Categoriearchief: Bomen

Nieuwe Beeldentuin voor Rijksmuseum in Carel Willinkplantsoen

De beeldentuin rond het Rijksmuseum stamt uit de tijd van de architect van het Rijksmuseum, Pierre Cuypers (1827-1921). De collectie beelden is eigenlijk een samenraapsel van beelden en architectuur-fragmenten, die laten zien dat  het Rijksmuseum niet alleen gericht is op het tonen van schilderijen,  tekeningen, meubels en ethnografica. Nu krijgt het Rijksmuseum er een nieuwe moderne-beeldetuin er bij. 

Oude foto Rijksmuseumtuin. Coll. Rijksmuseum

In eerder Bericht beschreef ik al eens dat de tuinbeelden en bouwfragmenten van deze eerste openlucht-beeldenexpositie  afkomstig waren uit oudere tuinen. Opgenomen in de tuin zijn: een achttiendeeeuws toegangshek van de buitenplaats Over-Amstel, een toegangshek (ontworpen door Daniel Marot) uit circa 1700 van Huis De Voorst bij Zutphen, drie Hercules-beelden en een Androclus van J.P. Baurscheidt de Oude afkomstig van de buitenplaats Bosch en Hoven in Haarlem, de godin Juno van Rombout Verhulst uit circa 1690, vier loden keizersbustes afkomstig van de buitenplaats Meer-en-Berg te Heemstede en een loden Diana uit de achttiende eeuw. Een tuinhuis uit 1731 is afkomstig van Keizersgracht 585. In de beeldengalerij aan beide zijden van dit tuinhuis staan beelden van de seizoenen Zomer, Lente en Herfst, afkomstig uit het atelier van Ignatius van Logteren. Van een huis aan het Spaarne bij Haarlem is een tuinkoepel van omstreeks 1730 aanwezig. De fragmenten van de Heerenpoort in Groningen, de Bergpoort in Deventer, de Waterpoort in Gorinchem, de poortgevel van de Commanderie te Utrecht en de Stadhouderspoort op het Binnenhof in Den Haag dateren uit de zeventiendeeeuw.

Art Impression Bureau Foster and partners London. Nieuwe Beeldentuin Rijksmuseum Amsterdam 2026. Carel Willinkplantsoen. Foto Rijksmuseum. Crouching Spider van Louise Bourgeois

(ovegenomen van Linkedin): “Een uitzonderlijke schenking van de Don Quichot-stichting stelt het Rijksmuseum nu in staat de stad Amsterdam te verrijken met een openbare beeldentuin van internationaal aanzien. De locatie is het Carel Willinkplantsoen vlakbij het Rijksmuseum, tussen de Hobbemakade en de Stadhouderskade. In deze driehoekige groene ruimte met drie paviljoens kunnen bezoekers genieten van sculpturen van wereldberoemde kunstenaars zoals Alberto Giacometti, Louise Bourgeois, Alexander Calder, Jean Arp, Roni Horn en Henry Moore, JoanMiro, Jean Dubuffet, Barbara Hepworth en Ellsworth Kelly.     De nieuwe tuin zal ook tijdelijke sculpturententoonstellingen huisvesten. De Don Quichot-stichting doneert 60 miljoen euro om de ontwikkeling van de nieuwe locatie te financieren. Ook levert het Rijksmuseum een groot aantal beelden op lange termijn in bruikleen. De nieuwe tentoonstellingsruimte van het museum zal bekend staan als het Don Quichot-paviljoen (of Don Quichot Sculpture Hall). De ontwerper van de nieuwe tuin is de Belgische landschapsarchitect Piet Blanckaert. Ook wordt de tuin met ruim 20 nieuwe volwassen bomen en met inheemse planten verrijkt om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

Het is de bedoeling dat de beeldentuin in het najaar 2026 wordt geopend.

“Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot”. Jaarboek 2023 van Cuypersgenootschap verschenen.

 

Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.

Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.

Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.

Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.

Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.

Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’. Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/

Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Amsterdam, 2025. 422 pp.

Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.

Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025.  Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums.  Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.

Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk  uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.

Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.

Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven,  was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland.  Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’.  Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.

Jac. (Co) P. Thijsse

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam  en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.

In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie,  naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.

Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.

En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.

Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.

Ik verwijs graag voor nadere kennismaking en eigen onderzoek naar de Ver. Natuurmonumenten, het  Archief van J.P. Thijsse en de Heimans en Thijsse stichting/

Boekbespreking. Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.

Boekbespreking Natascha Lensvelt e.a. Groen erfgoed in de stad. Rotterdam, 2025. 224 pp.

Als vanouds bomen op de werven van de Oude Gracht in Utrecht. Foto DUIC.

Het duurt even voor je door hebt hoe dit boek in elkaar zit. Het begint met drie maal twee (de eerste zwart-wit uit de vorige eeuw; de tweede in kleur uit deze eeuw) grijzige matte foto’s, over de hele opengeslagen breedte van het boek, van Tuindorp ’t Lansink Hengelo,  villapark Wilhelminapark Utrecht en Het Park Rotterdam. Dan  volgt de inhoudsopgave, die bestaat uit een introductie en  zes hoofdstukken, Wonen, Eten, Ontmoeten, Zorgen, Reizen, Leren, op het eerste gezicht niet direct onderwerpen die gelinkt zijn aan groen erfgoed. Elk van deze hoofdstukken bestaat uit drie delen, een uitgebreide  inleiding (auteurs Joosje van Geest, Anne Wolff, Gerrit van Oosterom, Leon Bok, Lotte Dijkstra en Renske Ek) over de geschiedenis en de waarde van het groen binnen het thema, gevolgd door een korte tekst over hoe men vandaag de dag tegen het thema van dit hoofdstuk aankijkt (6 x Steffen Nijhuis) en een kort interview (Lenneke Berkhout).

Grote thema’s die vandaag de dag  de aandacht vragen zijn woningbouw en klimaatadaptatie. Keuzes maken voor de toekomst wordt belangrijk. Moet monumentaal groen wijken voor woningbouw en gaan we oude wijken vergroenen? We hebben zo langzamerhand wel geleerd historische gezichten te behouden uit respect voor de geschiedenis, maar kunnen we eeuwenoude gezichten ook veranderen door te vergroenen? Denk eens aan een met bomen beplante Dam bijvoorbeeld.

Stof genoeg om over na te denken lijkt mij zo en dat is nu juist de bedoeling van dit boek

Achterin het boek zijn vier registers opgenomen: Noten, Literatuur, Plaatsregister en Illustratieverantwoording. Helaas geen Personenregister. Zou wel handig geweest zijn in een boek dat gaat over Groen Erfgoed en waarin bijbehorende namen van (tuin)architecten, botanici, kwekers, etc. ook figureren.

Het boek sluit af zoals het begonnen is, met drie maal twee grijzige matte foto’s, dit maal van Het Malieveld, de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam en de Catharijnesingel te Utrecht, ter hoogte van de Oud-Katholieke Kerk, anno 1973 (gedempt) en anno 2025 (hersteld).

Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven

Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.

Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA. 

Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht  dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.

Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.

Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.

Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en  de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’  van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.

Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral  ‘Bomen van Pieter Saenredam’  en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.

Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg  langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).

Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.

Tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh

Buitenplaats Trompenburg. ’s Graveland vanuit de lucht. Noorden rechts. Foto

In het Erfgoedhuis Hilversum bij de Bibliotheek Hilversum is een pop-up tentoonstelling over Buitenplaats Trompenburgh te ’s Graveland. gestart. De expositie richt zich op het  heden en verleden van deze hele bijzondere buitenplaats. Zowel het fantastische 17de eeuwse huis als ook de  tuin en het park komen ter sprake, vanaf de bouw door Cornelis Tromp en Margaretha van Raephorst na het Rampjaar 1672 tot aan de restauratie van vandaag.

