Boekbespreking Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.
Als vanouds bomen op de werven van de Oude Gracht in Utrecht. Foto DUIC.
Het duurt even voor je door hebt hoe dit boek in elkaar zit. Het begint met drie maal twee (de eerste zwart-wit uit de vorige eeuw; de tweede in kleur uit deze eeuw) grijzige matte foto’s, over de hele opengeslagen breedte van het boek, van Tuindorp ’t Lansink Hengelo, villapark Wilhelminapark Utrecht en Het Park Rotterdam. Dan volgt de inhoudsopgave, die bestaat uit een introductie en zes hoofdstukken, Wonen, Eten, Ontmoeten, Zorgen, Reizen, Leren, op het eerste gezicht niet direct onderwerpen die gelinkt zijn aan groen erfgoed. Elk van deze hoofdstukken bestaat uit drie delen, een uitgebreide inleiding (auteurs Joosje van Geest, Anne Wolff, Gerrit van Oosterom, Leon Bok, Lotte Dijkstra en Renske Ek) over de geschiedenis en de waarde van het groen binnen het thema, gevolgd door een korte tekst over hoe men vandaag de dag tegen het thema van dit hoofdstuk aankijkt (6 x Steffen Nijhuis) en een kort interview (Lenneke Berkhout).
Grote thema’s die vandaag de dag de aandacht vragen zijn woningbouw en klimaatadaptatie. Keuzes maken voor de toekomst wordt belangrijk. Moet monumentaal groen wijken voor woningbouw en gaan we oude wijken vergroenen? We hebben zo langzamerhand wel geleerd historische gezichten te behouden uit respect voor de geschiedenis, maar kunnen we eeuwenoude gezichten ook veranderen door te vergroenen? Denk eens aan een met bomen beplante Dam bijvoorbeeld.
Stof genoeg om over na te denken lijkt mij zo en dat is nu juist de bedoeling van dit boek
Achterin het boek zijn vier registers opgenomen: Noten, Literatuur, Plaatsregister en Illustratieverantwoording. Helaas geen Personenregister. Zou wel handig geweest zijn in een boek dat gaat over Groen Erfgoed en waarin bijbehorende namen van (tuin)architecten, botanici, kwekers, etc. ook figureren.
Het boek sluit af zoals het begonnen is, met drie maal twee grijzige matte foto’s, dit maal van Het Malieveld, de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam en de Catharijnesingel te Utrecht, ter hoogte van de Oud-Katholieke Kerk, anno 1973 (gedempt) en anno 2025 (hersteld).
Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.
Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA.
Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.
Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.
Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.
Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’ van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.
Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral ‘Bomen van Pieter Saenredam’ en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.
Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).
Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.
Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto
In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.
Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van ‘Mooi Noord-Holland’. We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.
Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.
📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis
Bassin in Tuinen Staverden richting beeld van de Witte Pauw.
Foto Carla Oldenburger
De BAC/BeheerAdviesCommissie van Geldersch Landschap bestaat 50 jaar. Dat is een mooie gelegenheid om de leden van afgelopen 50 jaar bijeen te roepen op één van de landgoederen van GLK, waar op dit moment iets interessants valt te beleven, zo had de directie gedacht. Dat was dus gisteren (18 november) en we troffen elkaar op Staverden waar de restauratie van het huis (uit ca. 1910, kasteel genoemd) in volle gang is. We werden rondgeleid van kelder tot zolder in het huis, vooral heel interessant om de historische overblijfselen te zien, zoals tegels, profielen, super hoge en brede deuren, prachtige plafonds, veranda en balkons en vooral de ligging ‘in het water’ met uitzicht over het water op de oevers en bomen aan de overkant. Ik was natuurlijk ook erg benieuwd naar de status van de tuinen en het park, een ontwerp van Juliet Oldenburger, naar het ontwerp van P.H. Wattez. Het eiland met Leonora, de gerestaureerde ijskelder met nieuwe toegang, de staat van de berceau, het pauwenverblijf met eigen hof etc. etc., het zag er allemaal fantastisch uit.
Dank aan GLK voor deze geweldige middag.
Zie ook Welkom-pagina voor enkele foto’s en Groen-Ontwerpen
voor het ontwerp.
Nieuwe toegang naar gerestaureerde ijskelder.
