher werd gevraagd hiervoor een ontwerp te maken. Aan de weg werd een monumentaal inrijhek geplaatst.
Op Oud-Poelgeest staan enkele fraaie oude bomen, zoals de solitairen op de weide achter het huis. Het parkbos heeft rechte en slingerende lanen met oude bomen en een ondergroei van hulst.
Sinds 2016 reikt Terebinth (de stichting die zich inzet voor het behoud van funerair erfgoed in Nederland) elke twee jaar De Gouden Terebinth uit: een prijs voor uitzonderlijke inspanningen voor behoud en beheer van funerair erfgoed.
Logo Stichting Terebinth in het goud
De drie genomineerden zijn nu bekend gemaakt: 1) de vrijwilligers op de Oude Begraafplaats in Lochem (1829); 2) Stichting De Hof wegens het werk op de historische begraafplaats ‘Gedenkt te Sterven’ in Hilversum (1792) en 3) de Stichting Cultureel Erfgoed Begraafplaats Wieringermeer, die zich sterk maakt voor de Begraafplaats in Middenmeer (1938).
We gaan in dit Bericht nader in op de oudste van de drie, de buitenbegraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ aan de Oude Torenstraat te Hilversum .
Plattegrond Buiten-begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ Hilversum, 1813. Noorden rechts.
“Eertijds werden overledenen begraven in of rond kerken. Vanaf 1770 zocht men uit ruimtenood en vanwege de volksgezondheid plaatsen om te begraven op enige afstand van de kerken en buiten de bebouwde kom. De eerste echte ‘buitenbegraafplaats’ was Ter Navolging in Scheveningen uit 1779.
Hilversum kreeg in 1792 octrooi om een stuk grond tussen de korenvelden en niet ver van de kerk in te richten als dodenakker. Vanaf 1829 was het begraven op begraafplaatsen buiten de bebouwde kom verplicht gesteld. Het terrein was 354 bij 66 voet, dat wil zeggen 111.16 bij 20.72 meter. De begraafplaats werd ommuurd en voorzien van een ijzeren hekwerk met pilasters, met daarop de woorden ‘Gedenkt te Sterven’. Een statige allee, beplant met een dubbele rij iepen, leidde naar de ingang. Daartegenover stond in die tijd een gedenknaald met een doodshoofd in een nis met de inscriptie: ‘Het Stof keert weder tot de Aarde gelijk het geweest is, en de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft.’
De eerste buitenbegraafplaatsen werden nog precies zo ingericht als dat in en om de kerk gebeurde, namelijk in rechte stroken, zij aan zij met drie voet tussenruimte. De platte zerken vormen op die manier een vlakke (kerk)vloer, terwijl de muur verwijst naar de wanden van de kerk. Het inrichten van een dodenakker met beplanting was in die vroege fase nog niet gebruikelijk. In 1813 werd de begraafplaats in de breedte verdubbeld. Het terrein werd door twee kruisende lanen in vier delen verdeeld. Pas in het midden van de negentiende eeuw werden er beuken, kastanjes en sparren geplant. In 1843 vond namelijk een belangrijke bestelling van beuken en sparren plaats bij boomkwekerij J. Copijn uit Blauwkapel (Groenekan). Uit die tijd dateert de aandachttrekkende beukenlaan langs het centrale (oost-west) pad. Het planten van bomen had, behalve een esthetische, vooral ook een hygiënische reden. J.F. van Hengel’s Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland (1875) rept van:
‘… lanen omzoomd door bomen welke door hun weligen groei en rijke bladerdos de zonnestralen onderscheppen en het uitdroogen verhinderen. Daar ze in de richting van het zuiden naar het noorden zijn aangelegd, beletten ze de schadelijke dampen, die uit het meest bevolkte gedeelte van het kerkhof opstijgen, zich over het dorp te verspreiden’.
Albertus Perk (1795-1880)
In 1943 werd de Oude Begraafplaats gesloten. In de jaren zeventig kreeg hij de bestemming van openbaar groengebied. In 1992 werd begonnen met het herstel van de muur. Op de begraafplaats werden ondermeer begraven dr. J.F. van Hengel, oud-minister Jhr. Hartsen, kunstschilder J. van Ravenswaay en Albertus Perk, notaris, wethouder, lid Provinciale Staten en secretaris van Stad en Lande `Gooiland. (Zie ook: Boomberg te Hilversum).”
De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen, tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij.
Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum
In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.
Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois
(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly. De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.
Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.