Wat zijn de plannen voor de restauratie van de tuinen en het park?
In 2009 werd ons bureau al gevraagd naar onze eerste mening over een eventuele restauratie van de tuin en het park. We adviseerden toen eerst een onderzoek naar de geschiedenis van de tuin te laten doen; in 2023 raakten we weer betrokken bij de restauratie van de tuin, nu in opdracht van  ‘Mooi Noord-Holland’.  We bestudeerden toen het plan Karres en Brands, dat uitgevoerd gaat worden. Het ontwerp voor de eilanden en de boomgaarden  is gebaseerd op het 17de eeuwse ontwerp met hagen die de eilanden omringen, terwijl het 19de eeuwse parkbos de oorspronkelijke landschappelijke structuren zal behouden.
Het zal heel moeilijk zijn de boomgaard te beplanten met 17de eeuwse vruchtbomen want appel- en perenrassen uit die tijd zijn er eigenlijk niet meer. Dat zullen wel 19de eeuwse rassen worden. We wachten het af.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh door Bureau Karres en Brands. Stippellijn geeft oorsprnkelijke situatie aan. Ontwerp op basis van 17de eeuws ontwerp.. Noorden boven.
Ontwerp tuin en park Trompenburgh, door Bureau Karres en Brands. met oprijlaan. 2023. Noorden boven.

Bekend is ook nog een ontwerp van Copijn / Bruine Beuk uit 1998. Naast oude prenten en nieuwe ontwerpen worden op de tentoonstelling bijzondere vondsten getoond: een deel van de oorspronkelijke steektrap, een trotseerloodje uit 1678, kleurtesten en aantekeningen van restauratoren.

📍 Bibliotheek Hilversum, ‘s-Gravelandseweg 55, Hilversum
☕️ Entree via leescafé en ArtHilversum
🕛 Open: ma t/m za van 12.00–17.00 uur
🎟️ Toegang gratis

Bezoek aan Landgoed Staverden i.v.m. 50 jarig bestand BAC / BeheerAdviesCommissie

Mooie samenkomst op Landgoed Staverden.
Bassin in Tuinen Staverden richting beeld van de Witte Pauw.
Foto Carla Oldenburger

De BAC/BeheerAdviesCommissie van Geldersch Landschap bestaat 50 jaar. Dat is een mooie gelegenheid om de leden van afgelopen 50 jaar bijeen te roepen op één van de landgoederen van GLK, waar op dit moment iets interessants valt te beleven, zo had de directie gedacht. Dat was dus gisteren (18 november) en we troffen elkaar op Staverden waar de restauratie van het huis (uit ca. 1910, kasteel genoemd) in volle gang is. We werden rondgeleid van kelder tot zolder in het huis, vooral heel interessant om de historische overblijfselen te zien, zoals tegels, profielen, super hoge en brede deuren, prachtige plafonds, veranda en balkons en vooral de ligging ‘in het water’ met uitzicht over het water op de oevers en bomen aan de overkant. Ik was natuurlijk ook erg benieuwd naar de status van de tuinen en het park, een ontwerp van Juliet Oldenburger, naar het ontwerp van P.H. Wattez. Het eiland met Leonora, de gerestaureerde ijskelder met nieuwe toegang, de staat van de berceau, het pauwenverblijf met eigen hof etc. etc., het zag er allemaal fantastisch uit.
Dank aan GLK voor deze geweldige middag.
Zie ook Welkom-pagina voor enkele foto’s en Groen-Ontwerpen
voor het ontwerp.
Uitleg over nieuwe heester-aanplantbij de ijskelder. v.l.n.r. Rob Schouten, Rienk-Jan Bijlsma en tuinarchitecte. Foto Carla Oldenburger
Uitzicht vanaf balkon Kasteel Staverden naar het noorden. Foto Carla Oldenburger