Foto Carla Oldenburger
Uitleg over nieuwe heester-aanplantbij de ijskelder. v.l.n.r. Rob Schouten, Rienk-Jan Bijlsma en tuinarchitecte. Foto Carla Oldenburger
Uitzicht vanaf balkon Kasteel Staverden naar het noorden. Foto Carla Oldenburger
Kasteel Asten. Andries Schoemaker, ca. 1732. Naar een gravure van H. Cause. Coll. KU Brabant
Dr. Calogero Dell’Aira beschreef onlangs op Linkedin “Kasteel Asten als een plaats van romantiek, een plek van geschiedenis en bekend vanwege de wrede heksenprocessen tijdens het bewind van kasteelheer Bernard van Merode in de zestiende eeuw. Dit kasteelcomplex wordt bewoond door een aantal huishoudens en beheerd door een onafhankelijke stichting. Een prachtig voorbeeld van hoe romantiek en erfgoed mooi samengaan en uitstekend in stand worden gehouden op een wijze die meer navolging verdient.”
Deze korte beschrijving sluit geheel aan op de detaillistische beschrijving in de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (deel 4, Rotterdam, 2000):
“Het kasteel van Asten, dat vanaf de zestiende eeuw werd gebouwd op de plaats van een versterkt huis uit de eerste helft van de vijftiende eeuw, kent een lange bouwgeschiedenis, waarbij het niet alleen steeds verder werd verfraaid en uitgebreid, maar ook tot twee maal toe tot ruïne verviel. Oorspronkelijk was het kasteel de zetel van de heren van Asten. De eerste periode van verval brak aan, nadat de laatste bewoner het gebouw in 1892 verlaten had. In 1935 werd begonnen met een restauratieplan voor het huis, gemaakt door architect L. de Vries uit Helmond. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, nadat de grote vleugel weer geheel herbouwd was, werd het kasteel in puin geschoten door de Duitsers, waarna opnieuw een periode van verval aanbrak.
Over de tuingeschiedenis van Asten is weinig bekend. Het kasteel lag binnen een dubbele omgrachting en had rond 1760 een ruime voorhof met koetshuis, paardenstal, schuur, bakhuis, een boerenhoeve en een ‘hof’ met een boomgaard omgeven door een beukenhaag. Via een laan, beplant met eiken, naderde men een poortgebouw dat toegang gaf tot de voorhof. In 1811 was de situatie nog ongeveer hetzelfde. Wind- en watermolens, hooi-, akker- en weilanden, beuken- en dennenbos behoorden bij het bezit. De bossen waren waarschijnlijk eerder jacht- en hakhoutbossen dan parkbossen, aangezien de oude omgrachting tot op heden bewaard is gebleven, hetgeen er op duidt dat er nooit een ingrijpende verandering in landschapsstijl heeft plaatsgevonden. In de omgeving is de oude landgoedstructuur met cultuurgronden, doorsneden door enkele oude lanen en een beekdal nog goed te herkennen. Op de voorhof staat nog altijd het poortgebouw met in de vleugels twee boerderijen. In 1998 is gestart met de restauratie van de kasteelruïne, dat wil zeggen dat men consolideren hoog in het vaandel had staan en niet, zoals eerder het plan was, met nieuwe materialen een reconstructie probeert te maken van het oude kasteel.
Behalve voor het culturele aspect, is in deze benadering ook een grote rol weggelegd voor de natuur. Enerzijds is er respect voor de natuur als kracht die het verval mede heeft veroorzaakt. Anderzijds zijn het oude gebouw en de jonge beplanting, die er onbedoeld tegenaan is gegroeid, een wonderlijke symbiose aangegaan, die men niet wil verstoren. Zo wordt een deel van de ruïne omstrengeld door een reusachtige klimop, die het geheel de zo typerende romantische aanblik geeft en in het restauratieplan zodanig begeleid wordt, dat gebouw en plant zoveel mogelijk intact blijven. Ook aan andere klimplanten die zich spontaan tegen de muur hebben gevestigd, zoals een bruidssluier, wordt de nodige aandacht besteed. De oostvleugel, met restanten uit de vijftiende en zestiende eeuw, is met opzet bedekt met grasplaggen, waaruit eerst grassen en later ook andere wilde planten zullen groeien, die de contouren van de ruïne verzachten en de schilderachtige aanblik nog zullen versterken. In de toekomst hoopt men in de directe omgeving van het kasteel met minimale aanplant het idyllische kader te versterken. Dat staat geschreven in de Gids van 2000 en is wonderwel gelukt kunnen we nu in 2025 constateren.