Kasteel Asten, erfgoed en romantiek

Kasteel Asten. Andries Schoemaker, ca. 1732. Naar een gravure van H. Cause. Coll. KU Brabant
Dr. Calogero Dell’Aira beschreef onlangs op Linkedin “Kasteel Asten als een plaats van romantiek, een plek van geschiedenis en bekend vanwege de wrede heksenprocessen tijdens het bewind van kasteelheer Bernard van Merode in de zestiende eeuw. Dit kasteelcomplex wordt bewoond door een aantal huishoudens en beheerd door een onafhankelijke stichting. Een prachtig voorbeeld van hoe romantiek en erfgoed mooi samengaan en uitstekend in stand worden gehouden op een wijze die meer navolging verdient.”

Deze korte beschrijving sluit geheel aan op de detaillistische beschrijving in de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (deel 4, Rotterdam, 2000):

“Het kasteel van Asten, dat vanaf de zestiende eeuw werd gebouwd op de plaats van een versterkt huis uit de eerste helft van de vijftiende eeuw, kent een lange bouwgeschiedenis, waarbij het niet alleen steeds verder werd verfraaid en uitgebreid, maar ook tot twee maal toe tot ruïne verviel. Oorspronkelijk was het kasteel de zetel van de heren van Asten. De eerste periode van verval brak aan, nadat de laatste bewoner het gebouw in 1892 verlaten had. In 1935 werd begonnen met een restauratieplan voor het huis, gemaakt door architect L. de Vries uit Helmond. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, nadat de grote vleugel weer geheel herbouwd was, werd het kasteel in puin geschoten door de Duitsers, waarna opnieuw een periode van verval aanbrak.
Over de tuingeschiedenis van Asten is weinig bekend. Het kasteel lag binnen een dubbele omgrachting en had rond 1760 een ruime voorhof met koetshuis, paardenstal, schuur, bakhuis, een boerenhoeve en een ‘hof’ met een boomgaard omgeven door een beukenhaag. Via een laan, beplant met eiken, naderde men een poortgebouw dat toegang gaf tot de voorhof. In 1811 was de situatie nog ongeveer hetzelfde. Wind- en watermolens, hooi-, akker- en weilanden, beuken- en dennenbos behoorden bij het bezit. De bossen waren waarschijnlijk eerder jacht- en hakhoutbossen dan parkbossen, aangezien de oude omgrachting tot op heden bewaard is gebleven, hetgeen er op duidt dat er nooit een ingrijpende verandering in landschapsstijl heeft plaatsgevonden. In de omgeving is de oude landgoedstructuur met cultuurgronden, doorsneden door enkele oude lanen en een beekdal nog goed te herkennen. Op de voorhof staat nog altijd het poortgebouw met in de vleugels twee boerderijen. In 1998 is gestart met de restauratie van de kasteelruïne, dat wil zeggen dat men consolideren hoog in het vaandel had staan en niet, zoals eerder het plan was, met nieuwe materialen een reconstructie probeert te maken van het oude kasteel.
Behalve voor het culturele aspect, is in deze benadering ook een grote rol weggelegd voor de natuur. Enerzijds is er respect voor de natuur als kracht die het verval mede heeft veroorzaakt. Anderzijds zijn het oude gebouw en de jonge beplanting, die er onbedoeld tegenaan is gegroeid, een wonderlijke symbiose aangegaan, die men niet wil verstoren. Zo wordt een deel van de ruïne omstrengeld door een reusachtige klimop, die het geheel de zo typerende romantische aanblik geeft en in het restauratieplan zodanig begeleid wordt, dat gebouw en plant zoveel mogelijk intact blijven. Ook aan andere klimplanten die zich spontaan tegen de muur hebben gevestigd, zoals een bruidssluier, wordt de nodige aandacht besteed. De oostvleugel, met restanten uit de vijftiende en zestiende eeuw, is met opzet bedekt met grasplaggen, waaruit eerst grassen en later ook andere wilde planten zullen groeien, die de contouren van de ruïne verzachten en de schilderachtige aanblik nog zullen versterken. In de toekomst hoopt men in de directe omgeving van het kasteel met minimale aanplant het idyllische kader te versterken. Dat staat geschreven in de Gids van 2000 en is wonderwel gelukt kunnen we nu in 2025 constateren.
De restauratie van de ruïne van kasteel Asten is een van de voorbeeldprojecten van consoliderende restauratie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en mag baanbrekend genoemd worden omdat ze afrekent met de schoolse restauratie van historische gebouwen en de bijbehorende trend van reconstructie van stijve, zogenaamde historische tuintjes.”