De restauratie van de ruïne van kasteel Asten is een van de voorbeeldprojecten van consoliderende restauratie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en mag baanbrekend genoemd worden omdat ze afrekent met de schoolse restauratie van historische gebouwen en de bijbehorende trend van reconstructie van stijve, zogenaamde historische tuintjes.”
Ik doe mee aan Project ‘Brief aan de stad’ [Amsterdam], een onderdeel van Project ‘Schrijven naar de Toekomst’.
26 oktober werden deze brieven in het Stadsarchief aangeboden en het is de bedoeling dat ze over 50 jaar pas weer geopend worden.
ingestuurd door Carla Oldenburger (1939).
Mijn biografie van groen-Amsterdam
Als kleuter droomde ik vaak van een autoped met luchtbanden en van vlinders in onze tuin. Maar er was geen enkele kans op die autoped want het was oorlog en we hadden niet eens genoeg geld om te eten. Buitenspelen vond ik ook eng, ik was bang voor de Duitse soldaten die in de school tegenover het huis van mijn oma en opa waren ingekwartierd. Mijn speelruimte was dus voornamelijk beperkt tot binnen, thuis op de Geuzenkade (wel gelukkig een tuin en ’s winters op het ijs van de Kostverlorenvaart) en bij mijn grootouders in de Bonairestraat en de Pieter Langedijkstraat.
Vandaar dat ik heel graag met een van mijn beide ouders op pad ging, eendjes voeren in het Vondelpark met mijn moeder of op de fiets richting de Nieuwe Meer met mijn vader, naar het volkstuincomplex Ons Buiten. En of dat nog niet genoeg was, naar de fazanten en kalkoenen en de mooie tuin met vlinders in de Geuzenhof (Ontwerp Mien Ruys).
Tuin Geuzenhof, met vooraan volière met (vóór WOII) kalkoenen, fazanten, kippen en .een pauw. Foto Stadsarchief
Op deze plaatsen, in het Vondelpark, en Ons Buiten en de Geuzenhof, liggen mijn groene Amsterdamse roots. Belangrijk voor mij omdat ik later bioloog ben geworden en ik eigenlijk nu pas (in mijn 86-ste levensjaar) besef dat stadsgroen als inspiratiebron niet onderdoet voor natuurbeleving in de Franse Alpen of in het tropisch regenwoud. Met veel belangstelling heb ik de laatste jaren dan ook de renovatie van de Geuzenhof gevolgd en evenzo die van het Vondelpark een paar jaar geleden.
Eén fietsroute herinner ik me nog als de dag van gisteren. Vóór op de fiets van mijn vader reden we van huis uit over de Geuzenkade en de Baarsjes (langs de Kostverlorenvaart), vervolgens over de Sloterkade en het Jaagpad (langs de Schinkel) naar het volkstuincomplex Ons Buiten aan de Nieuwe Meer. Onderweg was het altijd mijn vurige wens om over alle putdeksels te rijden omdat die telkens zo’n heerlijke muzikale klik-klak gaven als je daarover heen reed. Ik kan dat geluid nu nog duidelijk horen. Als we langs de Schinkel het trappetje naderden, dat toegang gaf tot Begraafplaats Huis Te Vraag, begon mijn vader sterke verhalen over zijn grootvader Laurens Vogelesang te vertellen (hij en zijn vrouw Johanna Hendrika Maris liggen op Te Vraag begraven).