Brief aan de stad Amsterdam 750

Mijn brief aan de stad

Ik doe mee aan  Project ‘Brief aan de stad’ [Amsterdam], een onderdeel  van Project ‘Schrijven naar de Toekomst’.

26 oktober werden deze brieven in het Stadsarchief aangeboden en het is de bedoeling dat ze over 50 jaar pas weer geopend worden.

ingestuurd door Carla Oldenburger (1939).

Mijn biografie van groen-Amsterdam

Als kleuter droomde ik vaak van een autoped met luchtbanden en van vlinders in onze tuin. Maar er was geen enkele kans op die autoped want het was oorlog en we hadden niet eens genoeg geld om te eten. Buitenspelen vond ik ook eng, ik was bang voor de Duitse soldaten die in de school tegenover het huis van mijn oma en opa waren ingekwartierd. Mijn speelruimte was dus voornamelijk beperkt tot binnen, thuis op de Geuzenkade (wel gelukkig een tuin en ’s winters op het ijs van de Kostverlorenvaart) en bij mijn grootouders in de Bonairestraat en de Pieter Langedijkstraat. 

Vandaar dat ik heel graag met een van mijn beide ouders op pad ging, eendjes voeren in het Vondelpark met mijn moeder of op de fiets richting de Nieuwe Meer met mijn vader, naar het volkstuincomplex Ons Buiten. En of dat nog niet genoeg was, naar de fazanten en kalkoenen en de mooie tuin met vlinders in de Geuzenhof (Ontwerp Mien Ruys).

Tuin Geuzenhof, met vooraan volière met (vóór WOII) kalkoenen,  fazanten, kippen en .een pauw. Foto Stadsarchief

Op deze plaatsen, in het Vondelpark, en Ons Buiten en de Geuzenhof, liggen mijn groene Amsterdamse roots. Belangrijk voor mij omdat ik later bioloog ben geworden en ik eigenlijk nu pas (in mijn 86-ste levensjaar) besef dat stadsgroen als inspiratiebron niet onderdoet voor natuurbeleving in de Franse Alpen of in het tropisch regenwoud. Met veel belangstelling heb ik de laatste jaren dan ook de renovatie van de Geuzenhof gevolgd en evenzo die van het Vondelpark een paar jaar geleden.

Eén fietsroute herinner ik me nog als de dag van gisteren. Vóór op de fiets van mijn vader reden we van huis uit over de Geuzenkade en de Baarsjes (langs de Kostverlorenvaart), vervolgens over de Sloterkade en het Jaagpad (langs de Schinkel) naar het volkstuincomplex Ons Buiten aan de Nieuwe Meer. Onderweg was het altijd mijn vurige wens om over alle putdeksels te rijden omdat die telkens zo’n heerlijke muzikale klik-klak gaven als je daar  over heen reed. Ik kan dat geluid nu nog duidelijk horen. Als we langs de Schinkel het trappetje naderden, dat toegang gaf tot Begraafplaats Huis Te Vraag, begon mijn vader sterke verhalen over zijn grootvader Laurens Vogelesang te vertellen (hij en zijn vrouw Johanna Hendrika Maris liggen op Te Vraag begraven).