Ingang Begraafplaats Huis Te Vraag. Huisje voor de grafkransen. Foto Carla Oldenburger
Deze opa had de beroemde Jac. P. Thijsse goed gekend. Opa Laurens was namelijk hoofdonderwijzer geweest (periode 1890-1911) op de Koningin Emmaschool aan de Passeerdersgracht en heel toevallig was de beroemde natuurbeschermer Thijsse in die periode ook hoofdonderwijzer (1892-1898) op een school aan de Passeerdersgracht, namelijk op de school die onder één dak was gebouwd met de Kon. Emmaschool. Helaas heb ik geen bewijzen van hun kennis aan elkaar, maar in onze familie werd wel veel en lovend over Thijsse gesproken en nog steeds hebben we alle Verkade-albums en andere boeken van zijn hand in bezit. Naar het graf van Opa Laurens ben ik nog wel eens op zoek geweest, maar de begraafplaats wordt tegenwoordig zó ‘romantisch’ onderhouden, dat de meeste graven onherkenbaar verdwenen zijn onder het overhangende loof. Door toedoen van kunstenaar en bewoner van de voormalige aula, Leon van der Heijden (1938-2020), is een uniek gravenpark ontstaan, dat zijn weerga niet kent. Leon heeft wat je noemt zijn ziel in het park gelegd en daardoor zijn alle graven natuurhistorische monumentjes geworden.
Ook het Vondelpark (naar ontwerp van de bekende tuinarchitecten Jan David en Louis Paul Zocher) was in mijn eerste levensjaren een bekende plek voor mij. In 1943, toen ik vier maal jarig was geweest, werd het park gesloten door de Duitse Wehrmacht, maar vóór die tijd wilde ik heel graag met mama ‘uit, uit, uit’ om daar de eendjes te voeren en tegen de zwanen en de roeken en de reigers te praten. Er waren nog geen halsbandparkieten, die had ik vast ook heel mooi gevonden, die knalgroene vogels met hun rode snavels.
In het Amsterdamse Bos (Boschplan, ontwerp Jacoba Mulder) leerde ik mijn eerste wilde planten kennen. Mijn vader was altijd op jacht naar nieuwe soorten die hij nog niet kende, met het gevolg dat ook ik op mijn manier met die planten kennis maakte. Fietsen naar het Boschplan stond eigenlijk ook altijd op mijn wensenlijstje.
Boschplan. Brug over kanaal tussen Bosbaan en Nieuwe Meer. Foto Wikipedia
In de winter van 1944/1945 veranderde er veel in mijn kleuter-leventje. Mijn ouders maakten zich toen ernstig zorgen over mijn gezondheid, omdat er nauwelijks genoeg te eten was in de stad. Vele moeders gingen ‘de boer op’ om eigendommen te ruilen tegen vlees en boter en aardappelen. Ik werd dan ondergebracht bij mijn oma en opa in de Bonairestraat, dáár vooral liggen mijn oorlogsherinneringen. Nog jaren lang heb ik gedroomd van marcherende soldaten, die mij de grond instampten als ze terugkeerden in hun hoofdkwartier. Tenslotte werd ik ‘naar de boeren’ gebracht in Dirkshorn, waar de familie Duinkerken mij als hun eigen kind heeft opgevangen. Ik vond het fantastisch omdat ik nu opeens broertjes en zusjes had en van hen een heleboel kon leren zoals melken en karnen en helpen de dieren te verzorgen, vooral kippen voeren vond ik erg leuk, werken in de moestuin en in de bessengaard met rode en zwarte bessen en kruisbessen, groenten schoon maken en verwerken enz. enz. De korenbloemen en klaprozen bloeiden nog op de akkers en als ik me goed herinner gingen we nog met paard en wagen naar de molen om graan te brengen en meel te halen voor het brood. Ik was dus weer in het groene leven terecht gekomen, nu -voor even- buiten Amsterdam.
korenbloemen en kamille op een akker. Foto Wikipedia
Nu tachtig jaar later, is de stad Amsterdam toch voor mij een groene levensbron gebleken. Ik idealiseer natuurlijk, maar vanuit de groene beelden die ik altijd in mijn hoofd heb bewaard en vanuit de kennis die ik in al die jaren erna heb opgedaan, doemen beelden op van een groene toekomst voor de stad. Amsterdam is altijd een groene stad geweest, denk aan de iepen langs de grachten en de keurtuinen tussen de grachten, maar is al dat groen wel voldoende voor de aankomende hete en natte zomers? Er lopen al allerlei projecten om straten meer schaduwrijk te maken en om bij nieuwbouwplannen naast open speelpleinen in de zon ook vooral aandacht te schenken aan beschaduwde paden en pleinen (door lindes en platanen) en koele waterpartijen. Is het ook mogelijk en wenselijk de binnenplaatsen van het Burger Weeshuis (Amsterdam Museum) of de Dam te vergroenen? We denken dan gauw aan zitjes bedekt door het loof van dakplatanen of andere dakbomen…Toch maar liever niet zou ik zeggen. De Dam is vanouds een open plein, het centrum van de stad. Door die openheid komt de architectuur van het voormalige stadhuis (later veranderd in koninklijk paleis) prachtig tot uiting en dat willen we graag zo houden. Wel zou het misschien mogelijk zijn de Dam aan de kant van de Bijenkorf te vergroenen, daar heeft tenslotte tussen 1925 en 1947 al eens eerder een plantsoentje gelegen. En laten we niet vergeten, het Rode Loper Project is van kleur veranderd (klinkers van rood naar grijs), maar voor mij zou vooral groen de kleur van de loper moeten zijn.
Tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948). Foto WUR
Gisteren, 17 oktober 2025 zag een nieuw boek het licht bij Uitgeverij Noordboek Gorredijk) over de werken van de tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve. De auteur is Ruud Schaafsma. Zelf besteedde ik voor het eerst aandacht aan Voorhoeve in een artikel in het tijdschrift GROEN in 1984, en weliswaar na 24 jaar, is er nu een boek over zijn werk verschenen.
Ruud Scaafsma bij de verschijning van het boek ‘Hoogtelijnen: werken van landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948)
Na een inleiding met biografische gegevens volgt een hoofdstuk over zijn opleiding, de karakteristeike kenmerken van zijn werk, de stijl waarin hij werkte en vooral zijn methode hoe bij al zijn ontwerpen het landschap als uitgangspunt te nemen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Oosterbeek en knoopte nauwe contacten met de gemeente aan. Hij was mede-oprichter van de Bond van Tuinkunstenaar is 1922. Over de 100 jaar geschiedenis van deze vereniging verschijnt toevallig volgende week (24 oktober 2025) ook een nieuw boek bij Uitgeverij Blauwdruk.
Bato’s Wijk, Oosterbeek. Ontwerp Samuel Voorhoeve, uitgaande van het bestaande park naar aanleg van D. Wattez. Ca. 1900. Coll. Gelders Archief
Na deze inleidende hoofdstukken volgen beschrijvingen van zijn grote bekende werken in Renkum, Oosterbeek, Doorwerth en Vierhouten, zoals Bato’s Wijk, Duno, Lage en Hoge Oorsprong. Na de Tweede Wereldoorlog trof hij een volledig verwoest Oosterbeek incl. zijn eigen werken aan. de weinige jaren die hem nog restten werden vooral aan de Werderopbouw besteed. Al zijn werken worden achterin het boek chronologisch aangeduid met vermelding van naam opdrachtgever, naam project, plaats, jaartallen van uitvoering, verblijfplaats van ontwerpen, en opmerkingen. Het boek is prachtig geïllustreerd ,et ontwerptekeningen, oude en nieuwe foto’s van de locaties etc. en sluit af met een noten-apparaat, een literatuurlijst, en ziet er zeer verzorgd uit.
Mammoethboom, Adraham Ledeboerpark, Enschede. Foto Wikipedia
De verkiezing van de Boom van het Jaar 2025 is geworden de Mammoethboom in het Abraham Ledeboerpark in Enschede.
De Volkskrant meldde gisteren (14 oktober 2025): Met ongeveer 35 meter hoogte en een omtrek van bijna 8 meter is de Sequoiadendron giganteum (‘sequoia’, of mammoetboom) een indrukwekkende verschijning in het Enschedese Abraham Ledeboerpark. Oorspronkelijk komt de boomsoort uit de Verenigde Staten, waar in Californië het bekende Sequoia National Park te vinden is. De bijzondere Enschedese mammoetboom werd dinsdag uitgeroepen tot Boom van het Jaar 2025.