Ingang Begraafplaats  Huis Te Vraag. Huisje voor de grafkransen. Foto Carla Oldenburger

Deze opa had de beroemde Jac. P. Thijsse goed gekend. Opa Laurens was namelijk hoofdonderwijzer geweest (periode 1890-1911) op de Koningin Emmaschool aan de Passeerdersgracht en heel toevallig was de beroemde natuurbeschermer Thijsse in die periode ook hoofdonderwijzer (1892-1898) op een school aan de Passeerdersgracht, namelijk op de school die onder één dak was gebouwd met de Kon. Emmaschool. Helaas heb ik geen bewijzen van hun kennis aan elkaar, maar in onze familie werd wel veel en lovend over Thijsse gesproken en nog steeds hebben we alle Verkade-albums en andere boeken van zijn hand in bezit. Naar het graf van Opa Laurens ben ik nog wel eens op zoek geweest, maar de begraafplaats wordt tegenwoordig zó ‘romantisch’ onderhouden, dat de meeste graven onherkenbaar verdwenen zijn onder het overhangende loof. Door toedoen van kunstenaar en bewoner van de voormalige aula, Leon van der Heijden (1938-2020), is een uniek gravenpark ontstaan, dat zijn weerga niet kent. Leon heeft wat je noemt zijn ziel in het park gelegd en daardoor zijn alle graven natuurhistorische monumentjes geworden.

Ook het Vondelpark (naar ontwerp van de bekende tuinarchitecten Jan David en Louis Paul Zocher) was in mijn eerste levensjaren een bekende plek voor mij. In 1943, toen ik vier maal jarig was geweest, werd het park gesloten door de Duitse Wehrmacht, maar vóór die tijd wilde ik heel graag met mama ‘uit, uit, uit’ om daar de eendjes te voeren en tegen de zwanen en de roeken en de reigers te praten. Er waren nog geen halsbandparkieten, die had ik vast ook heel mooi gevonden, die knalgroene vogels met hun rode snavels. 

In het Amsterdamse Bos (Boschplan, ontwerp Jacoba Mulder) leerde ik mijn eerste wilde planten kennen. Mijn vader was altijd op jacht naar nieuwe soorten die hij nog niet kende, met het gevolg dat ook ik op mijn manier met die planten kennis maakte. Fietsen naar het Boschplan stond eigenlijk ook altijd op mijn wensenlijstje. 

Boschplan. Brug over kanaal tussen Bosbaan en Nieuwe Meer.  Foto Wikipedia

In de winter van 1944/1945 veranderde er veel in mijn kleuter-leventje. Mijn ouders maakten zich toen ernstig zorgen over mijn gezondheid, omdat er nauwelijks genoeg te eten was in de stad. Vele moeders gingen ‘de boer op’ om eigendommen te ruilen tegen vlees en boter en aardappelen. Ik werd dan ondergebracht bij mijn oma en opa in de Bonairestraat, dáár vooral liggen mijn oorlogsherinneringen. Nog jaren lang heb ik gedroomd van marcherende soldaten, die mij de grond instampten als ze terugkeerden in hun hoofdkwartier. Tenslotte werd ik ‘naar de boeren’ gebracht in Dirkshorn, waar de familie Duinkerken mij als hun eigen kind heeft opgevangen. Ik vond het fantastisch omdat ik nu opeens broertjes en zusjes had en van hen een heleboel kon leren zoals melken en karnen en helpen de dieren te verzorgen, vooral kippen voeren vond ik erg leuk, werken in de moestuin en in de bessengaard met rode en zwarte bessen en kruisbessen, groenten schoon maken en verwerken enz. enz. De korenbloemen en klaprozen bloeiden nog op de akkers en als ik me goed herinner gingen we nog met paard en wagen naar de molen om graan te brengen en meel te halen voor het brood. Ik was dus weer in het groene leven terecht gekomen, nu -voor even- buiten Amsterdam.

korenbloemen en kamille op een akker. Foto Wikipedia

Nu tachtig jaar later, is de stad Amsterdam toch voor mij een groene levensbron gebleken. Ik idealiseer natuurlijk, maar vanuit de groene beelden die ik altijd in mijn hoofd heb bewaard en vanuit de kennis die ik in al die jaren erna heb opgedaan, doemen beelden op van een groene toekomst voor de stad. Amsterdam is altijd een groene stad geweest, denk aan de iepen langs de grachten en de keurtuinen tussen de grachten, maar is al dat groen wel voldoende voor de aankomende hete en natte zomers? Er lopen al allerlei projecten om straten meer schaduwrijk te maken en om bij nieuwbouwplannen naast open speelpleinen in de zon ook vooral aandacht te schenken aan beschaduwde paden en pleinen (door lindes en platanen) en koele waterpartijen. Is het ook mogelijk en wenselijk de binnenplaatsen van het Burger Weeshuis (Amsterdam Museum) of de Dam te vergroenen? We denken dan gauw aan zitjes bedekt door het loof van dakplatanen of andere dakbomen…Toch maar liever niet zou ik zeggen. De Dam is vanouds een open plein, het centrum van de stad. Door die openheid komt de architectuur van het voormalige stadhuis (later veranderd in koninklijk paleis) prachtig tot uiting en dat willen we graag zo houden. Wel zou het misschien mogelijk zijn de Dam aan de kant van de Bijenkorf te vergroenen, daar heeft tenslotte tussen 1925 en 1947 al eens eerder een plantsoentje gelegen. En laten we niet vergeten, het Rode Loper Project is van kleur veranderd (klinkers van rood naar grijs), maar voor mij zou vooral groen de kleur van de loper moeten zijn.

Rhenen augustus 2025.

Boek over de tuinarchitect Samuel Voorhoeve verschenen (1880-1948)

Tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948). Foto WUR

Gisteren, 17 oktober 2025 zag een nieuw boek het licht bij Uitgeverij Noordboek Gorredijk) over de werken van de tuin- en landschapsarchitect Samuel Voorhoeve. De auteur is Ruud Schaafsma. Zelf besteedde ik voor het eerst aandacht aan Voorhoeve in een artikel in het tijdschrift GROEN in 1984, en weliswaar na 24 jaar, is er nu een boek over zijn werk verschenen.

Ruud Scaafsma bij de verschijning van het boek ‘Hoogtelijnen: werken van landschapsarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948)

Na een inleiding met biografische gegevens volgt een hoofdstuk over zijn opleiding, de karakteristeike kenmerken van zijn werk, de stijl waarin hij werkte en vooral zijn methode hoe bij al zijn ontwerpen het landschap als uitgangspunt te nemen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Oosterbeek en knoopte nauwe contacten met de gemeente aan. Hij was mede-oprichter van de Bond van Tuinkunstenaar is 1922. Over de 100 jaar geschiedenis van deze vereniging verschijnt toevallig volgende week (24 oktober 2025) ook een nieuw boek bij Uitgeverij Blauwdruk.

Bato’s Wijk, Oosterbeek. Ontwerp Samuel Voorhoeve, uitgaande van het bestaande park naar aanleg van D. Wattez. Ca. 1900. Coll. Gelders Archief

Na deze inleidende hoofdstukken volgen beschrijvingen van zijn grote bekende werken in Renkum, Oosterbeek, Doorwerth en Vierhouten, zoals Bato’s Wijk, Duno, Lage en Hoge Oorsprong. Na de Tweede Wereldoorlog trof hij een volledig verwoest Oosterbeek incl. zijn eigen werken aan. de weinige jaren die hem nog restten werden vooral aan de Werderopbouw besteed. Al zijn werken worden achterin het boek chronologisch aangeduid met vermelding van naam opdrachtgever, naam project, plaats, jaartallen van uitvoering, verblijfplaats van ontwerpen, en opmerkingen. Het boek is prachtig geïllustreerd ,et ontwerptekeningen, oude en nieuwe foto’s van de locaties etc. en sluit af met een noten-apparaat, een literatuurlijst,  en ziet er zeer verzorgd uit.