Over de leeftijd en de geschiedenis van de boom gaat het verhaal verder: Hij zou zijn geplant door de familie Ledeboer, die in de tweede helft van de negentiende eeuw het landgoed ’t Wageler in bezit kreeg, wat later het Ledeboerpark zou worden. De textielindustrieel Abraham Ledeboer liet, geheel in de trend van die tijd, op het landgoed een ‘Engelse tuin’ aanleggen…
…De familie Ledeboer was een welvarende textielfamilie, waardoor zij verre reizen kon maken. De mammoetboom zou rond 1890 door de Ledeboers zijn geplant met zaden die de familie had meegenomen uit Californië. … Maar Olaf Visscher, archivaris bij het Archief Twentse Textielfamilies, ontdekte eerder dit jaar dat de boom al sinds 1866 in het park bleek te staan. In een oude factuur, getiteld ‘plantsoen voor uw aanleg rond ’t Wageler’, wordt eerder contact beschreven tussen tuinarchitect Dirk Wattez en Hendrik Jan van Heek, een andere textielfabrikant. De factuur voor de mammoetboom bedroeg 300 gulden. Daarmee is deze mammoetboom niet alleen een van de breedste, maar ook een van de oudste bomen in Nederland.
Abraham Ledeboerpark. Enschede, Foto Wikipedia
Het Ledeboerpark park beslaat een groot deel van de voormalige buitenplaats Het Wageler, in 1865 aangelegd door de tuinarchitect Dirk Wattez, en later werd gereorganiseerd door zijn zoon P.H. Wattez.
De buitenplaats maakt deel uit van het Overijsselse hoeven- of kampenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een kleinschalige afwisseling van akkers, weiden, bos en boerderijen, afgezet door houtwallen.
In 1956 werd Het Wageler door de familie Ledeboer aan de gemeente geschonken, ter nagedachtenis aan Abraham Ledeboer. Bij de overname werd bepaald dat het park uitsluitend een wandelpark zou blijven, dat er geen sportvelden zouden worden ingericht en dat er geen monumenten en geen restaurant zouden worden gebouwd. Het park bestaat uit een grote landschappelijk aangelegde vijver, gazons, fraaie oude houtopstanden en open weiden door bos omsloten. In een dierenweide lopen ezels, wilde zwijnen, damherten, geiten, ponies. Er is een volière met roofvogels. In het park zijn wandelroutes uitgezet. In een Twents Lös Hoes, genaamd ’t Lammerinkswönner, is een bezoekerscentrum ingericht waar permanente en tijdelijke exposities zijn te bezichtigen. Enschede is rijk bedeeld met voormalige buitenplaatsen, die door de eigenaars aan de gemeente geschonken zijn en zo de functie van gemeentepark hebben gekregen. Naast het Ledeboerpark zijn ook het Van Lochemsbleekpark en het Wooldrikpark voormalige buitenplaatsen.
Landgoed de Wielewaal van de familie Philips is openbaar park geworden. Vandaag berichtte Het Parool hierover en vanaf as zaterdag (29-09-2025) is iedereen welkom. Drie jaar geleden al weer deed ik een vluchtig onderzoekje naar de historie van het park. Dat is hier te lezen: https://lnkd.in/ehad5MwX
Het park is deels aangelegd door de bekende tuinarchitect Dirk Frederik Tersteeg. De gemeente wil allereerst zorg besteden aan het verhogen van de biodiversiteit, die nogal laag schijnt te zijn. Hier op de foto een ‘barokke’ kom, passend in het ontwerp van Tersteeg. Ook een pinetum (verzameling coniferen) maakt deel uit van het landgoed (foto hieronder).
Villa De Bijenschans. Foto Nederlandse TuinenstichtingHistorische interieurs in het Gooi; De
N.a.v. een monumentenaanvraag van de NTs / Nederlandse Tuinenstichting voor de tuin van villa ‘De Bijenschans’ in Hilversum, is onlangs de tuin (en ook de villa) tot gemeetelijk monument verklaard, op grond van de waardestelling (nov. 2023) die ons bureau voor de tuin maakte en op grond van de waardestelling van de architectuur van het huis, opgemaakt door Barbara Laan.
Ook werd een aanvraag bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed ingediend die nog loopt.
Na een lange ingewikkelde procedure zijn we erg blij dat het karakteristieke huis (ontwerp 1918, A. H. Wegerif) en de bijbehorende typische Tersteeg-tuin (ontwerp 1918, D.F. Tersteeg) niet worden gesloopt t.b.v. een geheel nieuw te bouwen villa.
De waardestelling voor de tuin is bij ons in te zien. Contact Carla Oldenburger.